Part 19
De macht waardoor de bijzondere dingen, en bijgevolg ook de menschen, hun bestaan handhaven is (_vlg. Gevolg St. XXIV D. I_) de macht van God of van de Natuur zelf, niet voorzoover deze oneindige is, maar (_vlg. St. VII D. III_) voorzoover zij zich in het werkelijk [feitelijk bestaand] wezen van den mensch openbaart. De menschelijke macht, voorzoover zij zich in zijn eigen werkelijk wezen openbaart, is dus een deel van de oneindige macht van God of van de Natuur, d.w.z. (_vlg. St. XXXIV D. I_) van hun wezen. Dit wat het eerste betreft. Indien het voorts wèl mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan uitsluitend zoodanige welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren waren, zou hieruit (_vlg. St. IV en VI D. III_) volgen, dat hij niet kon te gronde gaan, maar noodzakelijk voortdurend moest blijven bestaan; en wel zou dit een gevolg moeten zijn van een oorzaak, wier macht òf eindig òf oneindig was, namelijk òf van de menschelijke macht zelf, welke dan in staat zou moeten zijn alle veranderingen van zich af te houden, welke uit uitwendige oorzaken zouden kunnen voortvloeien, òf van de oneindige macht der Natuur, waardoor dan alle bijzondere dingen zóó zouden moeten zijn ingericht, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan slechts zoodanige, welke tot zijn behoud strekken. Maar het eerste is ongerijmd (_vlg. de voorgaande Stelling, welker bewijs algemeen geldig is en voor alle bijzondere dingen kan worden aangewend_). Derhalve: indien het mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan alleen zoodanige, welke uit den aard van den mensch zelf te verklaren zijn en dat hij bijgevolg (_gelijk wij reeds aantoonden_) noodzakelijk voortdurend zou blijven bestaan, dan zou dit een gevolg moeten zijn van Gods oneindige macht en bijgevolg zou (_vlg. St. XVI D. I_) uit de noodwendigheid van den goddelijken aard, beschouwd als zich openbarende in de voorstelling van een of anderen mensch, de geheele orde der Natuur, zooals die zich openbaart in de attributen van Denken en Uitgebreidheid, moeten worden afgeleid; waaruit dus volgen zou (_vlg. St. XXI D. I_) dat de mensch oneindig was, hetgeen (_vlg. het eerste deel van dit bewijs_) ongerijmd is. Derhalve is het onmogelijk dat de mensch niet ook andere wijzigingen zou kunnen ondergaan dan alleen zoodanige, waarvan hijzelf de adaequate oorzaak is. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de mensch noodzakelijk aan lijdingen onderworpen is; de algemeene orde der Natuur volgt en gehoorzaamt en, voorzoover de aard der dingen dit eischt, zich daarbij aanpast.
_Stelling V._
De kracht en toeneming van een of andere lijding en haar vermogen om zich te handhaven, worden niet bepaald door de macht, waardoor wijzelf in ons bestaan trachten te volharden, doch door de macht van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene.[A66]
_Bewijs._
Het wezen eener lijding kan (_vlg. Definitie I en II D. III_) niet uit ons wezen alléén verklaard worden, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) de kracht eener lijding kan niet bepaald worden door het vermogen, waardoor wij in ons bestaan trachten te volharden, maar moet (_gelijk in St. XVI D. II werd aangetoond_) noodzakelijk bepaald worden door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. H.t.b.w.
_Stelling VI._
De kracht van een of andere lijding of aandoening kan alle andere handelingen [levensuitingen] en vermogens des menschen zoozeer overtreffen, dat deze aandoening hem voortdurend beheerscht.
_Bewijs._
De kracht en toeneming van iedere lijding en haar vermogen om zich te handhaven, worden (_vlg. voorgaande St._) bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. Zij kan dus (_vlg. St. III v.d. D._) de macht des menschen overtreffen enz. H.t.b.w.
_Stelling VII._
Een aandoening kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet worden.
_Bewijs._
Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, is (_vlg. de Algemeene Definitie der Aandoeningen, te vinden aan het einde van het Derde Deel_) een voorstelling, waarin de Geest tot bewustzijn van een grootere of geringere bestaanskracht zijns Lichaams komt. Wanneer dus de Geest door een of andere aandoening wordt bewogen, ondergaat tevens het Lichaam een inwerking, waardoor zijn vermogen tot handelen toeneemt of afneemt. Deze lichaamsaandoening nu ontvangt (_vlg. St. V v.d. D._) haar vermogen, om in haar bestaan te volharden, van haar oorzaak, welk vermogen dus (_vlg. St. VI D. II_) alleen kan worden bedwongen of opgeheven door een lichamelijke oorzaak, welke (_vlg. St. V D. III_) op een tegenovergestelde wijze op het Lichaam inwerkt en (_vlg. Axioma v.d. D._) sterker is, zoodat (_vlg. St. XII D. II_) de Geest de voorstelling krijgt eener aandoening, sterker dan en tegengesteld aan de eerste; d.w.z. (_vlg. Alg. Def. der Aand._) zoodat de Geest een aandoening ondergaat, sterker dan en tegengesteld aan de eerste, welke dan het bestaan dezer eerste uitsluit of opheft. Derhalve kan een aandoening alleen worden opgeheven of bedwongen door een tegengestelde en sterkere. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, kan alleen worden bedwongen of opgeheven door de voorstelling van een inwerking op het Lichaam, tegengesteld aan en sterker dan de aandoening welke wij ondergaan. Immers de aandoening welke wij ondergaan kan (_vlg. voorgaande St._) alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld en sterker, d.w.z. (_vlg. Alg. Def. der Aand._) alleen door de voorstelling eener lichaamsaandoening, welke sterker is dan en tegengesteld aan de aandoening welke wij ondergaan.
_Stelling VIII._
De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid voorzoover wij ons daarvan bewust zijn.
Wij noemen (_vlg. Definities I en II v.d. D._) datgene goed of kwaad, wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in den weg staat, d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) wat ons vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert. Voorzoover wij dus (_vlg. de Definities van Blijheid en Droefheid, zie Opmerking St. XI D. III_) waarnemen dat een of andere zaak ons Blijheid of Droefheid schenkt, noemen wij haar goed of kwaad, zoodat de kennis van goed of kwaad dus niets anders is dan die voorstelling van Blijheid of Droefheid, welke (_vlg. St. XXII D. II_) noodzakelijk op de aandoening van Blijheid of Droefheid volgt. Doch deze voorstelling is (_vlg. St. XXI D. II_) op dezelfde wijze vereenigd met die aandoening als de Geest met het Lichaam, d.w.z. (_gelijk in de Opmerking bij diezelfde stelling werd aangetoond_), deze voorstelling is van die aandoening zelf, of (_vlg. Alg. Def. der Aand._) van de voorstelling dier inwerking op het Lichaam, inderdaad niet anders onderscheiden dan alleen in onze opvatting. Derhalve is deze kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf, voorzoover wij er ons van bewust zijn. H.t.b.w.
_Stelling IX._
Een aandoening, waarvan wij ons verbeelden dat haar oorzaak op het oogenblik aanwezig is, is sterker, dan wanneer wij ons deze oorzaak niet aanwezig denken.
_Bewijs._
Een verbeelding is een voorstelling waarin de Geest iets als aanwezig beschouwt (_zie haar Definitie in de Opmerking bij St. XVII D. II_) welke echter (_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_) meer de gesteldheid van het menschelijk Lichaam dan den aard van eenig uitwendig voorwerp aanduidt. Een aandoening is dus (_vlg. Alg. Def. der Aand._) een Verbeelding voorzoover zij een toestand des Lichaams aanduidt. Maar een Verbeelding is te sterker (_vlg. St. XVII D. II_) zoolang wij ons niets voorstellen dat het aanwezige bestaan der uitwendige oorzaak uitsluit. Derhalve is ook een aandoening waarvan wij ons verbeelden dat daar oorzaak op het oogenblik aanwezig is, heviger of sterker dan wanneer wij ons deze oorzaak niet aanwezig denken. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Toen ik hierboven, in Stelling XVIII Deel III, zeide dat wij door de voorstelling van een toekomstige of verleden zaak dezelfde aandoening ondergingen als wanneer die zaak, welke wij ons verbeelden, aanwezig ware, heb ik daarbij uitdrukkelijk opgemerkt, dat dit slechts waar was voorzoover wij alleen op de voorstelling van juist deze zaak letten. Immers deze blijft denzelfden aard behouden, onverschillig of wij ons haar [als aanwezig] verbeeld hebben of niet. Ik heb echter niet ontkend, dat zij zwakker wordt, wanneer wij ook andere zaken als aanwezig beschouwen, welke het oogenblikkelijk bestaan dier toekomstige [of verleden] zaak uitsluiten. Ik heb toen nagelaten dit op te merken, omdat ik mij had voorgenomen eerst in dit Deel over de kracht der aandoeningen te spreken.
_Gevolg:_ De voorstelling van een toekomstige of verleden zaak, welke wij, met uitsluiting van den tegenwoordigen tijd, alleen in betrekking tot den toekomstigen of verleden tijd beschouwen, is, onder overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan de voorstelling eener aanwezige zaak, en bijgevolg zijn ook onze gevoelens jegens[A67] een toekomstige of verleden zaak, onder overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan die jegens een tegenwoordige.
_Stelling X._
Door iets toekomstigs, dat wij spoedig verwachten, worden wij sterker aangedaan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder van het heden gelegen tijd zal bestaan [of plaats grijpen], en evenzoo doet de herinnering aan iets kort geledens ons sterker aan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het lang geleden bestond [of gebeurde].
_Bewijs._
Immers als wij ons voorstellen dat iets spoedig zal geschieden, of kort geleden geschied is, stellen wij ons daarmede vanzelf iets voor, dat het oogenblikkelijk gebeuren ervan in mindere mate uitsluit, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder van het heden gelegen tijd zal plaats grijpen, of dat het lang geleden plaats greep (_gelijk vanzelf spreekt_). Derhalve zullen wij (_vlg. voorgaande St._) er ook sterker door worden aangedaan. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Uit hetgeen wij bij Definitie VI van dit Deel hebben opgemerkt, volgt dat wij door voorwerpen of gebeurtenissen, welke een langer tijdsverloop van het heden verwijderd zijn dan wij met ons voorstellingsvermogen kunnen omvatten, even zwak worden aangedaan, ook al weten wij dat zij onderling door een grooten tusschenstrijd zijn gescheiden.
_Stelling XI._
De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij als noodwendig voorstellen, is, onder overigens gelijke omstandigheden, krachtiger dan die, veroorzaakt door iets mogelijks, toevalligs of niet-noodwendigs.
_Bewijs._
Voorzoover wij ons iets als noodwendig voorstellen, bevestigen wij het bestaan ervan; daarentegen ontkennen wij dat bestaan, voorzoover wij het ons als niet-noodwendig denken (_vlg. Opmerking I St. XXXIII D. I_). Derhalve is (_vlg. St. IX v.d. D._) de aandoening, opgewekt door iets noodwendigs, onder overigens gelijke omstandigheden, sterker dan die, teweeg gebracht door iets niet-noodwendigs. H.t.b.w.
_Stelling XII._
De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat, maar dat wij voor mogelijk, houden, is, onder overigens gelijke omstandigheden sterker dan die, teweeg gebracht door iets wat wij ons als toevallig [gebeurlijk] denken.
_Bewijs._
Voorzoover wij ons iets als toevallig [gebeurlijk] voorstellen worden wij (_vlg. Definitie III_) door geenerlei voorstelling van iets anders aangedaan, welke het bestaan ervan zou onderstellen [eischen]. Integendeel, wij stellen ons dan (_vlg. het onderstelde_) juist dingen voor, welke het oogenblikkelijk bestaan ervan uitsluiten. Voorzoover wij ons echter iets als in de toekomst mogelijk denken, stellen wij ons dingen voor, welke het bestaan ervan onderstellen (_vlg. Definities IV v.d. D._), d.w.z. (_vlg. St. XVIII D. III_) dingen, welke Hoop of Vrees aanwakkeren. Derhalve is de aandoening door iets mogelijks te weeg gebracht, heviger. H.t.b.w.
_Gevolg:_ De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat en dat wij ons als gebeurlijk voorstellen, is veel zwakker dan wanneer wij ons deze zaak aanwezig denken.
