Ferdinand Huyck

Chapter 19

Chapter 193,942 wordsPublic domain

"Is het wel mogelijk!" riep ik: en terstond, door een onwillekeurige gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken, stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding, eener vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan Lodewijk Blaek, die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te voldoen.

Mijn binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende mij terstond; zij kleurde even: en haar arm latende vallen, deed zij een schrede zijwaarts naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn bescherming stellen.

"Wie is daar?" vroeg Lodewijk, die met den rug naar ons toe stond en zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij, verschoot van kleur, maar herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een schamperen glimlach.

"Aha!" zeide hij: "ziedaar een welkomer gast! Nu zie ik inderdaad, dat ik het veld zal moeten ruimen."

Ik gevoelde de noodzakelijkheid, een poging aan te wenden, om zijn kwade vermoedens weg te nemen.

Mijnheer!" zeide ik, "gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik was onbewust dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt binnen te treden, omdat ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd."

"Mijnheer!" zeide Lodewijk: "zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking geven."

"Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde," hernam ik, ongezind mij een noodeloozen twist op den hals te halen: "Mejuffrouw alleen kan hier beslissen of mijn vermoeden ongegrond was."

"O! _Mademoiselle_ zal u wel gelijk geven," hernam Lodewijk, met bitterheid: "want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet wijsmaken."

"Wees voorzichtig!" zeide ik, gevoelende dat ik warm werd: "ik ben niet gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt."

"Om 's Hemels wil! Mijnheer Lodewijk! Mijnheer Huyck! bezit uw zielen toch in lijdzaamheid:" riep Helding, angstig tusschen ons intredende; "verstaat elkanderen:

En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!"

"Gij hebt mij geaffronteerd!" zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: "en gij zult er mij rekenschap van geven."

"Wanneer gij wilt," hernam ik in drift: "maar wij zullen eerst beiden dit huis verlaten en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke tooneelen besparen."

"Tot uw dienst," zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.

"Een oogenblik!" riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende: "Mijnheer! vervolgde zij tot Lodewijk: "ik heb u zooeven verzocht mij te verlaten: thans begeer ik, zoo gij prijs stelt op den naam van een fatsoenlijk man, dat gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit verklaar ik u, dat alle beleedigende uitlegging, welke gij aan mijne korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden berust."

"Dacht ik het niet?" zeide Lodewijk: "_Mademoiselle_ is te beleefd om Mijnheer tegen te spreken."

"UEd. ziet het, Mejuffer!" zeide ik: "deze Heer wil geen rede verstaan en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort, valsche gevolgtrekkingen te maken."

"Waarlijk, Mijnheer Lodewijk!" zeide Helding: "UEd. is in dwaling: het was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven! en ZEd. zou deze deur stilletjes zijn voorbijgeloopen, indien ik ZEd. niet op het gerucht opmerkzaam had gemaakt."

"Mijnheer!" zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: "gij zijt een man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om dezen Heeren te verzoeken, mij te verlaten, en te vergeten dat zij mij ooit gekend hebben."

"Kom Helding! gij hoort het," zeide Lodewijk, spottende: "neem mij dan bij den arm en gooi mij de deur uit."

"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide ik: "gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoowel als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt."

Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, an er ware ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder openging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnentrad.

"Mij dunkt," zeide hij, "dat men het hier niet eens is, en dat hier meer leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet, _Mademoiselle_! dat UEd. ontving zulke drukke visites. Had ik kunnen raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze appartementen; want ik ben niet gewoon... maar wat zie ik? Mijnheer Blaek! gehoorzame dienaar. Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend Helding ook al hier! Mijnheer Huyck! welkom in 't Vaderland! Maar mag ik weten, wat dit alles heeft te beduiden?"

"O! niets ter wereld!" zeide Lodewijk: "ik kwam aan de Juffer een bezoek geven; en Mijnheer begrijpt dit kwalijk te moeten nemen."

"Monsieur Heynsz," zeide Amelia met waardigheid: "ik heb deze kamer van u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid op moge genieten."

"Uw vrijheid! _Certainement_!" zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep: "niemand kan u verbieden, te ontvangen _visites_; maar dit huis heeft altijd _gejouisseerd_ van een _honnetten_ naam: en ik logeer geene dames, die ... die meen ik ... Heeren bij zich ontvangen. UEd. verstaat mij?"

"Neen, Mijnheer! ik versta u niet," antwoordde Amelia, terwijl zij kleurde van schaamte en verontwaardiging: "en gij verstaat mij nog minder: "ik begeer juist vrij te zijn om _niemand_ te ontvangen: en als Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand mijne kamer kome oploopen alsof ... het een herberg ware. Ik wil alleen zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf moeten uitzien."

"Mij dunkt," zeide ik, Heynsz aanziende, "dat Mejuffer niets onbillijks vordert."

"Integendeel!" zeide hij: "zij spreekt als een boek: ik was in erreur. Allons! Mijne Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom, vriend Helding! opgemarcheerd."

"Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd gezelschap," zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blauwe muts in de hand, en vertrok.

Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik begreep, dat Amelia geene beleediging te vreezen had, maakte ik insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in 't portaal staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.

"Vaarwel, fiere schoone!" zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het oogenblik alle hoop moest opgeven: "het doet mij recht leed, dat ik u misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal u heden niet meer lastig vallen.--Mijnheer Huyck! gij gaat nog niet heen! Ik heb u twee woorden te zeggen."

"Ik wachtte u," zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.

"_Eh bien_! wat zal dat zijn?" riep Heynsz, ons achternavolgende: "de Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie! Indien zij nog quaestie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij komen in mijn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over deze _affaire_."

Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoten, en, terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op dan aan zijn verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad mij eenigszins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich toe, schoof stoelen aan en zette zich in een armstoel, met al de deftigheid van een Turkschen Pacha: en ik kon niet nalaten van bij mijzelven te lachen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des Hoofdschouts zoon in 't verhoor ging nemen.

"Mijne Heeren!" zeide hij, zoodra wij alle drie gezeten waren: "ik weet bij eigene experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen. Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Heeren weten, dat ik al wat _traversen_ en _recontres_ heb gehad." "Met verlof," zeide Lodewijk, de beenen over elkander kruisende, en op zijn horloge ziende: "kunt gij het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om een paar harddravers te probeeren, en het is nu al kwartier."

"Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden," hernam Heynsz: "alleen, mag ik zoo vrij zijn van u te vragen, wat het motief is van de quaestie?"

"Ik ben niet gewoon," zeide Lodewijk, "bij een zaak van eer andere lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand."

"Wat mij betreft," zeide ik, "ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot scheidsman nemen: zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker, dat over deze zaak buiten af geen gewag gemaakt worde. Ik ben dus bereid, alles, zooals het zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tot geschil bestaat."

"Zoo gij mij liever verschooning wilt vragen, dan met mij een wandeling buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden," zeide Lodewijk, mij spotachtig aanziende.

"Ziedaar, wat wij nader zien zullen," zeide ik: "laat mij, als 't u belieft, eerst uitspreken. Ik begin met te bekennen, dat UEd., oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn, misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer geen weerstand aan uw voorstellen zou bieden; maar, vergun mij UEd. te zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd., in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag niet langer te rechtvaardigen was."

"Voor den duivel!" riep Lodewijk driftig, "neemt gij het op dien toon?--Bah!" vervolgde hij, lachende: "ik heb er wel honderd gekend, die eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjes, zoodra ik de geeltjes liet klinken."

"Wel mogelijk!" hernam ik op een koelen toon: "maar dat zou niet licht het geval worden met de Juffer hierboven. UEd. hebt haar door uw gedrag beleedigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te nemen, heb niets anders gedaan dan hetgeen elk ander en UEd. zelf in mijne plaats verricht zoudt hebben."

"Wel, niets was natuurlijker," zeide Lodewijk: "gij wildet gaarne uw lief voor u alleen houden."

"Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst," vervolgde ik, "dat mijne kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft, Mijnheer! wij hebben elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zou niet aarzelen, u voldoening te schenken: maar bedenk, dat wij in dit geval, om een armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij."

"Braaf gesproken!" zeide Heynsz: "een fatsoenlijk meisje is het: haar papa woont te Deventer: Van Beveren heet hij: zij is een nicht van den Notaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd."

