Ferdinand Huyck

Chapter 23

Chapter 234,127 wordsPublic domain

"Om den drommel niet," zeide Pulver: "maar ik had er mij al zoo half en half op verwacht en mijn besluit was genomen; want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht: ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift: en met dat ik daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. "Och Kapitein!" zei ze zoo: "vertel mij toch ereis wat van Holland: ik hoor zoo graag van Holland spreken."--"Lief Juffertje!" zei ik, "dat zou ik met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want over een uur, weet je, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn leste oogenblikken wel te besteden met mijn ziel in een staat van genade te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen te denken, die ik ik huis heb gelaten." En met voelde ik dat mijn oogen overliepen. "Wat!" zei zij: "hebt gij vrouw en kinderen?" en zij begon ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. "En wie wil u laten hangen?" vroeg zij: is het Papa?--Ja?--In dat geval, zal ik hem zoo lang smeeken en bidden, tot hij u genade geeft."--"Juffertje!" zei ik: "het hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen."--"En waarom niet?" vroeg zij, met een heel natuurlijk stemmetje. "Ja!" zei ik zoo, "om dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat tegen goddelijke en menschelijke wetten." Toen keek zij mij heel strak in 't gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. "Ik weet het," zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen zij zeide: "ik weet het:--spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk: ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik zal u niet storen: maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn vader spreken: dat zal zoo niet afloopen."

"Zonderling!" zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende: "en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van een roofschip?"

"Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb, Juffertje!" zeide Pulver: "maar UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia dan ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Het uur was nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weêr binnen: "Wie heeft u geheeten, hier te komen?" vroeg hij aan zijn dochter: "laat ons alleen."--"Neen!" zei zijn dochter: "dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen," zei zij, terwijl zij de handen vouwde. "Laat hem gaan, vaderlief, gij zult het immers aan uwe kleine Amelia niet weigeren?" en zoo ging zij voort, terwijl ze hem allerlei lieve woordjes gaf, en hij wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins tot andere gedachten te komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in 't Spaansch, en bracht haar, half willig, half onwillig de kamer uit. Ik hoorde echter dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij: "Wel!" zeide hij: "hebt gij uw besluit genomen!"--"Ja," zei ik. "En wat is het, kort en goed, zonder teksten?" vroeg hij, "ja of neen?"--"Neen!" zei ik. "Dus hangen?" vroeg hij weer.--"Neen! ook niet," zei ik, "immers niet met mijn wil."--"Gij begrijpt toch," zei hij, "dat er geen derde keus overblijft. Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te verklikken."--"Hoor, weet je wat, Kapitein!" zei ik: "laat mij gerust gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van mijn bezoeken zal je geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen. 't Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u naderhand nog kan te pas komen: als b.v. de Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche hoornen bungelde."--Hij scheen even na te denken: "gij kunt onze levenswijs nog niet beoordeelen," zei hij: "een man moet weten, wat hij kiest of wat hij verlaat." Met floot hij en er kwam een aardige jongen in een matrozenpakje binnen, aan wien hij in 't Spaansch zijn bevelen gaf. "Volg dien knaap!" zei hij toen: "die zal u brengen, waar gij wezen moet!" Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkage en ging ons maatje achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop bij elkander alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk van alle natiën en tongen: er waren er Portugeezen, Spanjolen, Engelschen, Italiaanders, Françoisen, Hollanders ook, schande genoeg! En ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en gevogelte van allerlei soort: en wijn, zooveel hun lustte en van den besten ook. Ik dacht: Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar deze reis zal het hun niet lukken.--Ondertusschen waren er een paar naast mij gaan zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat een dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in, den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijn vuist: en dacht: als het op pooieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een bast, die kan er tegen, zooals Thomasvaer in de klucht zeit. En bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog of ze van een weverswammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou: maar ik gaf hem een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij allemaal op mij aan; en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels mij halen, en begonnen mij met een doek over mijn kluisgaten te binden, dat ik niet zien zou wat zij in 't vizier hadden. Ik kreeg slechte gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eindweegs opgekuierd, of ze smeten mij in een sloep, en na een tijdlang roeiens, merkte ik aan den wind, die op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Opeens werd ik aan boord van een schip geheeschen: "zouden zij mij nu naar zeemansmanier aan de ra hangen?" dacht ik; maar ook al niet: ik werd tusschendeks gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd weer geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij en stelde mij een geldzakje ter hand. "Houdaar!" zei hij: "en maak dat je naar den bl---- komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te volgen, om menschen te vinden. Maar zoo gij ons altemet mocht herkennen t'avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te volgen, of...," hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. "Geen nood," zei ik, "en goeie reis (zooals de man, die zich baadde, tegen de haaien zei.)" Weg liepen zij: en ik stond alleen te kijken als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te recht hielpen, en mij naar de Havannah brachten, want daar was ik geen twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al gauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. "Wel Kapitein Pulver," zei die, toen hij mij zag: "hoe kom je zoo uit de lucht vallen?" "Patientie!" zei ik, "dat zal ik u naderhand wel eens vertellen." Den volgenden dag ging ik ereis op mijn kuier, maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: 't geen gelukkig korter was dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om naar Curaçao te varen, waar ik "de Prins te Paard" bij geluk nog vond, die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij in levenden lijven weerom vonden; want zij dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?"