_Bewijs._
De aandoening, opgewekt door iets dat wij ons als op het oogenblik bestaande voorstellen, is sterker dan wanneer wij het ons als toekomstig denken (_vlg. Gevolg St. IX v.d. D._) en nog veel heviger is zij, als wij ons dien toekomstigen tijd zeer ver van het heden verwijderd denken, (_vlg. St. X v.d. D._). Derhalve is de aandoening, opgewekt door iets dat wij ons ver van het heden verwijderd denken, veel zwakker, dan wanneer wij ons het in het heden voorstellen, doch (_vlg. voorgaande St._) niettemin toch sterker, dan wanneer wij het ons als toevallig denken. Derhalve zal de aandoening, opgewekt door iets dat wij voor gebeurlijk houden zwakker zijn dan die, teweeg gebracht door iets dat wij ons als in het heden aanwezig voorstellen.
_Stelling XIII._
De aandoening, opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat, is, onder overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan die, teweeg gebracht door iets verledens.
_Bewijs._
Voorzoover wij ons iets als gebeurlijk voorstellen, wordt er geenerlei voorstelling van iets anders in ons opgewekt, welke het bestaan dier zaak onderstelt (_vlg. Definitie III v.d. D._). Integendeel, wij stellen ons dan (_vlg. het onderstelde_) juist dingen voor, welke haar oogenblikkelijk bestaan uitsluiten. Voorzoover wij ons haar echter in verband met den verleden tijd voorstellen, worden wij verondersteld aan iets te denken, dat haar in het geheugen terug roept, ofwel dat het beeld dier zaak opwekt (_zie St. XVIII D. II_) en dat daardoor bewerkt, dat wij haar beschouwen als ware zij tegenwoordig (_vlg. Gevolg St. XVII D. II_). Derhalve zal (_vlg. St. IX v.d. D._) de aandoening, opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten dat het op het oogenblik niet bestaat, onder gelijke omstandigheden, zwakker zijn dan die, teweeg gebracht door iets verledens. H.t.b.w.
_Stelling XIV._
De ware kennis van goed en kwaad kan, beschouwd als waarheid, geen enkele aandoening temperen, doch zij kan dit alleen, voorzoover zijzelf als aandoening beschouwd wordt.
_Bewijs._
Een aandoening is een voorstelling, waarin de Geest een grootere of geringere bestaanskracht zijns Lichaams, dan dit, tevoren bezat, bevestigt (_vlg. Alg. Def. der Aand._) en heeft dus (_vlg. St. I v.d. D._) niets positiefs in zich, dat door de tegenwoordigheid van iets waars zou kunnen worden opgeheven. Bijgevolg kan de ware kennis van goed en kwaad, beschouwd als waarheid, geen enkele aandoening temperen. Alleen voorzoover deze kennis zelf aandoening is (_zie St. VIII v.d. D._) kan zij, indien zij sterker is dan deze (_vlg. St. VII v.d. D._) een aandoening temperen. H.t.b.w.
_Stelling XV._
De Begeerte, welke uit ware kennis van goed en kwaad voortspruit, kan door vele andere begeerten, welke ontspruiten uit aandoeningen, waardoor wij worden aangegrepen, gedoofd of getemperd worden.
_Bewijs._
Uit de ware kennis van goed en kwaad, voorzoover deze (_vlg. St. VIII v.d. D._) aandoening is, ontspringt noodzakelijk Begeerte (_vlg. Def. I der Aand._), welke te sterker is naarmate de aandoening, uit welke zij voortkomt, sterker is (_vlg. St. XXXVII D. III_). Maar aangezien deze Begeerte (_vlg. het onderstelde_) ontspringt uit het feit, dat wij iets waars begrijpen, komt zij dus uit _onszelf_ voort voorzoover wij _handelen_ (_vlg. St. I of III D. III_); moet zij derhalve alleen uit ons eigen wezen worden verklaard (_vlg. Def. II D. III_) en zullen bijgevolg (_vlg. St. VII D. III_) ook haar kracht en toeneming alleen door menschelijk vermogen bepaald worden. Voorts zijn de Begeerten, welke ontspringen uit de [overige] aandoeningen, waardoor wij aangegrepen worden, eveneens sterker naarmate deze aandoeningen heviger zijn, zoodat hun kracht en toeneming (_vlg. St. V v.d. D._) bepaald worden door de macht van uitwendige oorzaken, welke macht, wanneer zij bij de onze wordt vergeleken, deze (_vlg. St. III v.d. D._) onbepaald overtreft. Zoodoende kunnen begeerten, uit dergelijke aandoeningen ontsproten, heviger zijn dan die, welke uit de ware kennis van goed en kwaad ontspringt en daardoor in staat zijn (_vlg. St. VII v.d. D._) deze te temperen of te verdooven. H.t.b.w.
