Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

Part 23

Chapter 23 3,444 words Public domain Markdown

Een handeling wordt in zoover slecht genoemd, als zij dááruit voortkomt dat wij Haat koesteren, of eenige andere slechte aandoening ondergaan (_zie Gevolg I St. XLV v.d. D._). Doch op zichzelf beschouwd is geen enkele handeling goed of slecht (_gelijk wij in de Voorrede tot dit Deel hebben aangetoond_), maar éénzelfde handeling is nú eens goed, dàn weer slecht. Derhalve kunnen wij tot een handeling, welke op het oogenblik slecht is, ofwel, welke uit een of andere slechte aandoening voortkomt, óók door de Rede genoopt worden. (_Vlg. St. XIX v.d. D._). H.t.b.w.

_Opmerking:_ Duidelijker nog zal dit blijken uit een voorbeeld. De handeling van "slaan" is, physiek beschouwd en wanneer wij alleen dáárop letten dat iemand zijn arm opheft, de vuist balt en den geheelen arm met kracht omlaag doet komen, een deugd [uiting van kracht] welke uit de inrichting van het menschelijk Lichaam verklaard kan worden. Indien dus iemand, door Toorn of Haat bewogen, gedrongen wordt de vuist te ballen en den arm te bewegen, dan geschiedt dit, (_gelijk wij in het Tweede Deel aantoonden_), wijl één en dezelfde handeling verbonden kan worden met verschillende voorstellingen, zoodat wij zoowel door voorstellingen van dingen, welke wij verward, als door voorstellingen van dingen welke wij helder en duidelijk begrijpen, tot éénzelfde handeling gedreven kunnen worden. Het blijkt dus dat elke Begeerte, ontspringend uit een aandoening; welke lijding is, van geenerlei nut zou zijn als de menschen door de Rede geleid werden.

Laat ons thans onderzoeken waarom de Begeerte, voortkomend uit een aandoening, welke lijding is, door ons "blind" genoemd wordt.

_Stelling LX._

De Begeerte, ontspringend uit Blijheid of Droefheid, welke betrekking hebben op een of ander deel en niet op alle deelen des Lichaams, houdt geen rekening met het belang van den mensch in zijn geheel.

_Bewijs._

Gesteld bijvoorbeeld, dat een deel A des Lichaams door toedoen van een of andere uitwendige oorzaak dermate versterkt wordt, dat het krachtiger is dan de andere deelen (_vlg. St. VI v.d. D._). Dit deel zal dan allerminst er naar streven zijn eigen kracht te verliezen om de overige deelen des Lichaams hun funktie beter te laten verrichten; immers daartoe zou het de kracht of het vermogen moeten bezitten om zijn eigen kracht te verliezen, hetgeen (_vlg. St. VI D. III_) ongerijmd is. Dit deel en (_vlg. St. VII en XII D. III_) bijgevolg ook de Geest, zal er dus naar streven dien toestand te handhaven, en derhalve zal de Begeerte, welke uit een zoodanige aandoening van Blijheid ontspruit, geen rekening houden met het geheel. Wordt daarentegen aangenomen dat dit deel A belemmerd wordt, zoodat de andere deelen krachtiger zijn, dan kan op dezelfde wijze worden bewezen dat de Begeerte, welke uit deze Droefheid voortkomt, evenmin rekening houdt met het geheel. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Waar nu Blijheid meestal (_vlg. Opmerking St. XLIV v.d. D._) slechts betrekking heeft op één deel des Lichaams, begeeren wij dus meestal ons wezen in stand te houden zonder daarbij rekening te houden met onze gezondheid in het algemeen. Waar nog bijkomt dat de Begeerten, welke ons het meest vervullen (_vlg. Gevolg St. IX v.d. D._) slechts rekening houden met het oogenblik, doch niet met de toekomst.

_Stelling LXI._

Begeerte, welke uit de Rede voortvloeit, kan niet bovenmatig zijn.