"Mij dunkt zij hebben nogal wat met u gesold," zeide Suzanna: "doch het schijnt u geen kwaad gedaan te hebben, en gij zijt tegen de verdrukking aangegroeid.--En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein vernomen?"

"Neen," antwoordde Pulver: "en ik heb ook nooit verlangd de kennis te hernieuwen (zooals de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is:--althans later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen haar beter was dan zijn voorganger."

"Zwarte Piet!" herhaalde Henriëtte: "is dat dezelfde, wien men beweert, dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt."

"Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen," zeide Suzanna: "dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend Sander, hebt gij daar nooit tijding meer van gehad, Kapitein?"

"Neen!" antwoordde hij: "en ik vrees, dat hij smaak in 't rooversleven gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; 't zou jammer van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar 't niet gaan kan."

De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don Manoël en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan, waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mijzelven. Wenschende, hieromtrent nader onderricht te ontvangen, wachtte ik het oogenblik af, dat de jonge meisjes met haar ondervragingen hadden afgedaan en zich vermaakten om in de _menagerie_, waar wij waren aangekomen, de goudlakensche faisanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatste te vragen, mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.

"Wel! zooals ik UEd. gezegd heb," zeide hij: "een groote forsche kerel met een _sombrero_ op het hoofd, een plantersbuis en een zeemansbroek, een koppel pistolen...."

"Ja," viel ik in: "en naderhand een japansche rok; maar zijn gelaat?"

"Een knap slag van een vent: een paar fiksche oogen ... wat zal ik er meer van zeggen?"

"En zijn dochter?"

"Ja! een aardig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een goed gezicht ... en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien jaren."

Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel tevreden stellen: en de klank van den bengel, die ons de aankomst van nieuwe gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaarts nemen. Wij vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op de stoep met Tante en Van Baalen in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker en zijn toon beleefder, dan toen ik hem in zijn koepel ontmoette. Hij groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets zeer vleiends aan Suzanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte hij mij de hand en vroeg mij om verschooning, zoo mijn onthaal op Guldenhof niet was geweest gelijk het behoorde. "Maar mijn lieve Heer Huyck!" zeide hij: "alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik, het verhaal van dieverijen in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe mij vermaak en toon mij, dat UEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door mij eens te komen bezoeken.--Gij zult mij altijd welkom wezen, en het zal mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken. Sta mij toe, u aan elkanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn schik," vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, "dat gij, zoo zonder hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in uwe afwezigheid Gildenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert."

"Dat wist ik niet, Oom!" zeide Henriëtte: "en zoo ik hem niet gezegd heb, dat ik hierheen ging, het is, omdat hij zich in de laatste twee dagen niet te huis heeft laten zien."

Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen gelooven, dat hem naar zijn nicht dreef.

"Komaan Lodewijk!" zeide zijn vader: "ik weet, gij zult verlangen om Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck voorstellen, en u gelegenheid geven, om, evenals ik reeds deed, hem voor onze misvatting en onbeleefdheid verschooning te vragen."

Lodewijk en ik groetten elkanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke de samenleving voorschrijft ook aan hen, die elkanderen niet lijden mogen.

