Ferdinand Huyck

Chapter 12

Chapter 124,025 wordsPublic domain

"Ik verwachtte niet anders," zeide hij, toen ik met mijn mededeeling geëindigd had: "en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn dochter te vertoeven."

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij, beiden zwijgend en eenigszins met onze houding verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: "alles is in orde," zeide hij: "Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te zenden.--Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen."

"Ik weet niet," zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, "of Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken."

"Het is mij nog vroeg genoeg," zeide ik: "en daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen."

"Welaan dan!" zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, nijgende, en de handen drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

"Wij danken u voor uw herbergzaamheid," zeide de Heer Bos: "vergeet niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt."

"Ach!" zeide zij: "met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er na kraaien, dat UEd. hier 'eweest is: en in een kwartier tijds zijn al de kamers weer dicht 'esloten en het beddegoed uit de bedsteden 'enomen, en kan niemand merken, dat ik hier volk heb 'ehad."

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: "zoo al de slaapplaatsen zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne," dacht ik, "zal zeker het opredderen niet veel tijd kosten."

Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand. Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen, die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

"Mag ik u niet van die moeite ontslaan?" vroeg ik hem; "daar toch Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat ik haar goed drage."

"Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen," zeide de Heer Bos: "ik ga niet met u tot Naarden."

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis, de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stilhield.

"Hier moeten wij scheiden," zeide de Heer Bos: "dit voetpad links brengt u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u genomen hebt."

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op 't voorhoofd zijner dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele, doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

"Wat u betreft, Mijnheer!" zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende: "ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen."

"Is er niets anders dat ik voor u doen kan?" vroeg ik hem terwijl ik zijn handdruk beantwoordde.

"Voor het oogenblik niet:--ik heb reeds te veel van u gevorderd; wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;... doch het zij zooals het wil!... alleen dit nog!... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige dochter:--wees dan haar voorspraak.... Zorg dan, dat zij in staat gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensen te kiezen."

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij na Amelia nogmaals vaarwel gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van eenige minuten in de herberg te Naarden.

* * * * *

NEGENDE HOOFDSTUK

BEHELZENDE HET VERHAAL EENER SCHUITREIS VAN NAARDEN NAAR AMSTERDAM.

In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar kop koffie en boterhammen bestelde; en de vraag deed, of er ook goed met den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F. Huyck. De waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond. Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen, uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude begeven, sloeg ik het oog, in 't voorbijgaan, door de gang naar buiten en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten,--maar men verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de hand en de beenen uitgestrekt, en in dien persoon dengenen herkende, dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den Heer Lodewijk Blaek. "Daar beginnen de wederwaardigheden al!" dacht ik bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de deur bleef staan.

"Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?" vroeg Lodewijk, mij slechts terloops aanziende: "o vergeef mij!" voegde hij er bij, mij herkennende: "ik dacht dat het de kastelein was.--Mijnheer Huyck! ik wensch u goeden morgen."--Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te zijn getreden: "en reist de Juffrouw zoo alleen?" vroeg hij: "in waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen, waar UEd. wezen wilde.--Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan," (dit laatste was ik volkomen met hem eens) "en het is ridderplicht, de dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen."

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik mij niet kon verlaten. "Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden," dacht ik bij mijzelven, "wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een mooi jong meisje op reis ben geweest?" Deze gedachte belette mij te handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met hem aan te knoopen.

"Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een fraai paard, dat UEd. daar heeft," enz. enz. Lodewijk antwoordde slechts met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun _tête-a-tête_ had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij deed, namelijk met niet veel meer dan "ja Mijnheer!" of "neen Mijnheer!" Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer der bekentenis kwam ontnemen.

"Mijnheer!" zeide hij tegen Lodewijk: "een glaasje cognac als 't UEd. belieft: Mijnheer!" (tegen mij) "als UEd. naar de schuit moet zal het tijd worden."

"Hoeveel ben ik u schuldig?" vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was opgestaan.

"Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen...." zeide Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

"Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds. goed," antwoordde mij de waard: "twee kommetjes koffie en twee boterhammen....?"

