Chapter 2
"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt: "_où trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans_," vroeg hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"--"Maar," vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden bestempeld worden."
"_Le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable_," zeide ik, maar voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken, zoû ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende, die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks in een roman zoû aantreffen."--Ik betuigde hem mijn verlangen om dat handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid, wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."
"Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zoû weten of het waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er meê naar welgevallen."
Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit haar eigen brein heeft tusschen gevoegd, wil ik niet beslissen. Het laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar naauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en _data_ heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken, kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren. Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop, tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd opgeroepen.
Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij het opruimen van oude papieren onder de oogen kwam. Bij de herlezing scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen wekken, en dat, na verloop van zoo vele jaren, geene zwarigheid meer bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend ik mij tot u, met de vraag of gij de peetschap over het papieren kind wilt op u nemen, overtuigd dat enz....
Uw vriend P.
* * * * *
Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn. Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven, echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat hiervan zij, ik geef het boek zoo als ik het ontvangen heb: en heb er niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze _e_ achter het onbepalend lidwoord en veelal ook achter de _possessiva_ weglaat, tenzij wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen; misschien meer dan zij zelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik haar daarin geen ongelijk.
DE UITGEVER.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN, ONDER MEER ANDERE WETENSWAARDIGE ZAKEN, HET PORTRET VAN DEN HELD DEZER GESCHIEDENIS GEVONDEN WORDT.
Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avond-disch een naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte, terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een vleiende stem toeriep: "och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de Frankforter mis!" heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf, en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik, sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan. Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten: ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren, daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek, jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen, en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t' avond of morgen dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.
* * * * *
Het was in den zomer van het jaar 17.., dat ik, na een afwezigheid van twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij, die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren, dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën overleed, had mij een vrij aardig sommetje gelegateerd, onder voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets hetwelk bij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk placht te stellen om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp, welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.
Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis van Bempden van Baaien en Co. te Amsterdam en een ander huis te Livorno, hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie, briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, hij geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen; zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde, dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener schikking, waarmede beide partijen tevreden waren.--Hiermede echter was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.
Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was. Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voor te zetten. In Siciliën overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelf dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon, oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn terugkomst opnieuw.
Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal, al was het dan ook met den Overijselschen tongval, hoorden spreken; en met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken, dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet weêrstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of, niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde dorperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.
"Kom, nog een glas borgonje!" riep mij de oude, dikke landedelman toe, terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus gebracht: "Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af wist, en waarmede men ons nu in de kleêren wil steken. Kom, mijn jongen! de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!"
"Van harte gaarne!" zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas vullende: "en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van wijlen Jaco heeft vereenigt en er het Sticht mede afloopt.
"Wel zoo!" zeide lachende Eduard, "wilt gij die eer aan onze Stichtsche Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit?--maar genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en drink de gezondheid uws vaders."
"En dezen dronk," vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende, "wijde ik uwer brave moeder!"
Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie met zijn toasten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn, vroegtijdig vertrekken moest.
"Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?" vroeg de oude Heer.
"UEd. kan zelve beöordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen."
"De jonge heer heeft gelijk," zeide mevrouw van Ypendael: "en hoe gaarne wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij zonden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard langer van huis gehouden had."--Met deze woorden drukte zij de hand van haar teruggekeerden lieveling.
"Gij hebt wel gelijk, moeder!" zeide deze, haar omhelzende: "ik vind mij nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk zoo spoedig mogelijk te smaken?"
"En hoe denkt gij de reis te doen?" vroeg mij de Baron.
"Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan."
"Te voet!" zeide de oude Heer, lachende: "gij zijt, dunkt mij, ook van de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt."
"Ik geloof," merkte glimlachende de oudste zoon aan, "dat onze vriend Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis altoos zoo zuinig op zijn _équipage_ geweest is."
Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof, dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.
"Nu," zeide de Baron: "een mensch zijn zin, een mensch zijn leven; --maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van hier naar Amersfoort laten brengen!... ik denk dat Eduard zich daarmede wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek."
Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognacq, hetwelk de Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den aftocht te blazen.
Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling, namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.
Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai weêr. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weêr aan den landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen, stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in gloeiende asch herschapen. Groote zweetdruppels biggelden tappelings langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon, dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap, dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam en soms nog, lang nadat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde kleederdacht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En in de daad, ik moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het gewaad de lieden beöordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten, dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien, die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart geweest was, maar door zon en regen met een roze-roode kleur begiftigd geworden, en hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd. Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel, had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der stoffaadje uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen dat, dank zij mijn moeder, die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.
Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikrover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt.