Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

Part 22

Chapter 22 3,556 words Public domain Markdown

_Opmerking:_ Tusschen Spotzucht (welke ik in Gevolg I slecht genoemd heb) en Lachlust maak ik groot onderscheid. Immers lachen, evenals schertsen, is zuiver Blijheid en is dus (_vlg. St. XLI v.d. D._), indien het slechts niet overdreven wordt, uiteraard goed. Waarlijk, alleen een norsch en triestig bijgeloof verzet zich tegen Blijheid. Waarom toch zou het gepaster zijn honger en dorst te stillen dan neerslachtigheid te verdrijven? Dit is mìjn opvatting hieromtrent en dienovereenkomstig heb ik mij ook voorgenomen te leven[A70]. Geen godheid, of wat ander wezen ook, kan zoo grimmig zijn zich in mijn machteloosheid en ongemak te verheugen, of ons tranen, snikken, angst en dergelijke teekenen van zielszwakheid als een deugd aan te rekenen. Integendeel, hoe dieper Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaaktheid gaan wij over, d.w.z. hoemeer zullen wij deel krijgen aan den goddelijken aard. Het voegt dus een wijs man de dingen te gebruiken en er zooveel mogelijk van te genieten, (niet tot overzadiging toe, want dat is geen genieten meer). Het voegt, zeg ik, een wijs man, zich matiglijk met aangename spijs en drank te verkwikken en te laven, evenals met geuren en lieflijkheid van groenend kruid, met fraaie kleedij, muziek, kampspelen, tooneelvoorstellingen en dergelijke zaken, waarvan een ieder gebruik kan maken zonder een ander te schaden. Het menschelijk Lichaam toch is uit tal van deelen van verschillenden aard samengesteld, welke voortdurend nieuw en verschillend voedsel behoeven, zoo het Lichaam in zijn geheel tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien even geschikt wil blijven, en bijgevolg zoo de Geest even geschikt wil blijven om vele zaken tegelijk te begrijpen. Deze levensregel komt zoowel met onze eigen beginselen als met de algemeene gewoonte uitnemend overeen. Zoo ééne, dan is dus deze levenswijze de beste en boven alle andere aan te bevelen. Het is echter niet noodig dit nog duidelijker en breedvoeriger te behandelen.

_Stelling XLVI._

Wie leeft volgens leiding der Rede, streeft er zooveel mogelijk naar Haat, Toorn, Minachting enz. welke anderen jegens hem koesteren, met Liefde, ofwel met Edelmoedigheid te vergelden.

_Bewijs._

Alle aandoeningen van Haat zijn slecht (_vlg. Gevolg I der voorgaande St._) en dus zal elk, die volgens leiding der Rede leeft (_vlg. St. XIX v.d. D._), zooveel mogelijk trachten te bewerken, dat hij niet door aandoeningen van Haat wordt overmand, en bijgevolg (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) ook pogen te voorkomen, dat anderen dergelijke aandoeningen ondervinden. Haat wordt echter door wederkeerigen Haat versterkt, terwijl (_vlg. St. XLIII D. III_) hij door Liefde gedoofd kan worden, zoo zelfs dat Haat in Liefde kan overgaan (_vlg. St. XLIV D. III_). Derhalve zal, wie volgens leiding der Rede leeft, er naar streven den Haat enz. van anderen door Liefde weder goed te maken, d.w.z. door Edelmoedigheid (_zie de Definitie hiervan in Opmerking St. LIX D. III_). H.t.b.w.

_Opmerking:_ Wie onrecht met wederkeerigen Haat wil vergelden, leeft inderdaad ellendig. Wie daarentegen zich beijvert Haat door Liefde te overwinnen, waarlijk, die strijdt blijde en vol vertrouwen, weerstaat even gemakkelijk één mensch als velen en heeft de hulp der fortuin allerminst van noode. Diegenen die hij overwint, verblijden zich over hun nederlaag, en wel geenszins uit zwakheid, maar in verhoogde kracht. Hetgeen alles uit de Definities van Liefde en Verstand alleen reeds zóó helder volgt, dat het niet noodig is het nog eens in afzonderlijke voorbeelden aan te toonen.

_Stelling XLVII._

Aandoeningen van Hoop en Vrees kunnen op zichzelf beschouwd niet goed zijn.