_Bewijs._

Begeerte is (_vlg. Definitie I der Aand._), op zichzelf beschouwd, 's menschen wezen zelf, voorzoover dit wordt opgevat als op eenigerlei wijze genoodzaakt om iets te doen. Derhalve is een Begeerte, welke uit de Rede voortkomt, d.w.z. (_vlg. St. III D. III_) welke in ons ontstaat voorzoover wij handelen, 's menschen wezen of aard zelf, opgevat als zijnde genoodzaakt datgene te doen, wat uit 's menschen wezen alléén reeds adaequaat kan worden verklaard (_vlg. Definitie II D. III_). Indien dus deze Begeerte bovenmatig kon zijn, zou dus de menschelijke aard, op zichzelf beschouwd, zichzelf te buiten kunnen gaan, ofwel méér vermogen dan hij inderdaad vermag, hetgeen klaarblijkelijk met elkaar in tegenspraak is. Derhalve kan zulk een Begeerte ook niet bovenmatig zijn. H.t.b.w.

_Stelling LXII._

Voorzoover de Geest de dingen opvat volgens het voorschrift der Rede, wordt hij gelijkelijk er door aangedaan, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige, een verleden of een tegenwoordige zaak betreft.

_Bewijs._

Wat ook de Geest onder leiding der Rede beschouwt, beschouwt hij onder éénzelfde gezichtspunt van eeuwigheid of noodwendigheid (_vlg. Gevolg II St. XLIV D. II_), terwijl hij daarbij dezelfde zekerheid gevoelt (_vlg. St. XLIII en Opmerking D. II_). Zoodat de Geest, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige, verleden of tegenwoordige zaak betreft, haar toch met dezelfde noodwendigheid begrijpt en daarbij dezelfde zekerheid gevoelt. En deze voorstelling zal, onverschillig of zij een toekomstige, verleden of tegenwoordige zaak betreft, niettemin altijd even waar zijn (_vlg. St. XLI D. II_), d.w.z. (_vlg. Definitie IV D. II_) altijd dezelfde kenmerken van een adaequate voorstelling hebben. Derhalve zal de Geest, voorzoover hij de dingen opvat volgens voorschrift der Rede, gelijkelijk er door worden aangedaan, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige, een verleden, of een tegenwoordige zaak betreft. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Indien wij van den duur der dingen een adaequate kennis konden hebben en door de Rede den tijd van hun bestaan konden bepalen, zouden wij toekomst en heden met dezelfde aandoening beschouwen en zou de Geest het goede, dat hij als toekomstig opvat, evenals iets tegenwoordigs begeeren. Bijgevolg zou hij ook noodzakelijk een geringer tegenwoordig goed terwille van een grooter toekomstig opofferen en iets wat op het oogenblik goed is, doch oorzaak van een of ander toekomstig kwaad allerminst begeeren; gelijk wij dadelijk zullen aantoonen. Wij kunnen evenwel omtrent den duur der dingen (_vlg. St. XXXI D. II_) slechts een uitermate inadaequate kennis hebben en bepalen (_vlg. Opmerking St. XLIV D. II_) den tijd van hun bestaan uitsluitend door de verbeelding, welke geenszins gelijkelijk door de voorstelling van een tegenwoordige en van een toekomstige zaak wordt aangedaan. Vandaar dat de ware kennis van goed en kwaad, welke wij hebben, slechts afgetrokken, of algemeen is en dat het oordeel, dat wij ons vormen, omtrent orde en oorzakelijk verband der dingen, ten einde te kunnen uitmaken wat op een gegeven oogenblik goed of kwaad voor ons is, meer op verbeelding dan op werkelijkheid berust. Het is daarom dan ook geen wonder dat de Begeerte, welke uit de kennis van goed en kwaad voortspruit voorzoover deze op de toekomst slaat, zeer licht door de Begeerte naar dingen, welke op het oogenblik aangenaam zijn, kan worden overwonnen. (_Men zie hierover St. XVI v.d. D._)

_Stelling LXIII._

Wie door Vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden, wordt nìet geleid door de Rede.

_Bewijs._

Alle aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest voorzoover hij handelt, d.w.z. (_vlg. St. III D. III_) op de Rede, zijn nooit anders dan aandoeningen van Blijheid of Begeerte (_vlg. St. LIX D. III_) en dus kan (_vlg. Definitie XIII der Aand._) wie door Vrees geleid wordt en het goede doet uit angst voor het kwade, niet door de Rede geleid worden. H.t.b.w.

