# Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

## Part 17

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/ethica-in-meetkundigen-trant-uiteengezet-vertaald-ingeleid-en-t-723759a9/index.md

V. _Verachting_ is de voorstelling eener zaak, welke den Geest zoo weinig raakt, dat de Geest door haar aanwezigheid er méér toe gedreven wordt zich voor te stellen wat die zaak nìet, dan wat zij wèl bezit. (_Zie Opmerking St. LII v.d. D._)

De definities van Vereering en Ergernis laat ik hier achterwege, wijl, voorzoover ik weet, geen andere aandoeningen aan hen hun naam ontleenen.

VI. _Liefde_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak.

_Toelichting:_ Deze definitie drukt met voldoende duidelijkheid het wezen der Liefde uit. Die van andere schrijvers daarentegen, die zeggen dat _Liefde_ is: _de wil van dengene die liefheeft om zich met het geliefde wezen te vereenigen_, drukt niet het wezen, maar een eigenschap der Liefde uit. Wijl nu het wezen der Liefde door deze schrijvers niet voldoende werd doorzien, konden zij ook van die eigenschap geen helder begrip hebben en vandaar dat dan ook ieder hun definitie uiterst duister vindt. Men moet nu wèl in het oog houden, dat wanneer ik zeg dat het een eigenschap is van dengene die liefheeft, dat hij den wil heeft om zich met het geliefde wezen te vereenigen, ik hier onder "wil" niet versta toestemming of overweging of vrij besluit (want in St. XLVIII D. II hebben wij aangetoond dat deze zaken slechts inbeeldingen zijn) en evenmin de begeerte om zich met het geliefde wezen te vereenigen, wanneer dit niet aanwezig is, of om in zijn tegenwoordigheid te kunnen blijven wanneer het wel aanwezig is. Liefde toch is ook zonder een dezer begeerten denkbaar. Maar onder dien wil versta ik de Bevrediging [Rust] die dengene, die liefheeft, vervult tengevolge van de aanwezigheid van het geliefde wezen, waardoor de Blijheid van den eerste wordt versterkt of althans aangewakkerd.

VII. Haat is Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak.

_Toelichting:_ Wat hierover zou zijn op te merken is gemakkelijk af te leiden uit hetgeen in de Toelichting der voorgaande Definitie is gezegd. (_Zie bovendien Opmerking St. XIII v.d. D._)

VIII. _Neiging_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Blijheid is.

IX. _Afkeer_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Droefheid is. (_Zie hierover Opmerking St. XV v.d. D._)

X. _Toewijding_ is Liefde jegens dengene, dien wij bewonderen.

_Toelichting:_ Dat bewondering haar oorsprong vindt in de nieuwheid eener zaak hebben wij in Stelling LII van dit Deel aangetoond. Wanneer het dus voorkomt dat wij ons iets dat wij bewonderen herhaaldelijk voorstellen, houden wij op het te bewonderen; en wij zien daardoor dan ook dat de aandoening van Toewijding gemakkelijk tot gewone Liefde ontaardt.

XI. _Bespotting_ is Blijheid, voortgesproten uit het feit dat wij ons voorstellen dat iets, hetwelk wij verachten, aanwezig is in een zaak, welke wij haten.

_Toelichting:_ Voorzoover wij een zaak, welke wij haten, ook verachten, ontkennen wij haar bestaan [ontzeggen wij er iets aan] (_zie Opmerking St. LII v.d. D._) en inzoover zullen wij ons dus (_vlg. St. XX v.d. D._) verblijden. Maar aangezien wij onderstellen, dat iemand datgene wat hij bespot, toch ook haat, volgt hieruit, dat deze Blijheid niet duurzaam is. (_Zie Opmerking St. XLVII v.d. D._)

XII. _Hoop_ is een onstandvastige Blijheid, ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks verloop wij in eenig opzicht twijfelen.

