Part 3
--Het kan me niet schelen! riep hij woedend uit, in eens opstaande, stampvoetend. Het kan me niet schelen! Ik kan geen kwaad van Taco hooren en tante Cecile weet dat en ze doet het alleen om me te plagen. En ik vind het heel flauw een kind te plagen, heel flauw ...
Zijne moeder, zijne zusters wilden hem met gezag bedaren. Maar hij greep zijne boeken.
--Het kan me niet schelen! Ik wil het niet hebben!
Woedend, in éen oogwenk, was hij weg, smijtend met de deur, die dreunde. Amélie beefde van zenuwachtigheid.
--O, die jongen! siste zij trillend. Die Jules, die Jules ...
--Het is niets! verontschuldigde Cecile zacht. Hij is wat prikkelbaar ...
Zij was een beetje bleek geworden en zag naar hare jongens, naar Dolf en Christie, die, ontsteld, met open monden van verbazing, hadden opgekeken.
--Is Jules stout, mama? vroeg Christie.
Zij schudde, lichtjes glimlachend, van neen. Zij voelde zich heel vreemd te moede, onzegbaar vreemd. Zij wist niet wat dit was, maar het was haar of heel verre perspectieven voor hare oogen opengingen, met wegdeiningen van horizont, bleek, in heel veel licht. Zij wist ook niet wat dàt was, maar ze was niet boos op Jules, en het scheen haar toe, dat hij niet zoo driftig had gesproken tegen haar, maar tegen een ander. Een gevoel van het raadselachtig diepe van het leven, en het onbewuste van het zielemysterie, zweem van licht heldere oneindigheid, vér zilver licht, schoot door haar heen als eene stille verrukking.
Toen lachte zij.
--Die Jules! sprak ze. Hij kan zoo aardig opgewonden zijn.
Anna en Suzette, verlegen over de scène solden wat met de jongens, over de platen heen. Cecile sprak alleen tot Amélie. Maar deze sidderde nog in hare zenuwen.
--Hoe kan je toch die kuren van Jules nog excuzeeren! sprak ze met eene stem, die hokte.
--Ik vind het aardig, dat hij zoo de partij trekt van menschen, van wie hij houdt. Vindt je daar ook niet iets in?
Amélie bedaarde. Waarom verstoord te zijn als Cecile het niet was?
--In Jules? vroeg zij vaag. Ach, ja, jawel ... Ik weet het zoo niet. Hij heeft wel een goed hart, geloof ik, maar hij is zoo onhandelbaar. Maar ach ... het ligt misschien ook aan mij; als ik beter wist, als ik meer tact had ...
Zij verwarde zich; zij zocht, zij vond niets meer, dwalende door haar eigen gedachten heen als eene vreemde. Toen zeide zij eensklaps, als in een straal van zekere kennis:
--Maar Jules is niet dom. Hij heeft een goed oog op allerlei dingen, en ook op menschen. Ik voor mij geloof óok, dat je Taco Quaerts verkeerd ziet. Hij is een heel interessant mensch, en volstrekt niet zoo alleen maar een sportman. Ik weet niet wat er in hem is, maar er is iets in hem, iets anders dan in andere menschen. Ik zoû niet kunnen zeggen wat ...
--Zij zweeg, zoekende, afdwalend.
--Ik woû, dat Jules beter leerde. Hij is niet dom, maar hij leert niet ... Hij zit nu al weêr twee jaar in de derde klasse. De jongen kàn niet doorwerken. Het is een wanhoop.
Zij zweeg weêr en Cecile bleef ook zwijgen.
--Ach! hernam Amélie; het zal zijn schuld wel niet zijn. Het is misschien wel mijn schuld! Hij heeft het misschien wel van mij ...
Zij zag strak voor zich uit: plotselinge, onweêrhoudbare tranen vulden, in eens, beide hare oogen, en vielen neêr in haar schoot.
--Amy, wat is er? vroeg Cecile lief.
Maar Amélie was opgestaan, opdat de meisjes, nog spelende met de kinderen, hare tranen niet zouden zien. Zij kon die tranen niet tegenhouden, ze stroomden neêr, en zij haastte zich weg, naar den aangrenzenden salon, een groot vertrek, waar Cecile nooit zat.
--Wat is er, Amy? Vroeg Cecile, die haar gevolgd was.
Zij sloeg haar arm om Amélie heen, ze deed haar zitten, drukte Amélie's hoofd tegen haar schouder.
--Weet ik, wat er is! snikte Amélie. Ik weet het niet, ik weet het niet ... Ik ben ongelukkig, om dat gevoel in mijn hoofd. Ik kan het soms niet uithouden. Ik ben toch niet gek, niet waar? Ik voel me heusch niet of ik gek ben of gek zal worden! Maar het is soms alsof alles in me verlamd is, of ik niet denken kan. Alles drijft altijd door me heen! Het is een vreeslijk gevoel!
--Als je eens een dokter vroeg, ried Cecile aan.
--Neen, neen, hij zoû me misschien zeggen, dat ik gek was, en dat ben ik niet. Of hij zoû me in een of ander gesticht willen hebben. Neen, ik wil geen dokter. Ik heb het anders heel goed, niet waar? Ik heb een lieven man en lieve kinderen. Ik heb nooit groot verdriet gehad. En toch voel ik me soms diep ongelukkig, radeloos ongelukkig! Het is altijd of ik naar iets toe wil en niet kan. Het is altijd of ik een grens voor me zie ...
Zij snikte hevig; een regen van tranen dreef over haar gelaat. Cecile's oogen ook werden vochtig; ze hield van hare zuster, ze had medelijden met haar. Amélie was slechts tien jaar ouder dan zijzelve, en ze had al iets van eene oude vrouw, dor, schraal, grijzend reeds aan hare slapen, onder de getrokken voile van haar kapothoed.
--Cecile, zeg Cecile! sprak ze in eens, door hare snikken heen. Denk je, dat er een God is?!
--Maar zeker, Amy.
--Ik ga wel eens naar de kerk, het geeft me niets ... Ik ga nu ook niet meer ... O, ik ben zoo ongelukkig! Het is heel ondankbaar van me. Ik heb toch zooveel om dankbaar voor te zijn ... Weet je: ik zoû soms zoo gaarne in eens naar God willen, zoo in eens!!!
--Toe, Amy, wind je niet zoo op!
--O, ik woû, dat ik zoo als jij was, zoo kalm. Je voelt je gelukkig?
Cecile knikte van ja, glimlachend. Amélie zuchtte; ze bleef even liggen met haar hoofd tegen heur zusters schouder. Cecile kuste haar, maar eensklaps schrikte Amélie:
--Stil, fluisterde zij; de meisjes kunnen hier komen. Ze ... ze hoeven niet te zien, dat ik gehuild heb.
Opstaande, schikte zij voor den spiegel heur hoed, droogde voorzichtig met den zakdoek haar voile af, plooide hare brides.
--Zoo, nu zullen ze het niet zien, zeide zij. Laten we maar naar binnen gaan. Ik ben weêr kalm. Je bent een lieve meid ...
Zij gingen in de kleine kamer.
--Kom meisjes, we moeten naar huis! sprak Amélie met eene, nog wat vreemde stem.
--Heeft u gehuild, mama? vroeg Suzette, dadelijk.
--Mama was wat zenuwachtig om Jules! zeide Cecile snel.
VIII.
Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het warrelde haar te veel: een caleidoscoop van héel recente herinneringetjes: de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amélie. Vreemd, vreemd was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de ziel ergens in ons, als een god _in_ ons, nooit te kennen voor zichzelven in de essence van hémzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren, alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zoû ze niet kúnnen uìtdrukken, zelfs niet kunnen uitdènken; het was haar of er onder het gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen thee drinken.
--Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik voel het toch ...
Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had voorgedaan. Achter Amélie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets, of ...
Maar zij schudde het hoofd.
--Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig. Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.
Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens loochende. Eene intuïtie, die haar de essence der waarheid wilde doen raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...
Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weêr zitten, een beetje zich buigende naar haar toe, zijne handen in elkaâr gevouwen, hangende tusschen zijne knieën, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar weêr zitten en toch was hij al weg. Dat was al weêr voorbij; wat ging alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!
Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in eens, neêr:
"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid; een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaâr moet drukken, om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn weemoed neêr naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.
"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering, transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel, die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en wijken ..."
Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor haar heropgerezen. Had iets wat hèm betrof, haar die zinnen doen neêrschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom, waarom, illuzie?
--En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amélie, die van hem sprak ... Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...
Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem nu weêr eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen zoû ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.
--Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.
Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek frambozenrood.
--Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...
* * * * *
HOOFDSTUK II.
I.
Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door: lakeien stonden bij de portière, een gegons van stemmen suisde daar achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi.
Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig, bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet.
--Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt! sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche minzaamheid van heur gastvrouwschap.
Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de klank haar dadelijk weêr ontviel.
--Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw Hoze fluisteren.
Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden. Haar blik dorst even door den salon te zoeken.
Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten, die waren als droppelen dauw.
Er was eene trilling in hare dunne Suède vingers, die den waaier bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard met een paar decoraties.
De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elkaâr, begroeteden elkander hier en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen begroetend.
Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defilé begon zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep.
II.
Zoodra Cecile zat, bespeurde zij, dat aan hare rechterzijde Quaerts was gezeten. De teleurstelling, dat hij haar niet aan tafel had moeten brengen, wischte zich dus aanstonds uit, maar haar blik bleef koud, als altijd. Zij hàd echter nu wat zij wilde: de verwachting, om welke zij aan dit diner gekomen was, werd vervuld. Mevrouw Hoze, die Cecile bij de Van Attema's gezien had, had zich blij tot taak gesteld het, nog zoo jonge, vrouwtje opnieuw in de wereld te brengen. Cecile wist, dat Quaerts aan huis kwam bij mevrouw Hoze; zij hoorde door Amélie, dat hij was geïnviteerd en ze had aangenomen. Het lag voor de hand, dat mevrouw Hoze, die zich herinnerde, dat Cecile Quaerts ontmoet had, hem naast haar geplaatst had.
En Cecile was zeer nieuwsgierig om haarzelve. Wat zoû zij voelen? Minstens toch belangstelling; dit kon ze zich niet ontkennen. Zij stelde belang in hem, om wat haar heugde, dat Jules gezegd had, dat Amélie had gezegd. Zij voelde reeds, dat achter dien sportman een ander school, dien zij zocht te kennen. Waarom, wat kon het haar schelen? Ze wist het niet, maar het was in alle geval een raadsel, dat haar belang inboezemde. En tevens bleef zij op hare hoede, want zij vond zijne visite niet zooals het behoorde, en ze herinnerde zich weêr den naam der getrouwde vrouw, dien met den zijne werd genoemd.
Zij wist zich los te maken van het gesprek met den generaal, die het zijne roeping scheen te vinden haar bezig te houden, en zij wendde zich, zij het eerste, tot Quaerts.
--En leert u Jules tegenwoordig paard rijden? vroeg zij, met een glimlach.
Hij zag haar aan, blijkbaar een beetje verwonderd om haar stem en lachje, beiden voor hem nieuw. Hij antwoordde niet veel.
--Ja, mevrouw, wij zijn gisteren nog in de manége geweest ...
Zij vond hem reeds onhandig, dat hij het gesprek zoo vallen liet, maar hij vroeg met dat béetje verlegenheid, dat, om zijne flinkheid, hem een charme werd:
--U gaat dus weêr uit, mevrouw?
Zij vond,--zij had het verleden ook reeds gevonden,--dat hij wel eens vragen deed, die men niet deed. Dat was iets vreemds in hem.
--Ja ... wist ze niets anders te zeggen.
--Pardon ... zeide hij, ziende, dat zijne woorden haar lichtjes verlegen maakten. Ik vroeg dat, omdat ik ... ik ...
--Omdat? herhaalde ze met groote oogen.
Hij vermande zich en zeide het ronduit:
--Dolf sprak altijd veel over u en zei, dat u stil leefde ... Ik kon me u zoo niet meer voorstellen in de wereld, onder veel menschen: ik had me een idee van u gemaakt en dat idee schijnt nu verkeerd te zijn.
--Een idee? vroeg ze. Welk idee?
--U is misschien boos, als ik u dat zeg. U is misschien toch al niet zoo heel tevreden over me! schertste hij.
--Ik heb volstrekt niet tevreden of ontevreden over u te zijn! schertste zij terug. Maar vertel me nu van dat idee ...
--U stelt dus daarin belang?
--Als u het me oprecht vertelt, zeker. Maar dan oprecht zijn! dreigde zij met den vinger.
--Nu dan ... begon hij. Ik dacht me u als een vrouw, heel ontwikkeld, heel interessant,--en dat alles denk ik nu nog--én: een vrouw, die niets gaf om de wereld buiten haarzelve en dat ... dat denk ik nu niet meer. En ik zoû bijna zeggen, op gevaar af, dat u me heel vreemd vindt: het spijt me, dat ik dat niet meer denk. Ik had u bijna liever niet hier willen ontmoeten ...
Hij lachte, om wat er voor vreemds in zijne woorden was, te temperen. Zij zag hem aan, hare wimpers trillende van verbazing, hare lippen even geopend, en in eens scheen het haar toe, dat zij hem voor den eersten keer in zijne oogen zag. Zij zag hem in die oogen, en ze zag, dat ze diep grijs waren, heel diep, met eene zwarte, nog diepere, pupil. Er was iets in die oogen, ze wist niet wat, maar iets van magnetisme, als zoû zij de hare nooit meer kunnen afwenden.
--U kan toch wel vreemd zijn! sprak ze werktuigelijk: woorden, die haar bij intuïtie ontwelden.
--O, toe wees er niet boos om! smeekte hij bijna. Ik was al zoo blij, dat u vriendelijk met me sprak: u was verleden een beetje hoog tegen me en het zoû me zoo spijten als ik u ontstemd had. Ik weet wel, dat ik vreemd ben, maar ik kàn tegenover u onmogelijk gewoon zijn, onmogelijk, zelfs al werd u er boos om ... _Is_ u er boos om?
--Ik zoû het eigenlijk wel moeten zijn, maar om uw franchise zal ik u maar vergeven! lachte zij. Galant was u anders allesbehalve.
--Ik bedoelde het toch niet ongalant.
--Dat zal wel! schertste zij terug.
Zij herinnerde zich weêr, dat zij op een groot diner was. De gasten over haar en langs haar zich reiend; de lakeien, dienende daar achter: het licht der kaarsen tintelend op zilver en regenbogend in kristal; op tafel veel spiegel, als water gevat in bloemen, kleine meeren tusschen mosrozen en lelietjes van dalen. Zij bleef even zwijgen, nog glimlachend, turende op hare hand, een mooie hand, als een wit kunstvoorwerp in de tulle van haren schoot, met, aan een enkelen vinger, vele ringen; sparkelende vonkjes blauw en wit vuur. De generaal wendde zich weêr tot haar; zij wisselden eenige woorden, de generaal innerlijk verheugd, dat de rechter-buurman mevrouw Van Even bezighield, en hij voor het meerendeel rustig eten kon. Quaerts wendde zich tot de dame aan zijne andere zijde.
En het was hun beiden aangenaam toen zij zich weêr met elkaâr konden bezighouden.
--Waar hadden wij het zoo even over? vroeg zij.
--Ik weet het nog wel! sprak hij ondeugend.
--De generaal brak ons gesprek af ...
--U was _niet_ boos op me! schertste hij.
--O ja, lachte zij zachtjes. Uw idee over mij, niet waar? Waarom kon u mij zich niet meer voorstellen, in de wereld?
--Ik dacht me u iemand apart geworden.
--Waarom dan toch?
--Om wat Dolf zei, om wat ikzelve dacht, als ik u zag.
--En waarom heeft u nu spijt, dat ik niet "iemand apart" ben? lachte zij steeds.
--Uit ijdelheid; omdat ik verkeerd dacht. En toch: misschien dacht ik ook niet verkeerd ...
Zij zagen elkaâr aan en beiden, hoewel ze het anders dachten, dachten zij het zelfde: namelijk, dat zij voorzichtig met hunne woorden moesten zijn, want dat ze over iets zeer fijns en teeders spraken, iets broos als een zeepbel, dat breken kon als zij er te hard over spraken, alleen reeds door adem van woorden. Toch dorst zij nog vragen:
--En waarom ... gelooft ... u, dat u toch wel ... goed gedacht kan hebben?
--Dat weet ik niet precies. Misschien omdat ik het verlang. Misschien ook, om dat het zóó waar is, dat het geen twijfel meer toelaat. O ja, ik weet bijna zeker, dat ik goed gedacht heb. Weet u waarom? Omdat ik me anders had verborgen en gewoon was geweest en dat ik dat tegenover u niet heb kunnen doen. Ik heb u al zoo veel van me gegeven in dit korte oogenblik als ik menschen, die ik jaren ken, in al die jaren niet gegeven heb. Daarom moet u zeker iemand apart zijn.
--Maar wat bedoelt u met "iemand apart"?
Hij glimlachte, hij opende zijne oogen, ze zag hem er in, diep in.
--Dat begrijpt u wel! sprak hij.
De angst voor het teedere, dat breken kon, was weêr tusschen hen. Zij begrepen elkaâr als met eene vrijmetselarij van gevoel. Een magnetisme ketende haren blik aan den zijne.
--U is toch wel vreemd! sprak ze weêr, werktuigelijk.
--Neen, zeide hij kalm, zijn hoofd schuddend, zijn blik op den hare. Ik weet zeker, dat ik voor u niet vreemd ben, ook al denkt u dat nu.
Zij zweeg.
--Wat ben ik blij, zoo met u te mogen spreken! fluisterde hij. Ik ben er heel gelukkig om. En ziet u eens, niemand merkt er iets van. We zitten hier aan een groot diner: naast ons kunnen ze zelfs onze woorden hooren, en niemand, die ons begrijpen zoû en zoû vatten, waarover wij het hadden. Weet u waarom dat is?
--Neen, murmelde zij.
--Dat zal ik u eens zeggen: ten minste, ik geloof, dat het zoo is. Misschien weet u het beter, want u móet de dingen beter weten dan ik, omdat u zooveel fijner is. Maar ik voor mij geloof, dat ieder mensch een cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere menschen ontmoet, die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan de zijne.
--Dat is mystiek? zeide zij.
--Neen! antwoordde hij. Het is heel eenvoudig. Als nu de cirkels antipathiek zijn, stuiten ze elkaâr af, maar als ze sympathiek zijn, glijden ze over elkaâr met kleinere of grootere bogen van sympathie. In sommige gevallen bedekken de cirkels elkaâr bijna geheel en al, maar ze blijven toch altijd twee ... Vindt u dat alles heusch zoo mystiek?
--Men zoû het gevoelsmystiek kunnen noemen. Maar ... ik heb ook wel eens zoo iets gedacht ...