_Opmerking:_ De bijgeloovigen, die beter de kunst verstaan ondeugden te laken dan tot deugd op te wekken en die zich beijveren, niet den mensch door de Rede te leiden, maar hem door vrees zoozeer in bedwang te houden, dat zij liever het kwaad ontvluchten, inplaats van de deugd lief te hebben, beoogen niets anders dan anderen even rampzalig te maken als zijzelf zijn. Geen wonder daarom dat zij den menschen meestal tot last zijn en door hen gehaat worden.

_Gevolg:_ Krachtens de Begeerte, welke uit de Rede voortkomt, volgen wij het goede rechtstreeks, terwijl wij het kwade daardoor vanzelf [indirekt] vermijden.

_Bewijs._

Immers de Begeerte, welke uit de Rede voortspruit, kan het gevolg zijn van een zuivere aandoening van Blijheid, welke geen lijding is (_vlg. St. LIX D. III_), d.w.z. (_vlg. St. LXI v.d. D._) van die Blijheid, welke nooit bovenmatig zijn kan; niet echter van Droefheid. Vandaar dat deze Begeerte (_vlg. St. VIII v.d. D._) uit de kennis van het goede, niet echter uit die van het kwade ontspringt. Derhalve streven wij, wanneer wij geleid worden door de Rede, rechtstreeks naar het goede en ontvluchten wij slechts inzoover het kwade. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Dit Gevolg kan door het voorbeeld van den zieken en den gezonden mensch worden verduidelijkt. De zieke toch eet, uit vrees voor den dood, dingen waarvan hij een afschuw heeft; de gezonde daarentegen verheugt zich over zijn spijzen en geniet zoodoende meer van het leven, dan wanneer hij den dood vreesde en dien rechtstreeks zocht te ontkomen. Zoo wordt ook de rechter, die niet uit Haat, Toorn enz., doch alleen uit Liefde voor het algemeen welzijn een schuldige ter dood veroordeelt, uitsluitend door de Rede geleid.

_Stelling LXIV._

De kennis van het kwade is inadaequate kennis.

_Bewijs._

Kennis van het kwade is (_vlg. St. VIII v.d. D._) Droefheid zelf, voorzoover wij ons daarvan bewust zijn. Droefheid echter is overgang tot geringere volmaaktheid (_vlg. Definitie III der Aand._), welke derhalve niet uit het eigenlijke wezen des menschen kan worden verklaard (_vlg. St. VI en VII D. III_). Zij is dus een lijding (_vlg. Definitie II D. III_), welke (_vlg. St. III D. III_) afhankelijk is van inadaequate voorstellingen, en bijgevolg is ook (_vlg. St. XXIX D. II_) de kennis daarvan, namelijk van dit kwade, inadaequaat. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de Geest, wanneer hij slechts adaequate voorstellingen had, geen begrip zou hebben van het kwade.

_Stelling LXV._

Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij van twee goede zaken de beste en van twee slechte de minst slechte kiezen.

_Bewijs._

Het goed, dat ons belet van een grooter goed te genieten, is eigenlijk een kwaad; goed en kwaad immers noemen wij de dingen (_gelijk wij in de Voorrede van dit Deel hebben betoogd_), voorzoover wij ze met elkaar vergelijken. Een geringer kwaad daarentegen is (_om dezelfde reden_) eigenlijk goed, zoodat wij (_vlg. Gevolg voorgaande St._), wanneer wij geleid worden door de Rede, alleen een grooter goed en een kleiner kwaad zullen begeeren of kiezen. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Wanneer wij geleid worden door de Rede zullen wij terwille van een grooter goed een geringer kwaad verkiezen en een geringer goed, dat oorzaak is van een grooter kwaad, verwaarloozen. Immers het kwaad dat hier "geringer" genoemd wordt, is eigenlijk een goed, het goed daarentegen een kwaad. Zoodat (_vlg. Gevolg St. LXIII v.d. D._) wij het eerste zullen begeeren en het tweede opofferen. H.t.b.w.

_Stelling LXVI._

Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij een, grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig, en een kleiner tegenwoordig kwaad boven een grooter toekomstig verkiezen.

_Bewijs._

Indien de Geest een adaequate kennis van het toekomstige kon hebben, zou hij (_vlg. St. LXII v.d. D._) naar aanleiding van iets toekomstigs dezelfde aandoening ondervinden als naar aanleiding van iets tegenwoordigs. Zoodat, wanneer wij slechts op de Rede letten, gelijk wij in deze stelling, naar werd aangenomen, doen, de zaak hetzelfde blijft of wij een grooter goed of kwaad als toekomstig, danwel als tegenwoordig onderstellen. Derhalve zullen wij (_vlg. St. LXV v.d. D._) een grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig verkiezen enz. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Een kleiner tegenwoordig kwaad, hetwelk oorzaak is van een grooter toekomstig goed, zullen wij, wanneer wij geleid worden door de Rede, aanvaarden, en een kleiner tegenwoordig goed, hetwelk oorzaak is van een grooter toekomstig kwaad, opofferen. Dit gevolg staat met de voorgaande stelling in hetzelfde verband als Gevolg St. LXV met genoemde stelling zelf.

_Opmerking:_ Indien wij dit alles nu vergelijken met wat wij in dit Deel tot aan Stelling XVIII betoogd hebben aangaande de macht der aandoeningen, zullen wij gemakkelijk inzien welk onderscheid er is tusschen den mensch, die alleen door zijn aandoeningen of meeningen, en hem die door de Rede geleid wordt. Gene immers doet willens of onwillens dingen, waarvan hij ten eenen male niets begrijpt, deze daarentegen gehoorzaamt niemand dan zichzelf en doet slechts datgene waarvan hij weet dat het in het leven van het grootste belang is en wat hij daarom ook het meest begeert. Daarom noem ik gene een slaaf, deze evenwel een vrij mensch, over wiens karakter en levenswijze ik thans nog kortelijks een en ander wil opmerken.

_Stelling LXVII._

De vrije mensch denkt aan niets minder dan aan den dood; zijn wijsheid bestaat niet in bepeinzing van den dood, maar van het leven.

_Bewijs._

De vrije mensch, d.w.z. de mensch, die leeft alleen volgens voorschrift der Rede, wordt niet geleid door Vrees voor den dood (_vlg. St. LXIII v.d. D._) doch begeert het goede rechtstreeks (_vlg. Gevolg derzelfde St._) d.w.z. (_vlg. St. XXIV v.d. D._) hij begeert te handelen, te leven, zijn wezen te handhaven, met de bedoeling zijn eigen belang te dienen. Derhalve denkt hij aan niets minder dan aan den dood, maar bestaat zijn wijsheid in bepeinzing des levens. H.t.b.w.

_Stelling LXVIII._

Indien de menschen vrij geboren werden, zouden zij zich geenerlei voorstellingen van goed of kwaad maken zoolang ze vrij bleven.

_Bewijs._

Hem heb ik vrij genoemd, die alleen door de Rede geleid wordt. Wie dus vrij geboren wordt en vrij blijft, heeft niets dan adaequate voorstellingen, heeft dus ook geenerlei begrip van het kwade (_vlg. Gevolg St. LXIV v.d. D._) en bijgevolg (want goed en kwaad zijn bij elkaar behoorende begrippen) ook niet van het goede. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Dat het onderstelde dezer stelling valsch is en alleen denkbaar voorzoover wij alleen op den menschelijken aard letten, of liever op God, niet voorzoover hij oneindig, maar slechts voorzoover hij oorzaak van het bestaan des menschen is, blijkt uit Stelling IV van dit Deel. Dit, en nog andere zaken, welke wij betoogd hebben, schijnt ook door Moses te zijn aangeduid in het bekende verhaal van den eersten mensch. Hierin toch is van geen andere macht Gods sprake, dan van die, welke den mensch schiep, d.w.z. van een macht, welke alleen met het belang van den mensch rekening houdt. Daarom wordt dan ook verhaald, dat God den vrijen mensch verbood van den boom der kennisse van goed en kwaad te eten en dat de mensch, zoodra hij er toch van gegeten had, méér den dood vreesde dan begeerde te leven. Voordat de man, nadat hij de vrouw gevonden had, die geheel en al met zijn aard overeen kwam, begreep dat er niets in de Natuur bestond, dat hem van grooter nut kon zijn dan deze, maar dat hij, wanende dat hij gelijksoortig was met de dieren, aanstonds hun aandoeningen begon na te bootsen (_zie St. XXVII D. III_) en daarmede zijn vrijheid verloor, welke de Aartsvaders later herwonnen, geleid door den Geest van Christus, d.w.z. door de voorstelling Gods, waarvan alleen het afhangt dat de mensch vrij zij en dat hij het goede, hetwelk hij voor zichzelf begeert, ook aan de overige menschen toewenscht, gelijk wij hierboven (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) hebben aangetoond.

