# Extaze: Een Boek van Geluk

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/extaze-een-boek-van-geluk-12003/index.md

Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend, staan. Hij zàg het haar smeeken, zooals hij het haar hòorde doen, en toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem, als daalde iets hoogs tot hem neêr om hem te leiden. Hij verroerde zich niet,--hij voelde hare hand trillen op zijn schouder--bang, die verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij verheerlijkte zich zóó voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad, maar zóó, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar, verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid. En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet wàs, een droom van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn.

--Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ...

--Beloof me dan ...

--Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ...

--Neen.

--O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen pògen te houden. Vergeeft u dan?

Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem neêr als een straal. Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot hem:

--Christie omhels hem en geef hem een zoen.

Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en sloeg de armpjes om zijn hals.

--Le petit Jésus! fluisterde hij.

IV.

Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen stoorde. Het kind was weêr gaan zitten bij het raam. De schemering begon hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten, in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zoû zijn van bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe, omdat het zoo zoet was en niet hinderde.

--Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun geluk zoû breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke menschen.

--Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neêrzien op de smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven, zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid, dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.

--Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig. U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen, en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hóorbaar?

Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.

--Het is de eerste maal, dat ik zóo het geluk voel, ging hij voort. Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...

--Analyzeer het dan niet.

--Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?

--Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.

--Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?

--Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...

Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid in zijne bleekblauwe oogjes.

--Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.

En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der schemering heen.

V.

Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de kamer op en neêr, hare handen gevouwen neêrhangende, haar hoofd een weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond. Vóór zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen van zijn mensch,--zijn eigenlijke--lief met de supreme Aandoening der essence zijns wezens. Zóó voelde zij, dat hij haar liefhad, met contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar waarheid. En dàt was zijn geluk--zijn eerste, zooals hij zeide,--haar zóó lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid lief wilde hebben, om hèm en niet om zich, ze voor hèm niets anders mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was, die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die alleen ziel zoû wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zoû moeten schijnen, die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zoû haar zwáar vallen, want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen, dat zich geheel wilde geven, zóo geven als eene vrouw zich slechts aan éen in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed. De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het conflict daartusschen zoû haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart, want dien zwaren strijd zoû ze strijden voor hèm, ter wille van hem en alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze had hèm; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet tot haar komen zoû met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zoû worden om zijn geluk, het zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en--niet uit fierheid en kuischheid, die toch nog egoïsme zijn--maar alleen uit zelfopoffering aan zijn geluk--niet vragen wilde en nooit vragen zoû.

Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve. En--jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze! Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaâr gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis, waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest op en ze zag nog duidelijk het oog weêr van haren man, die in een korten cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze, en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden; Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zoû. En hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar gedroom ...

Waarom had ze dit portret--eene mooie levensgroote fotografie; een koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw--nooit laten naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nù eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in haar. Ze zoû de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht, meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neêr op hare bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...

VI.

Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen, die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven; maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje, ging hij naar beneden, naar den leêgen salon en zette zich voor de piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zoû papa zeker niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zoû Dolf geen geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zoû zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers àf zat te werken en dat hij zijn toevlucht zoû kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zoû zijn, had hem reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zoû verschuilen en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in vreugde dàt gevonden te hebben, dat te kúnnen vinden, liefkoosde het tot het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed weêr wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze weêr en speelde ze weêr, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en hem vroeg of hij ophield.

Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende nauwelijks de noten weêr; verscheurende cacofoniën kermden op en doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein; hij kreunde of hij weêr pijn had, maar zijne vingers waren als gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet, een kreet, die telkens terugkwam op éen zelfden toon, plotseling hoog na de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene verrassing: hij schrikte van ze--ze klonk zoo mooi van verdriet--en hij was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij vond de volle accoorden zuiver als bij intuïtie: door het geween der klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht, die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien lange vleugelen ontschieten als weêrlichten van zilver, hunne zieleschouders uit; ze trippelen achter elkaâr de regenbogen over als over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen en duwen elkaâr; in hun gedrang stooten hare vleugels elkaâr, verstuift er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op gróote naïveteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet, maar achter hen dringen de zielen; ontèlbare komen ze, meerdere, meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels recht in de lucht, vlak tegen elkaâr. En nu, het moet: ze mogen niet meer aarzelen: éen haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open zijn vlucht en slaat zich met éen slag uit den dichten drom, de lucht in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar: stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen; in omhelzingen nemen zij ze meê. En dan het licht; het licht, dat overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer dan het Licht, eeuwig ...

--Jules!

Hij zag met een blik, die niet herkende.

--Jules! Jules!

Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op, ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van hàar speelde.

--Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt door het huis, door hun huis ...

--Ik weet niet, tante! zeide hij.

Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was hem Hèt, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos geweest ...

* * * * *

HOOFDSTUK IV.

I.

"O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der dingen van onszelve ..."

Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen woorden had en zocht zij ze toch?

Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zoû en hij kwam ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed.

--Wacht! riep ze. Wacht daar ...

Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel lint en iets van zilverkant hier en daar.

--Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak ze en gaf hem de hand.

Hij antwoordde nog niet, glimlachend.

--We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het weêr is zoo mooi.

--Ja, sprak hij.

Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es.

--Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat?

--Wat? vroeg hij.

--Wat daar gespeeld wordt?

--Rubinstein, geloof ik! sprak hij.

--Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ...

En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog éens, zoo, langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom? Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ...

--Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich terugwinnende.

--Vergeef me, antwoordde hij.

--Wat was er?

Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets.

--Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar? Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het niet. Veel redenen bij elkaâr. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet goed voor u en niet goed voor mij.

--Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor jezelven?

--Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De menschen ...

--De menschen?

--De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den mijne.

--En gebeurt dat?

--Ja ...

Zij glimlachte.

--Dat kan mij niet schelen.

--Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan voor ...

Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare schouders op.

--En waarom nu niet goed voor u?

--Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn.

--Wat een sofisme! Waarom niet?

--Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel.

--Is u dan hier gelukkig?

Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd.

Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu, gelukkig bij elkaâr, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in alles van het leven, zelfs in geluk.

--Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zoû niet gaan. Ik zoû dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zoû niets ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben egoïst, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten.

Zij zweeg.

--Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zoû zijn voor altijd afscheid van u te nemen.

Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond.

--Zeg me iets ... vroeg hij.

--Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen.

--Ik zoû zoo gaarne weten hoè u van me hield ...

--Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna?

--Wil u dat gaarne zijn?

--Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te spelen?

--Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn.

--Ik spreek in ernst ...

