Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

Part 10

Chapter 103,037 wordsPublic domain

Ik zeg u, geesten, houdt u stil, Daar ik geen geestendespotisme wil; Mijn geest kan in dien waan niet deelen.

Er wordt voortgedanst.

Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken; Maar ’k doe het togtje altijd toch meê, En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê, Den duivel en de dichters te doen bukken.

MEPHISTOPHELES.

Hij zal zich in een drekplas nedervlijen, Zoo is hij nog op zijn gemak het meest, En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen; Dan is hij vrij van geesten en van geest.

Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.

Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen, Dat bij den dans zoo aardig zong?

FAUST.

Ach! Midden onder ’t zingen sprong Een roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.

MEPHISTOPHELES.

Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren! Wie zal toch aan een muisje, rood geboren, Zich in een herdersuurtje storen!

FAUST.

Dan zag ik....

MEPHISTOPHELES.

Wat?

FAUST.

Mephisto, zie eens aan! Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan? Zij schijnt haar schreden in te toomen, En kan haast van de plaats niet komen. Ik moet bekennen—vindt gij niet?— ’t Is juist alsof men Grete ziet.

MEPHISTOPHELES.

Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet; ’t Is maar verbeelding wat gij ziet. Er op te turen, is niet goed; Dat geeft maar stremming in het bloed; Ja, men versteent soms van zoo iets.... Maar och, De fabel van Medusa kent gij toch!

FAUST.

Voorwaar, het is een meisje, bij wier dood Haar de oogen een beminde hand niet sloot. Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken, Mij alles, alles heeft geschonken!

MEPHISTOPHELES.

Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor; Want ieder komt zij als zijn liefje voor.

FAUST.

O, welk een lijden! welk verrukken! Ik kan daarvan niet los mij rukken! En zonderling! Die roode strook Om haren hals, die, naar ik gis, Niet breeder dan een mesrug is....

MEPHISTOPHELES.

Gij hebt gelijk; ik zie het ook. Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen; Want Perseus heeft het afgeslagen.... Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top! Kom! Gaauw dat heuveltje nu op! Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater! En ben ik niet behekst of blind, Dan zie ik waarlijk een theater. Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?

EEN DIENSTDOENDE GEEST.

Dat men zoo aanstonds weêr begint. Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven, Die wij hier elken avond geven. Een dilettant heeft het geschreven, En dilettanten spelen ’t vlug en snel. Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren, En voor ’t gordijn-ophalen schel!

MEPHISTOPHELES.

Dat ik u hier moet rencontreeren, Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.

Open veld. Het is een sombere dag.

FAUST en MEPHISTOPHELES.

FAUST.

In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!

MEPHISTOPHELES.

Zij is de eerste niet.

FAUST.

Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!

MEPHISTOPHELES.

Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?

FAUST.

Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!

MEPHISTOPHELES.

Hebt gij nu gedaan?

FAUST.

Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!

MEPHISTOPHELES.

Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden, zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?

Faust staart vol woestheid in het rond.

Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.

FAUST.

Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!

MEPHISTOPHELES.

En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.

FAUST.

En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!

MEPHISTOPHELES.

Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.

FAUST.

Haasten wij ons dan!

Open veld. Het is nacht.

FAUST en MEPHISTOPHELES, op zwarte paarden voortrennende.

FAUST.

Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?

MEPHISTOPHELES.

Ik weet niet wat ze kokkerellen.

FAUST.

Dat komt al heen en weêr gesneld!

MEPHISTOPHELES.

’t Zijn heksen en haar medgezellen.

FAUST.

Dat is dus ook al hekserij?

MEPHISTOPHELES.

Voorbij maar gaauw! Voorbij!

Kerker.

FAUST, met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.

’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen, En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan. Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen; En ach, haar misdrijf was een goede waan! Wat aarzelt gij, haar weêr te groeten Wat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten? Vooruit, of ’t is met haar gedaan!

Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:

Mijn moeder, die hoer, Die bragt mij om ’t leven; Mijn vader, die schelm, Hij heeft mij vergeven! Mijn zusje, nu dood, Had ik op mijn schoot, Maar in een koeler oord; Toen werd ik als een mooi roodborstje groot. Vlieg voort! Vlieg voort!

FAUST, opensluitende.

Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedt En alles hoort en alles ziet!

Hij treedt binnen.

MARGARETA, zich op hare legerstede verbergende.

Wee! wee! zij komen! Bittre dood!

FAUST, zacht haar toefluisterende.

Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.

MARGARETA, zich naar hem toe wentelende.

Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!

FAUST.

O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!

Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.

MARGARETA, op de knieën.

Wie heeft, o beul! u deze magt Zoo over mij gegeven? Gij haalt mij reeds te middernacht; Ontferm u! Laat mij nog wat leven! Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?

Zij staat op.

Ik ben zoo jong nog, en zoo vroeg Moet ik reeds sterven! Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven! De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit. Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid. Vat mij zoo ruw en woest niet aan! Spaar mij; wat heb ik u gedaan? Ontferming smeek ik op mijn kniên! Ik heb u nooit te voren toch gezien!