"Twee!" herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

"Wel ja!" zeide deze: "Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?"

"Voorzeker!" zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek van mij geld terug te geven: "als UEd. gereed is!" vroeg ik, mij tot Amelia wendende.

"Nu begrijp ik het!" zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

"_Heureux mortel!_" voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij schamper aanziende. "Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche moeite deed?"

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking van Lodewijk niet ontkennen: "Mijnheer!" zeide ik, op een toon, dien ik trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: "ik heb niets over deze Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en haar _familie_ (met nadruk op het woord _familie_) heeft mij verzocht, daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zou ik niet geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw dienaar te zijn."

"Goede reis samen," zeide Lodewijk: "en ik hoop dat de _familie_ van de Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn," voegde hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik met haar de herberg. Nauwelijks waren wij de stadspoort uit, toen Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden verlaten en de trekschuit in 't gezicht kregen, zag ik hem weder ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende. Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten einde haar niet nutteloos te verontrusten.

"Whelkom, meneer Hijk!" zeide Simon: "phen je nog 'ier? Me dacht, je zat hal 'oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden? Niet?--Nou! dhaarom zei je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis weerzie met ghezondheid?"

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een plaats nam op de voorplecht, terwijl ik met Amelia in de roef ging zitten.

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende wijze aan:

"Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld."

"Mijnheer!" antwoordde zij, "ik heb het recht niet, u eenige verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was, waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op den hals haalt."

"Uwe goedheid," zeide ik, "behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was, omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd, dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden, hij nasporingen in 't werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer vader in gevaar mochten brengen."

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook mede te vergenoegen.

"Ik hoop," zeide zij, "dat gij geen last meer zult hebben van deze ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen zal tevreden stellen.--Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter," voegde zij er bij, "moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen toestand, waarin ik mij bevind."

"Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette," was mijn antwoord: "maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche jongelingschap naar hem wilde beoordeelen. Er zijn er onder, die, zooals hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche windbuilen, die zij naäpen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook jongelieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke plichten, zich aanbevelen door een heuschen beschaafden omgang, en niet van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans behooren."

"Ik twijfel er niet aan," zeide zij: "het zal te Amsterdam zijn, als overal, dat men er veel kaf onder 't koren vindt. Helaas! wat mij betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die zalige ontmoeting.... terwijl ik!... maar verschoon mij, ik heb geen recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe groot is het huisgezin van uw Heer vader?"

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende, geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij, met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde, herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over--, en--o spijt!--zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de ooren toe: ik groette:--de Heer Blaek had mij niet opgemerkt;--maar Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welken zij bij het teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen.--Zij had mij herkend: daar was geen twijfel aan;--en wat toch moest zij nu van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ik _alleen_ naar Amsterdam reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien:--en ik zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding mijner handelwijze te verklaren.--Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te gelooven.

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn nicht.--En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten, die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van _le phlegmatique Hollandais_ gegeven hadden, zou zoo op een bof verlieven!--Onmogelijk--en echter....!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat zij, toen het rijtuig ons voorbijsnorde en ik een kleur kreeg, mij terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen trillen.--Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar, en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar, op een vrij onedelmoedige wijze... voor Sint-Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt geheel, om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat "haar tranen haar schoonheid nog verhoogden," en hoewel ik een rooden neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen, dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van mededoogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel, zoo sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den schijn van hardvochtigheid te vermijden. "In 's Hemels naam, Mejuffrouw!" voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: "wat ik u bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen."

"Vergeef mij,... o vergeef mij,... Mijnheer Huyck...." zeide zij al snikkende: "ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle... maar het zal ras weder over zijn.... Ach! misschien doet het mij goed:--ik heb in jaren niet geschreid."

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger is voor hen die lijden, dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk waagde ik het, de volgende vraag te doen:

"Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?... Is er van mijne zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond mijns harten, om vergiffenis.--Maar o! laat mij toch niet in de onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw beschermer heeft uitgekozen:--laat dien titel, waarop ik mij verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij mede te deelen, wat u thans op het hart drukt."