Extaze: Een Boek van Geluk

Part 4

Chapter 4 4,189 words Public domain Markdown

--Jawel, dat begrijp ik! ging hij kalm door, als wist hij dat wel. Nu: ik geloof, dat de anderen ons niet zouden vatten, omdat wij alleen hier sympathieke cirkels hebben. Maar mijn kring is van een veel inferieurder substantie dan de uwe, die heel mooi is.

Ze zweeg weêr, ze dacht aan hare antipathie voor hem: voelde ze die nu wel?

--Wat denkt u er van? vroeg hij.

Ze zag op, hare witte vingers trilden in de tulle van haar schoot. Zij poogde vaag te glimlachen.

--U gaat te ver, geloof ik! stamelde zij.

--U vind, dat ik dweep?

Zij had iets als ja willen zeggen, zij kon niet.

--Neen, antwoordde zij. Dat niet ...

--Ik verveel u...?

Zij zag hem aan, diep in zijne oogen. Zij knikte van neen. Zij had iets willen zeggen, dat hij te weinig conventioneel sprak op dit oogenblik, zij kon dat ook niet. Door haar geheele wezen smolt eene zachtheid. De tafel, die menschen, dat geheele diner, scheen haar door een waas van licht. Toen zij zich weêr geheel bewust was, zag zij, dat aan den overkant eene dame zat, wier blik haar vast aanzag en zich nu uit beleefdheid afwendde. Zij wist niet wat het haar schelen kon, maar ze vroeg aan Quaerts:

--Wie is toch die dame, daar, in het lichtblauw, met dat donkere haar?

En zij zag, dat hij schrikte.

--Dat is de jonge mevrouw Hijdrecht! sprak hij toen, rustig, een beetje hoog.

Ook zij ontstelde nu; zij werd bleek, hare vingers sloegen zenuwachtig den waaier op en neêr.

Hij had den naam gezegd van haar, die zijne maîtresse werd genoemd.

III.

Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek in een nauw snoer van blank gevlam.

Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde. Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan, magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen:

--Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een mooi gesprek ...

Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel. Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep, zielediep medelijden.

--We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht.

--Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ...

En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen der anderen heen.

De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een vertrouwelijk tête-à-tête.

Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip van het heden zoo klein was. Voorbij alweêr, de lieve bekoring van hun beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij, dat oogenblik, en nooit, nóoit zoû het weêr terug komen: het leven overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw, als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ...

Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken. Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen, hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele:

--...Emilie Hijdrecht, daar ...

--...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te storen.

--...O, ik weet het zeker!

De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg eensklaps:

--Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante?

--Neen.

--Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten?

In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise.

De heeren kwamen weêr binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw Hijdrecht zoû aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen.

En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er naar zich terug te vinden. In haren coupé dorst zij bijna niet ademen, bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op, naar hare kleedkamer.

En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij, heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zoû vallen.

--Maar, mijn God ... ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief! fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende lippen in.

Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, moê, hooger de trap op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen lichtschijn.

--Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!

Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie.

Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open; ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk neêr op hare knieën en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne handjes om Cecile's blooten hals.

--Mama-te!

Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes, en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje:

--Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ...

IV.

Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was, doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en droomen, dat was alleen áan te nemen als het onverklaarbare zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die geschapen had, evenmin óoit zoû zijn te vinden in de intime essence zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de hemel, ontsloten boven de aarde!

En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten, Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reëel in zijne etherische lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, vóor dit oogenblik, nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar zonne-middenpunt.

En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort, dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs naar die verre oorden voorttoog, om dáar te vinden nog meer: het Doel harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien--hare kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht--en nu, nu zag ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles licht ...

Dat wàs, dat alles wàs! Dat was geen mooie leugen van dichters; het bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel over haar neêr, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter genaken tot het doel, dat verre Doel, dáar vèr weg, als eene onzichtbare god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de uitstraling van zichzelven.

V.

Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een morgen ontving zij een briefje; het luidde:

Mevrouw!

Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het zoû mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen, dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?

Met mijn eerbiedigste groeten,

QUAERTS.

Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug:

Geachte Heer!

Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen.

CECILE VAN EVEN.

Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over, bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het schrift.

--Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is alles vreemd, alles, alles!

Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en neêr, zocht met hare fijne vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes weg in een klein, leêg loketje van hare schrijftafel.

Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid. Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zoû, noch mevrouw Hoze, noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets. Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat, wat was er in hem?

Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport, herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ... Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ... En mevrouw Hijdrecht ...

--Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een ander! Wat zoû hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb! Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik hoû toch zoo van ze, mijn ventjes! Maar dàt, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof dát alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ... Het is alsof alles kristal in en om me wordt!

Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met langzame, groote vlokken, die zwaar neêrvielen of zij de wereld wilden rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht.

Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god, breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld, vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum. Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel, zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn kroessnor. Laag het voorhoofd--het haar zeer kort geknipt, als een rond zwart vlies--, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan weêr openblonk.

Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen, van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne knieën, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok, onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zoû dienstbaar zijn. Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zoû hij haar kunnen nemen en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan hèm geworden.

Dit voelde zij intens en toen, toen was het állervreemdste, dat hij daar zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het állervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong, maar zij dròng het door en het was de eerste pijn, die haar om heure liefde trof.

--U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij.

In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan.

--Waarom? vroeg ze.

--Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze.

--Een heel zondenregister! lachte zij.

--Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te nemen.

--Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u hoor bij Dolf.

--Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij.

--Neen, wat dan?

--Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de détails van zijn eigen omgeving?

Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd.

--Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed.

--O, we kennen elkaâr al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is intellectueel vérziende.

--Ja, beaamde zij.

--Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee karaktertrekken, die vooruitspringen en elkaâr wat opbouwen en afbreken. Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, màar onpractisch: en daarmeê uit. Jules: een muzikaal genie, màar een onhandelbare jongen: uit.

--Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog veel meer in Amélie ...

--En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis!

--Mij?

--Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt?

--Neen.

--Hij vindt u,--laat me dit vooraf zeggen,--zéer, zeer sympathiek en een lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u zich verveelt!

Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen.

--Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging.

--Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij.

--Hoe weet _u_ dat! vroeg ze.

--Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht.

--Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes, voort, zoû u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te houden?

--Dat is nu iets, dat _ik_ niet weet! zeide hij, met zooveel oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weet _ik_ niet.

--U weet anders wel veel van me! schertste zij.

--Ik heb u al zoo dikwijls gezien.

--Nauwlijks vier maal!

--Dat is heel veel!

Zij lachte helder.

--Is dàt nu galant? vroeg ze vroolijk.

--Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me is, als ik u zie.

Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein, zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte niet zoo hoog gesteld te worden.

En dat teeder-broze hing weêr tusschen hen, zooals het aan het diner tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door éen ongelukkig woord, o, dat het nu toch niet zoû breken!

--Laten we nu eens over _u_ spreken! zeide zij met eene aangenomen luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk.

--Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al: voor anderen verberg ik me altijd.

--Waarom?

--Omdat ik bang voor die anderen ben!

--_U_ bang?

--Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit iets ...

Hij aarzelde.

--Nu? vroeg ze.

--Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben, dat de menschen het zullen aanraken.

--En wat is dat?

--Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u dàt zal aanraken want u zal het geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u.

Ze had hem weêr, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij kon niet. Maar hij ried hare gedachte.

--U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders zijn tegenover u!

Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte, waarin hij dwaalde.

--Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u nog niet ...

--Zoû u er éenigszins belang in stellen mij te zien?!

--Zeker.

--Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zoû het gaarne doen, het zoû mij een groot geluk zijn.

--Ik zal heel graag naar u hooren.

--Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen?

--Zeker wel; ik hoû er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er zelve buiten ben. Daarom hoû ik ook van naar een storm te hooren, als ik zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten.

Hij lachte even.

--Die sport was u toch in mij antipathiek?

--Waarom denkt u dat?

--Dat heb ik gevoeld.

--U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch, hoor.

--Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn sport u antipathiek was?

--Ja.

--Omdat u dien niet in _mij_ begreep; ook al zag u me misschien aan, dat ik er veel aan doe.

--Ik begrijp u in het geheel niet.

--Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat liever over u.

--En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover me en spreek ... over uzelven.

Hij boog met een lachje.

Als u me dan niet pedant vindt.

--Ach wel neen. U zoû me van u vertellen. U begon met te spreken over sport ...

--U helpt me op den goeden weg ... Zoû u kunnen begrijpen, dat er twee menschen in me zijn?

--Twee menschen?...

--Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ... dan nog iets anders.

--En wat is dat andere?

--Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in een woord.

Zij haalde lichtjes hare schouders op.

--Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen!

--Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder; dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten, laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek, dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen, iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten. Maar u zal weêr vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep?

--Ik zoû zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een sensitivist was, sprak Cecile zacht.

--Mag ik wel zoo tot u spreken?

--Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden.

--Omdat u misschien bang is, dat ik u zoû kunnen compromitteeren ...

--Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende de menschen.

Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte even, tot hij weêr spreken zoû. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij, dapper: