Extaze: Een Boek van Geluk

Part 2

Chapter 2 4,179 words Public domain Markdown

Ze zag hem aan: het ontstemde haar, dat ze hem niet begreep. Ze wist, dat hij nog al een Don Juan was. Ze herinnerde zich den naam eener getrouwde vrouw in verband met den zijne. Zoû hij meenen haar wat het hof te maken? Ze hield anders niet van die aardigheden; ze had nooit van flirt gehouden.

--Waarom? vroeg ze kalm, en ze verbeet zich dadelijk, want hare vraag klonk als eene coquetterie en ze bedoelde alles behalve dat.

--Waarom?!

Hij zag haar lichtjes verrast terug aan; hij zat dicht bij haar, Jules tusschen hen in, op den grond, tegen zijn knie, de oogen gesloten.

--Om ... om, stamelde hij, omdat u de zuster is van mijn vriend, niet waar, en ik zag u hier nooit ...

Zij antwoordde niet: zij had in hare eenzaamheid verleerd te converseeren en zij gaf zich er niet de minste moeite voor.

--Ik heb u vroeger dikwijls in de comedie gezien, sprak Quaerts; toen meneer Van Even nog leefde.

--In de opera, zeide zij.

--Ja.

--O, ik kende u niet.

--Neen.

--Om mijn rouw ben ik heel lang 's avonds niet uitgegaan.

--En ik kom altijd 's avonds bij Dolf mijn visites maken.

--Dus logisch, dat u me nooit hier ontmoette.

Ze zwegen even. Het trof hem, dat ze zeer koud sprak.

--Ik zoû wel gaarne aan de opera willen gaan! murmelde Jules met gesloten oogen. Ach neen, eigenlijk toch niet.

--Dolf zei me, dat u veel las, ging Quarts voort. Volgt u de moderne litteratuur?

--O ... een beetje. Ik lees niet zoo heel veel.

--Niet?

--O neen. Ik heb twee kinderen en er dus niet veel tijd voor. En het boeit me nooit veel: het leven is veel romantischer dan welke roman ook.

--U is dus filozoof?

--Ik? O waarlijk niet, meneer Quaerts, ik ben zoo laag bij den grond mogelijk!

Zij zeide het met haar slecht lachje en hare koude stem: hare stem en haar lach, als zij bang was, dat men haar verwonden zoû in heur geheim sensitivisme en als zij zich dus verborg, diep in het mysterie van zichzelve, gevende aan de buitenwereld iets geheel anders dan zij was. Jules had zijne oogen geopend en zag haar aan en zijn blik, dien hij niet meer van haar afwendde, hinderde haar.

--U woont allerliefst daar op den Scheveningschen weg.

--O zeker.

Zij zag eensklaps, dat zij onbeleefd van koudheid was en dit wilde zij niet, ook al was hij haar antipathiek. Zij vleide zich achteloos wat achterover; ze vroeg blankweg, zonder eenige belangstelling, geheel voor de conversatie:

--Heeft u veel familie in den Haag?

--Neen; mijn ouders wonen te Velp en mijn familie meerendeel in Arnhem. Ik ben nooit ergens vast, ik kan nooit lang op een plaats blijven. Ik heb langen tijd in Brussel gewoond.

--U is niet in betrekking, niet waar?

--Neen, mijn illuzie van jongen was in de marine te gaan, maar ik ben afgekeurd geworden voor mijn oogen.

Zij zag hem even onwillekeurig in zijne oogen: kleine, diep liggende oogen, waarvan zij de kleur niet zien kon. Zij vond er iets sluws, iets geslepens in.

--Het heeft me altijd gespeten, ging hij voort. Ik ben een man van beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me nu maar met veel sport.

--Sport? herhaalde zij koud.

--Ja.

--O.

--Quaerts is een Nimrod en een Centaur en een Herkules, niet waar? riep Jules.

--Zoo, geef je me "namen"? lachte Quaerts. Waarbij "deel je me verder in", Jules?

--Bij de heele enkele menschen, van wie ik veel hoû! riep Jules in vuur en vlam. Taco, je zoû me nog altijd paard leeren rijden?

--Nu, wanneer je wilt, kereltje.

--Ja, maar jij moet den dag bepalen, dat we naar de manege gaan. Ik bepaal geen dagen, daar vind ik iets angstigs in.

--Morgen dan? Het is morgen Woensdag.

--Goed.

Cecile bespeurde, dat Jules haar steeds aanzag. Zij zag hem terug aan. Hoe was het mogelijk, dat de jongen van dien man hield! Hoe was het mogelijk, dat, als het hàar hinderde, het hèm niet hinderde: dat gezonde, dat sterke, die kracht van spieren, die kracht van sport! Had die man iets slechts voor met Jules, dat hij zich zoo quasi teeder voordeed tegenover dat kind? Zij begreep er niets van, zij begreep noch Quaerts noch Jules en zelve verzonk ze weêr in die stemming van zelfverlies, waarin zij niet wist wat ze dacht en op het oogenblik zelve zeggen zoû; stemming, waarin zij zich terug zocht, en te vergeefs. Verbitterd stond zij op, lang, rank, lenig; in haar krip, als eene koningin, die rouwde; goudspelingen in het dof blond van heur haar, waarin een klein gitten kroontje glom als zwart spiegel.

--Ik ga eens even zien, wie er wint, sprak ze en ze ging naar de speeltafel in de andere kamer; ze zette zich achter Mevrouw Hoze, schijnbaar belangstellend in het spel en, door het licht der bougies heen, gluurde ze naar Quaerts en Jules. Ze zag, dat ze zachtjes met elkaâr spraken, vertrouwelijk, Jules met zijn arm op Quaerts' knie. Ze zag het glimlachend gezicht van Jules, als in aanbidding, opzien naar het gelaat van dien man, en ze zag, dat de jongen eensklaps zijne armen, tot eene woeste liefkoozing, heensloeg om zijn vriend, die hem afweerde, met een zacht gebaar.

V.

Den volgenden avond genoot Cecile nog meer dan gewoonlijk van de weelde thuis te kunnen blijven. Het was na den eten; zij zat met Dolf en Christie op de chaise-longue, in haar kleinen salon, de jongens elk in een arm genesteld; zij, in het midden tusschen hen in, jong als eene oudere zuster. Zacht gedempt vertelde hare stem:

--Toen zei Juda: o, heer, laat mij in de plaats van Benjamin bij u blijven als slaaf! Want onze vader, die al zoo oud is, zei ons, toen we met Benjamin weggingen: Mijn zoon Jozef heb ik al verloren: hij is zeker opgegeten door de wilde beesten. En als je me nu Benjamin ook nog afneemt, en als hém een ongeluk overkomt, dan zal ik grijs van verdriet worden en dood gaan. Toen zei ik tot onzen vader, dat ik hem instond voor Benjamin en dat ik heel stout zoû zijn, als we Benjamin niet weêr thuis brachten. En daarom bid ik u, o heer, laat mij uw slaaf zijn en laat het kind met zijn broeders teruggaan. Want hoe kan ik zonder Benjamin mijn vader onder oogen komen ...

--En Jozef, mama, wat zei Jozef? vroeg Christie.

Hij had zich vast geklemd aan zijne moeder: een klein tenger ventje van zes jaar, met dun blond haar, met oogen van fletsch vergeet-mij-niet-blauw, en zijne fijne vingertjes haakten zich krampachtig in Cecile's japon en verfrommelden het krip.

--Toen kon Jozef zich niet meer inhouden en hij beval zijn gevolg weg te gaan en barstte in tranen uit, en riep: Herken je mij dan niet? Ik ben het, ik ben Jozef!

Maar Cecile kon niet voort vertellen, want Christie had zich aan haar hals geworpen met eene beweging als van wanhoop en zij hoorde hem snikken tegen haar aan.

--Christie! Mijn jongen!

Zij ontstelde zeer; zelve in vuur om haar verhaal, was haar de spanning van Christie niet opgevallen en zij hoorde hem nu in zulk eene hevige kindersmart tegen haar aan weenen, dat zij geen woord vond om hem te stillen, te troosten, te zeggen, dat het goed afliep.

--Maar Christie, huil dan toch niet! Het loopt goed af ...

--En Benjamin dan, Benjamin!

--Maar Benjamin ging terug naar den vader en Jacob kwam in Egypte en ging samen wonen met Jozef ...

Het kind hief zijn nat gezicht van haren schouder op en zag haar lang aan.

--Was het heusch zoo? Of zegt u maar wat ...

--Neen heusch, mijn lieveling. O toe, huil nu niet meer ...

Christie bedaarde, maar was blijkbaar teleurgesteld. Het slot van het verhaal voldeed hem niet; en toch: het was wel mooi zoo, veel mooier dan dat Jozef boos was geweest en Benjamin had gevangen gezet ...

--Die Christie! Om te gaan huilen! zei Dolf. Het is immers maar een verhaaltje.

Cecile antwoordde hem niet, dat het verhaaltje heusch gebeurd was, omdat het in den Bijbel stond. Ze was in eens zeer treurig geworden, in eene twijfeling aan zichzelve. Zeer teeder droogde zij met haar zakdoek de treurige oogen van het kind af.

--En nu, jongens, slapen. Het is al laat geworden! zeide ze dof.

Zij bracht ze naar bed: iets, dat heel lang duurde; eene plechtigheid met allerlei ritualiën van uitkleeden, wasschen, gebedje opzeggen, toedekken, zoenen. Toen zij na een uur weêr beneden zat, alleen, voelde ze eerst goed, hoe treurig zij was.

O, neen, ze wist het niet! Amélie had wel gelijk: men wist nooit iets, nooit! Ze was dien dag zoo gelukkig geweest, ze had zich weêr teruggevonden, diep in het mysterie van haarzelve, in de essence harer ziel; ze had haar gedroom om zich heen zien wolken als eene apotheoze; ze had veel liefde voor hare kinderen in zich gevoeld. Zij had ze na den eten verteld uit den Bijbel, en, in eens, bij Christie's tranen, was twijfel bij haar opgeschoten. Was zij wel goed voor hare kinderen? Bedierf zij ze niet en verweekte zij ze niet in hare liefde, in de zachtheid van haar gevoel? Zoû zij ze niet ongeschikt maken voor het practische leven, waarin zij niet te doen had, maar waarin de kinderen, als ze groot waren zich zouden moeten bewegen? Het weêrlichtte door haar heen: scheiding en kostscholen, de kinderen van haar vervreemd, teruggekomen als groote, ruwe jongens, die rookten en vloekten, cynisch in hun mond en hun hart; hun mond, die haar niet meer zoû zoenen, hun hart, waarin ze niet meer thuis zoû zijn. Zij zag ze reeds met hunne blague van zeventien en achttien jaar door hare kamers stappen in uniform van cadet en adelborst, met breede schouders en een harden lach, de asch van hun sigaar wegknippend op het tapijt ... Waarom rees dwars door deze wreedheid in eens het beeld van Quaerts op? Was dat toeval of logica? Ze kon het niet inzien; ze wist niet wat hij daar deed, die man, rijzende door hare smart heen in zijne atmosfeer van antipathie. Maar ze voelde zich treurig, treurig, treurig, als zij zich sedert Van Evens dood niet meer gevoeld had, niet vaag weemoedig, als zij zich meermalen gevoelde, maar treurig, duidelijk treùrig om wat er komen zoû ... O, zij zoû zich van de kinderen moeten scheiden! En dan: alleen ... Eenzaamheid, altijd eenzaamheid! Eenzaamheid in zichzelve; dat gevoel, waar Jules zoo voor vreesde! Teruggetrokken van de wereld die haar niet boeide, alleen weggezonken in leêgte! Ze was dertig jaren, ze was oud, een oude vrouw. Haar huis leêg, heur hart leêg! Droomen, wolken van gedroom, die vervliegen, die opklaren als een rook en leêgte ontdekken. Leêgte, leêgte, leêgte! Hol viel het woord telkens op haar borst neêr met den klop van een hamer. Leêgte, leêgte ...

--Waarom ben ik zoo? dacht ze. Wat heb ik dan? Wat is er veranderd?

Nooit had ze dat woord leêgte zoo op zich voelen bonsen; dien zelfden middag nog was zij zacht gelukkig geweest, als altijd. En nu! Zij zag niets voor zich, geen toekomst, geen leven, niets dan éene wijde duisternis. Vervreemd van hare kinderen, alleen in zichzelve ...

Met een licht gekreun als van pijn stond zij op, liep zij door den kleinen salon. Het bescheiden schemerlicht hinderde haar als eene benauwdheid. Zij draaide aan den sleutel der kanten lamp. Een goudglans gleed de roze plooien der zijden gordijnen op als glinsterend water. Eene vreemde koelte blies iets van den viooltjes geur, die overal hing, weg. In het haardje was vuur en zij had het koud.

Zij bleef staan bij het lage tafeltje: zij nam eene visitekaart op, waarin een vouw was geknepen, en zij las: T. H. Quaerts. Een kroontje met vijf parelen boven dien naam. Dat Quaerts, wat was dat kort! Een naam als een klap van een harde hand. Er was in dien naam iets slechts, iets wreeds: Quaerts, Quaerts ...

Zij wierp het stuk karton neêr, boos op zich zelve. Ze had het koud, en ze had zich verloren, zooals gisteren avond bij de Van Attema's.

--Ik ga niet meer uit. Nooit meer, nooit meer! zeide zij, bijna hard op. Ik kan zoo tevreden zijn in mijn eigen huis. Zoo tevreden met het leven, zoo mooi gelukkig ... Dat kaartje! Waarom een kaartje! Wat kan mij zijn kaartje schelen ...

Beslist zette zij zich aan hare schrijftafel en sloeg den buvard open. Zij dacht er over een begonnen brief naar Indië af te maken. Maar zij was in zoo eene andere stemming, dan toen zij dien brief begonnen had. Zij haalde dus uit een laadje een dik cahier te voorschijn: haar dagboek. Zij zette den datum neêr, dacht even na, den zilveren pennehouder zenuwachtig prikkende in hare tanden ...

Maar toen, met een kort gebaar van drift wierp zij de pen neêr, duwde het cahier weg, en, het hoofd in hare handen op den buvard neêrbonsend, snikte zij luid.

VI.

Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij weêr hare gewone rust binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was weggedwaald. Maar zij dwòng zich met een zachten dwang, de schatten harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde; in de eerste jaren zoû zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar, noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden als een stil vloeiend water.

Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de kinderen gewerkt,--ze leerde ze nog zelve--toen met ze gewandeld en nu wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld, die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen vóór den toets dier vingers niet hadden.

Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of er belet was voor dien meneer.

Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen gefronsd, ontevreden.

--Wat een idée, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ...

--Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen.

Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne mondjes in.

De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die haar zoo beslist en sterk scheen.

--Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de vrijheid heb genomen u een visite te komen maken.

--Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten.

Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond.

--Ik stoor u niet, mevrouw?

--Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen menschen zie.

--Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de indiscretie van mijn bezoek te danken.

Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde.

--Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht tot een masker vertrok.

--Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zoû het een bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken.

Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op, als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was zóo in-hoffelijk geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden.

--Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en Christie.

--Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand.

De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende oogen, en even hield hij ze vast.

--Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u?

--Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij.

Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag.

Maar hij liet ze nu los en ze gingen weêr op hunne bankjes zitten, zoet, zacht, stil.

--Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol.

--Mogelijk! sprak ze.

--Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik woû u ronduit iets vragen. Ik woû u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk, zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt?

--Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken.

Zij lachte even.

--Natuurlijk, sprak hij.

--Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ...

--Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zoû kunnen zien.

Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had.

--U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf, niet waar?

Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden, hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij kon het niet doen.

--Ja, antwoordde hij. Wij kennen elkaâr heel lang en we zijn altijd zeer bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal.

--Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons.

Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van Emersons Essays, met een vouwbeen er in.

--U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ...

En hij wees glimlachend naar de boeken.

--O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een beetje ...

Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen?

--"Emerson!" las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij herstelde zich:

--Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me, maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier.

--U is vèrziend? vroeg ze, lachend.

--Ja.

Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zoû hij zelfs niet de tippen van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las.

--Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile.

--Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig.

--Kent u Emerson?

--Neen ...

--Ik hoû veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik. Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ...

Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog.

Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze herwon zich weêr; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten.

--Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven?

--Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur.

--U ziet daar zeker met minachting op neêr? spotte ze.

Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu:

--O, daar zullen ze zijn!

Zij waren het ook, Amélie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een Spaansch costuum, zoû moeten verkoopen.

--En jij niet, Anna?

--O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elkaâr kruipend. Ik op een fancy-fair! Ik zoû nooit iets slijten aan de menschen.

--Ach, het is een tact! zeide Amélie, met een blik, die ver weg dreef.

Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij kwam van school.

--Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom!

--Je jaagt me weg! schertste Quaerts.

--Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien, wanhopig, dat hij juist vertrekken zoû.

--Jules, Jules! vermaande Amélie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen moest.

Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige boeken van het tafeltje.

--Maar Jules dan toch! riep Amélie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts neêrlegde, draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden letters: Emerson ...

Cecile bespeurde het.

--Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis, dacht ze.

Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen.

VII.

--Is dit de eerste keer, dat hij bij je aan huis komt? vroeg Amélie.

--Ja, antwoordde Cecile. Een onnoodige beleefdheid, niet waar?

--Ach, Taco Quaerts is altijd precies in de puntjes, verdedigde Anna.

--Maar deze visite was juist nièt in de puntjes, lachte Cecile vroolijk. Maar Taco Quaerts schijnt bij jullie geheel en al onfeilbaar te zijn.

--Hij walst heerlijk! riep Suzette. Verleden op het bal bij de Eekhofs ...

Suzette draafde door; gedecideerd, die Suzette was niet te houden van middag; zij hoorde zeker al de castagnetten van haar Spaansch costuum in heur hersentjes klepperen.

Jules was in een bui van kribbigheid geraakt, maar hij hield zich stil bij de jongens, in een raam.

--U is niet erg gesteld op Quaerts, niet waar, tante? vroeg Anna.

--Hij heeft weinig sympathieks voor mij! sprak Cecile. Je weet, ik laat me erg door indrukken beheerschen. Ik kan het niet helpen, maar ik hoû niet van die héel gezonde, sterke menschen, die er zoo héel flink en stevig uitzien, alsof ze dwars door het leven heen wandelen en alles opruimen, wat hun hindert. Het is misschien morbide in me; maar ik kan het niet helpen, dat overmate van gezondheid en kracht mij antipathiek zijn. Die sterke menschen beschouwen je, als je _niet_ zoo sterk bent als zij, zooals de Spartanen hun misvormde kinderen beschouwden ...

Jules kon zich niet meer inhouden.

--Als u denkt, dat Taco niets anders is dan een Spartaan, dan weet u niets van hem af, sprak hij vinnig.

Cecile zag hem aan, maar voor Amélie iets zeggen kon, ging hij voort:

--Taco is de eenige, met wien ik over muziek kan praten en die je begrijpt met een half woord. En ik geloof niet, dat ik met een Spartaan zoû kunnen praten.

--Maar Jules, wat een toon! riep Suzette.