Extaze: Een Boek van Geluk

Part 7

Chapter 7 4,198 words Public domain Markdown

Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe; een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij daar als in de bloesemteederheid van éene groote mystieke bloem. Zijn twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel neêr als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams. Vèr trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af. En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de Liefde, die loùter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie, die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu óok zien bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem zóo het Geluk gaf--zijne illuzie,--zoo volkomen en zóo kristalhelder, iets van leed zoû zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om hèm; de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare smart wellust was.

II.

Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:

--Willen we wat wandelen?

Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:

--Waarom niet, als je wilt?

En hij kòn niet meer weigeren.

Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:

--Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een paar handschoenen.

De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte, plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.

--Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.

--Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.

De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen aanbood, sprak zij:

--Neen, niet deze; haal een paar grijze ...

De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach grooter; ze lachte even.

--Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.

--Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta terug was gekomen.

Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange handschoenen, die zij niet aanschoof.

--Heusch ... begon hij, aarzelend.

--Wat dan toch?

--U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...

--Niet goed?

--Wat we doen. U risqueert te veel.

--Te veel, met u?

--Als iemand ons zag ...

--Nu wat dan?

Hij schudde zijn hoofd.

--U is ondeugend; u weet het heel goed.

Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich een beetje boos maakte.

--Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als _ik_ het niet ben. Ik doe niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.

--Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was het op mijn verzoek ...

--Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me meê op _mijn_ verzoek ... schertste zij.

Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.

Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij schokken van verbazing ontving--zooals zij ze ontvangen had toen Jules was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan het diner, over cirkels van sympathie,--bij schokken van verbazing, zoo ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren, samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zoû zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was? Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij haar madonna noemde, dus--zich misschien onbewust in zijn eenvoud--haar met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen, o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die met hen meêtrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende, daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk. En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den nacht, ure van licht in het duister!

III.

En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde alom. Stil straalde het, het Licht, als éene enkele zonnester, die straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek; het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeën van ether verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weêr en klonk er weêr, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede. Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie van samenzijn, nauw aan elkaâr, als in éen engen ring omgeven, éen ring van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij, dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne liefde en zagen zij, dat de landouwen,--de bloemen en planten aan wateren van licht,--niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en geluk.

En het Doel, dat Cecile eens had vóórgeraden, verscholen in de verte, in de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd tot middenpunt des Heelals ...

IV.

Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene stem had en woorden kon zeggen sprak hij:

--Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn?

--Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote oogen zagen in het donker, dat Licht was.

--Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks.

--Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve als komende van heel ver en laag onder haar.

--Ik herinnerde me dat ...

--Ik wilde het vergeten.

--Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch?

--Deed ik dat?

--Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knieën?

Hij knielde neêr en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen, tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen zich nam en hem kuste op het voorhoofd.

--En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt.

Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming.

--Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt zóo gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te hebben, vóór ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van jou, het leven zonder egoïsme en zonder verlangen; ik leerde dat van je dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me was, dat ik het zonder je nooit bereikt zoû hebben! Want er was een grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch was--en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam--had ik een zuster en die voelde òok, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je méer voor me kon zijn: mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan, maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je hoû, dat ik je aanbid, dat ik mijn ziel neêrleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden, terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens deed,--ging zij voort, en zij kón nu niet anders dan biechten,--ik ben niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten voordoen àls een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw, die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik zóo was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk?

Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn armen.

--Is u gelukkig? vroeg hij.

--Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling van glans. En jij?

--Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder:

--En verlangt u nu ... niets anders?

--Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb, o niets, niets anders!

--Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij.

--Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij.

Hij drukte haar hoofd weêr neêr op zijn schouder. Hij glimlachte en zij zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van glans.

V.

Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders, niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw was.

--Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde zij.

Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan. Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest, als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd, waarom dan nu?

--Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in dit enkele woord.

Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering, die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen schuurden zij rakelings aan.

--Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?

--Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij. Ik heb de oogen van een lynx ...

Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zoû zijn, als hij haar nu in eens losliet.

--En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.

Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zoû. Toen zweeg ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze dàt onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was geworden.

En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.

En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren, den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.

Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend zoû worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in slaap gevallen, meende ze:

--Bel nog eens, wil u?

Hij belde weêr en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.

--Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner stem, den klank van weemoed ...

* * * * *

HOOFDSTUK V.

I.

Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht, dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden, mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat gedaan ...

Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen?

Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers tè gelukkig bij haar, dat verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot, waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij iederen ademtocht van haar leven.

Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een avond was met Amélie en Suzette. Toen weêr eens, bij toeval, op eene receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat hij komen zoû. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed.

Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde, geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers goed zijn, zooals hij het wilde.

O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden, die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen, vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden, avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer, overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij veel elkaâr zagen--hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste geluk--niet goed voor hem en niet goed voor haar.

Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim; zij had hèm zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en, in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van.

Hij wist nu, hòe zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard. Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was, dat zij _nu_ was, die hij wilde! Toen, toen was dat óók waar geweest, klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar één oogenblik en wist hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu weêr dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu weêr liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de hemelen, en nu weêr zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam hij daarom niet bij haar?

II.

Toen ontving ze zijn brief.

"Vergeef me, zoo ik van dag tot dag uitstelde u te komen zien; vergeef me, zoo ik van daag nog niet daartoe besluiten kon en u schrijf. Vergeef me zoo ik u zelfs durf te vragen, of het niet zal moeten zijn, dat wij elkander niet meer zien. Zoo ik u pijn doe en beleedig, zoo ik--God geve van niet--doe lijden, vergeef me, vergeef me! Ik heb misschien uitgesteld uit een beetje besluiteloosheid, maar veel meer omdat ik meende niet anders te mogen doen.

"Er is tusschen onze beide levens, tusschen onze beide zielen, eene ontmoeting van geluk geweest, die eene bizondere zaligheid, eene bizondere gunst van den hemel was. Gelooft u dat ook niet? O, als ik maar de woorden had u te zeggen hoe dankbaar ik in mijn innigste ziel ben voor dat geluk. Als ik ooit later op mijn leven terugzie, dan zal ik er altijd tusschen veel leelijks en zwarts dàt geluk in blijven zien, als een ster van licht. Wij hebben dat zoo gekregen: een geschenk van licht. En ik durf u te vragen of u met mij dat geschenk bewaren wil, als iets heiligs.