Ferdinand Huyck

Chapter 15

Chapter 153,905 wordsPublic domain

Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen. Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een minderen rang onderling onbekend blijven, en soms elkander moeten gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan is er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten, alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige betrekkingen aan bij de kollegiën der Admiraliteiten, bij de Bank, bij de lands- en stadsinrichtingen, in de koffiehuizen, enz., wierf de geschiktste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking; en kwam bij deze tweemalen daags zijn rapport doen[4]. Deze bediening was opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en 't geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt, want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert, tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld, die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep, en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog deze, dat hij gestoffeerde kamers te zijne huizen verhuurde: 't welk hem dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een gemakkelijke wijze in 't oog te houden, hun bedoelingen te leeren kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.

Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den Cingel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders tikken.

Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn geweest; maar, niet-tegenstaande zijn jaren en de veelvuldige wederwaardigheden, die hij had doorgestaan, was hij nog wakker en vlug: en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier lieden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan. Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets buitengemeens; maar zijn kleine graauwe oogen, die immerdoor in beweging waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid en trouwe dienst waardeerde, even als een jager zijn besten drijfbrak of staanden hond op prijs stelt, zoo was er in de daad niets op den man te zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verhelers van gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven begon.

Daar men de persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij nooit aan iemand iets moesten laten blijken van 's mans verschijning ten onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden: ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die, welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de huishouding in orde brengt.--Wat de dienstboden betrof, deze kregen Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns vaders studeervertrek vergund, dan bij de gelegenheid der maandelijksche schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde, vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.

Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschoning verzoek, keer ik tot mijn verhaal terug.

Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd binnengelaten, met zijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en in weerwil van mij zelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk mij in de beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker werd.

"Welnu Heynsz!" vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende, waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: "wat brengt gij voor goeds?"

Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.

"N°. 1," zeide hij; terwijl zijn stijl en tongval den Hollander verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: n° 1: de Koning van _Corse_ logeert in het wapen van Emden en heeft bij Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar Rotterdam te rijden."

"Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen," merkte mijn vader aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen, en aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: "wij zullen hem heden voor zonnenondergang een logement in de gijzeling bezorgen."

"Een Koning in de gijzeling!" dacht ik:--en ik herinnerde mij niet zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dien zelfden Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het plechtigst in Corsika had zien huldigen en met de kroon vercieren, welke hij slechts eenen zomer gevoerd had.

"Ma foi!" hernam Heynsz, "indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij zullen lang wachten eer zij blaauw tellen hunne vingers aan zijn geld, en het zal hen wel verveelen, hem te geven de kost.--Ik weet de _science certaine_, dat hij kaal is als de oude Heer Job."

"Kent gij den kleêrmaker Melisz, ter wiens rekwisitie hij vervolgd is?" vroeg mijn vader.

"Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw, en zijn dochter: 't was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die leelijke bakkes."

"Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen, en geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig: en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan.--Wat is er verder?"

"N°. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuëlz, is gecommitteerd door Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den Duvelshoek, n°. 110."

"Mozes Abramsz!--Een oude kennis:

_extenuata gerens veteris vestigia poenae;_

maar zijt gij daar zeker van?"

"Zeer zeker. UEd. Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te attrapeeren dieven van juweelen. Karel de Speelman, die hem assistentie heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo Abramsz bij het deelen als een bonnette dief had gehandeld, de Speelman wel zou gehouden hebben den mond."

"Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman en waarschuwt hem, dat hij binnen vierentwintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem anders als complice zal laten pakken. Verder!"

"N°. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is afgeloopen in complete orde."

"Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is, dat die zelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit 's Hage, buiten weten van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet eer tijding van gehad?"

"Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en ging juist aan UEA. dit verhalen."

"Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in 't oog. Het is de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is onverbeterlijk en behoort onder diegenen, _qui hostili more matrimonia student sibi conjungere_.--Wat meer?"

"N°. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort."

"Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij zich op?"

"Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog altijd in de kleine straat du Bac. Ah! 't was een _rusé compère_, die zelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft nog eens aan mijn Heer d' Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde aanstellen als _chef de la Police Secrète_, er binnen zes maanden geen straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben."

"'t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn, opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er meer?"

"N°. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen."

"Hm! hm!" zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van vreemdelingslijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed gaan:

"_Donderdag morgen_: de Heer _Du Bourg_: (hm! die komt hier zien, of hij het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft met de acties op de Zuid terug kan winnen:--_Iusus res antiqua ... sed pro tempore abiit in lacrimas_....) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal.--(De kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde, niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn fraaien stoet:)--de heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie uit Alkmaar: Nathanaël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de Muiderstraat:--(die komt zeker een collecte doen:--) Peer, de Manke, Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte Kamizooltjes:--(gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd doorbrengt:--) De heer Blaek en familie van buiten.--(Ik heb u reeds meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden:) Jan Cornelisz, koekebakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten gekomen zijn."

