Ferdinand Huyck

Chapter 22

Chapter 224,021 wordsPublic domain

Ik haalde mijn kat-oog voor den dag, en jawel: daar zag ik duidelijk een galjoen, kennelijk van Spaansch makelei: ik kon masten en tuigage klaar onderscheiden. Maar lang keek ik er niet naar; want ik was niet op mijn gemak met het weer. De regen had opgehouden; maar de wolken zonken al lager en lager en begonnen te wervelen en te draaien, als zwarte rook die naar beneden slaat: en zoover als men zien kon, waren in het zuidoosten de golven met wit schuim bedekt, en wij hoorden een dof gerommel onder het water alsof er een aardbeving op volgen moest. "Is dat donder?" vroeg Sander: "ik wou dat het waar was," zei ik. Ondertusschen was in de verte de dichte regen loodrecht blijven vallen; maar na een kwartier ongeveer begon de wind er van onderen tusschen te spelen en de stralen van den regen zwaaiden heen en weer, eerst lang, vervolgens hooger op, naarmate de wind klom, tot eindelijk de gansche watermassa een schuinsche richting kreeg, ik reken zoo van een hoek van dertig graden met den horizon. Ik had onderwijl alle zeilen laten bergen; want ik mistrouwde het weer, zooals ik zeide: en ik had geen ongelijk, als gij hooren zult. De regen viel gedurende eenige minuten dicht als een gordijn naar beneden: toen hij opeens zich verspreidde alsof hij weggeblazen werd en in rook verdween. Recht op ons af echter kroop een witte streep over het water als stof op den grooten weg, wanneer het lang droog is geweest. Wij hoorden het doffe geluid al sterker en sterker, en mijn schip begon te kraken en te zuchten, of het zijn lot voorzag. Bof! daar kwam de orkaan: een golf als een berg sloeg over het dek en het was mij, of ik met honderd dozijn natte handdoeken in mijn facie geslagen werd: en eer ik nog: "berg je!" roepen kon, daar kwam er een tweede, die mij oplichtte alsof ik een stuk kurk ware geweest, zoodat ik, met al wat er op het dek was, goedschiks kwaadschiks overboord werd gespoeld: en plof! daar dook ik kopje onder, eer ik den tijd had om een schietgebedje aan onzen Lieven Heer te prevelen. Toen ik weer boven kwam, zag ik mijn schip reeds op een goeien afstand: en met recht droeg het zijn naam van: "de Prins te Paard"; want het huppelde en hobbelde over de golven als een ruin, die den kolder in den kop heeft, en ik zag wel in, dat ze met dat booze weer geen sloep konden uitzetten om mij op te zoeken.--Pulvertje maat! dacht ik bij mijzelven: 't is met je gedaan: bid een Onze Vader en daarmee uit. Maar krek als ik zoo dacht, en op het punt stond van weer te zinken, daar voel ik mij op een stevige manier in mijn wammes pakken en achteruit sjorren. Dat's een haai! meende ik zoo, die mij voor zijn ontbijt wil nemen, en ik dorst niet omkijken van schrik, maar jawel! "Hier ouwe!" hoorde ik achter mij zeggen: en wie was het? niemand anders dan Sandertje, die, juist als ik, overboord gedwaald was. Maar hij was gelukkig net te land gekomen...."

"Gij meent, te water gekomen," viel Suzanna in.