_Stelling LXIX._

De deugd van den vrijen mensch blijkt evenzeer uit het vermijden als in het overwinnen van gevaren.

_Bewijs._

Een aandoening kan alleen worden getemperd of opgeheven door een tegengestelde aandoening, welke sterker is (_vlg. St. VII v.d. D._). Blinde Doldriestheid en Vrees echter zijn aandoeningen welke men zich even sterk kan denken (_vlg. St. V en III v.d. D._). Derhalve zal er een even groote zielskracht of kloekheid (_welker Definitie men nasla in Opmerking St. LIX D. III_) vereischt worden om Vermetelheid als om Vrees te temperen, d.w.z. (_vlg. Definities XL en XLI der Aand._) de vrije mensch zal krachtens dezelfde zielskracht gevaren ontwijken als waarmede hij ze tracht te overwinnen. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Vluchten te juister tijd moet den vrijen mensch als een even groot bewijs van moed worden aangerekend als strijden, ofwel de vrije mensch kiest met even grooten moed of tegenwoordigheid van geest den strijd als de vlucht.

_Opmerking:_ Wat moed is, of wat ik daaronder versta, heb ik in de Opmerking bij Stelling LIX van Deel III uiteen gezet. Onder gevaar echter versta ik al wat oorzaak van eenig kwaad kan zijn, zooals Droefheid, Haat, Tweedracht enz.

_Stelling LXX._

De vrije mensch, die temidden van onwetenden[A75] leeft, zal zooveel mogelijk hun weldaden trachten af te wijzen.

_Bewijs._

Ieder beoordeelt krachtens zijn eigen aard wat goed is (_zie Opmerking St. XXXIX D. III_). De onwetende dus, die een ander een weldaad bewezen heeft, zal deze naar zijn eigen inzicht beoordeelen en zich bedroeven als hij ziet dat degeen, wien hij die weldaad bewees, haar minder waardeert (_vlg. St. XLII D. III_). De vrije mensch evenwel tracht de andere menschen door vriendschap aan zich te verbinden (_vlg. St. XXXVII v.d. D._); hij wenscht geenszins door even groote weldaden den menschen hun genegenheid te vergelden, maar zich en anderen door het vrije oordeel der Rede te laten leiden, en begeert slechts dat te doen wat hijzelf als het belangrijkste erkent. Derhalve zal de vrije mensch, opdat hij zich niet bij de onwetenden gehaat make en niet hùn begeerte, doch uitsluitend de Rede gehoorzame, hun weldaden zooveel mogelijk trachten af te wijzen. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Ik zeg "zooveel mogelijk". Want al zijn de menschen onwetend, zij zijn nochtans menschen, die in gevallen van nood menschelijke hulp, waar geen andere bovengaat, kunnen bieden. En zoodoende komt het dikwijls voor, dat het noodzakelijk is weldaden van hen aan te nemen, en bijgevolg dat wij hen daartegenover de dankbaarheid, welke bij hun gezindheid past, hebben te betoonen. Daarbij komt nog dat men ook bij het afwijzen van weldaden voorzichtig moet zijn, opdat men niet den schijn op zich lade zijn weldoeners te minachten, of uit gierigheid bang te zijn om een vergoeding te moeten geven en hen zoodoende beleedigt, terwijl men juist hun Haat wil voorkomen. Daarom moet men bij het afwijzen van weldaden te rade gaan met wat nuttig en eerzaam is.