Ik gevoelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de zijnen zoo zonderling verzelschapt zag. Mijn vader vervolgde:

"In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht uit het groote koffiehuis in 's Hage die door zijn meester wegens diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in 't oog.) Met de schuiten van Utrecht:" hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der bewaking aanbeval: "met de schuit van Weesp: twee officieren van 't Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hanover: (aangeschrapt!)--enz.--Met de schuiten van Muiden...."--werd ik dubbel aandachtig:

"Met de schuiten van Muiden: hm! hm! de Heer Ferdinand Huyck."

"Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden, over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon."

"Ik dank u.--Wie is die juffrouw Bos: die ik op de lijst vinde?"

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij echter gerust.

"De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht."

"Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen," dacht ik bij mij zelven: "of het vernuft van Heynsz is verschalkt."

"En die Juffrouw Van Beveren? vervolgde mijn vader: "waar neemt die haar intrek?"

"Bij uwen onderdanigen dienaar," antwoordde Heynsz: "een aardig meisje uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen...."

"'t Is wel!" zeide mijn vader: "Vervolg: wat geven de tijdingen van buiten?"

"N°. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn informatiën juist zijn."

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. "Het zou nog al kluchtig zijn, dacht ik, "indien ik den aanval, op mij zelf gedaan, hoorde vertellen."

"De een," vervolgde Heynsz, "is een Bohémien, een Heiden, met name Peer Hendriks, alias 't Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is heden morgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussem geapprehendeerd geworden:--de tweede is Andries Mathyssen gewezen matroos, de zoon van een boerin, nabij Oud-Naarden."

"Ik ken hem en zijn moeder," zeide mijn vader: "hij stond vanouds in het kladboek aangeschreven: _atro carbone notatus_."

"Uw Heer zoon," vervolgde Heynsz, "zal UEA. kunnen vertellen, hoe die Andries gister-morgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Zoest. Hij is vandaar naar zijn woning gekeerd; maar, toen heden-morgen de dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen."

"Hij zal wel in het net komen," zeide mijn vader. "En de derde?" "De derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt na al hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indien heeft geexcerceerd het bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met straatschenderij geneert. Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen."

"Goed!--maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder?--Het gij eenig bericht omtrent hem?"

"N.° 7. De Vliesridder is met zijn dochter gisteren-morgen om half acht ure uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Zoest heeft hij stilgehouden en, aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dien zelfden Andries Matthijssen, van wien ik zoo even sprak, hem een stoot gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van dienst te kunnen zijn:--althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer."

"Goed!--Verder!" zeide mijn vader.--Men kan licht beseffen met welk een aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk werd.

"Zij hebben te Eenmes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden uit de kar gestapt ... en sedert heeft men niets van hen vernomen."

"Niets!" herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste ontevredenheid te kennen gaf: "is Simon hen dan niet achtervolgd?"

"Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde twee hazen te gelijk."

"Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden.--Andries begaat voor alsnog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan.--Maar de Vliesridder! Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft uitgevaardigd!--dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.

"Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra hij zich op het rechtsgebied vertoont."

"Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, of door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter stede korrespondentie voert?"

"Nog niet, Ed. Achtbare!--doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter het geheim."

"Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven.--Wist ik hier maar iemand, met wien hij betrekkingen heeft onderhouden."

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem had hooren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben! want dan ware ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend: ik begreep, dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht het _crimen reticentiae_ mij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te zijn geweest:--en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij hard! En toch! ik zou mij zelven veracht hebben, indien ik in staat ware geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.

NOOT:

[4] Men herinnere zich, dat de steller van het Handschrift de zaken voordraagt zoo als die in zijnen tijd bestonden.

Noot van den uitgever.

* * * * *

TWAALFDE HOOFDSTUK,

WAARIN MEN NADERE KENNIS MAAKT MET DE LEDEN DES FAMILIE EN WAARIN TANTE LETJE EEN CONFITUURVLEK OP HAAR HALSDOEK BEKOMT.

"Welnu!" vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: "zijt gij wel voldaan van uw slaapje? mij dunkt, gij waart ook in het geval van Argus: _Succubuisse oculos, ad opertaque lumina somno_.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust verkwikt had.

"Dat verheugt mij," zeide mijn vader: "ik had al half berouw, dat ik u bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren: maar gij sliept zoo gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen, zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken."

Dit was juist hetgeen ik zelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.

"'t Is wel!" zeide hij: "neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij over weinige oogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen bezoeken en het zal zijn:

Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,

gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te luisteren?"

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren; waarop hij aldus begon:

"Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te worden."

"In-tegendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op een nuttige en werkzame wijze door te brengen."

"Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius zegt:

_Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter. In promptu est ratio: desidiosus erat._

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?"

"Ik beken u," antwoordde ik, "dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude weten te bepalen."

"Hm!" zeide mijn vader, het hoofd schuddende: "daar houde ik niet van. Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke categoriën ik u rangschik.

"UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden, en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult misschien verlangen, dat ik advocaat worde:--doch ik beken, tot mijn leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weêr druk zal moeten oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen."