Ferdinand Huyck

Chapter 18

Chapter 184,050 wordsPublic domain

"Verbeeld u nu," zeide Suzanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat Papa, die eergistermorgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfden _coup_ had willen doen als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stondt, als Badeloch uitroepende:

"Waar wilt gij heen? u zelf verdrinken in de gracht?

Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd."

"Nu! ik vind dat malle aardigheden," zeide mijn moeder.

"Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?" vroeg mijn vader.

"Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet," antwoordde ik, en gaf nu opnieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, een kort verslag van mijn oponthoud aldaar.

"'t Is een arme duivel," zeide mijn vader: "_poëta famelicus_: en dat gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!"

"Wij mochten hem toch wel ten eten vragen," zeide mijn moeder.

"Niet te haastig, beste schat!" hernam mijn vader: "ik verbuig hem niet tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans dat hij ons niet loslaat, maar onze geheele familie lid voor lid bezingt."

"Wel dat ware niet onaardig," zeide Suzanna: "ik ben nog wel ouder dan Jetje Blaek, en er is nog nooit een vers ter mijner eere gemaakt. Het wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zou van mijn kant zeer hartelijk wenschen, dat die poëet eens verzocht werd. Ik wilde wel zien, of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon."

"Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door 't hoofd malen?" zeide mijn moeder.

"Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen," zeide mijn vader, "en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed."

"Dat is een verwénsching en een vérwensching tevens," zeide Suzanna.

"Intusschen," vervolgde mijn vader, "zijn beleefdheid moet betaald worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten deze de geconcerneerde partij, _heros celebratus_. Zie daar twee dukaten: die zult gij naargelang van zaken hem aanbieden of op de tafel laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan een uitnoodiging aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid kost.--Hij is met dat al een eerlijke kerel, die veel wederwaardigheden gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt, helaas! al veel."

"En onder welke van die twee categorieën schikt UEd. zijn verzen?" vroeg Suzanna.

"Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waartegen geene plakkaten bestaan."

"Die toch wel noodig waren," hernam Suzanna: "want ik ben van de meening van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte verzen:

_Qu' un homme est pendable après les avoir faits_."

"'t Is toch zonderling," merkte mijn vader aan, "dat de vrouwen altijd zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier aanstelde, zou er binnen de veertien dagen een oproer zijn."

* * * * *

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN FERDINAND OP COGNAC ONTHAALD EN TEGEN WIL EN DANK IN NIEUWE AVONTUREN GESLEEPT WORDT.

Ik wandelde dan, niet lang nadat wij van tafel waren opgestaan, naar de Raamgracht, en vond weldra het huis dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was aan het, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, 't welk achter de glasruiten der zijkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in gekleurde letteren te lezen stond: ZACHARIAS HEYNSZ, _Portretschilder_. Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hooge, recht opgaande stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, evenals zulks alleen in de toovergeschiedenissen en in sommige Amsterdamsche huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaar worden door welk middel: eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij steile, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante zweemde.

"Wat is er van je dienst, Sinjeur?" klonk de stem uit de hoogte.

"Ik wilde Monsieur[5] Helding spreken."

"Kom maar op!" antwoordde de stem: "en wees zoo goed, de deur weer achter je te sloiten."

Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken.

"Nou dat trappie op," zeide zij mij, zoodra ik bij haar stond: "en dan de derde deur aan je rechterhand: maar pas op! het is wat doister hier."

En inderdaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de rechte plaats neder te zetten. "Voorwaar," dacht ik: "_per ardua ad as tra!_ zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het is niet, dat hij de gewoonte mist om te klimmen."

Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.

"Binnen!" riep een stem, die mij toonde dat ik te recht was.

Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waarvan de ruiten voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tichelsteenen belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar 's winters wat koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen zeer behaaglijk aanzien had. Voor 't overige bestond de geheele inboedel uit eene tafel en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met een blauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan 't lijf en kousen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met de _garderobe_ des goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn pruik versierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.

Het vereischte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te naderen: daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar meer hun innerlijke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.

"Wel, Mijnheer Huyck!" zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart gebrand, pijpje uit den mond nemende: "neemt UEd. waarlijk zelf de moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan."

"'t Is misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen," zeide ik: "maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten, mijn dank te betuigen voor de beleefdheid,..."

"Te veel eer, te veel goedheid," zeide Helding, terwijl hij mij zijn stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste kleedingstukken, die hij gezamenlijk op den bultzak in de slaapstede wierp: maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats, ik ben geheel verlegen en confuus van de moeite die UEd. neemt om zoo tot de hanebalken op te klimmen.--Ik woon hier wat hoog."

"Wel! dat is als het behoort," zeide ik, lachende: "een poëet kan niet te dicht bij de Goden huizen."

"UEd. gelieft te schertsen," antwoordde hij: "maar waarlijk, het is hier te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen 's winters kan het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vroolijk. En waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognac, die mij overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere Willem De Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn gouden bruiloft."

Ik kon niet nalaten bij mij zelven te lachen over de niet onaardige wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was, zijn liederen met een _cadeau_ betaald te zien. Ik zocht mij met dat al jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zooeven van tafel komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man kreeg een der kostbare fleschjes van onder zijn bedstede voor den dag en vulde daar twee kleine kelkjes mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als wilde hij zeggen: "nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren."

Ik liet hem ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen in 't algemeen en de dichters in 't bijzonder nog liever gevleid dan geprezen worden, zwaaide ik aan het flauwe voortbrengsel zijner Muze meer lof toe dan ik aan de beste verzen van Vondel zou geschonken hebben. Ik schaamde er mij wel wat over, maar wat zoude ik doen? de man had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.

"Ach Mijnheer!" zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had uitgeput: "dachten alle menschen in Holland zooals UEd. en legden zij allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het zou er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de zeven Provinciën geen liefhebberij voor de dichtkunst meer."

"De Heer Blaek," zeide ik, "schijnt u nogal te beschermen."

"De Heer Blaek," antwoordde Helding, "is een waardige schutsheer der letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar," vervolgde hij, een weinig bijschuivende, "dat hij zooveel zaken in het hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms gebeurt het, dat ik hem de beste regels voorlees, die ik ooit vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment verwacht, dan schijnt hij ais uit een droom te ontwaken, en vraagt aan zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua is, of welken prijs de koffie op de laatste veiling gehaald heeft."

"Maar zijn zoon dan?" zeide ik, zoetjes aan het gesprek op Henriëtte wenschende te brengen.

"Zijn zoon is een knap jong mensch! vol vernuft en geest; maar zoo wild! nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan 't voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjes en knipt mij die tegen den neus. Ja! er zijn geen poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug gespeld en _quasi_ om een boodschap aan den pluimgraaf, naar de menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En een andere reize, toen ik een lichtkleurige broek aanhad, stuurde hij zijn honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen, zoodat ik, geen andere kleding bij mij hebbende, den gansenen avond voor het keukenvuur heb moeten zitten om mij te drogen, en zeker niet weer in de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld. Zooals ik zeg: het is een vroolijk Heer; maar ik moet het van hem wel verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien ook."

Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzelven den armen man, die op zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. "En Mejuffrouw Blaek," zeide ik toen: "zij althans schijnt u zeer genegen."

"O Mijnheer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne knepen der poëzie! maar anders, een hart heeft zij ... zooals geen meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat verzeker ik u."

"Is dat huwelijk reeds bepaald?" vroeg ik, eenigszins onrustig.

"De oude Heer zou het gaarne zien; maar, tusschen ons gezegd," vervolgde hij op een vertrouwelijken toon: "de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn vrijheid nog wel wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige tooneelen; maar, ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten hadt, was het er vrij onstuimig ... ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jongelieden hun hof aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon, zou ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel."

Ik antwoordde niets; want, ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man niet aanmoedigen om familietwisten, waarvan het toeval hem getuige had gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever, openhartig gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en ging aldus voort:

"Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek zette een gezicht, zooals hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet: "past het een fatsoenlijk, welopgevoed meisje," vroeg hij, "met een jong Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?" Toen sloeg mijn lieve Flora (ik ben schertsenderwijze gewoon haar Flora te noemen) haar oogjes neder en zeide: "Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt had."--Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een pak van 't hart te nemen. "Zoo!" zeide hij, "had je hem nooit meer gezien? Maar hoe weet je dan, of hij u geen knollen voor citroenen in handen gestopt heeft: gij deedt beter, niet meer zoo alleen naar den koepel te gaan; er zwerft zooveel slecht volk tegenwoordig langs den weg, en een gauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons immers nog verteld van die inbraak. 't Is zeker volk van de bende van Zwarten Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren en sluipen in de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is."--"Ja!" zeide de Heer Lodewijk: "en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij de mooie meisjes ook al mede."--Ik kan u zeggen, Mijnheer Huyck, het denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora,

Een pronkstuk dat het oog van ieder kan betooveren Ontschaakt door 't gruwzaam feit van goddelooze rooveren, Gelijk de schoone, die Alcides had geroerd, Bij ('k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.

En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais, dat de koepel bevatte, naar huis te voeren: "want," zeide ik:

"Want, Heer! geloof mij, volle kasten Zijn niet vertrouwd bij zulke gasten."

"Maar meisje! meisje!" zeide de oude Heer al wederom: "hoe kon je toch zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?"--

"Wel," zei Juffrouw Jetje: "ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier vanzelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik naar huis moeten vluchten en kletsnat worden en den koepel open laten staan voor een iegelijk? Maar ik kon immers wel zien, dat hij een fatsoenlijk man was."--"Taratata!" zei toen de oude Heer: "wat gaat dat mondje weer rad. Nu geef mij maar een zoen, Jetje! wij zullen er niet meer over spreken. Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten zijn om u af te halen, maar hij heeft zijn tijd met Helding op het biljart verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm."--"Neen," zei mijn lieve Flora: "ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt. Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem niet hindert."

"Wel," zei ik, "al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een wereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om zulk een eer te mogen genieten:"--en zoo streek ik met de Juffrouw naar huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en Lodewijk een deuntje floot.--En och heden! ik kan het u wel zeggen, Mijnheer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel goed, wat het liedje was, daar hij de wijs van neuriede, en waarom de oude Heer er zoo korzelig over was. Het is omtrent zoo:

Ja! Zij is aardig, jong en teer; Maar 'k min de gulde vrijheid meer. Ik wil, ik wil haar niet. Een breidel knelt, ofschoon van goud: Te vroeg getrouwd, te laat berouwd. Ik wil, ik wil haar niet.

En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat zij 's avonds vrij wat woorden hadden met elkaar. 't Was goed, dat zij beiden gistermorgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar de stad keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden.--Intusschen: de oude Heer is danig op die verbintenis gesteld, en als de Heer Lodewijk wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel doen.--'t Is maar niet pleizierig, dat het zooveel gehaspel geeft;--maar in 's hemels naam: mondje dicht, Mijnheer Huyck!"

"Geen woord zal er van over mijn lippen komen," zeide ik:--"maar mij dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor Mejuffrouw Blaek allesbehalve aangenaam zijn."

"Dat is waar," hernam Helding: "maar zij heeft het anders kostelijk bij haar oom. 't Is hartje wat lust je, mondje wat begeer je? De oude Heer heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!..." hier hield hij ineens op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den ouden man langs de wangen.

"Wat schort er aan?" vroeg ik, eenigszins verbaasd over deze verandering in 's mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een plotseling opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.

