# Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

## Part 26

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/ethica-in-meetkundigen-trant-uiteengezet-vertaald-ingeleid-en-t-723759a9/index.md

Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt, verheugt zich (_vlg. St. LIII D. III_) en dat wel met de begeleidende gedachte aan God (_vlg. voorgaande St._). Derhalve heeft hij (_vlg. Definitie VI der Aand._) God lief en dat wel (_om dezelfde reden_) des te meer, naarmate hij zichzelf en zijn aandoeningen beter begrijpt. H.t.b.w.

_Stelling XVI._

Deze Liefde jegens God behoort den Geest het allermeest te vervullen.

_Bewijs._

Immers deze Liefde staat in verband met alle lichaamsindrukken (_vlg. St. XIV v.d. D._) door al welke zij wordt bevorderd (_vlg. St. XV v.d. D._). Derhalve moet zij (_vlg. St. XI v.d. D._) den Geest het allermeest vervullen. H.t.b.w.

_Stelling XVII._

God kent geen lijdingen en ondergaat ook geenerlei aandoening van Blijheid en Droefheid.

_Bewijs._

Alle voorstellingen zijn (_vlg. St. XXXII D. II_) waar, voorzoover zij tot God worden teruggebracht, d.w.z. (_vlg. Definitie IV D. II_) adaequaat. Derhalve (_vlg. Alg. Definitie der Aand._) kent God geen lijding. Voorts kan God (_vlg. Gevolg II St. XX D. I_) noch tot grooter, noch tot geringer volmaaktheid overgaan en kan hij dus (_vlg. Definities II en III der Aand._) geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaan. H.t.b.w.

_Gevolg:_ In eigenlijken zin kan God niemand liefhebben of haten. Immers God ondergaat (_vlg. voorgaande St._) geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid en bijgevolg (_vlg. Definities VI en VII der Aand._) heeft hij ook niemand lief of haat hij niemand.

_Stelling XVIII._

Niemand kan God haten.

_Bewijs._

De voorstelling van God, welke in ons is, is adaequaat en volkomen (_vlg. St. XLVI en XLVII D. II_). Voorzoover wij dus God beschouwen, _handelen_ wij (_vlg. St. III D. III_). Bijgevolg (_vlg. St. LIX D. III_) kan er geen Droefheid bestaan, die vergezeld gaat van de voorstelling Gods, d.w.z. (_vlg. Definitie VII der Aand._) niemand kan God haten. H.t.b.w.

_Gevolg:_ De Liefde jegens God kan niet in Haat verkeeren.

_Opmerking:_ Men zou kunnen tegenwerpen, dat wij, aangezien wij God als aller dingen oorzaak erkennen, hem daardoor tevens als oorzaak der Droefheid beschouwen. Hierop antwoord ik evenwel dat Droefheid, voorzoover wij haar oorzaken begrijpen (_vlg. St. III v.d. D._) ophoudt lijding te zijn, d.w.z. (_vlg. St. LIX D. III_) ophoudt Droefheid te zijn, en dat wij ons derhalve verheugen voorzoover wij inzien dat God oorzaak van Droefheid is.

_Stelling XIX._

Wie God liefheeft kan er niet naar streven dat God hem wedermint.

_Bewijs._

Indien iemand hiernaar streefde zou hij dus wenschen (_vlg. St. XVII v.d. D._) dat God, dien hij liefheeft, niet God ware. Bijgevolg zou hij (_vlg. St. XIX D. III_) verlangen zich te bedroeven, hetgeen (_vlg. St. XXVIII D. III_) ongerijmd is. Derhalve: wie God liefheeft enz. H.t.b.w.

_Stelling XX._

Deze liefde jegens God kan noch door Nijd, noch door IJverzucht worden ontwijd, maar zij wordt juist des te sterker, hoe méér menschen wij ons door éénzelfden band van Liefde met God verbonden denken.

_Bewijs._

Deze Liefde tot God is het hoogste goed, hetwelk wij, levend naar de voorschriften der Rede, kunnen erlangen (_vlg. St. XXVIII D. IV_). Het is (_vlg. St. XXXVI D. IV_) aan alle menschen gemeen en wij wenschen (_vlg. St. XXXVII D. IV_) dat elkeen er zich in verheuge. Derhalve kan zij (_vlg. Definitie XXIII der Aand._) niet door Nijd worden bezoedeld, noch door IJverzucht (_vlg. St. XVIII v.d. D. en de Definitie der IJverzucht, zie Opmerking St. XXXV D. III_), maar zal zij integendeel (_vlg. St. XXXI D. III_) des te meer moeten toenemen, naarmate wij ons voorstellen dat méér menschen zich in haar verblijden. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Op deze zelfde wijze kunnen wij aantoonen dat er geen aandoening bestaat, welke in directen strijd is met deze Liefde en door welke die Liefde kon worden teniet gedaan. Wij kunnen dus de gevolgtrekking maken dat deze Liefde tot God de meest standvastige van alle aandoeningen is en voorzoover zij betrekking heeft tot het Lichaam, niet anders dan met dit Lichaam zelf teniet kan gaan. Hoedanig zij is voorzoover zij betrekking heeft op den Geest, zullen wij later zien.

Hiermede heb ik alle middelen ter verdediging tegen de aandoeningen of al wat de Geest op zichzelf beschouwd [voorzoover van hemzelf afhangt] tegen de aandoeningen vermag, samengevat. Het blijkt hieruit dat de macht van den Geest over de aandoeningen bestaat:

I. in de kennis zelf der aandoeningen (_zie Opmerking St. IV v.d. D._);

II. daarin dat hij de aandoening scheidt van de gedachte aan een uitwendige oorzaak, welke wij ons slechts verward voorstellen (_zie St. II en dezelfde Opmerking St. IV v.d. D._);

III. in den tijdsduur, tengevolge waarvan aandoeningen, betrekking hebbende op zaken welke wij begrijpen, andere, welke betrekking hebben op zaken waarvan wij slechts verwarde en verminkte voorstellingen hebben, overwinnen. (_vlg. St. VII v.d. D._);

IV. in het groote aantal van oorzaken, waardoor aandoeningen, welke betrekking hebben op algemeene eigenschappen of op God, sterker worden dan andere (_zie St. IX en XI v.d. D._);

V. tenslotte in de orde waarin de Geest zijn aandoeningen kan schikken en onderling in verband brengen (_zie Opmerking St. X en bovendien St. XII, XIII en XIV v.d. D._).

Om nu evenwel deze macht van den Geest over de Aandoeningen te beter te doen begrijpen, moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat aandoeningen door ons sterk genoemd worden, wanneer wij een aandoening bij den eenen mensch vergelijken met die bij andere en daarbij zien dat de een daardoor heviger wordt aangegrepen, of wanneer wij de aandoeningen bij één en denzelfden mensch met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat hij door de eene meer dan door andere getroffen of bewogen wordt. Immers (_vlg. St. V D. IV_) de kracht van elke aandoening wordt bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding met de onze. De macht des Geestes nu hangt alleen af van kennis, terwijl zijn machteloosheid of lijding alleen beoordeeld wordt naar zijn gebrek aan kennis, d.w.z. naar datgene, waarom voorstellingen inadaequaat genoemd worden. Waaruit volgt dat dìe Geest in de hoogste mate lijdt, die grootendeels vervuld is van inadaequate voorstellingen, zoodat hij zich meer laat kennen aan wat hij lijdt dan aan hoe hij handelt; terwijl daarentegen die Geest het sterkst handelt, die grootendeels adaequate voorstellingen heeft, zoodat men hem, ofschoon hij misschien evenveel inadaequate voorstellingen bevat als de eerste, toch beter kent aan zulke, welke tot de menschelijke deugden bijdragen, dan aan zulke, welke een aanklacht zijn tegen de menschelijke machteloosheid. Voorts valt op te merken dat zielsziekten en ongelukkigheid voornamelijk voortspruiten uit te groote Liefde jegens een zaak welke aan vele wisselingen onderhevig is en welke wij nooit geheel in onze macht kunnen krijgen. Want niemand maakt zich bezorgd of angstig over eenige zaak die hij niet liefheeft, en evenmin ontstaan onrecht, achterdocht, vijandschap enz. uit iets anders dan uit Liefde tot dingen, welke men niet volkomen in zijn macht kan krijgen. Na dit alles kunnen wij dus gemakkelijk inzien wat heldere en duidelijke kennis, en vooral die derde soort van kennis (_zie Opmerking St. XLVII D. II_), welker grondslag de kennis van God zelve is, tegen de aandoeningen vermag: indien zij ze al niet, voorzoover zij lijding zijn, geheel en al opheft (_zie St. III en Opmerking St. IV v.d. D._), zoo bewerkt zij toch dat zij een zoo klein mogelijk deel van den Geest innemen (_zie St. XIV v.d. D._). Verder baart zij Liefde jegens het onveranderlijke en eeuwige (_zie St. XV v.d. D._), dat wij inderdaad deelachtig kunnen worden (_zie St. XLV D. II_), welke Liefde dus ook nooit door de gebreken, welke der gewone Liefde eigen zijn, bezoedeld kan worden, doch steeds sterker en sterker worden kan (_vlg. St. XV v.d. D._), het voornaamste deel van den Geest kan vervullen (_vlg. St. XVI v.d. D._) en alzijdig op hem kan inwerken.