"Juist, als de Juffer recht aanmerkt: net te water gekomen naast het groote varkenshok, dat ook overboord gegaan was, en hij had het handig beetgepakt. Ik moet zeggen, door een bijzondere bestiering Gods, was hij naar mij toegedreven en wel zoo dicht dat hij mij grijpen kon, zoodat ik nu ook kon aanklampen. Daar zaten wij nu op onze kist, als twee kikkers op een kluitje, en dreven al verder van ons vaartuig af; maar ik zei: "Sandertje! hou maar goeien moed: Onze Lieve Heer heeft ons tot dusverre bewaard; Hij zal ons nog wel verder bewaren." "De droes ouwe!" zei Sander, een beetje later: "je kijkt al uit naar "den Prins te Paard", alsof die naar ons toe kan komen rijen; maar draai liever je hoofd ereis om: daar is de Spanjool, die is dichter in de buurt." Ik keek naar dien kant uit, waar Sander heen wees; en hij had gelijk ook; daar danste onze logge Don als een bruinvisch op en neer. "Ja!" zei ik: "hij zal mij welkom zijn (zooals de spinnekop van de vlieg zei); maar 't is duizend tegen een, dat hij ons te zien krijgt." Ondertusschen, het ergste van de bui was over: en het begon al mooi licht te worden, zoodat het niet lang duurde, of ik kon de manschap van het vreemde schip onderscheiden: en, wat nog grooter geluk was, wij naderden het al meer en meer. Zij zouden ons echter nog niet bespeurd hebben; maar daar voel ik, dat er iets op mijn borst drukte: ik tast er naar, en ik merk, dat ik mijn roeper, dien ik aan boord nog gebruikt had, en dien ik tusschen mijn duffel en mijn ondergoed had ingestoken, bij geluk behouden had. Heb ik jou daar! dacht ik, en meteen zette ik hem aan mijn mond en schreeuwde alsof er vijf en twintig speenvarkens gekeeld werden, totdat ik geen asem meer in mijn longen had. Toen was de beurt aan Sander: en toen weer aan mij, totdat zij eindelijk aan boord van den Spanjool opmerkzaam werden en den kijker op ons richtten. Zij zagen ons:--het weer was bedaard: er werd een sloep uitgezet, en om kort te gaan, het leed geen half uur of wij stonden op het dek van het galjoen. Ik keek terstond uit, of ik "den Prins te Paard" ook zag; maar die was schoot gegaan, en ik moest alle gedachten opgeven, om hem vooreerst terug te zien, daar de Spanjool een verschillenden koers hield. Het galjoen kwam van Cadix en was voor Carthagena bestemd, waar het, geloof ik, geld moest brengen. Het was nog al wel gebouwd, voerde twaalf stukken en was redelijk bemand ook. Daar voer ik nu met den Don op genade mede en kon mee poot aan spelen voor de sobere victualie, en in plaats van zelf te commandeeren was het _siveplei_ en _besolosmanos_, zonder andere belooning dan vrij licht bij dag en een schoteltje linzen nu en dan, daar Ezau geen halve penning, laat staan zijn eerstgeboorterecht, voor zou gegeven hebben; maar dat was het minste, en ik was blij, dat ik er met fatsoen van afkwam (zooals de edelman zei, toen hij tot den strop veroordeeld was en de gratie verkreeg van onthoofd te worden). Wat mij het meeste hinderde, was, dat ik nu zoo uit mijn koers werd gestuurd, en al bij mijn eigen prakkezeerde, hoe ik van Carthagena weer terug zou komen; want gij voelt, naar Carthagena moest ik mee: 't is op zoo'n vaart niet als met de trekschuit, waar men de lieden onderweg uit kan zetten."

"Gij hadt echter," zeide ik, "een vaartuig kunnen ontmoeten, hetwelk u overnam en nader tot de plek uwer bestemming bracht?"