"'t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Notaris!" zeide Lodewijk, zijn das ophalende en een gezicht zettende alsof hijzelf de neef ware van den Grooten Mogol.

"Dat is hetzelfde, Mijnheer!" zeide Heynsz: "ik ben maar een portretschilder; maar voordat iemand affronteere die Juffer, ik zelf zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren maniëeren in Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goede _noblesse_. Wat u betreft, Mijne Heeren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te termineeren in goeden vrede."

"Gij zijt een onbeschaamde vlegel," zeide Lodewijk, driftig opstaande.

"Neen, Mijnheer! ik hen een portretteur," zeide Heynsz: "maar ik heb genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden, die _volontair_ zijn, als UEd."

"Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield," zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: "wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik zie wel, dat alle praatjes niet helpen. Ik zal u hedenavond nog een briefje schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak kunnen vereffenen. En nu, Heer Portretkladder: ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg u aan mijn degen."

"Bah!" zeide Heynsz, bedaard opreizend: "ik ben niet de waard uit het Hagendoornsche Bosch."

"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn gelaat zoo wit werd als papier.

"Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te zijn bekend, en die het resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere lieden, _bon gré mal gré_, op de binnenplaats van het stadhuis, onder den blauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename dingen."[6]

"Gij zult mij die woorden nader ophelderen," zeide Lodewijk, Heynsz bij den arm nemende en ter zijde trekkende, als vreezende, dat ik iets van het antwoord verstaan zoude.

"Direct!" zeide Heynsz: en tegelijk de deur openende, ging hij het portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond, die slagen heeft bekomen. Heynsz fluisterde hem iets in het oor: en na een kort en driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een heesche stem en zonder mij aan te zien:

"Wij zullen de zaken maar blauw blauw laten, Mijnheer Huyck! Ik ben wat driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd."

"Ik verlang niets liever," antwoordde ik, met een stijve buiging. Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, 't geen voor een groet moest doorgaan, en vertrok.

"Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?" vroeg ik aan Heynsz, zoodra deze terugkeerde.

"Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander," zeide deze: "die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenige _Compagnons, mauvais garnemens comme lui_, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard gegeven een _coup d'épee_, waar de man van heeft moeten houden een maand lang het bed. Die zaak is _geäpaiseerd_ omdat het waren jongelieden van den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest royaal genoeg om te geven een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk was het meest _coupabel_, heeft niets van zich doen hooren, en dacht, dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik die _affaire_ wist, haarklein."

"En schroomt gij niet," vroeg ik, "dat hij daardoor uw betrekkingen tot de Justitie zal leeren kennen?"

"Geen nood: hij zal niet, al _soupçonneerde_ hij iets, daarvan spreken durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou hebben een staartje."

"Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik zien, dat hij mij voor een lafbek hield."

"Hoor Mijnheer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik niet verhinderen; maar te mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uws vaders zoon niet betrokken worden in eenige _querelles_. Voelt UEd.? Wat behoeft dat _tumult_?"

"Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde."

"Bah!" zeide Heynsz, terwijl hij lachende den vinger omhooghief: "ik heb te veel _experientie_ om mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer draaien, zooals UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamsel dan UEd. wel weten wil."

"Wat!" zeide ik, onthutst: "gij weet...."

"Dat UEd. met haar van Naarden gearriveerd zijt! Of ik het weet ... maar wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet oververtellen aan Papa."

Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne bekendheid met Amelia's vader bewust ware.

"Nu ja!" zeide ik op een onverschilligen toon: "ik heb met haar in de Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?"

"_Juste_! maar UEd. heeft niet gepasseerd den nacht te Naarden: evenmin als zij."

Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het integendeel zocht uit te vorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als in mijn vermogen was:

"Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die Juffer kan strekken?"

"In het minste niet," antwoordde hij: "ware het anders, ik zou haar niet logeeren in mijn huis. Ho! Ho! Men bedriegt niet Heynsz: ik badineerde maar: doch _franchement_, indien het een ander ware geweest als UEd., die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite van mij te informeeren, hoe gij beiden u zoo à _l'improviste_ bevondt te Naarden, zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gearriveerd."

Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist. "Welnu!" zeide ik, "daar wij geen van beiden verdachte personen zijn, noch Mejuffrouw Van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek kunnen bezig houden."

Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen wil en dank van het eene avontuur in het andere te halen en een rol te doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen te hebben.

NOTEN:

[5] De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken gegeven: deftige leden uit den burgerstand heetten _Sinjeur_: en men zeide _Monsieur_ tegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen nog te verheven waren. Met _Mevrouw_, _Mejuffrouw_ en _Mademoiselle_ was het ongeveer hetzelfde.

Noot van den uitgever.

[6] Aldaar werd voorheen het vonnis aan de ter dood veroordeelden gelezen.

Noot van den Uitgever.

* * * * *

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE, HOE FERDINAND EN SUZANNA UIT LOGEEREN GINGEN EN WAT ER OP HEIZICHT GEBEURDE.

Indien mijn waarde lezers het bovenstaande nauwkeurig hebben gelezen en onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag, volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats had, een Zaterdag was, en wel die, waarop Tante Van Bempden mijn zuster en mij zou komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet veel later dan negen uren hield haar koets voor onze deur stil, terwijl Suzanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voor- of achteruitgezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij buiten noodig hadden, beantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op de stoep vergezelde, hielp ik Suzanna in het rijtuig, van waar mijn Tante haar reeds het welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten, stapte na naar het portier binnen, en, vond mij _nez-à-nez_ met ... Mejuffrouw Henriëtte Blaek.

Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjes aan, die wij mede moesten nemen: er was vrij wat drukte en bereddering: en ieder sprak te gelijk.

"Wel, Jetje-lief! hoe vaar je? wel Tante! wat is dat een lieve verrassing," zeide Suzanna.

"Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?" riep mijn moeder, van de stoep af, terwijl zij minzaam goeden dag knikte: "wel Zuster! dat is een recht aangenaam gezelschap, dat gij aan Santje bezorgt."

"Nietwaar, Zuster!" riep Tante weerom: "ja! ik wist wel, dat Santje niet aarden kan zonder een kornuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe meer vreugd."

"Goeden dag, Mevrouw Huyck!" riep Henriëtte: "is het niet een recht lieve attentie van Mevrouw Van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?"

"'t Is klaar Joris!" zeide de knecht, het portier sluitende.

"Vaartwel! Adieu!" klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten.

Nauwelijks waren wij onderweg, of er ontstond eene oogenblikkelijke stilte: en de verschillende _contenances_, die wij hielden, zouden zeker niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings aan: Tante Van Bempden met een blik van zegepraal over het welgelukken van haar verrassingsplan: Suzanna met een paar oogen, waarin ik, bij de vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte, die mij eerst vrij stijfjes gegroet had, met een eenigszins verlegen blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.

"Komaan!" zeide Tante: "Jetje-lief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek."

"Ik heb reeds de eer van Mijnheer te kennen," zeide Henriëtte, met een zoo korte hoofdbuiging en op een zoo drogen toon, dat ik geheel en al van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.

"Hoe! kent gij mijn neef al?" vroeg Tante, met verbazing: "en hoe is dat mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug."

Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Suzanna op haar zakdoek beet om niet te lachen, vatte ik eenigszins moed: "Mejuffrouw," zeide ik, "is de eerste stadgenoot geweest, die ik op den vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet gelukkiger treffen kon."

"Hoe varen Letje? en Keetje?" vroeg Henriëtte, zich naar Suzanna wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze ontmoeting op Guldenhof uit te weiden.

"Wel! zeer wel!" zeide Suzanna, ons beurtelings met een verwonderden blik aanziende: "zij zijn recht in haar schik met het moois, dat Ferdinand haar gebracht heeft," (men ziet, dat zij mij met geweld in het _discours_ wilde sleepen:) "wat mij betreft, ik ben maar half tevreden over hem. Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd hebben; maar och! hij is te huis gekomen zooals hij gegaan is, behalve dat hij deze reis geen pruik ophad."

"Welnu! wat wildet gij dan?" vroeg Tante, met haar gewone levendigheid, en het gezegde van Suzanna voor goede munt opnemende: "hadt gij liever gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is wel zaak, dat wij ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven voorstaan."

"Recht zoo Tante!" zeide Suzanna: "hoe is u de laatste preek van Talard bevallen?"