En hiermede heb ik alles wat op dit tegenwoordig leven betrekking heeft afgedaan. Immers dat ik, zooals ik in het begin dezer Opmerking beloofde, in deze weinige woorden alle verweermiddelen tegen de aandoeningen heb samengevat, zal ieder, die gelet heeft op wat ik zeide en tevens op de Definities welke ik gaf van den Geest en zijn Aandoeningen, als mede ten slotte op de Stellingen I en III van Deel III, gemakkelijk kunnen inzien. Het is dus thans tijd om over te gaan tot datgene wat betrekking heeft op den duur des Geestes zonder verband met het Lichaam.

_Stelling XXI._

De Geest kan zich niets voorstellen, noch zich verleden zaken herinneren, dan alleen zoolang het Lichaam bestaat.

_Bewijs._

De Geest is alleen de uitdrukking van het werkelijk bestaan zijns Lichaams en vat de indrukken van het Lichaam alleen als werkelijk op zoolang het Lichaam bestaat (_vlg. Gevolg St. VIII D. II_). Bijgevolg (_vlg. St. XXVI D. II_) vat hij geen enkel voorwerp als werkelijk bestaande op, dan alleen zoolang als zijn eigen Lichaam bestaat. Derhalve kan hij zich ook niets verbeelden [voorstellen] (_zie de Definitie van Verbeelding in Opmerking St. XVII D. II_) noch zich verleden zaken herinneren, dan alleen zoolang als zijn Lichaam bestaat (_zie de Definitie der Herinnering in Opmerking St. XVIII D. II_). H.t.b.w.

_Stelling XXII._

Niettemin bestaat er in God noodzakelijk een voorstelling, welke het wezen der verschillende menschelijke Lichamen onder het gezichtspunt der eeuwigheid uitdrukt.

_Bewijs._

God is niet alleen de oorzaak van het bestaan der verschillende menschelijke lichamen, doch ook van hun wezen (_vlg. St. XXV D. I_), hetwelk daarom noodzakelijk uit Gods wezen verklaard moet kunnen worden (_vlg. Axioma IV D. I_) en dat wel met een zekere eeuwige noodwendigheid (_vlg. St. XVI D. I_), zoodat dit begrip noodzakelijk in God bestaan moet (_vlg. St. III D. II_). H.t.b.w.

_Stelling XXIII._

De menschelijke Geest kan niet tegelijk met het Lichaam geheel en al teniet gaan, doch er blijft iets over dat eeuwig is.

_Bewijs._

In God bestaat noodzakelijk een begrip of voorstelling welke het wezen van het menschelijk Lichaam uitdrukt (_vlg. voorgaande St._) en welke daarom noodzakelijk iets is dat ook tot het wezen van den Geest behoort (_vlg. St. XIII D. II_). Wij hebben echter den menschelijken Geest geenerlei duur, welke door tijd bepaald zou kunnen worden, toegekend dan alleen voorzoover hij het werkelijk bestaan des Lichaams, dat door duur verklaard en door tijd bepaald kan worden, uitdrukt; d.w.z. (_vlg. Gevolg St. VIII D. II_) wij kennen hemzelf geen duur toe, dan alleen zoolang het Lichaam bestaat. Daar evenwel datgene, wat met die zekere eeuwige noodzakelijkheid uit Gods wezen zelf verklaard wordt (_vlg. voorgaande St._) desalniettemin toch ìets zijn moet, zal ook noodzakelijk dit iets, dat tot 's menschen Geest behoort, eeuwig zijn. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Zooals wij zeiden, is deze voorstelling, welke het wezen des Lichaams uitdrukt onder het gezichtspunt der eeuwigheid, een zekere denkwijziging, welke tot het wezen des Geestes behoort en noodzakelijk eeuwig is. Toch is het niet mogelijk dat wij ons herinneren vóór het Lichaam te hebben bestaan, aangezien er hiervan [van dit vorig bestaan] geenerlei sporen kunnen bestaan en eeuwigheid noch door tijd kan worden bepaald, noch eenig verband met den tijd hebben kan. Niettemin beseffen en ervaren wij dat wij eeuwig zijn. Immers de dingen welke de Geest verstandelijk begrijpt, zijn even goed ervaring als die welke hij zich herinnert [in beelden kan voorstellen]. Bewijzen [de redeneeringen] toch zijn de oogen des Geestes, waarmede hij zulke dingen ziet en waarneemt. Ofschoon wij ons dus niet herinneren dat wij vóór ons Lichaam bestonden, beseffen wij toch dat onze Geest, voorzoover hij het wezen des Lichaams als iets eeuwigs in zich sluit, ook zelf eeuwig is en dat dìt bestaan niet door tijd bepaald of door duur verklaard kan worden. Men kan dus slechts in zoover zeggen dat onze Geest een duur heeft en dat zijn bestaan tot een bepaalden tijd beperkt is, als hij het werkelijk bestaan des Lichaams in zich sluit. En ook in zoover slechts heeft hij het vermogen om het bestaan der dingen door tijd te bepalen en onder het gezichtspunt van duur op te vatten[A82].

