Chapter 21
Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar.
"Nu, zooals gezegd is, Baas Roggeveld!" zeide zij: "vijftien gulden meer dan in 't voorleden jaar wil ik voor 't stuk wel geven; maar ook niet meer."
"'t Is warentig wat te krap," antwoordde hij: "maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, as het zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen zou, zoo as die jonge Heer daer zeit, dat heit ook al niet over; maer 't is net krek of ik jou ken," vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop krabbende.
"Dat is mijn neef," zeide Tante: "misschien hebt gij hem hier wel ontmoet voor een jaar of wat."
"Dat kan wel 'ebeuren," zeide Roggeveld, terwijl hij nogmaals den blik op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet volkomen met deze verklaring tevreden was: "maer zeg ereis Mevrouw!" vervolgde hij, alsof hem eensklaps iets te binnen schoot: "mag ik wel zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?"
"Wat is er van uw dienst?" vroeg Tante.
"Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Czaar van Rusland weer in het land is."
"Wel neen!" was het antwoord: "hoe komt gij daar aan?"
"Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?" en hij gaf een verhaal van 't voorgevallene te Soest, hetwelk ik achterlaat, daar het niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames ongemeen veel behagen schepten.
"Men heeft u een kool gestoofd," zeide Tante: "maar het schijnt met een goed oogmerk te zijn geschied."
"Ja! dat mag wel zoo!" zeide hij; "in dat geval. Maer is het waer, dat zij het huisje, waar Czaar Peter te Zaandam in 'ewoond heit, niet meer verhuren, maar laten het leeg staan?"
"Wel natuurlijk," zeide Tante.
"Nou kaik! hoe kan een mensch zoo teugens zen aigen zelvers wezen?" riep hij in verbazing uit: "geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het zoo most wezen met de weuning, die ik hier op 's Gravenland heb staen, die ik van mijne vrouws mortje geürven heb, weet je, of aigenlijk men vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gauw, in dat geval."
"En gij zoudt gelijk hebben," zeide Tante: "maar die menschen te Zaandam hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien dan er huur van te trekken."
"Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten," zeide Roggeveld: "maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan zoo'n huisje meer te zien is as an en aêr."
"Maar _à propos_!" zeide Tante: "wie is die Monsieur Weerglas, aan wien gij uw huisje verhuurd hebt?"
"Wattie doet, weet ik niet, maer hij heit splint en betaelt op zen tijd. 't Is nog een jong gezel en hij weet aerdig te praeten. Hij gaet wat deftig 'ekleed ook Zundags."
"Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!" zeide Tante, het hoofd schuddende: "ik hoop maar, dat daar niets achter schuilt."
"Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen," zeide Roggeveld eenigszins onthutst: "as er ietwes after school, had ie gauw bij mij afedaan: maar dat's tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as 'ezeid is; morgenavond kom ik toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de koeien Maandagavond of Dinsdag-ochtend hier bezurgen."
"In dat geval zal ik ze hier verwachten," zeide Tante: en de landman wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht aannamen, daar de bengel reeds voor den eten luidde. Wij spoedden ons naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten zagen rooken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde, om mij te onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden, Van Baalen & Co. ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel mercantiëelen aard was, zal ik er hier geen gewag van maken, zoomin als van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.
* * * * *
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT, WIEN FERDINAND IN DE KERK ZAG: EN WELKE GASTEN OP HEIZICHT KWAMEN ETEN.
Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons naar de kerk te begeven. Hetzij, dat de dorpsklok verzet was, hetzij dat de koetsier te laat met het rijtuig voor was gekomen, de Predikant was reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnentraden. Geheel vervuld door de troostrijke gedachte, dat ik, na zoolang uitlandig te zijn geweest, mij weder voor het eerst in een Vaderlandsche kerk bevond, hield ik mij alleen met den plechtigen eeredienst bezig, zonder, gelijk wellicht geschied zou zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht, en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar, dien ik verre was te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoetten de mijne: waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij, vriendelijk, doch bijna onmerkbaar, toe, lei den vinger op den mond, als wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen, en zag toen weder aandachtig den leeraar aan.
Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige oplettendheid te schenken aan de woorden van den Predikant, die mij als ijdele klanken in de poren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of mijn verstand die bevatte: ik kon niet nalaten het oog gedurig op den straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een woord zou ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd oordeelde. Het zou dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen verstaan, kermis zijn op 's-Gravenland: en, als men weet, zijn de Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding geven. Zoodanige kermispreeken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor zooverre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaans minder de aandacht der meer aanzienlijken onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts terloops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.
Dit was echter thans het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets voortreffelijks, althans iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door den ernst en de sierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts even aanroerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk te verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken, overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt gepredikt, meer duurzaam werken moest, die, welke hij thans verkondigde, meer dadelijk uitwerkselen moest teweegbrengen.
Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een treffend tafereel ophing van de vreeselijke gevolgen, welke, zoo in dit leven als hiernamaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was. Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzelven, indien eens het goede zaad bij dezen man in vruchtbaren akker gevallen ware, en hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen! Welk een zegepraal zou dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zou hij juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den eenigen Herder had teruggebracht!--en bij het nagebed zond ik ook het mijne op voor den armen boeteling.--Intusschen was ik niet weinig verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene notabelen van het dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man heuschelijk groetteden, en zelfs deze en gene hem een woord in 't voorbijgaan toesprak.
Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer Van Baalen, en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde het, of de koets van den Heer Van Baalen kwam het hek binnenrijden. Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nooit met die belangstelling gadegeslagen, welke hij thans bij mij moest opwekken, nu het bepaald was, dat ik met hem in een nauwe betrekking zou komen en dagelijkschen omgang hebben. Ik was evenals de zoodanige, die, een verre zeereis zullende ondernemen, den persoon, die hem toevallig aan de haven voorbijgaat, slechts met een onverschilligen blik beschouwt, maar weldra hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden en gebaren tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een lastigen makker zal aantreffen.
Op dezelfde wijze keek ik den Heer Van Baalen aan, toen ik hem, met de dienstvaardigheid, welke ik hem uithoofde zijner meerdere jaren en onzer aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend voorkomen; maar het scheen mij toe, als ware hij nog in lengte toegenomen en in vleesch verminderd: zijn bleeke, dorre tronie had een nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed cadaver denken. Hij beantwoordde ternauwernood mijn eerbiedigen welkomstgroet en buiging, keek mij aan, alsof hij zich bij geene mogelijkheid konde voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den koetsier, en riep dezen toe:
"Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven uren weer voor zijt: precies te zeven uren: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche paard naar den smid en laat het opnieuw beslaan."
Op de beide eerste bevelen had de koetsier eenvoudig: "jawel Mijnheer!" geantwoord; tegen het laatste vermeende hij evenwel te moeten opkomen.
"Mijnheer!" zeide hij: "het beest is gisteren pas beslagen."
"Ik herhaal u, gij brengt het naar den smid," zeide Van Baalen, "'t is of ik altijd bedienden aantref, die mij tegenspreken: ik heb duidelijk gehoord, dat een van die ijzers los zit: en gij komt precies te zeven voor," enz. Hier herhaalde bij zijne bevelen in dezelfde orde.
"De man is punctueel," dacht ik: "en het schijnt moeilijk hem tevreden te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn indien ik zijn begeerte niet begrijp."
Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen, de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt. Zoo de Heer Van Baalen een contrast had willen uitzoeken om met hem te reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven het ronde lichaam was een klein, rond hoofdje geplaatst, evenals een knop op een Delftschen trekpot.
Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar Tante hen verwelkomde. De Heer Van Baalen maakte bij het inkomen een buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in 't hoofd hebbende. Vervolgens haalde hij zijn horloge uit, vergeleek het met het uurwerk, dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd.
"'t Is fataal!" zeide hij: "ik had gedacht, zoo goed op mijn tijd gepast te hebben: en nu is het reeds kwartier over twaalven. Maar mijn horloge zal wel weer mis zijn. 't Is of mij dit altijd gebeuren moet."
"Ik weet dat UEd. een man van de klok is," zeide Tante. "Zoo uw horloge en deze klok verschillen, zal het wel aan de laatste haperen."
"Of aan de wegen, die mij belet hebben, genoegzaam spoed te maken. 't Is of ik altijd...."
"Hoe gaat het, Kapitein Pulver?" vroeg Tante, zonder verder naar de Jobsklachten van Van Baalen te luisteren, aan den goeden Schipper, die achter zijn patroon buigingen stond te maken en zich met een bonten zakdoek het zweet af te drogen, dat hem tappelings langs het voorhoofd liep.
"Ik hoop dat ik geen belet doe, (zooals het mes tegen den oester zei)," zeide Pulver, zijn buigingen herhalende: "maar UEd. had mij zoo vriendelijk laten noodigen, dat...."
"In 't geheel niet; gij zijt mij altijd welkom," zeide Tante, en zich wederom tot Van Baalen wendende en mij aan hem voorstellende: "ziehier mijn neef Ferdinand," vervolgde zij.
"Zoo!" zeide de Heer Van Baalen, mij met een doffen en verstrooiden blik aanziende: "het zal mij aangenaam zijn, kennis te maken. Mag ik vragen, of UEd. reeds iets aan de negotie gedaan heeft?"
