Ferdinand Huyck

Chapter 24

Chapter 243,818 wordsPublic domain

Sander zag mij een wijl aan met doordringenden blik: "UEd. vraagt mij naar den bekenden weg," zeide hij vervolgens, "en weet zoogoed als ik, dat de man er ook bij is, al luidt zijn naam wat deftiger.--Maar dit daargelaten, UEd. kan uit dit alles besluiten, dat ik onder mijn eigen vlag niet durf varen en dus wel valsche kleuren dien te wijzen. Hoe wil ik nu mijn weg beteren, daar ik, 't ga, hoe 't ga, gedwongen ben de lieden of te bedriegen, of te bestelen?"

"Mijn vader," zeide ik, "is een rechtschapen man: zoo gij u bij hem begaaft, hem rondborstig uw levensloop verhaaldet, en hem ware begeerte toondet om uw doolpad te verlaten, zou hij waarschijnlijk in staat zijn, u kwijtschelding voor uwe begane misdrijven te bezorgen en een beter vooruitzicht voor de toekomst te openen."

"Al is," zeide Sander, "het schip nog zoo lek en de branding nog zoo fel, zoo zal de matroos, om zijn leven te redden, niet overboord springen, wanneer hij haaien voor den boeg ziet. Ik dank u, Mijnheer Huyck! maar ik heb mijn nek te lief om uw voorslag aan te nemen. Mijn oogmerk is naar Rusland of Noorwegen te gaan en te zien, of men mij daar gebruiken kan: want dat loeren achter de struiken, en dat openveteren van nachtsloten is geen werk voor iemand, die een korvet gecommandeerd heeft."

"De hemel geleide u," zeide ik: "maar hebt gij mij nu nog verder iets te zeggen? Het gezelschap wacht mij, en...."

"En dat van een boef, gelijk ik, begint u lastig te worden: dit begrijp ik. Ik zal het kort maken. Deze kleinigheid verzoek ik u aan te nemen als herinnering aan onze ontmoeting en als een bewijs mijner erkentelijkheid."

Dit zeggende, bood hij mij een ring aan, met fraaie _brillanten_ omzet.

"Ik dank u," antwoordde ik, het geschenk afwijzende: "ik heb geen waarborg, dat gij recht hebt, dien ring weg te geven, en bovendien verlang ik geen verplichting aan u te hebben."

"De ring behoort mij," zeide Sander, "ik heb dien met het zwaard genomen van een kaper, die in onze jacht was komen stroopen en wien wij zijn buit deden overgeven. Doch, begeert gij hem niet, het is wel, zoo blijf ik uw schuldenaar. Tweemalen hebt gij mij ontmoet: ook deze reis vertrouw ik op uwe bescheidenheid te kunnen rekenen."

"Nog vier en twintig uren," zeide ik, "wil ik u die beloven; maar zijn die verstreken, dan acht ik het mijn plicht als burger, uw verblijf te ontdekken."

"Over vier en twintig uren moogt gij, wat mij betreft, op de daken schreeuwen, dat Sander Gerritz, Joachim Weerglas en Zwarte Piet slechts één persoon zijn."

"'t Is wel! maar maak nu, dat gij voortkomt. Ik hoor de gasten reeds opstaan."

"Nog één verzoek; misschien kent UEd. in Amsterdam zekeren armen poëet, Lucas Helding, bij name."

Ik knikte toestemmend.

"Welnu! zou ik u mogen belasten met hem dit geld ter hand te stellen. De man is behoeftig, en ik weet, dat zulks hem niet te onpas komen zal."

Dit zeggende, haalde hij een geldzakje voor den dag, en stak het mij toe.

"Wat nu!" riep ik verbaasd. "Behoort Helding ook al tot de bende?"

"Neen Mijnheer!"--Maar ik heb den man vroeger gekend; ik weet, dat hij broodsgebrek lijdt en leven moet van de brokken, die rijke lieden hem toewerpen, gelijk zij aan hun hof hond zouden doen. Ik heb genoeg om de reis te ondernemen. Dit geld kan ik missen."

"Verschoon mij", zeide ik: "maar zoo de goede man den oorsprong van dit geld kende, zou hij het nimmer willen aannemen."

"De henker hale die nauwgezetheid!" zeide Sander, op de lippen bijtende: "de man, wien ik dat sommetje afhandig heb gemaakt, was een vreemdeling, die wellicht te Moskou of te Weenen te huis behoort en wien ik het niet kan terugzenden. Ik wil er mij van ontdoen: kan ik beter handelen, dan door het aan aalmoezen te besteden? En heb ik dan geen recht, iemand daarmede te bevoordeelen, die arm en braaf is?"

"Gij zoudt althans rechtvaardiger handelen," antwoordde ik, "door het aan de lieden terug te geven, die gij bestolen hebt, en die gij kent. Vergoeding gaat boven aalmoezen."

"Vergoeding!" riep hij ongeduldig uit: "en wat heb ik hem niet te vergoeden? Hoor eens, Mijnheer! en beoordeel mij. Zes jaren geleden, voor ik met Kapitein Pulver uitzeilde, had ik kennis aan de dochter van Helding: een engel van braafheid, de lust van haar vader en van al wie haar kende. Wij hadden elkander lief: zij zou mijn vrouw worden, zoodra ik Stuurman was. 's Avonds voor mijn vertrek, daar wij met ons beiden alleen waren...." Hier begon Sander te snikken.

"Ik versta u," zeide ik, getroffen over de ontroering van den man, bij wien in weerwil zijner wanbedrijven het goede zaad nog niet geheel verstikt scheen te zijn: gij waart ondernemend en zij wellicht te zwak...."

"Ja Mijnheer!--Ik ging op reis. Wij hadden met tegenspoeden van allerlei aard te kampen. Wij werden door zeeroovers gevangen: en, door nood gedwongen, trad ik bij hen in dienst. Ik verwierf mij het vertrouwen en de gunst van het opperhoofd, die mij al spoedig tot zijn Luitenant verhief. Hoe hij ons verliet en hoe ikzelf na zijn vertrek het bevel bekwam, en den naam van Zwarten Piet niet minder beroemd maakte dan die van Don Manoël geweest was, ware te lang om hier te vertellen. De fortuin liep ons eindelijk tegen: ik werd gevangengenomen, doch ontsnapte en kwam op een Hollandsch schip terug. Te Heivoet echter werd ik herkend door een Kapitein, wiens vaartuig ik geplunderd had: ik ontsnapte den rakkers, die mij zochten, en leidde sinds een zwervend leven. Van zeeschuimer werd ik struikroover; maar, zooals ik u zeide, dit laatste beroep begon mij tegen te staan. Ik trachtte intusschen narichten in te winnen omtrent Klaartje; want, ofschoon ik in de West-Indiën, en toen ik geen gedachten had haar ooit weer te zien, haar beeld zoo wat op den achtergrond had gezet, bij mijn terugkomst in mijn vaderland was het of mijn liefde met dubbele kracht herleefde;--maar och, Mijnheer! wat moest ik hooren? Zij was weg, zij had haar vader verlaten, was van kwaad tot erger geraakt, en leidde nu hier, dan daar, een ongebonden leven.--Ik weet, het is slechts gedeeltelijk mijne schuld: en echter is het mij, als had ik al die ellende veroorzaakt.--Ben ik nu den ouden man vergoeding schuldig of niet?"

De gelaatstrekken van Sander hadden gedurende dit verhaal, hetwelk hij onder gedurig snikken en met een bevende stem gedaan had, dezelfde bleekheid en ontroering vertoond, welke mij in de kerk des morgens getroffen hadden. Ik besefte nu, waarom het tafereel, door den Predikant gemaald, zulk een indruk op hem gemaakt had.

"Helding zal, indien dit alles waar is, van u althans niets willes aanvaarden," hernam ik, zelf niet wetende, wat te zeggen.

"Dat behoeft ook niet, Helding weet niet, mag niet weten, van wien dit komt. Nog eens, wat ik u bidden mag, bezorg dit aan den goeden man."

"Hebt gij geen andere gelegenheid?" vroeg ik, eenigszins bedremmeld; want ik hoorde het gezelschap, dat door de gang kwam en de stoep aftrad.

"Ik heb," antwoordde hij, "onder mijn kennissen geen eerlijke lieden genoeg, om hun zulk een boodschap op te dragen:--hier ligt het geld: ik neem het niet weer op: gij zult--gij moet het bezorgen."

"In waarheid!" hernam ik: "het is een commissie, die ik met mijn geweten niet kan overeenbrengen. Gij maakt mij tot heler van gestolen goed."

"Uw dienaar, Mijnheer! God zegene u." En zich buigende, opende bij de deur om te vertrekken, toen hem iemand, die juist binnenkwam, met een vaart tegen 't lijf kwam aanloopen.

"Vergeving! vergeving!" zeide Kapitein Pulver! want deze was het: "ik kwam mijn hoed zoeken, dien ik hier gelaten heb....; maar wat deksel! de droes is zoo niet!" en hij bleef Sander met een open mond aanstaren. Deze was een oogenblik onthutst; maar, zich herstellende, wendde hij het gezicht naar mij toe en van Pulver af en wilde het vertrek verlaten.

"Maar voor den duiker!" riep Pulver, die al om hem heen gedraaid had: "heb ik het mis of heb ik het wis? Is UEd., als ik mag vragen...."

"Uw dienaar, Sinjeur!" zeide Sander, zich haastig door de gang naar de voordeur begevende.

"Maar met uw verlof! een amerijtje geduld!" riep Pulver, hem navolgende: "Sander! ben je 't? of ben je 't niet? Sandertje! ken je Kapitein Pulver niet meer?"

Sander zag waarschijnlijk, dat alleen onbeschaamdheid hem uit dezen pas kon redden. Hij draaide zich aan de voordeur om, trad met een vasten stap naar Pulver toe en zag hem stijf in 't gezicht.

"Sinjeur!" zeide hij: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. heeft den verkeerde voor. Mijn naam is Joachim Weerglas. Ik heb de eer u te groeten."

Dit gezegd hebbende, maakte hij rechtsomkeert, liet Pulver bedremmeld staan, stapte de stoep af, en, in het voorbijgaan het gezelschap, dat op het voorplein stond, deftig groetende, wandelde hij zonder overhaasting de plaats af.

"Nu! ik mag lijden dat mijn fokkemast in een nachtkaars verandert," zeide Pulver, hem verbaasd naoogende: "indien ik ooit zulk een gelijkenis meer gezien heb."

"Ik moet zeggen, "Neef!" zeide Tante, toen ik, na den geldzak op mijn kamer gebracht te hebben, weder buiten gekomen was; "die Monsieur is lang van stof. Wat had die met u te verhandelen?"

"O! heel wat," zeide ik: "meer dan ik thans vertellen kan."

"Wie was die Heer?" vroeg Suzanna: "mij dunkt, ik heb hem hedenmorgen in de kerk gezien."

"Gij hadt beter gedaan," zeide ik, een andere wending aan het gesprek wenschende te geven, "den Predikant aan te zien, dan de jonge Messieurs te begluren."

"Kan ik het helpen?" hernam Suzanna: "die man dwong mij wel hem aan te kijken; want hij snikte zoo luid, dat iedereen het hoorde."

"Inderdaad," zeide Henriëtte: "nu gij 't zegt, herinner ik mij ook, hem te hebben opgemerkt. Hij scheen zeer getroffen door de predikatie."

"Gekheid!" hernam Suzanna: "hij huilde van verdriet bij de gedachte, dat hij bij gebrek aan contanten al de kermisvermaken zou moeten missen, welke Dominee zoo treffend afschilderde, zoodat hij als zijn meisje hem van avond vraagt:

Jan! koop mij een kermis,

zal moeten antwoorden:

Mooi meisje! ik heb er geen geld."

"Nu zijt gij er toch niet achter, Zusje!" zeide ik: "want hij kwam mij juist verlof verzoeken om met u ter kermis te gaan."

"Zoo! En ik hoop dat gij gezegt hebt; als 't u belieft."

"Ik zeide, wij waren al Heeren genoeg."

"Wel foei! zoo zal ik nooit een vrijer krijgen, als gij die op zulk een manier afscheept.--Maar, Kapitein Pulver! Hoe is het? Gij kijkt dien Monsieur nogal na, schoon hij reeds lang uit het gezicht is. Ik heb wel gehoord, dat de zeelui door oefening een scherp gezicht krijgen! maar toch! of gij hem zoo door de bladeren heen kunt ontdekken, dat zou mij verwonderen."

"Kapitein Pulver meende, geloof ik, dat hij den man kende," zeide ik.

"Ja waarlijk!" zeide Pulver, als uit een droom ontwakende: "en ik geloof het nog."

"Kent gij Monsieur Weerglas?" vroeg Tante, hem naderende: "want ik meen, dat hij het was."

"Monsieur Weerglas!" herhaalde Pulver: "ik heb nooit een weerglas gekend dan hetgeen ik aan boord gebruik en gemaakt is door Michiel Blut op den Zeedijk. De waarheid is, dat de man als twee druppelen water gelijkt op mijn Onderstuurman Sander Gerritz, daar ik heden van verteld heb."

