Ferdinand Huyck

Chapter 14

Chapter 143,768 wordsPublic domain

"Ik wilde geen van u allen ongerust maken," antwoordde mijn vader: "maar zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er een ongeluk had plaats gehad,--Gij hebt ongetwijfeld te Naarden gelogeerd, Ferdinand?"

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor, afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigszins ontwijkend:

"Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden. Hebt gij hier geen bui gehad?--Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu met de eerste schuit van Naarden gekomen."

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had. Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

"'t Is juist zooals ik dacht," zeide hij: "ja, wij hebben hier ook wel wat regen gehad; maar toch niet zoo erg:--dan, naar ik hoor, moet de bui in Gooiland veel schade hebben gedaan:--nu, gij zult ons van dezen middag alles wel wat meer omstandig verhalen."

"Ja!" voegde mijn goede moeder er bij: "gij zult nu ook wel verlangen u wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?"

"Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?" vroeg Suzanna: "ik zal hem op geen doolpad brengen."--"Of ik!--of ik!" riepen Letje en Keetje.

"Neen! neen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij ijdeltuiten kunt naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: 't is lang geleden, dat hij niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar Ferdinand?"

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

"Hoe, mama!" vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: "is deze fraaie kamer voor mij alleen?"

"Ja Ferdinand," antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: "mij dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor n zelven te hebben, waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen ontvangen. Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de ramen wel kunnen sluiten." Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

"Waarlijk, mama!" zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar zorgvolle liefde: "al de vrienden, die mij bezoeken, zullen mij deze kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde bracht."

"Ik ben blijde, dat zij u gevalt," zeide mijn moeder: "maar zeg mij eens, Ferdinand!" vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken spelende: "hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek?--Hebt gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?"

"O! geloof mij," antwoordde ik, haar omhelzende: "altijd is mij de gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de mijne in niets bedroeven."

"Beste jongen!" hernam zij: "het besef der vreugde, die gij mij thans doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen, welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kannen aanbieden. O! wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij u wedergebracht heeft, zoo rein en zoogoed als toen gij mij verliet.

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde. O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder liet mijn hand los en veegde de oogen af.

"Kom!" zeide zij: "wij zijn kinderachtig:--maar zeg mij, Ferdinand, is al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen."

"Wel mama! nu maakt gij het al te grof," zeide ik: "denkt gij dat ik gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar, die beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen."

"Nu, wij zullen eens zien wat het geeft," zeide mijn moeder: "ik zal u niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij iets noodig hebt, moet gij maar schellen."

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij den zegen had doen smaken, van hereenigd te worden met al die panden, welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen moeder en Santje aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb, voornemens waren naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nog al haastig af: 't geen mij niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster Suzanna moest ondergaan.

"Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend," zeide zij: "is het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen?--Ik dacht zoo meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper verliest. Dominee Best krijgt een beroerte op 't lijf als hij u ziet."

"Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen," zeide ik: "ik ga niet naar de kerk om te slapen: en ik ben overtuigd, dat mij hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden."

"Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak," zeide mijn moeder, eenigszins ongerust: "vindt gij ook niet, schat!" (zich tot mijn vader wendende) "dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best uitziet."

"Dat is zeer natuurlijk," zeide Suzanna: "straks was zijn gezicht beter dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd."

"Ik geloof ook," zeide mijn vader, "dat hij maar wijzer zal handelen met te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar is niets vreemds in:

_Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit._

Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij hij liever verkieze, wat met mij te praten."

"Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem," zeide ik: "ik beken, dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden."

"Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten," zeide Suzanna: "want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand zich niet verweert: _A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire_."

"Zeer goed," zeide ik: "zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten voor de deur zal staan."

Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf mij op nieuw den raad daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.

* * * * *

ELFDE HOOFDSTUK.

HETWELK ETTELIJKE POLITIE-GEHEIMEN AAN DEN DAG BRENGT.

Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen, op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.

"Daar wordt geklopt," zeide ik, de armen uitrekkende en willende opstaan.

"Hou uw gemak," zeide mijn vader: "het is niemand anders als Heynsz, die mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door," vervolgde hij lachende: "dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te verklappen."

Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den man ter neder stelle.

Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer lezenswaardig had kunnen geacht worden, ja met den _Gil Blas_ of _Guzman d' Aifarache_ wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.

De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte, weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen, welke hem bij het behoorlijk _aligneeren_ zijner Compagnie eenigszins hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had. Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over zijne echtverbintenia te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit, waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid, om met menschen van allerlei slag te leeren omgaan, 't geen hem later, gelijk men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft zijnde, beloofde bij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen. Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die, bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht veranderd, zagen reeds in 't vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan helaas! hoe ijdel was deze hoop!--De kennismaking met den Heer De Vieux (zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel, louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed; en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge betrekking geluk;--maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem, als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien Kapitein der gauwdieven een beurs met _louis d'or_ bekwam. Dit maakte de uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke omstandigheden aan, en werd door hem wèl ontvangen. Dan, in stede van naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de gelijkenis betrof, zeer wel slaagde.--Dan het was hem voorbeschikt, dat de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had, en om haar fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen, dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en, ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden had; terwijl hij later op eens in een deftig gewaad was verder gereisd. De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht en was althans niet geschikt de gemoederen der Rechters voor hem in te nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot, welke met de reglementen van den dienst strookende waren, en zelfs eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem te laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld dat hij van zijn familie te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog Mogenden, naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in den Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand.--Maar de jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van coloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den matigen prijs, dien zij voor zijn voortbrengselen betaalden.

Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de derde reize beschuldigd van een misdaad welke hij niet gepleegd had. Hij had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtige garnituur gemist, en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen verpand had. Hij werd opnieuw verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zou gelukt zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt, door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar zelfs een belooning ontving.

Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heynsz trok de aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders voorganger, die zich te dier tijd toevallig in den Haag bevond. Hij deed onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek, oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.