"Wel Mijnheer Van Baalen! dat is een vraag!" zeide Tante: "Hoe zegt Rodrigue ook, Nichtje?"
"UEd. wilt Ferdinand toch niet grootsch maken," zeide Suzanna: "door van hem te zeggen:
_Ses pareils à deux fois ne se font pas connoitre Et pour des coups d' essai veulent des coups de maître_."
"Is UEd. dan vergeten, hoe wij de voordeelige schikking onzer zaak met het huis Bertini te Livorno aan hem te danken hebben?" hernam Tante.
"'t Is waar!" zeide Van Baalen, als uit een droom ontwakende. "Dat was een meesterstuk! Een zaak die mooi ingewikkeld was ook, en dat nog wel in een vreemd land. Gij hebt er u goed uit gered, Mijnheer Huyck!--Maar daar kwam eigenlijk meer rechtsgeleerdheid dan handelskennis bij te pas."
"Ik twijfel niet," zeide ik, wenschende zooveel mogelijk de goede gunst van den man te verwerven, "of, niettegenstaande mijn mercantiëele kennis gering is, mijn goede wil en de voorlichting van den Heer Van Baalen zullen mij wel in staat stellen om geen geheel onwaardig figuur aan zijn zijde te maken."
"Wel gezegd!" zeide hij: "de practijk moet het hem doen: ofschoon, het is thans ook al de goede tijd niet meer: de zaken zijn slap en de verdiensten verminderen bij den dag: althans het is of het mij altijd moet tegenloopen. Wanneer ik eens een speculatie doe, die anderen tonnen gouds in den zak jaagt, moet ik mij met eenige percenten vergenoegen."
"Gij kooplieden zijt evenals de boeren," zeide Tante: "altijd klagen, al gaat het nog zoo voor den wind. Zal de balans van dit jaar een zooveel minder voordeelig saldo opleveren dan die van het vorige?"
"Daar valt nog niets van te zeggen," zeide Van Baalen: "maar," vervolgde hij met een zucht: "het saldo zou eens zooveel moeten bedragen, wanneer wij den tegenwoordigen koers van het geld in aanmerking nemen, en nagaan, hoe anderen profiteeren.--En dan die fatale oorlog tusschen Rusland en Zweden!"
"Ik dacht in mijn onnoozelheid," zeide Suzanna, "dat het best visschen was in troebel water."
Wij waren intusschen gaan zitten: eenige ververschingen werden toegediend en aan Pulver werd een pijp aangeboden: ofschoon het anders de gewoonte niet was, dat er bij Tante aan huis gerookt werd. Maar zij was, en terecht, van oordeel, dat men aan gasten van een minderen rang nog meerdere oplettendheden moet bewijzen dan aan hen, die met ons gelijkstaan, en alles aanwenden, om hen op hun gemak te stellen: daar zij anders zich lichtelijk verbeelden dat men hen uit de hoogte behandelt of hun niet geeft wat hun toekomt.
"De weg van Diemerbrug naar Weesp wordt bij uitstek slecht onderhouden," zeide Van Baalen: "of liever in 't geheel niet. Ik heb somwijlen gedacht, dat ik er niet levend af zoude komen: en ik hen overtuigd, dat mijn rijtuig er van gelust heeft."
"Er bestaat een twist tusschen de Ingelanden en het Zandpad," zeide Tante, "wie van beiden den weg herstellen moet."
"Et le peuple pâtit de leurs tristes débats,"
zeide Suzanna.
"O Mevrouw!" zeide Pulver, die nu zijn pijp had aangestoken: "indien de Patroon een reisje op Java gedaan had, of slechts door Zweden, dan zou hij voorwaar zoo niet klagen. Ik herinner mij Schonen, Smaland, Ostrogotland en Sundermanland te zijn doorgereisd, zonder dag of nacht op te houden, schrijlings zittende op een plank op wielen, 't geen men daar nog wel gelieft een kariool te noemen, en tot voerman een meisje van vijftien jaren, over dik en dun."
"Dan moet hij veel hebben gehad van een bierton, die vervoerd wordt," fluisterde Suzanna mij in.
"Ja!" vervolgde Pulver, terwijl hij een wolkdamp wegblies, "dat was een benauwde reis, die mij al mijn leven heugen zal: van Rostok af tot aan Stokholm toe niets als ellende met zuur bier, tweemalen storm, eens door een Russisch fregat nagezeten, dat ons voor Zweden aanzag: en dan die wandeling op een plank?"
"Ja!" zeide Van Baalen met een zucht: "gij hebt altijd tegenspoeden gehad, zoo dikwijls gij voor ons gereisd hebt. En als ik niet wist dat het uwe schuld niet is, en dat gij een knappe kerel zijt ... hm! hm!"
"Wel Mijnheer!" zeide Pulver: "UEd. doet mij blozen (als de kreeft zei tegen de braadpan), maar, wat ik zeggen wou, dat alles kwam toch niets bij hetgeen ik uitgestaan heb toen ik voor de West-Indische Compagnie voer. Heb ik dat wel eens aan Mevrouw verteld? ik geloof al."
"Welzeker," antwoordde Tante: "maar daar is Neef en de jonge Juffers, die zouden het misschien wel eens willen hooren."
"O ja! als 't u belieft, Kapitein?" riepen Henriëtte en Suzanna, als uit éénen mond: en ik betuigde insgelijks, dat ik zeer verlangende was naar het verhaal.
"Nu ja!" zeide Tante: "straks op de wandeling: dan kunnen de Heer Van Baalen en ik onze zaken terwijl eens bepraten."
Er was hier niets tegen in te brengen: en zoodra onze lichamen behoorlijk versterkt waren en Kapitein Pulver, door zijn kopje om te keeren, getoond had, dat hij genoeg koffie gebruikt had, verlieten wij gezamenlijk het huis: Tante nam Van Baalen onder den arm en was spoedig met hem in een druk onderhoud gewikkeld; en wij jonge lieden drongen ons om Pulver heen, ten einde hem aan zijn belofte te herinneren. Dit was echter niet noodig; want de man brandde reeds van verlangen om zijn verhaal te plaatsen.
"Komaan! (zooals de man tegen de nauwe laars zei)" zeide Pulver: "dan zullen wij met de vertelling maar van wal steken: 't is nog al een aardigheid voor jongelui, die nooit den neus buitengaats gestoken hebben, zoo ereis te vernemen, hoe het op het groote vaarwater toegaat, en dat het niet altijd meeloopt; maar dat zullen wij weldra hooren, zei doove Tijs. Je moet dan weten, dat het zoo omme ende bij een goeje vijf jaar geleden is, dat ik voor de Compagnie voer op het Brikschip: "de Prins te Paard", naar Curaçao bestemd. Wij hadden altijd voor-de-wind en geen rakje in 't zeil gehad, totdat wij zoo naar mijn beste geheugenis op vijftien graden N.B. waren gekomen. Het woei een bramzeilskoelte, genoeg om het schip aan den gang te houden; meer niet: ik was naar kooi gegaan: en pas had ik naar de gis een uur geslapen, en droomde, dat moeder Pulver, die ik te huis gelaten had in de blije verwachting, met al onze zeven kinderen voor me stond, en dat mijn kleine Maarten, die nu ook al het zeegat uit is, een rateltje in de hand hield en een vervaarlijk leven maakte, zoodat ik hem een labberdoedas om zijn ooren gaf, en verzocht of hij op wou houen, toen ik een stem boven mijn hoofd hoor: "omlaag hou! Schipper! omlaag hou!"
"Wat is er?" vroeg ik, met een schrik opspringende: "wie roept daar?" En het was of ik nog altijd dat rateltje boven mijn hoofd hoorde.
"'t Is Sander," zei hij.
"Wat nieuws?" vroeg ik weer.
"Hoor je 't niet?" vroeg hij: "zwaar weer ophanden."
Ik sprong de kooi uit: en nu merkte ik, dat hetgeen ik voor het rateltje van Maarten hield, het kletteren van den regen op het dek was; klik klakkerdeklak! ging het, puur of zij met zakken vol erreten over de planken strooiden.
"Heb je ooit meer zoo'n regen gehoord?" vroeg Sander. Sander was mijn tweede stuurman, een jongen als een vlag, daar ik op rekenen kon als op mijn zelvers, die zijn werk goed verstond; maar ik was toch eerst wat knorrig, omdat hij mij in mijn rust stoorde.
"Wel" zei ik zoo: "al regende het handspaken en oude wijven! ben je nou bang voor een beetje regen, man?" maar ik schoot mijn duffel toch aan, zette mijn zuidwester op en kwam boven."
"Wel wat zeg je van dat weertje, Schipper?" vroeg Sander.
Ik keek ereis rond: "wat zal ik zeggen?" zei ik zoo: "'t is mooi donker en ik hou niet van zoo'n hooge zee zonder dat men wind voelt."
"De zee is den gansenen nacht al hooger geworden," zei Sander: "en het zwerk hangt laag."
Ik keek op mijn klok: het was al vijf uren, en ofschoon de zon al haast moest opkomen, er was nog geen witte streek in het oosten te zien. De regen bleef ondertusschen met geweld vallen, en de lucht was zwart als een inktflesch; maar wat vreemd was, op het water was het helder als de dag.
"Schip in lij!" riep de Uitkijk, terwijl ik met den stuurman en Sander bij het roer stond.