"Och!" hernam hij met een zucht: "als ik haar aanzie, dan herinner ik mij altijd mijn Klaartje:... dat was ook zulk een lief vroom kind, en had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, evenals zij.--Och ja! zoolang zij bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in ellende en eenzaamheid zooals thans: en schoon wij het niet breed hadden, wij waren tevreden: alles was altijd netjes en knap om mij heen: Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en luisterde naar mijn verzen,--kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles voorbij; ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den armen Helding.--'t Is waar, ik heb den naam van een vroolijke snaak te zijn:--en dat ben ik ook, in gezelschap; omdat ik van aard gezellig hen en die droevige gedachte dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben, och! dan heb ik soms bange oogenblikken." "Gij hebt dus het ongeluk gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?" vroeg ik deelnemend.

"Te verliezen, juist Mijnheer!" antwoordde hij, somber voor zich ziende.

"Zulk een verlies is zeker onherstelbaar," zeide ik: "maar de herinnering aan de goede hoedanigheden der afgestorvene zal hij u toch niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen verwekken."

"Der afgestorvene!" herhaalde hij: "gave de hemel dat zij gestorven ware!... ofschoon het mogelijk is ... ik weet het niet.--Neen, Mijnheer, zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij, haar vader, die haar zoo liefhad. Zij is de wijde wereld ingegaan:--en wat is de wijde wereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de verderfenis?--Doch ik moest daarover niet spreken:--het is alles wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij, Mijnheer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden."

"En waarom niet?" vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende: "het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten bij iemand, die het wel met ons meent."

"Neen, Mijnheer!" zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht had, dat hij kon aannemen: "er zijn rampen van dien aard, dat haar mededeeling geen troost kan aanbieden.--Er is slechts één ding, dat mij opbeuring zou kunnen geven, en dit zou het bericht zijn, dat zij van den slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! Ik zou haar immers weer aan mijn hart drukken en alles zou vergeten en vergeven zijn: zij zou mijn armoedje deelen: en misschien beleefden wij nog gelukkige dagen."

"Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene pogingen gedaan om haar op te sporen en van het doolpad af te brengen?"

"Och Mijnheer!" antwoordde hij, de schouders ophalende: "tot zulke nasporingen is geld noodig: en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zou kunnen krijgen van al de meisjes op te zoeken, die de Breeveertien op zijn."

"Nu," zeide ik, "zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt gij dan niet tot mijn vader gegaan?"

"Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet: dat ware te onbescheiden geweest."

"Onbescheiden!" herhaalde ik: "onbescheiden om mijn vader in zijn ambtsbetrekking te spreken?--Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw boodschap wel doen."

"Wel! ik zou UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe dat, Mijnheer Huyck! Ik zal er u levenslang voor dankbaar zijn."--En de tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte: "Och!" vervolgde hij, "wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd. dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis gekomen.--Ik was eerst al huiverig, of UEd. het niet te gebrekkig zoudt vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en het was dus nog onbeschaafd."

"Is dat anders uw gewoonte?" vroeg ik, eenigszins verwonderd, want ik was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters heerschte.

"Welzeker, Mijnheer!--Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen, waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij onze verzen voor en ieder maakt zijn aanmerkingen: en dan worden de zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd.--O! het is een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de vrienden niet tot mijnent kan ontvangen; want helaas! dat gedoogen mijn omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zou mij het tot eer rekenen,... maar het ware al te onbescheiden, zoo iets te durven hopen."

"Wel, waarom dat?" zeide ik lachende, en in de veronderstelling, dat daarvan wel nooit iets komen zou: "ik zou zeer gaarne dien krans eens bijwonen.--Maar het wordt mijn tijd, Mijnheer Helding! en ik zal u verlaten.--Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen."

Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op de trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Halverwegen gekomen, waar een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij stil en luisterde.

"'t Is of men het daarbinnen niet eens is," zeide hij, op de gesloten deur wijzende.

"Inderdaad," zeide ik: "mij dankt, er vallen hooge woorden." En ik stond insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.

"Het is, zoo waar ik leve, de Heer Lodewijk Blaek!" zeide Helding: "misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist."

"Stil!" zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde:--ik hoorde een vrouwenstem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht de navolgende woorden zeggen:

"Nog eens, Mijnheer! ik verzoek u dit vertrek te verlaten, of gij zult mij dwingen om hulp te roepen."