_Stelling XXIV._

Hoe beter wij de bijzondere dingen begrijpen, hoe beter begrijpen wij God.

_Bewijs._

Dit blijkt uit het Gevolg van Stelling XXV Deel I.

_Stelling XXV._

Het hoogste streven en de hoogste deugd des Geestes is de dingen te begrijpen met de derde soort van kennis.

_Bewijs._

De derde soort van kennis gaat uit van de adaequate voorstelling van eenig attribuut Gods en komt zoo tot een adaequate kennis van het wezen der dingen (_zie haar Definitie in Opmerking II St. XL D. II_). Hoe meer wij de dingen op deze wijze begrijpen, hoe meer wij (_vlg. voorgaande St._) God begrijpen. Derhalve is het (_vlg. St. XXVIII D. IV_) de hoogste deugd des Geestes, d.w.z. (_vlg. Definitie VIII D. IV_) zijn hoogste vermogen of aard, ofwel (_vlg. St. VII D. III_) zijn hoogste streven, de dingen te begrijpen met deze derde soort van kennis. H.t.b.w.

_Stelling XXVI._

Hoe geschikter de Geest is om de dingen met de derde soort van kennis te begrijpen, hoe meer hij begeert dit ook te doen.

_Bewijs._

Dit is duidelijk. Immers als wij ons voorstellen dat de Geest geschikt is om dingen met deze derde soort van kennis te begrijpen, denken wij hem ons ook van nature genoodzaakt om dit te doen, en bijgevolg (_vlg. Definitie I der Aand._): hoe meer de Geest daartoe geschikt is, hoemeer hij dit ook zal begeeren. H.t.b.w.

_Stelling XXVII._

Uit deze derde soort van kennis ontspruit de hoogst mogelijke zielsrust.

_Bewijs._

De hoogste deugd des Geestes is God te kennen (_vlg. St. XXVIII D. IV_), ofwel de dingen met de derde soort van kennis te begrijpen (_vlg. St. XXV v.d. D._), welke deugd grooter is, naarmate de Geest méér dingen op deze wijze begrijpt (_vlg. St. XXIV v.d. D._). Derhalve bereikt hij, die de dingen met deze soort van kennis kent, de hoogste menschelijke volmaaktheid. Bijgevolg zal hij (_vlg. Definitie II der Aand._) de hoogste Blijheid gevoelen en dat wel (_vlg. St. XLIII D. II_) vergezeld door de gedachte aan zichzelf en aan zijn deugd. Derhalve ontspruit uit deze derde soort van kennis (_vlg. Definitie XXV der Aand._) ook de grootst mogelijke zielsrust.

_Stelling XXVIII._

Het streven of de begeerte om de dingen met de derde soort van kennis te kennen, kan niet uit de eerste, maar wel uit de tweede soort van kennis voortkomen.

_Bewijs._

Deze stelling spreekt vanzelf. Immers wat wij helder en duidelijk begrijpen, dat begrijpen wij òf uit zichzelf, òf door iets anders dat uit zichzelf begrijpelijk is. D.w.z.: voorstellingen welke in ons helder en duidelijk zijn, of welke tot de derde soort van kennis behooren (_zie Opmerking II St. XL D. II_), kunnen niet voortvloeien uit gebrekkige en verwarde voorstellingen, welke (_vlg. dezelfde Opmerking_) tot de eerste soort van kennis behooren, doch alleen uit adaequate, of (_vlg. dezelfde Opmerking_) uit de tweede of derde soort van kennis. Derhalve kan (_vlg. Definitie I der Aand._) de Begeerte om de dingen met de derde soort van kennis te kennen, niet voortkomen uit de eerste, doch wel uit de tweede. H.t.b.w.

_Stelling XXIX._

Al wat de Geest begrijpt onder het gezichtspunt der eeuwigheid, begrijpt hij niet wijl hij een voorstelling heeft van het tegenwoordige, werkelijke bestaan des Lichaams, maar wijl hij het wezen des Lichaams opvat onder het gezichtspunt der eeuwigheid.

_Bewijs._

Voorzoover de Geest zich bewust is van het tegenwoordige bestaan zijns Lichaams, heeft hij begrip van een duur, welke door tijd bepaald kan worden, en slechts in zoover ook heeft hij het vermogen om zich de dingen in tijdsverband voor te stellen (_vlg. St. XXI v.d. D. en St. XXVI D. II_). Eeuwigheid evenwel kan niet door duur worden verklaard (_vlg. Definitie VIII D. I en de Toelichting daarvan_). Derhalve heeft de Geest niet dáárom het vermogen dingen onder het gezichtspunt van eeuwigheid te beschouwen, doch wijl het tot den aard der Rede behoort de dingen aldus op te vatten (_vlg. Gevolg II St. XLIV D. II_) en wijl het tot den aard des Geestes eveneens behoort het wezen des Lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen (_vlg. St. XXIII v.d. D._), en wijl buiten deze beide zaken niets anders tot het wezen des geestes behoort (_vlg. St. XIII D. II_). Derhalve komt het vermogen om de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen den Geest slechts toe voorzoover hij het wezen des Lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Op tweeërlei wijzen worden de dingen door ons als werkelijk bestaande opgevat: òf voorzoover wij ze ons denken als bestaande in verband met een bepaalden tijd en plaats, òf voorzoover wij ze denken als in God begrepen en voortvloeiende uit de noodwendigheid van den goddelijken aard. Wat wij ons nu op deze tweede wijze als waar of werkelijk denken, beschouwen wij onder het gezichtspunt der eeuwigheid, en de voorstellingen van déze dingen sluiten het eeuwige en oneindige wezen Gods in zich, gelijk wij in Stelling XLV van Deel II hebben aangetoond. Men zie ook de Opmerking daarbij.

_Stelling XXX._

Voorzoover onze Geest zichzelf en zijn Lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, heeft hij noodzakelijk kennis van God en weet hij dat hij in God is en uit God verklaard kan worden.

_Bewijs._

Eeuwigheid is het wezen Gods zelf, voorzoover dit een noodzakelijk bestaan insluit (_vlg. Definitie VIII D. I_). De dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwen wil dus zeggen ze opvatten als werkelijke wezenheden, zooals ze uit Gods wezen zijn te verklaren of voorzoover ze krachtens Gods wezen bestaan. Derhalve heeft onze Geest, voorzoover hij zichzelf en zijn Lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, noodzakelijk kennis van God en weet hij enz. H.t.b.w.

_Stelling XXXI._

De derde soort van kennis hangt af van den Geest als haar werkelijke oorzaak, voorzoover de Geest zelf eeuwig is.

_Bewijs._

De Geest beschouwt niets onder het gezichtspunt der eeuwigheid dan voorzoover hij het wezen van zijn eigen Lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt (_vlg. St. XXIX v.d. D._), d.w.z. (_vlg. St. XXI en XXIII v.d. D._) voorzoover hij zelf eeuwig is. Derhalve heeft hij (_vlg. voorgaande St._) voorzoover hij eeuwig is, kennis van God, welke kennis (_vlg. St. XLVI D. II_) noodzakelijk adaequaat is. Dus is de Geest voorzoover hij eeuwig is, in staat alles te kennen wat uit deze gegeven kennis van God kan voortvloeien (_vlg. St. XL D. II_), d.w.z. om de dingen te kennen met de derde soort van kennis (_zie de Definitie hiervan en Opmerking II St. XL D. II_), van welke kennis daarom de Geest (_vlg. Definitie I D. III_) voorzoover hij eeuwig is, de adaequate of formeele oorzaak is. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hoe meer men dus in deze soort van kennis uitblinkt, hoe beter men zich van zichzelf en van God bewust zal zijn, d.w.z. hoe volmaakter en gelukkiger men zijn zal; wat nog helderder uit het volgende blijken moge. Hier moet ik echter doen opmerken dat, ofschoon wij er thans van overtuigd zijn dat de Geest eeuwig is voorzoover hij de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, wij toch (evenals wij tot dusver deden)--teneinde wat wij willen aantoonen gemakkelijker uiteen te zetten en beter te doen begrijpen--zullen doen alsof hij eerst thans [in zijn tegenwoordig leven] begonnen was te bestaan en eerst thans begonnen was de dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen. Wat wij zonder eenig gevaar voor vergissing kunnen doen, indien wij er slechts voor zorgen alleen gevolgtrekkingen te maken uit volkomen duidelijke gegevens.

_Stelling XXXII._

Over al wat wij met de derde soort van kennis begrijpen, verheugen wij ons en wel met de vergezellende gedachte aan God als oorzaak.

_Bewijs._

Uit deze soort van kennis ontspruit de grootst mogelijke zielsrust ofwel (_vlg. Definitie XXV der Aand._) Blijheid, en dat wel vergezeld door de gedachte aan zichzelf (_vlg. St. XXVII v.d. D._), en bijgevolg (_vlg. St. XXX v.d. D._) ook vergezeld door de gedachte aan God als oorzaak. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Uit de derde soort van kennis ontspringt noodzakelijk een geestelijke Liefde tot God. Immers uit deze soort van kennis ontspruit (_vlg. voorgaande St._) Blijheid, vergezeld door de gedachte aan God als oorzaak, d.w.z. (_vlg. Def. VI der Aand._) Liefde tot God, niet voorzoover wij ons Hem als aanwezig voorstellen (_vlg. St. XXIX v.d. D._), maar voorzoover wij begrijpen dat hij eeuwig is en dat is het ook wat ik geestelijke Liefde tot God noem.

_Stelling XXXIII._

De geestelijke Liefde tot God, welke uit de derde soort van kennis voortspruit is eeuwig.

_Bewijs._

Immers de derde soort van kennis is (_vlg. St. XXXI v.d. D. en Axioma III D. I_) eeuwig en derhalve is (_vlg. zelfde Axioma D. I_) de Liefde welke uit haar ontspruit, noodzakelijk eveneens eeuwig. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Ofschoon deze Liefde tot God geen begin gehad heeft (_vlg. voorgaande St._) vertoont zij niettemin alle volmaaktheden der Liefde, evengoed als wanneer zij wèl een begin genomen had, zooals wij in het Gevolg der voorgaande Stelling reeds aannamen. Er is geen verschil dan slechts dit dat de Geest die volmaaktheden, welke wij daareven als verworven voorstelden, reeds van eeuwigheid af bezat en dat wel vergezeld van de gedachte aan God als hun eeuwige oorzaak. Wanneer nu Blijheid bestaat in den overgang tot grooter volmaaktheid, dan moet toch zeker de Gelukzaligheid wel daarin bestaan dat de Geest de volmaaktheid zelve deelachtig is.

_Stelling XXXIV._

De Geest is slechts tijdens het bestaan des Lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren.

_Bewijs._

Een verbeelding is een voorstelling, krachtens welke de Geest iets als aanwezig beschouwt (_zie haar Definitie in Opmerking St. XVII D. II_), welke echter meer den oogenblikkelijken toestand van het menschelijk Lichaam, als den aard eener uitwendige zaak weergeeft (_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_). Een aandoening is dus (_vlg. Alg. Definitie der Aand._) een verbeelding voorzoover zij ons den oogenblikkelijken toestand des Lichaams doet kennen. Derhalve is (_vlg. St. XXI v.d. D_), de Geest slechts tijdens het bestaan des Lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat geen Liefde eeuwig is dan alleen de geestelijke.

_Opmerking:_ Letten wij op wat de algemeene opvatting hieromtrent is, dan zullen wij bevinden dat de menschen zich weliswaar van de eeuwigheid des Geestes bewust zijn, maar dat zij deze niettemin met een "duur" verwarren, terwijl zij haar tevens toekennen aan de verbeelding of het geheugen, waarvan zij gelooven dat het na den dood blijft bestaan.

_Stelling XXXV._

God heeft zichzelf lief met een oneindige geestelijke Liefde.

_Bewijs._

