Extaze: Een Boek van Geluk

Part 5

Chapter 5 4,116 words Public domain Markdown

--Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik woû u nu verzekeren, dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie.

--Ik zoû u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij.

Zij glimlachte om hem aan te moedigen.

--Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij.

--Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile.

--Ja, wat denkt u?

Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken.

--Emersons Essays? ried ze ten laatste.

Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte.

--Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zoû u veel meer willen vragen dan een boek te leen.

--Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort.

--Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zoû het ook niet onder woorden kunnen brengen.

Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en toen sprak ze:

--Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moet _u_ doen: zóek dus uw woorden.

--Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen?

--Ja, want als ik het goèd weet, is het niets wat u niet zoû kunnen vragen.

--Het zoû toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u!

Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn, en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd:

--Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg.

--Zoû u dan sympathie met me willen sluiten? Zoû u me willen toestaan bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel.

Alles smolt weêr in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog, en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo minder voelde dan zij.

--Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie sluiten.

En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan dien eénen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne.

--Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was.

--Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile.

--Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen. Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij bleef kalm naar hem opzien.

--Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als zij, Goddank!

--U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft weêr zijn verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover, maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij.

--Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en bloc en zoo haat ik ze. U dan niet?

--Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan.

--U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg.

--O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover de wereld.

--Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik, dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom wachtte ik maar ...

Het Noodlot, wat zoû het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden tusschen henbeiden, en die mooie dingen wáren er al: zij behoefde ze zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen weêr voelde zij pijn, om zijn eerbied.

VI.

Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit, naar de dorre boomen.

--Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn kan. Waarom kan _ik_ dan niet gelukkig zijn.

Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed voor het éerst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw van illuzie--de vrouw, die hij in haar zag;--en niet de vrouw, die zij wàs: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom voer je je mooie gedachten zoo òp tot mij, en waarom laat je ze niet neêrdauwen òver me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie, ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me!

Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk--ze wist dat nu--was haar te zien, zooals hij haar zag.

--Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde, maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!!

Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien, maar hij gulpte over hare landschappen--vroeger zoo helder met kimmen van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile nacht.

--Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich nog te verbeelden, ondanks dat alles ...

Maar het ging niet meer: ùit haar heen duizelde de bewondering van de hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in hèm!

Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor het weêrlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden.

Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel, stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het landschap en de troebele golven van den stroom zweepte òp naar die lucht van inkt.

--Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...!

* * * * *

HOOFDSTUK III.

I.

Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleêrmaker, twee kamers, klein en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen intérieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op de canapé, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.

--Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de draperie van een sarong tusschen door trok.

--Ja, zeker, antwoordde Quaerts.

Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis. Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wàt te verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne, als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven op een boerderij--de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de koeienstal--stoute streken als van kwâjongens en wildemannen tegelijk; proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding. Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moê, met écarté doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan aan het idée fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos turende op de poppetjes van het spel.

Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene schim. Dan was ze weêr verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts éenmaal had hij bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek, haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug, had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moê, koortsig, ontevreden, in eene walging van alles, àlles; toen des morgens, bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens rijles.

Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat écarté. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...

Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden, zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde: geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dàt hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in hem tegen elkander stiet.

Toen hij Cecile had ontmoet, had weêrgezien en nog eens weêrgezien, had hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat éene uiterste, top van hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van atmosfeer--zooals hij zeide--sympathetisch had geschoven over de hare, als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weêr voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond, alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij zich hoe zij geweend had aan zijne knieën, hoe zij jaloersch gejammerd had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in hartstocht, bijna stikte!

II.

Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zóû zich laten slingeren: er was niets aan te doen. Want nu, in die moêheid na zijn woest geweld, begon hij weêr een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht, haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte, blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...

Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit, met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.

--Jules! zei Quaerts.

Maar Jules antwoordde niet, starende.

--Zeg Jules! Waarom hoû je toch zooveel van me?

--Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.

--Weet je het niet?

--Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.

--Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.

--Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.

Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar Quaerts hield hem vast, met een glimlach.

--Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.

--Je wilt ook alles weten.

--En is het een ongeluk om dat te willen?

--Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men niets weet.

--En jij?

--Ik ... niets ...

--Wat niets?

--Ik weet niets ... Laat me nu gaan.

--Ben je boos, Jules?

--Neen, maar ik heb een afspraak.

--Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar tante Cecile.

Jules streed.

--Goed dan. Maar haast je.

Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten had.

--Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel, hoor.

Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die neêrvielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.

III.

Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare trilling der vingeren.

--Ik ben uit de stad geweest, begon hij.

--Dat hoorde ik ...

--Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd?

--Dank u, heel goed.

Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien niets bizonders was of dat zij bleek schéen in de melkblankheid dier zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was in het getrek der écharpe om hare leest, met eene lange, witte franje, die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje, zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes.

--U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts.

--Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij, stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ...

Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn knie.

--Wat is hij licht, ce petit Jésus!

--Hij is niet sterk, sprak Cecile.

--U verwent hem te veel.

Zij lachte weêr.

--Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem?

--Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me meêkomen: ik zoû hem gymnastiek laten doen.

--Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door.

--Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van beteekenis.

Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie:

--Ik kom u biechten ... madonna!

Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af.

--Biechten?

--Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden.

--Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje van zijn lorgnet.

--Le petit Jésus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts.

--En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij.

--Ik zoû gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde.

--Biecht dan.

Le petit Jésus ... aarzelde hij.

Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de chaise-longue:

--Hij zal niet hooren ...

En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied getemperd.

--En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu.

--Niet?

--Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al geëmancipeerde denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat leven ... goed.

--Gelukkig!? vroeg hij.

--Ja?

--Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar? Vergeef me ... madonna.

Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten, vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In éene seconde doorleefde zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij haar bekende: dat hij weêr zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe en legde hem eene hand op zijn schouder.

--Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld?

--Volle waarheid, op het woord van mijn ziel.

--Maar waarom heeft u het dan gedaan?

--Ik kon niet anders.

--U kon u niet tot maat dwingen?

--Nooit ...

--Dan zoû ik u dat gaarne willen leeren.

--Ik niet, van _u_. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben geweest in het leven van mijn schijnmensch.

Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op zijn schouder.

--Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig.

--Het is genot ... voor beide die menschen. Ik moèt zoo zijn ... onmatig voor beiden.

--Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ...

--Het laagste, maar ook het hoogste ...

Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem.

--Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een, noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig genot, ook het hoogste, is niet goed.

Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn.

--O, ja ...

--Ja, maar ik meen: dwéep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door, om Godswil!