XIII. _Vrees_ is een onstandvastige Droefheid, ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks verloop wij in eenig opzicht twijfelen. (_Zie hierover Opmerking II St. XVIII v.d. D._)

_Toelichting:_ Uit deze definitie volgt dat er geen Hoop bestaat zonder Vrees, noch Vrees zonder Hoop. Immers, wie in Hoop zweeft en twijfelt omtrent den afloop eener zaak, wordt verondersteld zich iets voor te stellen dat het bestaan dier toekomstige zaak uitsluit en dus zich in zoover ook te bedroeven (_vlg. St. XIX v.d. D._), en bijgevolg, zoolang hij hoopt, tevens te vreezen dat de zaak misloopt. Wie daarentegen in Vrees verkeert, d.w.z. wie twijfelt omtrent den afloop van iets dat hij haat, stelt zich eveneens iets voor dat het bestaan ervan uitsluit; hij verblijdt zich dus (_vlg. St. XX v.d. D._) en heeft bijgevolg inzoover Hoop dat het niet zal gebeuren.

XIV. _Gerustheid_ is Blijheid, ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel is opgeheven.

XV. _Wanhoop_ is Droefheid, ontsproten uit de voorstelling van iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel is opgeheven.

_Toelichting:_ Uit Hoop ontspringt dus Gerustheid, uit Vrees Wanhoop, wanneer de reden om over den afloop van iets te twijfelen wordt opgeheven. Wat het gevolg daarvan is, dat men zich òf een verleden of toekomstig iets als aanwezig voorstelt en dus als tegenwoordig beschouwt, òf zich iets anders voorstelt dat het bestaan uitsluit van al datgene wat ons in twijfel deed verkeeren. Want al kunnen wij (_vlg. Gevolg St. XXXI D. II_) nooit zéker zijn omtrent den afloop van bijzondere zaken, zoo kan het toch niettemin voorkomen dat wij omtrent hun afloop niet twijfelen. Wij hebben immers aangetoond (_zie Opmerking St. XLIX D. II_) dat het nog iets anders is aan iets niet te twijfelen, of zekerheid omtrent iets te bezitten. En zoo kan het dus gebeuren dat wij tengevolge van de voorstelling eener verleden of toekomstige zaak dezelfde aandoening van Blijheid of Droefheid ondervinden als door de voorstelling van iets dat werkelijk aanwezig is, gelijk wij in Stelling XVIII van dit Deel hebben bewezen. (_Men zie deze Stelling met de Opmerking daarbij_).

XVI. _Verheuging_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting [goed] afliep [uitviel].

XVII. _Spijt_ [Hartzeer] is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting [slecht] afliep [uitviel].

XVIII. _Medelijden_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van een kwaad dat aan een ander, dien wij als onzen gelijke beschouwen, is overkomen (_zie Opmerking St. XXII en Opmerking St. XXVII v.d. D._)

_Toelichting:_ Tusschen Medelijden en Barmhartigheid schijnt geen verschil te bestaan, tenzij misschien dit, dat Medelijden slaat op een bijzondere aandoening, barmhartigheid daarentegen op haar gewoonte[A61].

XIX. _Ingenomenheid_ is Liefde jegens iemand die een ander heeft welgedaan.

XX. _Verontwaardiging_ is Haat jegens iemand die een ander heeft kwaad gedaan.

_Toelichting:_ Ik weet dat deze woorden in het dagelijksch gebruik iets anders beteekenen. Maar het is niet mijn voornemen de beteekenis van woorden, doch den aard der dingen te verklaren en deze dingen dan aan te duiden met woorden, waarvan de beteekenis welke zij gewoonlijk hebben, met de beteekenis welke ik hen wensch te geven, niet geheel en al onvereenigbaar is. Het moge volstaan dit hier eens en vooral te hebben doen opmerken. Zie overigens over den oorsprong dier aandoeningen _Gevolg I Stelling XXVII_ en de _Opmerking bij Stelling XXII van dit Deel_.

XXI. _Overschatting_ is uit Liefde beter van iemand denken dan gerechtvaardigd is.

XXII. _Geringschatting_ is uit Haat slechter van iemand denken dan billijk is.

_Toelichting:_ Overschatting is dus een gevolg of eigenschap van Liefde, evenals Geringschatting van Haat. Men kan daarom Overschatting ook omschrijven als: Liefde, voorzoover zij den mensch er toe brengt beter van het geliefde wezen te denken dan gerechtvaardigd is en daarentegen Geringschatting als Haat, voorzoover hij den mensch er toe brengt slechter over het gehate wezen te oordeelen dan billijk is (_zie hierover Opmerking St. XXVI v.d. D._).

XXIII. _Nijd_ [Afgunst, Leedvermaak] is Haat voorzoover hij den mensch er toe brengt zich over eens anders geluk te bedroeven en omgekeerd zich over diens ongeluk te verblijden.

_Toelichting:_ Gewoonlijk wordt tegenover Nijd Barmhartigheid gesteld, welke dus, tegen de gewone beteekenis van het woord, als volgt kan worden omschreven:

XXIV. _Barmhartigheid_ is Liefde, voorzoover zij den mensch er toe brengt, zich over eens anders geluk te verblijden en omgekeerd zich over diens ongeluk te bedroeven.

_Toelichting:_ Zie overigens omtrent den Nijd de _Opmerking bij Stelling XXIV en de Opmerking bij Stelling XXXII van dit Deel_. Deze nu zijn de aandoeningen van Blijheid of Droefheid welke vergezeld gaan van voorstellingen eener uitwendige oorzaak, hetzij onmiddellijk of door toevallige omstandigheden. Ik zal nu tot de andere aandoeningen overgaan, welke vergezeld gaan van de voorstelling eener inwendige oorzaak.

XXV. _Zelfvoldaanheid_ [Tevredenheid met zichzelf] is Blijheid, ontstaan door de beschouwing van zichzelf en de eigen macht tot handelen.

XXVI. _Neerslachtigheid_ is Droefheid, ontstaan door de beschouwing van eigen machteloosheid of zwakheid.

_Toelichting:_ Zelfvoldaanheid staat tegenover Neerslachtigheid, voorzoover wij er onder verstaan de Blijheid, ontstaan door de beschouwing van onze eigen macht tot handelen; voorzoover wij er evenwel ook onder verstaan Blijheid, vergezeld door de voorstelling van een of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des Geestes meenen verricht te hebben, staat zij tegenover Berouw, dat door ons als volgt wordt omschreven:

XXVII. _Berouw_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van een of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des Geestes meenen verricht te hebben.

_Toelichting:_ De oorzaken dezer aandoeningen hebben wij aangewezen in de Opmerking bij Stelling LI van dit Deel en de Stellingen LIII, LIV en LV met de daarbij behoorende Opmerking. Over het vrije besluit des Geestes zie evenwel de Opmerking bij Stelling XXXV van Deel II. Doch hier valt bovendien nog op te merken dat het niet te verwonderen is wanneer algemeen op alle handelingen, welke men volgens gewoonte "verkeerd" noemt, Droefheid volgt en op alle die "behoorlijk" heeten Blijheid. Immers na het hier boven gezegde kunnen wij gemakkelijk inzien dat dit voornamelijk afhangt van de opvoeding. De ouders hebben toch, door gene daden af te keuren en hun kinderen er herhaaldelijk over te berispen, deze daarentegen aan te raden en te prijzen, gemaakt dat met gene aandoeningen van Droefheid, met deze echter van Blijheid verbonden worden. Hetgeen ook door de ervaring zelf wordt bevestigd. Immers gewoonte en godsdienst zijn niet voor iedereen dezelfde. Integendeel, wat den een heilig is, is voor den ander profaan; wat de een eerbaar vindt, is bij den ander schandelijk. Naar de wijze dus waarop ieder is opgevoed zal hij een daad berouwen of zich er op beroemen.