_Bewijs._

Aandoeningen van Hoop en Vrees bestaan niet zonder Droefheid. Immers Vrees is (_vlg. Definitie XIII der Aand._) Droefheid, en Hoop (_zie Toelichtingen bij de Definities XII en XIII der Aandoeningen_) is niet bestaanbaar zonder Vrees. Vandaar dat (_vlg. St. XLI v.d. D._) deze aandoeningen op zichzelf beschouwd niet goed kunnen zijn, doch alleen voorzoover zij een bovenmatige Blijheid kunnen temperen. (_Vlg. St. XLIII v.d. D._). H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hierbij komt dat deze aandoeningen gebrek aan kennis en een geestelijke machteloosheid aanduiden, en om deze reden zijn ook Gerustheid, Wanhoop, Verheuging en Spijt [Hartzeer] teekenen van zielszwakheid. Want ofschoon Gerustheid en Verheuging[A71] aandoeningen van Blijheid zijn, onderstellen zij toch steeds voorafgegane Droefheid, nl. Hoop en Vrees. Hoemeer wij er daarom naar streven, volgens leiding der Rede te leven, hoe minder wij op verwachtingen zullen bouwen en hoe meer wij ook zullen trachten ons van Vrees te bevrijden, het geluk zooveel mogelijk te beheerschen en onze handelingen te richten naar den veiligen raad der Rede.

_Stelling XLVIII._

De aandoeningen van Overschatting en Geringschatting zijn steeds slecht.

_Bewijs._

Deze aandoeningen toch zijn (_vlg. Definities XXI en XXII der Aand._) in strijd met de Rede. Zij zijn daarom (_vlg. St. XXVI en XXVII v.d. D._) slecht. H.t.b.w.

_Stelling XLIX._

Overschatting maakt den mensch, die overschat wordt, licht trotsch.

_Bewijs._

Indien wij zien dat iemand uit Liefde beter van ons denkt dan gerechtvaardigd is, zullen wij ons licht daarop verheffen (_vlg. Opmerking St. XLI D. III_) ofwel (_vlg. Definitie XXX der Aand._) Blijheid daarover gevoelen. Ook gelooven wijzelf licht al het goede dat wij van ons hooren vertellen (_vlg. St. XXV D. III_). Wij zullen dus uit eigenliefde beter van onszelf denken dan gerechtvaardigd is, d.w.z. (_vlg. Definitie XXVIII der Aand._) licht trotsch worden. H.t.b.w.

_Stelling L._

Medelijden is in den mensch, die volgens leiding der Rede leeft, op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos.

_Bewijs._

Immers Medelijden is Droefheid (_vlg. Definitie XVIII der Aand._) en dus (_vlg. St. XLI v.d. D._) op zichzelf slecht. Het goede evenwel dat er uit voortvloeit, namelijk dat wij den persoon, met wien wij medelijden hebben, uit zijn ellende trachten te verlossen (_vlg. Gevolg III St. XXVII D. III_), begeeren wij ook reeds op gezag der Rede te volbrengen (_vlg. St. XXXVII v.d. D._), gelijk wij niets, waarvan wij met zekerheid weten dat het goed is, kunnen doen dan alleen op voorschrift der Rede (_vlg. St. XXVII v.d. D._). Derhalve is Medelijden in den mensch, die volgens leiding der Rede leeft, op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt, dat wie volgens voorschrift der Rede leeft, zooveel mogelijk er naar zal streven niet door Medelijden te worden aangegrepen.

_Opmerking:_ Wie terdeeg beseft, dat alles uit de noodwendigheid van den goddelijken aard voortvloeit en plaats grijpt volgens de eeuwige wetten en regelen der Natuur, zal zeker niets vinden wat Haat, Spijt of Minachting verdient, noch met wien dan ook Medelijden hebben, maar, zoover zijn menschelijke kracht reikt, trachten, zooals men zegt: _wel te doen en blij te zijn_[A72]. Daarbij komt, dat wie licht door Medelijden aangegrepen en door eens anders ellende tot tranen bewogen wordt, dikwijls iets zal doen wat hem later zelf berouwt; zoowel wijl wij onder invloed eener aandoening niets kunnen doen met de zekerheid dat het goed is, als ook wijl wij gemakkelijk door valsche tranen bedrogen worden. Ik spreek hier evenwel uitdrukkelijk van menschen, die volgens leiding der Rede leven. Want wie noch door de Rede, noch door Medelijden er toe bewogen wordt om anderen te helpen, wordt terecht onmenschelijk genoemd, aangezien hij (_vlg. St. XXVII D. III_) niet op een mensch blijkt te gelijken.

