Chapter 13
"O neen! vraag het mij niet," zeide zij, de oogen afwisschende en het gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half verbergende: "gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;... en toch!" vervolgde zij, na eene korte stilte, het hoofd weder opheffende en mij met waardigheid aanziende: "waarom zou ik het verzwijgen, daar gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geéne hartstochtelijke bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden: maar dat ik, die vroeger ... ik schaam mij bijkans het nu te zeggen ... door honderden gediend en vereerd werd... die den geringsten smaad mij aangedaan door den dood des beleedigers zou hebben zien straffen ... dat ik, die tot nog toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets te blozen heb ... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn gezelschap bevindt en een kennis ontmoet ... vergeef mij ... zich schaamt, gelijk een schuldige zou doen ... dit treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te maken!"
Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg: want wat kon ik aanvoeren tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart, die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling beschouwd geworden.
Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en zich op het breien of kousenstoppen niet verstond.
"Ik beken u," zeide ik, "dat ik min of meer onthutst was, toen ons die koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende."
"Mejuffrouw Blaek!" herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij vestigende: "ik dacht zoo;--maar, ik ben u in de rede gevallen: verschoon mij: ga voort, bid ik u."
"Ik was dit te meer," vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, omdat ik haar gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een groot vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat...." Hier bleef ik steken.
"Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet," zeide Amelia: "maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u ontmoetten."
De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.
"Mejuffrouw!" zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek willende geven: "gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der menschelijke gedachten: en ik betuig: dat ikzelf misschien niet zoo goed in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan. Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te verstrekken."
"Ik heb nog liever, Mijnheer!" zeide Amelia, "dat zich de spijtige uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst, daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst."
"Mejuffrouw!" hernam ik: "ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den grond mijns harten, dat, zoo de dienst, welken ik u thans poog te bewijzen, aan de verwachting van uw vader beantwoordt, mij die nimmer ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben."
"Gij zijt een braaf mensch, Mijnheer Huyck," zeide Amelia, mij met aandoening de hand reikende: "en mijn vader, door zijn vertrouwen op u te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid hij bij den eersten oogopslag de menschen weet te beoordeelen.--Dan, laat ons thans niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te veranderen is:
_La plainte ni la peur ne changent le destin,_
zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet onbekend zijn."
"En hij heeft gelijk ook," zeide ik: "ofschoon gij den regel, dien hij er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat
_le moins prévoyant est toujours le plus sage_."
"Vergeet niet," hernam zij, "dat hij vooraf laat gaan: quand _le mal est certain_. Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk, naar ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, ter staving van hunne anders onbewijsbare gevoelens."
Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent haar geloofsbelijdenis had opgevat: ik verlangde echter geen theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over andere onderwerpen te spreken: daar ik mij echter weinig meer herinner van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers waarschijnlijk even vervelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden, hetwelk Amelia mij toevoegde, toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden.
"Hier," zeide zij op een plechtigen toon, "moet onze korte kennis eindigen.--Zoodra wij uit het oog des schippers zijn, verlaten wij elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen, die u dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten!--Hij loone u met zijn rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns vaders hebt verricht,--en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel bij u uitgewischt moge worden."
"Uitgewischt!" herhaalde ik: "en waarom dat? Zoo ik in den beginne al eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind thans slechts een innig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u wellicht nooit wederzie."
"Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven," hernam zij, met droefgeestigheid het hoofd schuddende: "en het is ook beter, dat gij onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met ongelukkigen, zooals wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij gedaan: meer te doen zou ons niet baten en hem misschien strafbaar maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere verklaring aan mijn woorden behoef te geven."
"Ik weet niet," zeide ik, "wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag met zijn bedoelingen toe te wenschen mijn plicht als burger zou te kort doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds welga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen hebben, ik u eenmaal moge terugvinden, in dien maatschappelijken toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u ongetwijfeld toe bestemd hebben."
Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken geen woord verder, totdat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende, ons "welkom te Amsterdam!" deed hooren.
"Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed?" vroeg Amelia.
"Laat dat aan mij over," antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had: "en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!" riep ik, naar buiten springende: "is daar ook een kruier?"
"Zal ik het goed van Mijnheer niet te huis brengen?" vroeg de schippersknecht, de muts even aflichtende.
Dit was juist wat ik wilde: "wanneer heb ik het dan?" vroeg ik.
"Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer Hoofdschout, wel bekend?"
"Goed!" was mijn antwoord: "alleen dat stuk," vervolgde ik, op het koffertje van Amelia wijzende: "moet ik terstond medenemen, omdat ik er iets uit moet nemen en het dan verder opzenden."
"Heel wel, Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen wil nemen...."
Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje overreikte.--"Zuster!" riep ik toen: "als het u maar belieft."
Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander, doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.
"Wij gaan hier van elkander," zeide ik: "jongen! gij volgt de Juffrouw en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de Peperstraat."
Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog, eens naar haar om: maar hoe groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen, waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van een listigen marskramer, en die het nu in zijn macht had, althans gedeeltelijk, achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen; en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor 't overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was, die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest; deze gedachte stelde mij weder enigszins gerust, en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed, mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zodanig in, dat het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale verdrong.