FAUST.

Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!

MARGARETA.

Ik ben geheel nu in uw magt. Maar laat mijn kind toch even komen! Het was bij mij geheel den nacht; Men heeft het toen mij afgenomen, En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt. O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen! Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht. ’t Is juist zoo als het sprookje zegt; Waar heb ik dat ook weêr gelezen?

FAUST, aan hare voeten.

Hij, die u mint, komt herwaarts snellen, Om u in vrijheid weêr te stellen.

MARGARETA, zich op hem werpende.

O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken! Ziet gij dien steen omhoog wel steken? Ziet gij dien drempel wel? Daar kookt de hel! Samiël Begint zijn spel, Opdat gij ’t wete!

FAUST, uitbarstende.

Grete! Grete!

MARGARETA, opmerkzaam.

Dat was een vriendenstem!

Zij springt op; hare ketenen vallen af.

Hij roept me; o waar, waar vind ik hem? Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen! Aan zijn hals wil ik springen, Aan zijn borst mij wringen. Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel, Te midden van ’t huilen en woeden der hel, Te midden van den duivelschen hoon Herkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.

FAUST.

Ik ben ’t!

MARGARETA.

Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!

Hem vastklemmende.

Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij! Nu zal geen keten mij meer knellen! Gij komt mij nu in vrijheid stellen— Ik ben gered! ’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette. En gij zoo vriendelijk mij groette, En ook het tuintje, waar ’k bij nacht Met Martha u heb opgewacht!

FAUST, haar naar de deur trekkende.

Kom nu! Kom gaauw!

MARGARETA.

O, blijf, mijn vrind! Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.

Zij liefkoost hem.

FAUST.

Maak voort! Ontvlieden wij dit oord! De tijd vervliegt, verloopt intusschen.

MARGARETA.

Hoe? Gij kunt niet meer kussen? Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd, Hebt gij het kussen afgeleerd? Het is of angst mij aan uw hals bevong! Als vroeger door uw woorden, door uw blikken, Een gansche hemel mij doordrong, En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken! O, kus mij nu, Of anders kus ik u!

Zij omvat hem.

O wee! Uw mond geeft niets weêrom, Is stom! Waar is uw min, mijn leven, Gebleven? Geen kus tot wellekom!

Zij wendt zich van hem af.

FAUST.

Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed! Ik min u nog steeds met den eigensten gloed; Maar laat ons nu dadelijk gaan!

MARGARETA, naar hem toe gewend.

En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?

FAUST.

Ik ben het; kom nu meê!

MARGARETA.

Gij werpt mijn ketens neêr, En ik ben de uwe als vroeger weêr? Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt? En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?

FAUST.

Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.

MARGARETA.

Mijn moeder heb ik omgebragt, Mijn kind heb ik verdronken. O, was ’t niet u en mij geschonken! U ook.... Gij zijt het! Weg met schroom! Geef mij de hand—het is geen droom!.... Uw lieve hand.... Maar ach, wat is zij klam! Wisch af! Naar mij ter ooren kwam, Kleeft bloed er aan. Ach, wat hebt gij gedaan! Steek op den degen! Ik bid u, kom!

FAUST.

O, van ’t verledene gezwegen! Gij brengt mij om!

MARGARETA.

Neen, gij moet overblijven. De graven wil ik u beschrijven; Voor die moet gij zorgen Reeds morgen. Mijn moeder zij de beste plaats gegeven; Mijn broeder komt dan vlak daarneven; Ik ’t verst op de rij, Maar toch wat nabij. Mijn kind dan aan mijn regterzij. Geen ander toch wil bij mij rusten.... U naast mij waar’ de dierste mijner lusten... Maar dit geluk is voor mij al te groot! Wat zou ik mij daarover kwellen! ’t Is of ’k u altijd na moet snellen, En gij mij steeds teruggestoot! En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!

FAUST.

Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!

MARGARETA.

Daarheen?

FAUST.

In vrijheid.

MARGARETA.

Is het graf daar, dat ons wacht? Loert daar de dood in eeuwgen nacht? Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht, En verder ook geen enkle schrede.... Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!

FAUST.

Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.

MARGARETA.

Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen. Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten! Het is zoo naar, gebedeld eten, En nog daarbij een kwaad geweten! Het is zoo naar, als balling rond te dwalen... En toch, zij zullen me achterhalen!

FAUST.

Ik blijf waar gij u ook bevindt.

MARGARETA.

O spoedig! Red mijn arme kind! Dien weg op! Altijd maar regtuit! Dat beekje langs, tot dat ge stuit! Dat bosch in, links, daar bij dien pas.... Ziet gij dien plas? O, grijp het wicht nu ras! Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog; O, red het! Red!

FAUST.

Bezin u toch! Een enklen stap, en gij zijt vrij!

MARGARETA.