_Stelling LXXI._

Alleen vrije menschen kunnen elkaar waarachtig dankbaar zijn.

_Bewijs._

Alleen vrije menschen zijn voor elkander van waarachtig nut; zijn door de nauwste vriendschap met elkaar verbonden (_vlg. St. XXXV en Gevolg I v.d. D._) en trachten, door gelijke Liefde gedreven, elkaar wel te doen (_vlg. St. XXXVII v.d. D._). Derhalve kunnen (_vlg. Definitie XXXIV der Aand._) ook alleen vrije menschen elkaar waarachtig dankbaar zijn. H.t.b.w.

_Opmerking:_ De dankbaarheid welke lieden, die door blinde Begeerte geleid worden, voor elkaar gevoelen, is meestal eer een soort van handel of lokaas, dan eigenlijke dankbaarheid. Voorts is ondankbaarheid geen aandoening. Niettemin is ondankbaarheid iets schandelijks, wijl zij meestal een aanwijzing is dat iemand met een groote mate van Haat, Toorn, Trots of Gierigheid behept is. Want wie te dom is om te weten hoe hij geschenken moet beantwoorden, is niet ondankbaar. Nog minder wie door de geschenken eener boeleerster niet er toe gebracht wordt om haar lusten te dienen, of door die van een dief om zijn diefstal geheim te houden en dergelijke. Immers hij, die zich door geenerlei geschenken laat verleiden zichzelf of het algemeen in het verderf te storten, toont daardoor juist een standvastige ziel te bezitten.

_Stelling LXXII._

De vrije mensch handelt nooit te kwader, doch steeds te goeder trouw.

_Bewijs._

Indien de vrije mensch, voorzoover hij vrij is, iets te kwader trouw deed, zou hij dit doen op voorschrift der Rede (immers alleen inzoover noemen wij hem vrij). Derhalve zou te kwader trouw handelen een deugd zijn (_vlg. St. XXIV v.d. D._) en zou het bijgevolg (_vlg. dezelfde St._) een ieder, teneinde zijn wezen te handhaven, zeer geraden zijn te kwader trouw te handelen, d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_), het zou den menschen geraden zijn slechts in woorden het met elkaar eens te zijn, in daden echter tegenover elkaar te staan; hetgeen (_vlg. Gevolg St. XXXI v.d. D._) ongerijmd is. Derhalve handelt de vrije mensch enz. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Indien men mij nu vraagt of niet, wanneer iemand zich door trouweloosheid uit een dreigend doodsgevaar kon redden, het beginsel van het streven naar zelfbehoud van hem zou eischen inderdaad trouweloos te zijn, zoo antwoord ik op dezelfde wijze [als hierboven] dat indien de Rede dit eischte zij het dus van alle menschen zou eischen; dat dus de Rede van alle menschen zou eischen alleen te kwader trouw af te spreken om samen te werken en algemeen geldige rechten te erkennen, d.w.z. in werkelijkheid géén algemeen geldige rechten te erkennen; hetgeen ongerijmd is.

_Stelling LXXIII._

De mensch, die door de Rede geleid wordt, is in den Staat, waar hij volgens algemeen besluit leeft, vrijer dan in de eenzaamheid, waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.

_Bewijs._

De mensch die door de Rede geleid wordt, wordt niet door Vrees tot gehoorzaamheid gedwongen (_vlg. St. LXIII v.d. D._); doch hij verlangt (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) rekening te houden met het algemeene leven en belang en bijgevolg (_gelijk wij in Opmerking II St. XXXVII v.d. D. aantoonden_) volgens besluit van den gemeenschappelijken Staat te leven, alleen voorzoover hij volgens voorschrift der Rede zijn wezen tracht te handhaven, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. LXVI v.d. D._) voorzoover hij vrij wenscht te leven. Derhalve begeert de mensch die door de Rede geleid wordt, juist om vrijer te leven, zich te houden aan het gemeenschappelijke recht van den Staat. H.t.b.w.