* * * * *
TIENDE HOOFDSTUK,
WAARIN VERHAALD WORDT, HOE FERDINAND TE HUIS KWAM EN HOE HIJ INSLIEP, WELK VOORBEELD DE LEZER MAG VOLGEN, ZOO HET HEM GOEDDUNKT.
O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezendheid, het ouderlijk huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap, van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed vervullen!--Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen zich aan onze verbeelding voor!--Zullen al de leden van het huisgezin gezond en bij elkander zijn?--Zal er geen lastig bezoek wezen van onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te smoren?--Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze terugkomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan het hart te drukken?--Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende, en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: "wat is er van je dienst, Sinjeur?"--Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard hebben?--Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek bevond, en wij weten, dat elke verandering, die wij vinden zullen, ook die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen ondervinden.
Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den Regulierstoren voor mij; deze was een herkenningspunt; want men kon hem evenzeer zien van het huis mijns vaders:--ik kwam op den Singel: in het hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag;--maar ik wachtte niet af, of zij mij herkende: ik had den gevel van mijns vaders huis gezien: en ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: "ja, ik ben het wèl; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:"--ik snelde de stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de zijkamer:--ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster, beiden op de gewone plaats:--het was mij, als werden mijn oogen beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte, trok ik met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.
Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen; doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij; stond, en die onder den uitroep: "wel is het mogelijk!" mij om den hals viel: "goeden morgen Aagt!" zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: "is alles wel?"
Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen liepen, met luider stemme: "Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer Ferdinand!"--En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het _klos! klos! klos!--trip, trap, trip_ van alle zijden: en kwamen mijn jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van beneden de trappen af- en opgestormd: en het was een gedruisch, en een gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.
"Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!" zeide Suzanna: (want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) "ik mag niet beginnen met te knorren:--maar ik dacht, dat gij in Westfalen verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden."
"Hoe!" zeide ik: "ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt."
"Licht mogelijk," zeide zij: "men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel slakken en schildpadden tot postboden:--nu, in allen gevalle zijt gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw hanepooten te ontcijferen."
"Pas op, Santje!" hernam ik: "ik weet van goeder hand dat gij mijn brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat."
"Hoe weet je dat!" zeide zij, een weinig rood wordende: "Qui te l'a dit? Zeker heeft papa u dat geschreven."
"Neen! dat heeft papa mij niet geschreven: maar dat weet ik toch van zeer goeder hand:--pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen."
"Zie toch eens, mama!" zeide Santje, terwijl moeder tusschen haar tranen om ons harrewarren lachte; "wat is het reizen toch een heerlijk ding, om jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster. Neen mannetje!" vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: "ik zie wel dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder onder _subordinatie_ begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang hun eigen meesters geweest zijn."
"Kinderen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij zijt waarachtig nog altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug, en het oude geplaag is weder aan den gang,"
"Wel! lieve moeder!" zeide ik, haar nogmaals omhelzende: "ik hoop waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult."
"Hoe verwaand!" zeide Suzanna: "net alsof de jonge Heer volmaakt was, toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren hebben:--maar zeg mij? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met den eetlust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onzen Hollandschen kost niet meer?"
"Wel foei!" zeide ik: "zou mij een boterham niet smaken, met echte Delftsche boter en Beemster kaas?--En dat nog wel door mijn zuster bereid!"
"Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden. Maar kom! gij vertelt ons niets:--hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en waar komt gij nu het laatst vandaan?"
"Dat zijn te veel vragen opeens," zeide ik, het tijdstip, waarop ik met mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te verschuiven.
"Neen Santje!" viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de verlegenheid helpende: "eerst moet de goede jongen wat te eten hebben: ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag."
"Wel dat treft nu óók!" zeide ik: "zóó ben ik te huis, en zóó laat gij beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?"
"Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen," antwoordde mijn moeder, "dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan, nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken."
"Waarlijk ja, Ferdinandje!" zeide Suzanna: "dat moogt ge wel doen; want ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt mooi tijd gehad om dien te verleeren."
"Wees maar gerust," hernam ik: wij zullen morgen eens zien, wie van ons beiden het best zijn vraagboekje in 't geheugen heeft."
Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis: en nu stoven allen, meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.
"Wees maar bedaard," zeide zij: "gij zijt van daag de held van 't stuk en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje, 't geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleêrmaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden; want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag."
Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij, haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.
Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en aanschellen. "Wacht!" riep Suzanna: "blijf gij hier! wij moeten even een grap hebben met vader," en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.
"Goeden dag, Santje," hoorde ik mijn vader zeggen.
"Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?"
"Neen, kind!" was het antwoord: "maar zeg mij, is er nog geen brief van Ferdinand?"
"Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te krijgen."
"'t Is onbegrijpelijk," hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een angstigen blik opwaarts zag.
"Maar kom toch hier, lieve Willem!" riep mijn moeder, die het niet langer uit kon houden: "hier is veel beter dan een brief."
"Vader! beste vader!" riep ik, den braven man tegensnellende en hem omarmende.
"Zoo! zijt gij er dan toch?" zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn borst drukkende: "laat mij u eens aanzien," vervolgde hij, mij zachtjes van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken beschouwende: "gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit," hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: "maar anders voldoet mij uw uitzicht wel en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw vertrek bezat: _mentem sanam in corpore sano_. Gij hebt ons zeker willen verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond reeds hier verwacht."
"Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en afgetrokken?" vroeg mijn moeder: "en waarom hier niets van gezegd?"