"De Kapitein," zeide Suzanna tegen Tante, "dacht als Phocas bij Corneille:

_Tombai-je dans l'erreur ou si j'en vais sortir?_

"Ja Juffertje! als ik Fransch verstond," zeide Pulver, "dan zou ik dat misschien gedacht hebben; maar ik heb dien _kornoelje_ nooit gekend."

"Kom!" zeide Tante: "laat ons maar niet meer aan dien man denken, en onze wandeling voortzetten. Daar is Van Baalen al een eind vooruit met den Heer Blaek, en zij zijn zoo druk over den wissel op Londen aan den gang, dat zij niet bespeuren, dat wij achterblijven. En de Heer Lodewijk, waar is die?"

"Ik geloof naar stal," zeide Henriëtte: "om de paarden van den Heer Van Baalen te zien."

"Aha! zoo hij die boven ons gezelschap verkiest," zeide Suzanna, "dan zie ik wel, dat ik op hem ook niet zal moeten rekenen, om mij hedenavond ter kermis te brengen, en ik zal Kapitein Pulver wel te vriend mogen houden: anders ben ik geheel zonder vrijer."

"Tante heeft wel gelijk," zeide ik stil tegen Henriëtte: "wanneer zij zegt, dat wij dien Monsieur Weerglas moeten daarlaten. Hij heeft mij ten minste lang genoeg onttrokken aan een gezelschap, dat mij boven alles aangenaam is."

"Mijnheer!" antwoordde Henriëtte: "gij herinnert u onze afspraak op den koepel wel? Wij zouden alle complimenten daarlaten."

"Ik kan het waarlijk niet helpen," zeide ik, "dat gij geen onderscheid weet te maken tusschen waarheid en complimenten."

Op deze wijze pratende, wandelden wij voort, terwijl Suzanna den zeeman had beetgenomen, wien zij allerlei vragen deed, en Tante nu rechts dan links liep, om bloemen te plukken, welke zij alsdan aan de jonge meisjes kwam aanbieden. Na eenigen tijd vervoegde zich Lodewijk weder bij ons, of liever bij Van Baalen, met wien hij, na lang loven en bieden, den koop eens werd over de harddravers, onder beding, dat hij die nog eens zoude probeeren.

Te huis gekeerd, vonden wij de theetafel, die ons wachtte: en terwijl wij het geurige kruid dronken, liet ik, mij van alle onzekerheid wenschende te ontslaan, het gesprek vallen op de Spaansche aangelegenheden: waarna ik, bij mijn neus langs, de vraag deed, of iemand den Graaf van Talavera ooit had hooren noemen.

Het kwam mij voor, of de Heer Blaek bij deze vraag eenigszins van kleur veranderde: hij hield zich althans, of hij dien nooit geboord had; maar Van Baalen haastte zich te antwoorden:

"Den Graaf van Talavera! wel zeker! wie kent dien niet? Hij was Vlies-Ridder, Grande van Spanje, Admiraal van Castilië, gunsteling des Konings; in één woord, een troetelkind van 't geluk;--maar 't kan verkeeren, zegt Bredero: en met hem is het ook mal afgeloopen. Hij is in ongenade geraakt, heeft zich uit de voeten gemaakt en niemand weet, wat er van hem geworden is."

"'t Is waar ook," hervatte ik: "nu herinner ik mij, vroeger wel van den man gehoord te hebben."

"Stil! stil toch!" zeide Tante, terwijl zij Van Baalen met den elleboog aanstootte.

"Ik mag er dan toch wel bij vertellen," vervolgde hij, niets van de geheime wenken van Tante begrijpende, "dat hij eigenlijk een Gelderschman van geboorte was en zijn loopbaan in 's lands dienst begonnen is. De Heer Blaek zal zich Baron Van Lintz wel herinneren?"

"Ik, Mijnheer?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij moeite had, om het theekopje, dat in zijn hand beefde, aan den mond te brengen: "met uw verlof ... neen ... ik herinner mij niets van hem."

"Niets! Is dan niet.... O! hoe kan ik zoo dom zijn?" zeide Van Baalen, terwijl hij zichzelven met de vuist voor het hoofd sloeg: "Ik was waarlijk uw betrekking tot dien man vergeten. Ik verzoek verschooning: ik heb mij schandelijk voorbijgepraat. Zoo iets kan slechts mij alleen gebeuren. Ik ben de ongelukkigste man van de wereld."

Nu was ik nog even wijs. Ik keek rond: de Heer Blaek was van zijn ontsteltenis nauwelijks teruggekomen. Van Baalen ging voort met _excuses_ te maken. Henriëtte zag met haar groote en fraaie oogen iedereen beurtelings aan als om opheldering te vragen. Tante bood theerandjes en confituren aan, en deed haar best om de aandacht af te trekken. Lodewijk neuriede een Fransch liedje en Suzanna mompelde in zich zelve:

_"Et jamais dans Larisse un lâche ravisseur Me vint-il enlever ou ma femme ou ma soeur?"_

Wat Pulver betreft, hij was in zulk een rookwolk gehuld, dat het mij onmogelijk was zijn gelaat te onderscheiden.

Het gesprek werd nu, zooals meestal het geval is na een dergelijk _incident_, koud en onbeduidend: ja, het was met een waar genoegen, dat iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk een wandeling in 't dorp gingen doen. Dewijl de kermisvermakelijkheden, welke wij daar bijwoonden, niet van dien aard waren, dat de beschrijving daarvan eenigszins belangrijk voor den lezer zoude zijn, maar slechts dienen zoude, om mijn verhaal nutteloos te verlengen, zal ik hier alleen vermelden, dat Suzanna, bij het gooien aan een koekkraam, door de fortuin begunstigd werd en het geluk had van een grooten koek te trekken, waarop met gouden letters te lezen stond:

DIT IS VOOR MIJN

Wij keerden tegen negen uren huiswaarts, waarna de vier genoodigde Heeren, wier rijtuigen reeds een poos gewacht hadden, hun afscheid namen en Heizicht verlieten.

* * * * *

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN FERDINAND OP ZIJN KANTOOR GEÏNSTALLEERD, EN, ALS KRELIS LOUWEN, OP EEN POËTENMAAL WORDT GENOODIGD.

Het was met een beklemd hart, dat ik den volgenden morgen de sjees van Tante zag voorkomen, om mij naar Amsterdam terug te brengen, en mij een plaats te doen verlaten, waar ik een voorwerp achterliet, dat mij ondanks onze korte kennismaking, onuitsprekelijk dierbaar geworden was. Ik mocht echter mijn verblijf niet langer rekken; want ik moest dien dag bij den Heer Van Baalen zijn om mijn nieuwe betrekking te aanvaarden: en ik wil niet ontkennen, dat de gedachte mij streelde, van niet langer, gelijk voor vijf dagen, te Amsterdam aan te komen, als een berooide straatslijper, die niets te verdienen heeft, maar als medechef van een geaccrediteerd handelshuis. Deze betrekking gaf mij dan ook tevens eenigen waarborg om met meer vrijmoedigheid aanzoek te kunnen doen naar de hand van een meisje, hetwelk ik niet zoude ten huwelijk durven vragen, zonder het vooruitzicht te hebben, van haar eerlang een maatschappelijke positie te verschaffen, geëvenredigd aan die, waaraan zij gewoon was. Deze en dergelijke gedachten beurden mij onderweg zoodanig op, dat ik in eene recht opgeruimde stemming te huis kwam. Na mijn moeder omhelsd, en de jonge leden der familie verheugd te hebben met een grooten koek, dien Suzanna mij voor hen had medegegeven, begaf ik mij naar het huis van Van Baalen, die mij uiterst minzaam ontving en terstond naar zijn kantoor geleidde, waar ik met alle behoorlijke plechtigheid aan de boekhouders, bedienden en loopers werd voorgesteld.

"Ik heb dezen hoek voor u bestemd," zeide Van Baalen: "hopende dat de plaats en het licht u gevallen--en dien lessenaar geledigd, dien UEd. gebruiken kan, zoolang er geen nieuwen vervaardigd is.--Wijdveld! haal de boeken eens, dat Mijnheer Huyck eenig denkbeeld moge bekomen, hoe de zaken staan en op wat hoogte wij zoo wat zijn.--Zoo UEd. eenige kopieën of notitie van 't een of 't ander verlangt, heeft UEd. maar te spreken: en, heeft UEd. eenige inlichtingen noodig, Wijdveld of ikzelf zijn altijd bereid u die te geven."

