Chapter 16
"Dat laat zich alles wel hooren," zeide mijn vader, met een glimlach: "bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, _nobile illud officium_, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne gezien had onder de zoodanigen,
qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,
levert echter dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in 't hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu vlei ik mij, dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u voordeeligst zijn kan.--Wat zoudt gij van den handel denken?"
"De handel is een heerlijk iets," antwoordde ik, eenigszins verwonderd over deze plotslinge vraag: "maar dat men niet zonder fondsen beginnen kan."
"Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,
quorum nemo queat patriam monstrare parentis,
en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis van negotie staan?--Doch gij hebt gelijk.--Gij moet ook met iets beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet, het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw oom, onder die zelfde firma, maar alleen onder de directie van laatstgemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten; maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd."
"Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij heeft, en herken haar vriendschap te mijwaart."
"Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het crediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van wordt. Wel is waar,
omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,
en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij, dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baalen, u weldra op de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt."
"Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baalen insgelijks met deze schikking volkomen tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een onbedrevene als mij tot compagnon te nemen?"
"Hij Heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, welke uw tante in het huis heeft gelaten, wegen ook nog al tegen eenige bedenkingen op.--Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken."
Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer, die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst in een betrekking, waarin het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen, welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden. Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij aan 't redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk terugkwamen.
Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Susanna en tante Letje: uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig cieraad, dan haar prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van linten en kwikken:--twee volkomen kontrasten; maar beide, elk in haar soort, voortreffelijke menschen.
Tante Letje, welke nu eene eerbare vrijster was van ongeveer vijfenveertig jaren, ging bij de booze wereld door voor hetgeen men eene fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in groote familiën, vooral in die, waar verscheidene zusters zijn, zich eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van een stemmig, onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten, zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het spreken der tale Kanaans (gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt), door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats: aan den eerbied, welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers: aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die, hoovaardig op hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare mede-Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles, wat anderen goeds en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen;--maar al moge dit met enkelen het geval zijn, ik houde mij overtuigd, dat verreweg de meesten van haar, niet-tegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen, boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.
Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar voorzeker bestond de godsvrucht niet enkeld in uiterlijke vertooning, maar woonde die in naar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak, mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken; maar niemand kon haar te laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde. Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden de zaligheid te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nimmer tegen den zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen bewaarheid werd hetgeen onze Katechismus leert, dat het onmogelijk is, dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid; want nimmer was haar hart of haar beurs voor den lijdenden natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het voorschrift des Heilands, en wist haar slinkehand niet, wat naar rechte uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.
Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw Van Bempden. Nog zeer jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste betrekkingen hehbende, haar hij zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven, en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze, nimmer lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan, gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken: haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen, feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook; maar zonder keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen, zedekundige werken, poëzij, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Susanna, die, zelve een liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden bij die gelegenheid te kort schoot.
Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van Bempden in den slechten zin des woords een wereldsche vrouw was. Schoon in 't algemeen geen _laudator temporis acti_, durf ik zeggen, dat in die dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoo goed als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte, dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was mededeelzaam, zelfs mild;--maar haar godsdienst was, gelijk men wel eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende, vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden, waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart voortkwamen. Voor mij althans, die nimmer dan weldaden van haar ontving, ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf, dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.
"Wees van harte welkom, waarde Neef!" zeide tante Letje, terwijl zij mij omhelsde: "alzoo sullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren:" vervolgens zich tot mijn vader wendende: "wel moogt gij, waarde Broeder! den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der aerde."
De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen in de oogen aan haar hart:
"Goeden dag! beste Ferdinand!" riep zij: "wèl, zijt gij eindelijk daar? ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders zoude ik zeggen met Racine ... hoe zegt Racine ook weêr, Santje?"
Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,
declameerde Susanna.
"Tusschen twee haakjes," vervolgde Tante, "hebt gij de nieuwe uitgave van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen zoudt?... Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn om een comparitie te houden met den Heer Van Baalen, die geloof ik, vrij raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:... gij moet nog niet bij hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing vermaken."
"En nu gij hier zijt, Zuster!" zeide mijn vader, "zult gij ons wel het genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren."
"Eigentlijk," antwoordde Tante, "was ik voornemens geweest, terstond weêr naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Neef terug is, verandert mijn plan. Ik zal dan heden-avond blijven: op de voorwaarde alleen, dat nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd, die haar niet ongevallig zijn zal:--en Neef moet ook mede, al ware het maar voor een paar dagen."
"Hoe!" zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te verliezen: "hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?"
"Wel zeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Balen komt Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan is:--maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?"
"Volstrekt niet," zeide mijn vader: "en het zou de plicht van Ferdinand wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een genoegen voor hem ware."
"Natuurlijk!" merkte zijn Zuster aan: "het lieve jongetje zou anders ook te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven tegen de eentonigheid der stad verwisselde. 't Is beter dat hij zoetjes aan de verandering wenne.--En bovendien hij mag niet nalaten op Heizicht te komen: want, zoo als Addison in the fair Rosamond zegt:
The bower and lady both are drest, And ready to receive their guest."
"Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bempden maar weg moet rijden?" vroeg ik.
"Als 't u belieft," antwoordde Tante: "en laat Joris om tien uren terugkomen."
"En de koets van Tante Letje?"
Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare gewoonte streed, den avond uit te gaan, wanneer zij ter kerke geweest was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat zij eindelijk toegaf.
Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker kopje van dien goddelijken drank, in echt Sineesch porcelein geschonken, te mogen smaken, op verre na de minste niet was.
"Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen," zeide Tante Van Bempden: "hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?"
_"Quiconque a beaucoup vû, Peut avoir beaucoup retenu,"_
zeide Susanna, haar te recht helpende.
"Van harte gaarne," zeide ik: "indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid:" en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel, die gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan Tante Van Bempden, moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren, en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.
Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden lang bij het zelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels antwoordt schuldig moest blijven door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oude _classici_ bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welke behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer dat duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.
Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had, na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.
"Ik ben er gek afgekomen," zeide zij: "ik had mij gevleid, aan mijn buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw Suzanna Alette Huyck;--maar jawel:--pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen: "ik weet wat ik weet," en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: "is Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! wel! dat moet een vreugde geweest zijn!--Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!"--En eer ik haar kon antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje: "ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:" en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muysvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst het in mijn ooren: "ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:"--en meteen piept het en bromt het voor en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echo's: "ik feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:"--zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen.--En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: "Is het waar wat ik gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug?--Ik kom eerstdaags uw broeder zien. Hartelijk geluk!" enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen."
"Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte, zeide mijn moeder; "ik heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten; maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken."
"De menschen moesten wat meer denken," zeide Tante Letje, "dat de kerk is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar boosheyt.--Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe Knijpduim, en dat ten titel draagt: "over de onchristelijke opschuddinge in Gods Kerke," waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. 't Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u nuttig zijn."
"Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!" zeide Santje: "die kan mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat, tikte haar op de schouders en zeide: "wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24."