XXVIII. _Hoogmoed_ [Verwaandheid] is uit Liefde beter van zichzelf denken dan gerechtvaardigd is.

_Toelichting:_ Hoogmoed verschilt dus van overschatting daarin, dat deze op een uitwendig voorwerp betrekking heeft, gene echter op den mensch zelf die beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is. Overigens, evenals overschatting een gevolg of eigenschap der Liefde is, is Hoogmoed een gevolg of eigenschap van Eigenliefde, zoodat zij dus ook omschreven kan worden als Liefde tot zichzelf of Zelfvoldaanheid, voorzoover zij den mensch er toe brengt dat hij beter over zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is. (_Zie Opmerking St. XXVI v.d. D._). Van deze aandoening bestaat geen tegengestelde. Immers niemand denkt uit Haat jegens zichzelf slechter van zich dan billijk is. Jazelfs denkt niemand slechter van zichzelf dan billijk is, wanneer hij zich voorstelt dat hij dit of dat niet kan. Want als iemand zich voorstelt dat hij iets niet kan, stelt hij zich daarbij noodzakelijk die zaak voor en wordt hij door die voorstelling in een zoodanigen toestand gebracht dat hij ook inderdaad niet kan wat hij zich voorstelde niet te kunnen. Zoolang hij zich immers voorstelt dat hij dit of dat niet kan, zoolang ook wordt hij niet tot handelen gedreven en bijgevolg is het hem ook zoolang onmogelijk iets te doen. Indien wij evenwel letten op datgene wat uitsluitend van "meenen" [inbeelding] afhangt, kunnen wij tòch zeer goed begrijpen hoe het mogelijk is dat iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is. Zoo kan het immers voorkomen dat iemand, terwijl hij in Droefheid zijn eigen zwakheid beschouwt, zich inbeeldt dat hij door iedereen veracht wordt, terwijl integendeel anderen aan niets minder denken dan hem te verachten. Bovendien kan iemand slechter van zichzelf denken dan billijk is, wanneer hij op een gegeven oogenblik iets van zichzelf ontkent in verband met de toekomst, waaromtrent hij in het onzekere is; zooals bijvoorbeeld wanneer hij verklaart, dat hij niets zeker zal kunnen begrijpen, of dat hij niets dan verkeerde of schandelijke dingen kan begeeren of doen, enz. Verder kunnen wij nog zeggen dat iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is, wanneer wij zien dat hij uit al te groote vrees voor schande niet durft, wat zijns gelijken wel durven. Deze aandoening kunnen wij dus tegenover den Hoogmoed stellen. Ik zal haar _Zelfverachting_ [Kleinmoedigheid] noemen, want evenals uit Zelfvoldaanheid de Hoogmoed, zoo ontspruit uit Ootmoed de Zelfverachting, welke daarom als volgt door ons kan worden omschreven:

XXIX. _Zelfverachting_ [Kleinmoedigheid] is uit Droefheid slechter van zichzelf denken dan billijk is.

_Toelichting:_ Toch plegen wij dikwijls Deemoed tegenover Hoogmoed te stellen. Wij letten daarbij dan echter meer op beider uitwerking dan op beider karakter. Wij zijn namelijk gewoon iemand hoogmoedig te noemen die al te zeer pocht (_zie Opmerking St. XXX v.d. D._), die van zichzelf niets dan deugden en van anderen niets dan fouten weet te vertellen; die boven allen den voorrang wil hebben en die tenslotte optreedt met een waardigheid en praalvertoon, welke slechts toekomen aan wie verre boven hem geplaatst zijn. Daarentegen noemen wij deemoedig, wie dikwijls bloost, zijn feilen erkent en van anderer deugden verhaalt, elkeen uit den weg gaat, met gebogen hoofd voortschrijdt en het versmaadt zich op te sieren. Overigens zijn deze aandoeningen, ik bedoel Deemoed en Zelfverachting allerzeldzaamst. Want de menschelijke aard op zichzelf beschouwd, verzet zich zooveel mogelijk tegen haar (_zie St. XIII en St. LIV v.d. D._). Vandaar dat zij, die zichzelf voor uiterst deemoedig en nederig houden, in werkelijkheid meestal in de hoogste mate eerzuchtig en afgunstig zijn.