_Stelling LI._

Ingenomenheid is niet in strijd met de Rede; kan daarmede zelfs in overeenstemming zijn en er uit voortkomen.

_Bewijs._

Ingenomenheid toch is Liefde jegens iemand die een ander een weldaad bewees (_vlg. Definitie XIX der Aand._) en kan dus betrekking hebben op den Geest, voorzoover deze beschouwd wordt als _handelend_ (_vlg. St. LIX D. III_) d.w.z. (_vlg. St. III D. III_) voorzoover hij begrijpt. Derhalve is zij in overeenstemming met de Rede enz. H.t.b.w.

_Anders._

Wie volgens leiding der Rede leeft, wenscht het goede, waarnaar hij streeft, ook anderen toe (_vlg. St. XXXVII v.d. D._), zoodat zijn eigen verlangen om wel te doen, versterkt wordt doordat hij een ander ziet weldoen. Hij zal zich dus (_vlg. Opmerking St. XI D. III_) verblijden, en dat wel (_vlg. het onderstelde_) daarbij denkend aan dengene, die dien ander weldeed; derhalve zal hij (_vlg. Definitie XIX der Aand._) met hem zijn ingenomen. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Verontwaardiging, gelijk wij haar omschreven hebben (_zie Definitie XX der Aand._) is noodzakelijk slecht (_vlg. St. XLV v.d. D._). Hierbij zij echter opgemerkt, dat wanneer de hoogste overheid een burger, die een ander onrecht aandeed, straft met de bedoeling om de orde te handhaven, zij volgens mij geenszins over dien burger verontwaardigd is, aangezien zij niet, door Haat gedreven, dien burger straft om hem in het verderf te storten, maar uit plichtsbesef.

_Stelling LII._

Tevredenheid met zichzelf [zelfvoldoening] kan haar oorsprong vinden in de Rede en de hoogst bestaanbare zelfvoldoening is alleen zulk eene, welke uit de Rede voortvloeit.

_Bewijs._

Zelfvoldoening is Blijheid, ontstaan doordat men zichzelf en zijn eigen macht tot handelen beschouwt (_vlg. Definitie XXV der Aand._) 's Menschen vermogen tot handelen ofwel deugd echter is de Rede zelf (_vlg. St. III D. III_), waarvan hij zich helder en duidelijk bewust is (_vlg. St. XL en XLIII D. II_). Derhalve vindt zelfvoldoening haar oorsprong in de Rede. Verder begrijpt de mensch, wanneer hij zichzelf beschouwt, alleen datgene helder en duidelijk, ofwel adaequaat, wat uit zijn macht tot handelen voortspruit (_vlg. Definitie II D. III_) d.w.z. (_vlg. St. III D. III_) wat uit zijn vermogen om te begrijpen volgt. Derhalve ontspringt de hoogst bestaanbare zelfvoldoening alleen uit deze beschouwing. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Inderdaad is zelfvoldoening het hoogste waarop wij kunnen hopen. Immers, (_gelijk wij in St. XXV v.d. D. aantoonden_) niemand tracht zijn wezen te handhaven terwille van eenig ander [buiten hemzelf liggend] doel. Aangezien nu deze zelfvoldoening door lof steeds meer bevorderd en versterkt wordt (_vlg. Gevolg St. LIII D. III_) en daarentegen door blaam steeds meer verzwakt (_vlg. Gevolg St. LV D. III_) oefent roem zulk een aantrekking op ons uit, terwijl wij een leven in schande haast niet kunnen verdragen.

_Stelling LIII._

Neerslachtigheid [Kleinmoedigheid, Nederigheid] is geen deugd, ofwel, zij ontspringt niet uit de Rede.

_Bewijs._

Neerslachtigheid is Droefheid, welke daaruit voortkomt dat men zijn eigen machteloosheid beschouwt (_vlg. Definitie XXVI der Aand._). Voorzoover men echter zichzelf in waarachtige redelijkheid kent, begrijpt men, naar verondersteld wordt, zijn eigen wezen, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) zijn eigen macht. Zoodat indien iemand, wanneer hij zichzelf beschouwt, zich in een of ander opzicht machteloos gevoelt, dit niet een gevolg daarvan is, dat hij zichzelf begrijpt, maar (_gelijk wij in St. LV D. III aantoonden_) daarvan, dat zijn vermogen tot handelen belemmerd wordt. Nemen wij daarentegen aan dat iemand tot het inzicht zijner machteloosheid komt doordat hij zich iets machtigers voorstelt en dat hij door middel van deze kennis de grenzen van zijn eigen vermogen tot handelen bepaalt, dan onderstellen wij hiermede niets anders, dan dat die persoon zichzelf duidelijk begrijpt (_vlg. St. XXVI v.d. D._) hetgeen zijn vermogen tot handelen juist zal bevorderen. Zoodat Neerslachtigheid, ofwel die Droefheid welke daaruit voortkomt dat iemand zijn eigen machteloosheid beschouwt, geen uitvloeisel is van waarachtig nadenken of van de Rede en dus geen deugd, maar een lijding. H.t.b.w.

_Stelling LIV._

Berouw is geen deugd, ofwel het komt niet voort uit de Rede. Integendeel, wie een daad berouwt is dubbel ongelukkig of machteloos.

_Bewijs._

Het eerste gedeelte dezer stelling wordt evenals de voorgaande stelling bewezen. Het tweede gedeelte echter blijkt alleen reeds uit de Definitie dezer aandoening (_zie Definitie XXVII der Aand._). Eerst immers laat men zich door zijn lage begeerte, en daarna bovendien nog door Droefheid overmeesteren.

_Opmerking:_ Aangezien de menschen zelden naar de voorschriften der Rede leven, stichten evenwel deze beide aandoeningen, Nederigheid en Berouw, en daarnaast ook Hoop en Vrees, meer nut dan schade; zoodat het, wanneer er dan toch gezondigd moet worden, maar het best is in dìt opzicht te zondigen. Immers indien de menschen, reeds zwak van ziel, ook nog allen even trotsch waren, zich nergens voor schaamden en niets vreesden, hoe zou men hen dan nog in den band kunnen houden en beteugelen?[A73] De menigte is vreeselijk wanneer zij niet zelf vreest, zoodat het niet valt te verwonderen dat de Profeten, die niet het heil van enkelen, maar van het algemeen beoogden, zoo sterk Nederigheid, Berouw en Onderdanigheid hebben aangeprezen. Inderdaad, wie aan deze aandoeningen onderworpen zijn, kunnen er tenslotte veel gemakkelijker dan anderen toe gebracht worden volgens leiding der Rede te leven, d.w.z. vrij te zijn en een gelukkig leven te genieten.

_Stelling LV._

Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op groot gemis aan zelfkennis.

_Bewijs._

Dit blijkt uit de Definities XXVIII en XXIX der Aandoeningen.

_Stelling LVI._

Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op zeer groote zwakheid van ziel.

_Bewijs._

Het eerste beginsel der deugd is het eigen wezen in stand te houden (_vlg. Gevolg St. XXII v.d. D._) en datwel onder leiding der Rede (_vlg. St. XXIV v.d. D._). Wie dus zichzelf niet kent, kent den grondslag aller deugden en bijgevolg die deugden zelf evenmin. Verder is handelen uit deugd niets anders dan handelen volgens leiding der Rede (_vlg. St. XXIV v.d. D._). Wie echter volgens leiding der Rede handelt, moet (_vlg. St. XLIII D. II_) noodzakelijk weten dàt hij volgens leiding der Rede handelt. Wie dus zichzelf, en bijgevolg (_gelijk wij reeds aantoonden_) alle deugden, grootendeels niet kent, handelt allerminst uit deugd, d.w.z. (_gelijk uit Definitie VIII v.d. D. blijkt_) is uiterst zwak van ziel. Derhalve duiden (_vlg. voorgaande St._) zeer groote hoogmoed of zelfverachting op zeer groote zwakheid van ziel. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt ten duidelijkste, dat zoowel hoogmoedige als kleinmoedige menschen het meest aan hun aandoeningen onderworpen zijn.

_Opmerking:_ Nochtans is zelfverachting gemakkelijker te verbeteren[A74] dan hoogmoed, aangezien deze een aandoening van Blijheid, gene echter van Droefheid is en deze dus (_vlg. St. XVIII v.d. D._) sterker is.

_Stelling LVII._

De hoogmoedige houdt van het gezelschap van parasieten en vleiers, dat van edele menschen daarentegen haat hij.

_Bewijs._

Hoogmoed is Blijheid, welke ontstaat doordat men beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is (_vlg. Definities XXVIII en VI der Aand._), welken dunk de hoogmoedige zooveel mogelijk zal trachten te versterken, (_zie Opmerking St. XIII D. III_). Derhalve zal hij dan ook houden van het gezelschap van parasieten en vleiers (_wier definities ik heb weg gelaten, wijl zij maar al te bekend zijn_) en dat van edele lieden, die van hem denken naar hij verdient, ontvluchten. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Het zou mij te ver voeren hier alle kwade gevolgen van den Hoogmoed op te sommen, aangezien hoogmoedigen aan alle aandoeningen onderhevig zijn, schoon aan geene minder dan die van Liefde en Barmhartigheid. Nochtans mag hier niet verzwegen worden, dat men ook diengene hoogmoedig noemt, die van anderen slechter denkt dan billijk is, zoodat in dezen zin Hoogmoed kan worden omschreven als Blijheid, ontsproten uit den waan dat men boven andere menschen verheven is. Zelfverachting is dan, als tegenstelling van dezen Hoogmoed, te omschrijven als Droefheid, ontsproten uit den waan dat men lager staat dan anderen. Bij deze opvatting is het gemakkelijk in te zien dat de hoogmoedige noodzakelijkheid afgunstig moet zijn (_zie Opmerking St. LV D. III_), hen die het meest om hun deugden geprezen worden het meest moet haten, terwijl die Haat niet licht door hun Liefde of weldaden kan worden overwonnen (_zie Opmerking St. XLI D. III_); dat hij zich daarentegen alleen verheugt in het gezelschap van hen, die zijn machtelooze ziel in het gevlei komen en die hem van dwaas waanzinnig maken.

Ofschoon zelfverachting het tegendeel is van Hoogmoed, is niettemin wie zichzelf veracht ten nauwste verwant aan den Hoogmoedige. Immers, aangezien zijn Droefheid daaruit voortkomt, dat hij zijn eigen machteloosheid erkent door vergelijking met de macht of de deugd van anderen, zal zijn Droefheid verlicht worden, d.w.z. zal hij zich verblijden, wanneer zijn verbeelding zich bezig houdt met de beschouwing van anderer fouten. Vandaar het gezegde: het is een troost voor ongelukkigen dat zij lotgenooten hebben gehad. Daarentegen zal hij zich te meer bedroeven, naarmate hij meent dieper onder anderen te staan; en vandaar dat niemand méér tot afgunst neigt, dan wie zichzelf veracht; dat hij scherp op de daden van anderen let, meer om ze te bevitten dan om ze te verbeteren, en dat hij bovenal de nederigheid prijst en zich op haar verheft, [dit laatste] op zulk een wijze evenwel, dat hij toch naar den schijn nederig blijft. Dit alles volgt uit deze aandoening even noodzakelijk als uit den aard eens driehoeks volgt, dat de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten; en ik heb dan ook vroeger reeds gezegd dat ik deze en dergelijke aandoeningen alleen maar slecht noem voorzoover ik op 's menschen belang let. De wetten der Natuur echter gelden voor de geheele orde der Natuur, waarvan de mensch een deel is, hetgeen ik in het voorbijgaan nog even wilde opmerken, opdat niemand meene dat ik hier slechts de menschelijke gebreken en dwaasheden heb willen behandelen, inplaats van aard en eigenschappen der _dingen_ uiteen te zetten. Want, gelijk ik in de Voorrede van het Derde Deel gezegd heb: ik beschouw de menschelijke aandoeningen en hun eigenschappen geheel en al als de overige dingen in de Natuur. En inderdaad wijzen de menschelijke aandoeningen niet minder dan tal van andere dingen, welke wij bewonderen en in welker beschouwing wij ons verheugen, op de macht en kunstvaardigheid, zoo niet van den mensch zelf, dan toch van de Natuur. Ik ga thans echter voort met op te teekenen wat er in de aandoeningen voor den mensch nuttig is, of wat hem schade kan berokkenen.

_Stelling LVIII._

Zelfverheerlijking [glorie] is niet in strijd met de Rede, maar kan uit haar ontspruiten.

_Bewijs._

Dit blijkt uit Definitie XXX der Aandoeningen en uit de Definitie van Eerbaarheid, zie Opmerking I bij Stelling XXXVII van dit Deel.