"Jawel degelijk ontmoetten wij een vaartuig," antwoordde Pulver: "en dat was juist ons ongeluk. Gij moet dan weten, dat zoo ongeveer op 12 graden N.B., zes dagen nadat wij bij den Don aan boord waren, wij een groot vaartuig boven den wind in 't vizier kregen, dat met alle zeilen bijgezet op ons afkwam. Het was een korvet, en zooverre wij konden oordeelen, sterk en stevig gebouwd, en met een manschap, die haar ambacht goed verstond, aan boord; want het voerde een takelage en ging door het water dat het een lust was om te zien. Maar hoe mooi wij het vonden, wij hadden toch niet veel zin in het voorkomen van onzen maat; want hij voerde geen kleuren en had zoo iets over zich, alsof hij zeggen wou: "wat doe jelui in mijn vaarwater?" Nu, de Don dacht er ook zoo over: want hij schudde het hoofd en liet van zijn kant alle zeilen bijzetten om uit het gezicht van onzen vriend te geraken. Maar deze scheen alzoo gesteld op ons gezelschap als een boer op een doedelzak, en hij bleef zoo netjes achter ons voortzeilen als een rijknecht achter zijn heer. De Don keek mooi zuinig; hij zag wel, dat hij van die beleefdheid niet verschoond zou blijven en hij keek zijn equipage eens rond, om te weten of hij staat op hen zou kunnen maken, indien de vreemdeling eens kwade voornemens had. Toen riep hij mij bij hem, want ik slenterde ook al wat heen en weer over boord, en hij vroeg mij, wat ik wel van dat andere schip dacht?--"Wat zal ik zeggen," zei ik in zoogoed Spaansch als ik spreken kon: "ik hou niet van die nieuwsgierigen (zooals de bakker zei, toen de broodwegers bij hem aan huis kwamen): ik geloof, dat die korvet daar meer lust heeft om kennis te maken met ons dan wij met haar."--"Zoo denk ik er ook over," zei hij, "en ik wou dat hij zijn eigen weg ging. Maar in allen gevalle zal hij toch aan mijn dubloenen niet komen, zonder er om te bakkeleien," zei Don Ricardo, terwijl hij zijn knevels opzette. "Kan je een stuk bedienen?" vroeg hij. "Dat zou ik hopen," zei ik, "en een handspaak zwaaien ook."--"Best!" zei hij: "dan zal ik ereis kijken, of je de kost verdient, dien ik je geef." En met liet hij al het volk op het dek komen en klarigheid maken om te vechten. De stukken werden geladen, de musketten opgebracht, handspaken uitgehaald, de kogels bij de mortieren geplaatst en ieder met kortjan in zijn gordel voorzien. Maar terwijl wij nog bezig waren, daar zagen wij op het vreemde schip een vlammetje voor den dag komen, en br....r! daar vloog ons een kogel door het want en viel de heele bramsteng over het dek. "Dat 's een onbeleefde vent!" zei ik zoo: "maar hij weet ook goed te mikken."

"Wij kunnen hem toch niet ontzeilen!" zeide Don Ricardo: "maar wij zullen hem toonen, dat wij ook wat durven."--Met gaf hij last om zeil te minderen, en dat iedereen zich klaar zou houden. Ondertusschen kwam de korvet statig aanzeilen en was weldra zoo dicht bij, dat wij de manschap op het dek konden zien--en onvriendelijk genoeg zagen zij er uit: want het waren al handspaken en korte pieken en enterbijlen die men blinken zag. "'t Is een vrijbuiter!" zei ik zoo tegen Don Ricardo, terwijl ik met de lont in de hand stond. Hij knikte van ja, en wees meteen op een rooden lap, die op het roofschip in top werd gehaald. Toen liet hijzelf de koningsvlag van Spanje waaien, en dadelijk bij den wind stekende, vertoonde ons vaartuig de bakboordzij aan den roover. "Vuur!" zeide toen Ricardo: en: pan! pan! daar gingen zes schoten achter elkander af, den vrijbuiter vlak in den boeg, dat de witte splinters uit het zwarte gangboord vlogen. Maar op hetzelfde oogenblik loefde het roofschip mee en gaf ons de volle laag. Krak! krak! daar lag onze fokkemast met want en tuigage en al in zee. Maar door de plotselinge beweging van het schip, dat niet zoo gauw stoppen kon, waren wij uit elkander geraakt en wij hadden misschien, daar het nog al hard woei, gelegenheid gehad om te ontsnappen, indien het tijdig genoeg ons gelukt ware een noodmast op te krijgen; maar eer wij daarmee klaar waren, liep de roover ons achterom en herhaalde zijn beleefden groet van daar even, dat de boeilijn over de nok kwam en niemand zich kon herkennen; terwijl hij nu zijn zeil geborgen had en de enterhaken bij ons aan boord smeet. Daar zaten wij nu aan elkander vast en in een oogenblik kwamen er uit den rook en damp wel vijftig lieve jongens op ons dek te voorschijn, ook met een ander voornemen als om een pijp met ons te rooken. Nu schaarden wij ons om den Don, en ik moet zeggen, de Spanjolen hielden zich als wakkere kerels en lieten de onbeleefdheid niet onbeantwoord: en Sandertje en ik wij toonden ook, dat wij meer konden doen dan linzen eten, en wij sloegen er op, dat het een aard had. Maar daar sprong in eens de Kapitein van de roovers op ons af: en een kerel, die er meer uitzag om bang voor te worden, heb ik nooit ontmoet."

"Ja!" zeide Henriëtte: "ik geloof dat die Heeren er zelden vriendelijk uitzien."

"En dan," voegde Suzanna er bij, "als men recht benauwd is voor nommer één, dan lijkt alles nog leelijker."

"Leelijk was hij juist niet, Juffertje!" hervatte Pulver: "'t was een groote, schoone vent met een houding als een Admiraal en oogen als glimmende kolen. "_Caracho_!" zeide hij, dat, geloof ik, in 't Spaansch zooveel wil zeggen als: "geef u over!"--Nu! hij had niet veel welsprekendheid noodig om het ons te beduien; want de grootste helft van onze Senhores lag al met Don Ricardo op het dek naar de wolken te kijken: en de andere helft was zoo toegetakeld en zoo in de war, dat zij de maan niet van een Edammerkaas zouden hebben kunnen onderscheiden."

"En waart gij zelf onbeschadigd?" vroeg ik.

"Er was een kogel door mijn hoed gekomen," antwoordde Pulver, "die mij zoo netjes had doen groeten alsof er een Schout-bij-Nacht monstering kwam houen; maar anders, wonden had ik niet."

"Wel, dat noem ik zonderling," zeide Suzanna, het dikke lichaam van den schipper glimlachende aanziende.

"Je wilt zeggen, Juffertje! mijn buik was nogal een mooi wit geweest om op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn opschrift, weet je? Nu, om weer op ons verhaal te komen (zooals mijn eerste stuurman placht te zeggen als hij 's ochtends zijn oorlam nam), de rooverkapitein was op het dek gesprongen en zwaaide een blanke sabel in zijn vuist, die niet van stroo was. Ik dacht bij mijzelven: Pulvertje, mijn man, daar is je leste uur geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen, die nog leefden al zooveel kon rekenen als op een gekauwden kabel. Wat zou ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou. Maar daar was Sandertje, die had maar in 't geheel geen trek om zich over te geven, en net zooals een van die ongenoode gasten hem bij de lurven wou pakken, daar sprong hij als een ondernemende durf-al die hij was, recht op den rooverkapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman! "Hier weerlichtskind!" zeide hij: "hou daar, beroerde bl....."

"Nu ja!" zeide ik: "wij behoeven die uitdrukkingen zoo nauwkeurig niet te vernemen."

"Integendeel, Sinjeur!" zeide Pulver: "want zonder die uitdrukkingen zou het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd zult hooren (zooals de dief, die zijn vonnis beethad, tegen zijn maat zei, die het nog krijgen moest). Sander sloeg dan in 't wilde op den roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn grootje te sturen, toen de rooverkapitein in 't Spaansch gelastte, dat zij hem sparen zouden: en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed zich stil te houden, ik riep uit al mijn macht: "Sandertje, mijn vriend! Ben je mal? Wat wil je toch uitvoeren?" En zoo meteen als ik dat zei, keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de overigen: en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij, namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en tusschendeks gesmeten."

"Dat was zeker al heel vriendelijk," merkte Suzanna aan.

"Zooals je zult komen te hooren," vervolgde Pulver: "wij gingen onder zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat Satansche hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien: alhoewel, dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip. Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik keek ereis rond om de hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de plaats herkende, waar wij ons bevonden: en dat was nogal natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een zeestraat; althans voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren: het was zout water, en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en links een muur van rotsen, die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bijwijze van een _berceau_, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik; en dan had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden in de jol neergelaten en een eindweegs van het schip gevoerd, tot wij ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte. Hier was een landingsplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij op moesten: het was er bijwijlen mooi donker: want het hing er zoo dicht van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend als ik ze mijn leven niet gezien heb.--Nu! toen wij boven op de hoogte waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoodoende in een vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers was: en een goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: 't geen mooi onnoodig was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen Senhores halen en die kwam dan niet weerom. "Die is er om koud", zei Sander dan. Maar ik zei: "neen! dan zouden zij ons zoo lang den kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of dienst bij hen te nemen; dat is zoo zeerooversmanier."--Wij dachten al, wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst Juffertje binnenkwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren, naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje aan: "zijn er hier geen Hollandsche zeelui?" vroeg zij in zuiver Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, alsof wij het te Keulen hadden hooren donderen. "Tot je dienst," zeiden wij allebei: "wat is er van je believen?"--"Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?" zei zij toen weer, met een allerliefst stemmetje. "Niets liever dan dat," antwoordden wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteerden het geweer voor haar, krek of zij een prinses ware geweest, en zoo wandelden wij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis kwamen, dat tusschen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur open en wij zagen een man zitten met een sitsen gebloemden japanschen rok aan zijn bast, druk bezig met schrijven.--"Hier zijn de twee Hollanders. Papa!" zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was warentig de rooverkapitein.--"Hoe heet je?" vroeg hij, terwijl hij mij strak aankeek.

"Harmen Pulver," zei ik:--"Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?"

"Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen," zei hij, met een barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. "Hoe oud zijt gij?"

"Vijf en veertig jaar," zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

"Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?" vroeg hij alweer.

"Wel!" zei ik: "dat wil ik wel ereis vertellen:"--en zoo zei ik hem de gansche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten.--"Sander Gerritz!" zei hij toen, "gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap naar achteren en zeg aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge en in zijn werk onderrichte."

Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal kon ik niet nalaten, verwonderd op te zien. "Amelia," herhaalde ik: "heette zijn dochter Amelia?"

"Wel ja, Amelia!" hernam Pulver: "een mooie naam voor de dochter van een rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit en Sander volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik; want hij keek mij een keer of drie aan in 't heengaan, als een tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de hand gestopt hebben. "Nu komt mijne beurt," dacht ik.--"En gij, Harmen Pulver!" zei de Kapitein, "gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren."--"Ik bedank u hartelijk," zei ik.--Toen zette hij een gezicht, alsof hij mij op wou vreten. "Wat," zei hij, "en waarom niet?" vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.

"Wel!" zei ik weer: "omdat...." en meteen snuffelde ik in mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje had bewaard, en ik sloeg het open: "kijk!" zei ik, en wees hem op het achtste gebod."

"Dat was braaf gehandeld," zeide Henriëtte: en Suzanna zag den dikken man met eenigen eerbied aan, alsof zij een innerlijke gelofte deed, van ten minste de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

"En hoe nam de zeeroover dat op?" vroegen wij allen als uit éénen mond.

"Wel dat viel mee (zooals de dronken bottelier zei, toen hij met de gangtrap in zee rolde).--Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik: "ik wil geen theologisch dispuut met u beginnen," zei hij: "anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel (hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer!) dat dit artikel," zeide hij, "op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zooveel als Souverein, geloof ik," zei hij: "en in oorlog met alle natiën: alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor Hollanders, ofschoon zij het niet aan mij verdiend hebben.--Ik geef u nog een uur om te bedenken," zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier dat hij geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan.--"En zoo ik het nu niet aanneem," zei ik: "wat dan?"

"Dan wordt gij gehangen," zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij stapte de deur uit."

"Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest," merkte ik aan.