O, waren we eerst dien berg voorbij! Daar zit mijn moeder op een steen. Een rilling gaat mij door de leên! Daar zit mijn moeder op een steen; Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen. Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer; Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr; Zij sluimert, om ons te verblijden In de oude gelukkige tijden!

FAUST.

Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen, Dan zal ik u naar buiten dragen!

MARGARETA.

Laat af! Mij geen geweld gedaan! O, vat mij toch zoo ruw niet aan! ’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!

FAUST.

O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!

MARGARETA.

De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag, Die nu mijn hoogtij wezen mag! Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart. Wee mijn krans! ’t Is juist geschied! Ik weet dat gij mij wederziet, Maar bij geen bruiloftsdans! Het volk dringt toe; men hoort het niet. Het vult de straten, de stegen, En al de wegen. De doodsklok roept; daar breekt de staf; O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen! Men plaatst mij op den vreeselijken stoel! ’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen, Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel! Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.

FAUST.

O, ware ik nooit geboren!

MEPHISTOPHELES, die zich nu vertoont.

Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren! Geen verder praten, klagen, snappen; Mijn paarden trappen; Het is reeds morgenstond.

MARGARETA.

Wat rijst daar uit den grond? Die daar! O, zend hem voort! Wat wil hij in dit heilig oord? Mij wil hij!

FAUST.

Gij zult leven!

MARGARETA.

Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!

MEPHISTOPHELES tot Faust.

Kom, of ik laat u beiden in den loop!

MARGARETA.

O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop! Gij engelen, gij heilge scharen, Omringt mij en wilt mij bewaren!... O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

Zij sterft.

MEPHISTOPHELES.

Zij is gevonnisd!

STEM VAN BOVEN.

Ze is gered!

MEPHISTOPHELES tot Faust.

Kom meê!

ECHO VAN DE KERKERMUREN.

Hendrik... Hendrik...!

AANTEEKENINGEN

[1] Men heeft mij onlangs doen opmerken, dat Mein schönes Fräulein (met welke woorden Margareta, als zij het eerst ten tooneele treedt, door Faust wordt aangesproken) niet door schoone juffer, maar door schoone freule had behooren te worden overgebragt, zoo als Mr. J. van Lennep doet in Klaasje Zevenster, aan het einde van het tweede deel. Mijn antwoord hierop is, dat freule, ofschoon inderdaad eene navolging van het Hoogd. Fräulein, bij ons iets anders dan het laatste beteekent; ons freule is in het Hoogd. Gnädiges Fräulein. Zónder gnädiges voorop, is het niets dan het Fransche mademoiselle, gelijk, o.a., uit de Duitsche tooneel-affiches kan blijken, als daarin opgegeven wordt, dat, in het een of ander stuk, Fräulein X de rol van Ernestine en Fräulein Y die van Wilhelmine zal vervullen. Men moet tevens niet uit het oog verliezen, dat het Fransche demoiselle en ons juffer op zichzelve reeds eer- of beleefdheidstitels zijn; het laatste is jonkvrouw, vlug uitgesproken. Het Hoogd. Jungfrau eindelijk is ons maagd, en het Hoogd. Magd wederom ons dienstmeid.

[2] Dit neemt niet weg, dat onze Antwerpsche Miester Jochem er toch hier en daar wel wat uit heeft willen overnemen. Zoo eindigt zijne vertaling in den eersten druk:

MARGARETA.

De uwe ben ik, Vader! sta my by! Gy engelen, gy heilige scharen, Legert u omheen, my te bewaren! Hendrik, ik schrik voor di.

MEPHISTOPHELES.

Zy is gevonnist!

STEM (van boven.)

Is gered!

MEPHISTOPHELES (tot Faust.)

Kom henen nu!

Daar dit echter wel wat al te bar was, heeft V. begrepen dit slot, in zijn tweede uitgaaf, gedeeltelijk naar mijne navolging te moeten verbeteren.

[3] Mephistopheles, ook bij verkorting Mephisto (bij Oud-Engelsche dichters Mephostophilus), is misschien gevormd uit het Grieksche μη (niet), φως, gen. φωτός, licht, en φιλος, beminnend; dus: iemand, die het licht niet bemint.

[4] Handlanger, amanuensis van een geleerde, in Duitschland.

[5] Het Paaschlied “Christ ist erstanden”, door Goethe hier zoo juist te pas ingelascht, was, naar alle waarschijnlijkheid, reeds in de twaalfde eeuw voorhanden, en behoorde in de dertiende tot de meest verspreide.

[6] “Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b, volgens de Vulgata of Latijnsche vertaling.

Vert.

[7] Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:

In dien dag des toorns, o zonden! Wordt het al tot stof ontbonden.

En de regter in den hoogen Stelt het kwaad voor aller oogen; Niets wordt aan de straf onttogen.

Wien roep ik dan aan in ’t ende? Waar ik ook mijne oogen wende, Niets verlost me uit mijne ellende!