_Stelling XVI._
Een begeerte, welke ontspruit uit kennis van goed en kwaad, voorzoover deze kennis de toekomst betreft, kan nog gemakkelijker [dan de begeerte, bedoeld in St. XV] getemperd of gedoofd worden door de Begeerte naar dingen, welke aangenaam zijn voor het oogenblik.
_Bewijs._
De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij ons als toekomstig denken, is flauwer dan die, veroorzaakt door iets aanwezigs (_vlg. Gevolg St. IX v.d. D._). De Begeerte evenwel, welke uit ware kennis van goed en kwaad ontspruit, kan, niettegenstaande deze kennis zaken betreft, welke voor het oogenblik goed zijn, toch gedoofd of getemperd worden door een of andere toevallig opkomende[A68] Begeerte (_vlg. voorgaande St. welker bewijs algemeen geldig is_). Derhalve zal de Begeerte, welke ontspringt uit diezelfde kennis, voorzoover zij de toekomst betreft, nog gemakkelijker getemperd of gedoofd kunnen worden. H.t.b.w.
_Stelling XVII._
De Begeerte, welke ontspruit uit ware kennis van goed en kwaad, voorzoover deze betrekking heeft op gebeurlijke zaken, kan nog veel gemakkelijker getemperd worden door begeerte naar dingen die aanwezig zijn.
_Bewijs._
Deze Stelling wordt op dezelfde wijze als de voorgaande Stelling bewezen uit het Gevolg van Stelling XII van dit Deel.
_Opmerking:_ Ik meen hiermede de oorzaak te hebben aangewezen, waarom de menschen meer door meeningen dan door de waarachtige Rede worden gedreven, alsmede, waarom de ware kennis van goed en kwaad gemoedsbewegingen opwekt en dikwijls voor allerlei lusten moet wijken, vanwaar dan ook het woord des dichters: _Wel zie ik het betere en prijs het; toch jaag ik het slechtere na._[A49] Hetgeen eveneens den Prediker voor den Geest gestaan schijnt te hebben toen hij zeide: _En die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart_ [I vers 18]. Ik zeg dit echter geenszins met de bedoeling hieruit de gevolgtrekking te maken, dat het beter is onwetend te blijven dan te weten, of dat er geen verschil is tusschen een dwaas en een verstandig man, bij het temperen hunner aandoeningen, maar wijl het noodig is, dat wij zoowel de macht als de machteloosheid van onzen aard leeren kennen, opdat wij zullen kunnen vaststellen, wat de Rede ten aanzien van het temperen der aandoeningen vermag en wat zij niet vermag. In dit Deel nu heb ik gezegd alleen over de menschelijke machteloosheid te zullen handelen; over de macht der Rede ten aanzien van de gemoedsaandoeningen heb ik mij voorgenomen afzonderlijk te spreken.
_Stelling XVIII._
De Begeerte, welke uit Blijheid voortspruit is, onder overigens gelijke omstandigheden, sterker dan de Begeerte welke uit Droefheid voortspruit.
_Bewijs._
Begeerte is 's menschen wezen zelf (_vlg. Definitie I der Aand._) d.w.z. (_vlg. St. VII D. III_) het streven, waardoor de mensch in zijn bestaan tracht te volharden. Vandaar dat Begeerte, welke uit Blijheid ontspruit (_vlg. de Definitie van Blijheid, zie Opmerking St. XI D. III_), door die aandoening van Blijheid zelf wordt aangewakkerd of versterkt, terwijl daarentegen die, welke uit Droefheid voortkomt (_vlg. dezelfde Opmerking_) door die aandoening van Droefheid zelf wordt verzwakt of belemmerd. Derhalve moet de kracht der Begeerte, welke uit Blijheid ontspruit, zoowel door de menschelijke kracht als door die van een uitwendige oorzaak; de kracht der begeerte daarentegen, welke uit Droefheid voortkomt, door de menschelijke kracht alléén bepaald worden; zoodat deze ook sterker zal zijn dan gene. H.t.b.w.
_Opmerking:_ Hiermede heb ik in het kort de oorzaken der menschelijke machteloosheid en onstandvastigheid en waarom de menschen niet de voorschriften der Rede dienen, uiteen gezet. Er rest mij thans nog te doen zien, wàt de Rede ons dan voorschrijft, welke aandoeningen met de menschelijke Rede overeenstemmen en welke daarentegen daarmede in strijd zijn. Doch alvorens te beginnen dit alles uitvoerig volgens onze meetkundige methode uiteen te zetten, wil ik eerst deze voorschriften der Rede reeds nú aanduiden, opdat men datgene wat ik bedoel gemakkelijker zal kunnen begrijpen. Daar de Rede niets eischt dat tegen de Natuur is, verlangt zij dus zelf, dat een ieder zichzelf liefheeft en zijn eigen belang, d.w.z. datgene wat inderdaad nuttig voor hem is, zoekt; alles wat den mensch werkelijk tot grooter volmaaktheid leidt nastreeft, en in het algemeen, dat een ieder zijn bestaan, zooveel hij kan, tracht in stand te houden. Wat, dunkt mij, even noodzakelijk waar is, alsdat een geheel grooter is dan zijn deelen (_zie St. IV D. III_). Aangezien voorts Deugd (_vlg. Definitie VIII v.d. D._) niets anders is dan handelen krachtens de wetten van zijn eigen aard, en iemand niet anders dan krachtens de wetten van zijn eigen aard zijn bestaan kan handhaven (_vlg. St. VII D. III_), volgt hieruit _ten eerste_, dat de grondslag der Deugd dit streven om zijn bestaan te handhaven zelf is en dat het geluk daarin bestaat, dat de mensch zijn bestaan vermag te handhaven. Ten _tweede_ volgt er uit, dat Deugd om haar zelfswil moet worden nagestreefd en dat er niets voortreffelijkers, of voor ons nuttigers bestaat, terwille waarvan zij zou kunnen nagestreefd worden. Eindelijk volgt er ten _derde_ uit, dat zij, die zichzelf van het leven berooven, zwakzinnigen zijn, die zich geheel en al laten overmeesteren door uitwendige omstandigheden, welke met hunnen aard in strijd zijn. Verder volgt uit Postulaat IV Deel II, dat wij nooit kunnen bereiken, dat wij niets buiten ons zelf zouden behoeven om ons wezen in stand te houden en dat wij zoo zouden kunnen leven, dat wij geenerlei omgang [aanraking] met de dingen buiten ons hadden; terwijl wat onzen Geest betreft, ons verstand zeer zeker onvolmaakter zou zijn, indien de Geest alleen ware en niets anders buiten zichzelf kon begrijpen. Er bestaan dus tal van dingen buiten ons, welke nuttig voor ons zijn en welke daarom moeten worden nagestreefd. En onder deze dingen kan men zich niets voortreffelijkers denken dan zulke, welke met onzen eigen aard volkomen overeenstemmen. Immers, wanneer bijvoorbeeld twee enkeldingen van geheel denzelfden aard zich met elkaar verbinden, vormen zij tezamen één enkelding, dat tweemaal machtiger is dan elk alleen was. Voor den mensch is er daarom niets nuttigers dan de mensch. Niets, zeg ik, kunnen de menschen, om hun wezen in stand te houden, méér wenschen, dan dat zij allen zoozeer overeenstemmen, dat hun aller Geesten en Lichamen als het ware één enkelen Geest en één enkel Lichaam vormen; dat allen zooveel mogelijk gezamenlijk hun wezen trachten in stand te houden en dat allen gezamenlijk streven naar wat voor allen nuttig is. Waaruit volgt dat menschen, die door de Rede beheerscht worden, d.w.z. menschen die onder leiding der Rede hun belang nastreven, niets voor zichzelf begeeren wat zij niet ook voor de overige menschen verlangen, en dus dat zij rechtvaardig, trouw en eerlijk zijn.