_Opmerking:_ Wat men "ijdelen roem" noemt is [een soort van] zelfvoldoening, welke alleen gevoed wordt door de meening der groote massa. Houdt deze geen stand, zoo ontvalt ons deze zelfvoldoening, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. LII v.d. D._), datgene wat ieder als het hoogste goed liefheeft; en vandaar, dat wie zich verheft op de publieke meening, dagelijks in angst en zorg worstelt en zoekt en in de weer is om zijn roem op te houden. Immers het publiek is veranderlijk en onstandvastig, zoodat roem, welke niet wordt levendig gehouden, spoedig vergeten raakt. Ja, waar allen evenzeer den bijval der menigte zoeken te verwerven, verduistert de een licht den roem van den ander, zoodat, aangezien men strijdt om wat men voor het hoogste goed houdt, er een geweldige begeerte ontstaat om elkaar wederzijds op alle manieren te kleineeren, en degeen, die tenslotte als overwinnaar te voorschijn komt, zich er meer op verheft, dat hij een ander geschaad, dan dat hij zichzelf gebaat heeft. Deze zelfverheerlijking of bevrediging in zichzelf is dus wel inderdaad ijdel, wijl zij feitelijk géén bevrediging is.

Wat omtrent de Schaamte te zeggen valt, is gemakkelijk op te maken uit hetgeen wij over Medelijden en Berouw hebben opgemerkt. Ik voeg er hier slechts aan toe, dat evenals Medelijden, zoo ook Schaamte, al is zij geen deugd, toch goed kan zijn, voorzoover zij er op wijst, dat in dengeen die zich schaamt, de begeerte aanwezig is om eerbaar te leven, gelijk ook pijn in zoover goed genoemd werd als zij een teeken is, dat het gekwetste lichaamsdeel nog niet verrot is. Daarom is iemand, die zich over een of andere daad schaamt, niettegenstaande hij werkelijk bedroefd is, toch volmaakter dan de onbeschaamde, die niet het verlangen koestert om eerzaam te leven.

Dit nu is wat ik mij had voorgenomen over de aandoeningen van Blijheid en Droefheid te zeggen. Wat de Begeerten betreft, deze zijn natuurlijk goed of slecht voorzoover zij uit goede of slechte aandoeningen ontspringen. Maar zeker zijn zij allen blind, voorzoover zij in ons ontstaan uit aandoeningen, welke lijdingen zijn (_gelijk gemakkelijk valt op te maken uit wat wij in de Opmerking bij Stelling XLIV van dit Deel gezegd hebben_) en zij zouden nergens toe dienen indien de menschen er slechts wat gemakkelijker toe gebracht konden worden naar de voorschriften der Rede te leven, zooals ik thans in het kort zal aantoonen.

_Stelling LIX._

Tot alle daden, waartoe wij door een aandoening, welke lijding is, gedreven worden, kunnen wij ook zonder deze door de Rede genoopt worden.

_Bewijs._

Krachtens de Rede handelen is niets anders (_vlg. St. III en Definitie II D. III_), dan doen wat uit de noodwendigheid van onzen aard, op zichzelf alleen beschouwd, voortvloeit. Droefheid nu is in zoover slecht, als zij dit vermogen tot handelen vermindert of belemmert (_vlg. St. XLI v.d. D._) en wij kunnen daarom door deze aandoening tot geen enkele handeling gedreven worden, welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door de Rede geleid werden. Bovendien is Blijheid slechts in zoover slecht, als zij ons minder geschikt maakt om te handelen (_vlg. St. XLI en XLIII v.d. D._), zoodat wij inzoover ook door haar tot geen enkele handeling gedreven kunnen worden, welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door de Rede geleid werden. En tenslotte: voorzoover Blijheid goed is, is zij met de Rede in overeenstemming (zij bestaat immers juist daarin, dat 's menschen vermogen tot handelen wordt vermeerderd of bevorderd) en is zij ook geen lijding, dan alleen voorzoover 's menschen vermogen tot handelen niet zóózeer toeneemt, dat hij zichzelf en zijn handelingen adaequaat kan begrijpen (_vlg. St. III en Opmerking D. III_). Zoodat de mensch, wanneer hij door Blijheid tot zulk een volmaaktheid gevoerd werd, dat hij zichzelf en zijn handelingen adaequaat begreep, zeker geschikt zou zijn, ja nog geschikter, tot diezelfde handelingen waartoe hij ook reeds door aandoeningen, welke lijdingen zijn, wordt gedreven. Maar alle aandoeningen zijn terug te brengen tot Blijheid, Droefheid en Begeerte (_zie de Toelichting bij Definitie IV der Aand._) en Begeerte is (_vlg. Definitie I der Aand._) niets anders dan streven naar handelen zelf. Derhalve kunnen wij tot alle handelingen waartoe wij door een aandoening, welke lijding is, gedreven worden, ook zonder deze alléén door de Rede genoopt worden. H.t.b.w.

_Anders._