"Wij hebben de kennis reeds hernieuwd," zeide ik.

Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende, begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een druk gesprek met Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze nauwelijks de buigingen opmerkte, waarmede Kapitein Pulver hem begroette.

Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt, en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de beide oude Heeren: naast Van Baalen kwam Kapitein Pulver te zitten, vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewijk werd tusschen haar en Suzanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine oplettendheden te bewijzen, zonder juist op te merken, of liever zonder er mij aan te storen, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich waarschijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter niet aan Suzanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.

"Ach Mevrouw!" fluisterde hij eindelijk, glimlachende: "er was een tijd, waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u afhangen, dien tijd te doen herleven."

"Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij voordreunt," zeide Tante, lachende.

"Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjes te bekomen?" vroeg Van Baalen haar: "uit _mijn_ tuin in den Diemermeer kan ik die maar zoo smakelijk niet krijgen."

"Zeg dat niet," zeide Tante: "ik herinner mij zeer goed, er bij u tot laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan hadden."

"Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er geen verstand van. 't Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak."

"Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van Govert Sperwer gekocht hebt?" vroeg Lodewijk aan Van Baalen.

"Hm!" antwoordde deze, het hoofd schuddende: "wat zal ik UEd. zeggen? De beesten loopen hard genoeg: maar 't is mij wat moeilijk in 't haar te blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht. 't Is of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: het spannetje dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was juist een kolfje naar uw hand."

"Ik dank u," zeide Lodewijk: "ik heb nog paarden genoeg, en dan een boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien," enz.

Het gesprek werd na langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet den goeden wijn van Tante te prijzen en te betuigen, dat hij zulke waar niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten, vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en Van Baalen perste ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hij had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide, was meestal gepast en verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem voor 't eerst zag. Echter was het mij toch, als drukte dien man iets bezwarends op het hart, dat hem midden onder het vroolijk gesprek zijn goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn blijgeestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag er niet uit als iemand, die iets kwaads in 't zin had of een misdrijf zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei plannen van vroolijke partijen voor de toekomst. Suzanna wierp er bijwijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan 't nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

"Een Heer om mij te spreken!" herhaalde ik, met eenige verwondering: "dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?"

"Er is toch geen zwarigheid?" vroegen de dames, als uit éénen mond.

"Waar komt hij vandaan? Is het iemand uit Amsterdam?" vroeg Tante.

"Ik weet niet," zeide de knecht: "'t Is een Monsieur in 't zwart, en, zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld woont."

"En komt die om mij te spreken?" vroeg ik: "ik kan niet begrijpen...."

"Gij moest toch eens gaan zien," zeide Tante: "en kom ons dan daarna verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer."

"Met het verlof van het gezelschap," zeide ik: en oprijzende begaf ik mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat de man, die op mij wachtte, niemand anders was dan Zwarte Piet, _in propria persona_.

* * * * *

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

VERHALENDE, HOE ZWARTE PIET FERDINAND MET EEN COMMISSIE BELASTTE EN HOE SUZANNA EEN GROOTEN KOEK TROK.

"Hoe!" riep ik uit, terwijl ik den struikroover aanstaarde: gij waagt het!..."

"Ik waag niets, Mijnheer Huyck!" zeide hij: "want ik weet, dat UEd. de man niet zijt, die mij verraden zult."

"Maar toch!" hernam ik: "ik kan niet beseffen, wat gij mij kunt te zeggen hebben."

"In de eerste plaats moet ik mij van mijn schuldigen plicht komen kwijten en u mijn dank betuigen voor het stilzwijgen, dat UEd. aangaande onze ontmoeting hebt bewaard."

"En hoe weet gij," vroeg ik, eenigszins verwonderd, "dat ik gezwegen heb!"

"O ho!" zeide hij met een glimlach: "dat kan ik genoeg uit de gevolgen opmaken. Zoo UEd. maar een woord gesproken, maar een sein gegeven had, waren de landhaaien mij reeds aan boord geweest, on zou ik hier thans niet voor u staan, zoo gerust als een Admiraal op zijn dek; want ofschoon men altijd nog naar Zwarten Piet zoekt, het is in den blinde en zonder dat men weet, welken koers te houden. Niettemin! ik wil het gevaar niet loopen van 't avond of morgen te verzeilen en denk deze haven te verlaten."