Gedurende deze minzame toespraak van mijn nieuwen compagnon, had Wijdveld, de tweede boekhouder, al de boeken aangebracht, voor mij op de schrijftafel nedergelegd en aan het laatst beschreven folio opgeslagen, waarna hij zich weder naar zijn lessenaar begaf. Ik riep nu al mijn opmerkzaamheid, en hetgeen mij van de theoretische kennis van het Italiaansch boekhouden uit mijne schooljaren was bijgebleven, te hulp, om mij met den staat der zaken bekend te maken. Van Baalen had, naar het mij dien dag voorkwam, overal het oog, en gelijk mij later bleek, ook liet hoofd in: en, zonder zijn plaats of werk te verlaten, wist hij dat zijner ondergeschikten zorgvuldig na te gaan, hun zijn bevelen te geven, hen, waar 't noodig was, te recht te wijzen, en op mijn gezicht te lezen, wanneer ik hier of daar zwarigheden ontmoette.

"Mijnheer Karelsz!" zeide hij, na eenen der ontvangen brieven gelezen te hebben, tot den eersten boekhouder: "Heinrich Haspel en Co. te Hamburg schrijven ons hun te remitteeren a 33 1/2 st. per daalder van 32 ß lubs of op Frankfort a 85 & per florijn van 65 kreutzers".

"Ik geloof," zeide Karelsz, "dat wij a 84 & op Frankfort kunnen remitteeren."

"Ja," zeide Van Baalen: "en tot 33 st. op Hamburg, hetgeen hun nog voordeeliger uitkomt. Laat Pietje Van Lingen het juiste verschil eens opmaken:--en tevens, hoeveel wij in courant geld moeten uittellen om de 1024000 reis aan Isodore Perez te Lissabon te remitteeren a 110 & per dukaat, de agio 3 ½ percent. Hier is een advies van John Smith te Londen, dat hij 480 stuks Blok-tin voor onze rekening heeft ingekocht en te Cadix geconsigneerd om aldaar voor onze rekening te verkoopen ... die factuur loopt hoog genoeg: 496 £ sterling; maar de ongelden schijnen grooter geweest te zijn dan gewoonlijk:--Monsieur Snijders! wanneer gij er in geslaagd zult zijn, uw pen te vermaken, waaraan gij sedert een half uur bezig zijt, wees dan zoo goed, deze factuur eens over te brengen, en te zien hoe onze rekening met dat huis staat:--het verwondert mij, dat hij niets schrijft over die vier balen Beathilies Ternatanes, die hem in de vorige week gezonden zijn; het heeft wel is waar nogal gestormd op zee: en de beurtman kan te laat zijn aangekomen:--aan die Suiker van Harry Harding op Sint-Christoffel behoeft geen rekening gegeven te worden, Mijnheer Wijdveld! Ik heb van dien man geen goed meer te wachten.--Ik zie al, waar UEd. naar zoekt, Mijnheer Huyck! UEd. is waarschijnlijk verwonderd, dat de agio niet bij iederen wissel genoteerd staat: maar het is mijne gewoonte, dat op zijn beloop te laten en bij 't sluiten der rekening het bedrag der agio op Rekening van Agio te brengen, en de rest op Winst en Verlies.--Mijnheer Karelsz, hebt gij al een nota van De Wijs over den verkoop van die 36 Ceroenen Indigo Lauro?--Wees anders zoo goed hem daaraan te herinneren: en zeg hem, dat, zoo hij die niet dadelijk inlevert, ik mij van een anderen makelaar zal bedienen;--en denk toch, om Van Erkeles te waarschuwen wegens de assurantie voor de "Fortuin". Pulver heeft zich al beklaagd, dat men het schip nog niet is komen opnemen. Ziedaar, Mijnheer Huyck! hier is een circulaire, die ik gesteld heb, om bericht van onze compagnieschap te geven: UEd. gelieve uw oordeel daarover te zeggen. Nu zie! dat is mis," vervolgde hij, een anderen brief lezende, en dien aan Karelsz overreikende, die bleek werd als een doek.

"Hemel!" zeide deze, met een zachte stem, zoodat geen der bedienden het hooren kon: "dat is een ongeval! wie had dat kunnen droomen?"

"'t Zijn veertig duizend gulden in 't water," zeide Van Baalen, de schouders ophalende, doch zonder een gezicht te vertrekken.

"Paulus Leyster insolvent!" hernam Karelsz, zuchtende: "ik had zooveel vertrouwen in zijn soliditeit."

"Stil!" zeide Van Baalen: "men behoeft niet precies te weten, wat wij daaraan verliezen. Bovendien, zonder schade hier of daar gaat de negotie nooit. Tracht intusschen berichten in te winnen, of er wat van te recht komt. Mijnheer Huyck! ik zal u dit later wel vertellen. 't Valt gelukkig, dat UEd. hier nog niets mede te maken heeft; doch UEd. kan er uit zien, dat het ons niet altijd voor den wind gaat."