"Gij deedt beter," zeide ik, "uw geheele professie te verlaten, *welke u toch nooit tot een gelukkig einde brengen zal."

"Helaas, Mijnheer!" hernam hij, met een treurigen blik en een diepe zucht: "hangt het wel van onszelven af, die met vrijen wil te kiezen? Kan ik tegen wind en stroom opvaren? en moet men niet, als het tij verloopt, de bakens verzetten? Hoe zou ik, na al het gebeurde, in staat zijn, mijn wandel te verbeteren en onder een betere vlag te zeilen dan die ik tot heden gevolgd ben? Zoo ik b.v. Mijnheer voorstelde, mij als lakei in zijn dienst te nemen, zou zulks UEd. aanstaan?"

"Gij weet," antwoordde ik, om de veronderstelling glimlachende, "dat men geen lakei huurt zonder attestatiën van goed gedrag te zien: en ik twijfel, of de uwe van dien aard zijn, dat zij mij voldoen zouden."

"Daar moest UEd. niet op zweren," hervatte hij, terwijl hij een zwartlederen _portefeuille_ uit den zak haalde, en daaruit eenige papieren nam, die hij op de tafel uitspreidde: "ik heb hier een menigte getuigschriften van de deftigste inwoners van Batavia en de Kaap, alle bewijzende dat de persoon Joachim Waarglas hen in de betrekking van kamerdienaar, schrijver en hofmeester met de meeste nauwgezetheid gediend heeft. Lees ze maar eens, Mijnheer! zij zijn zoo voldoende als...."

"Als zij valsch zijn," viel ik in: "wat hebt gij te maken met certificaten van eenen Joachim Weerglas, die wellicht nooit bestaan heeft?"

"Zeer zeker heeft de man bestaan," antwoordde hij, de papieren wederom naar zich toestrijkende: "maar de goede ziel heeft die niet meer noodig; daar hij sedert lang onder de groene baren slaapt, om welke reden ik er des te minder conscientiewerk van gemaakt heb, mij zijn naam toe te eigenen, en zijn papieren evenzeer, die toch voor niemand meer waarde hebben en mij daarentegen zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijn kleuren te wijzen.--Maar ook op mijn eigen naam heb ik zeer goede certificaten, die wellicht beteren indruk op UEd. zouden maken."

Dit zeggende, opende hij een verborgen gedeelte van zijn brieven-tasch en haalde daaruit wederom eenige papieren voor den dag.

"Wat dunkt u van dit certificaat?" vroeg hij, mij een der bewijsstukken overhandigende.

Ik nam het op en las niet zonder verbazing een geschrift in de Spaansche taal, geteekend door den Graaf van Talavera, en getuigende, dat Sander Gerritz, geboortig van Amsterdam, hem met onkreukbare trouw en ijver gediend had.

"Dat kan wel zoo valsch zijn als de rest," zeide ik, het hem teruggevende.

"Ho! ho! men kent aan onze kantoren zoowel als aan de landssecretarie de naamteekening van den Graaf van Talavera.--Doch hier zijn nog meer stukken, alle van bekende en nog levende personen: als hier is de attestatie van Schipper Slingertouw, met wien ik als halfwassen brasem drie reizen naar de Oost heb gedaan, van Schipper Blauwketting, bij wien ik twee jaren stuurmansleerling geweest ben, van Kapitein Wijdwimpel, daar ik onderstuurman bij was, van Kapitein Pulver, waar...."

"Diens handteekening zouden wij terstond kunnen doen erkennen," zeide ik: "want de man bevindt zich in de eetzaal."

"De duiker, doet hij," riep Sander, zijn papieren snel verbergende: "ik zou, wel is waar, den ouden pekbroek nog gaarne eens terugzien; maar och! door kennis krijgt men kennis en men mocht op zulk een wijze dingen van mij te weten komen, welke ik liever achterbaks houde."

"Mag ik u eens vragen," hernam ik, "of er onder die certificaten geen is van zekeren Don Manoël, onder wien gij waarschijnlijk ook gediend hebt?"