XXX. _Zelfverheerlijking_ is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad, waarvan wij meenen dat zij door anderen geprezen wordt.

XXXI. _Schaamte_ is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad, waarvan wij meenen dat zij door anderen gelaakt wordt.

_Toelichting:_ Zie hieromtrent de Opmerking bij Stelling XXX van dit Deel. Er moet hier evenwel gewezen worden op het onderscheid dat er bestaat tusschen Schaamte en Schroom. Schaamte toch is Droefheid, welke volgt op het feit waarover men zich schaamt. Schroom evenwel is Vrees of Angst voor Schaamte, waardoor iemand ervan wordt terug gehouden iets schandelijks te begaan. Men pleegt tegenover Schroom Onbeschaamdheid te stellen, maar deze is in werkelijkheid geen aandoening, gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen. Doch de namen der aandoeningen berusten (gelijk ik reeds heb opgemerkt) meer op het [spraak] gebruik dan op hun aard.

En hiermede heb ik de aandoeningen van Blijheid en Droefheid, welke ik mij had voorgenomen toe te lichten, afgehandeld. Ik ga dus over tot die, welke ik terugbreng tot Begeerte.

XXXII. _Verlangen_ is Begeerte of Drang om iets te bemachtigen [te bereiken], welke Begeerte door de herinnering aan de zaak wordt aangewakkerd en terzelfdertijd door de herinnering aan andere dingen, welke het bestaan der begeerde zaak uitsluiten, wordt belemmerd.

_Toelichting:_ Wanneer wij ons een zeker iets herinneren, zijn wij, gelijk wij reeds herhaaldelijk opmerkten, door dit feit zelf genoopt om die zaak met dezelfde aandoening te beschouwen alsof zij werkelijk aanwezig ware. Deze geneigdheid of dit streven echter wordt, als wij in wakenden toestand verkeeren, meestal belemmerd door voorstellingen van dingen, welke het bestaan van datgene wat wij ons herinneren uitsluiten. Wanneer wij ons dus iets herinneren, dat een of andere soort van Blijheid in ons opwekte, zullen wij vanzelf er naar streven om deze zaak met dezelfde aandoening van Blijheid, als aanwezig te beschouwen; welk streven dan weer onmiddellijk belemmerd wordt door de herinnering aan dingen, welke haar bestaan uitsluiten. Vandaar dat Verlangen inderdaad Droefheid is, tegenovergesteld aan die Blijheid welke het gevolg is van de afwezigheid van iets dat wij haten. Men zie hierover de Opmerking bij Stelling XLVII van dit Deel. Omdat evenwel het woord Verlangen in betrekking schijnt te staan met Begeerte, reken ik deze aandoening tot de aandoeningen van Begeerte.

XXXIII. _Wedijver_ is een Begeerte tot iets, welke in ons ontstaat doordat wij ons voorstellen dat anderen dezelfde Begeerte hebben.

_Toelichting:_ Van iemand die vlucht omdat hij anderen ziet vluchten, of die vreest omdat hij anderen ziet vreezen; ja, ook van iemand die, omdat hij ziet dat een ander zijn hand brandde, zijn eigen hand terugtrekt, en een gebaar maakt alsof hijzelf zich gebrand had, zeggen wij dat hij eens anders aandoening nabootst, doch niet dat hij met dien ander wedijvert. Niet wijl wij voor wedijver en nabootsing verschillende oorzaken zouden weten aan te geven, maar wijl het nu eenmaal gebruik geworden is, dat wij slechts van wedijver spreken bij hem die iets nabootst wat wij eervol, nuttig of aangenaam achten. Zie overigens over den oorsprong van den wedijver Stelling XXVII van dit Deel met de Opmerking daarbij. Omtrent de reden waarom deze aandoening meestal verbonden is met afgunst, zie Stelling XXXII van dit Deel en de Opmerking daarbij.

XXXIV. _Dank_ of _Dankbaarheid_ is Begeerte, of een streven der Liefde om wèl te doen wie ons uit gelijke Liefde een weldaad heeft bewezen. (_Zie St. XXXIX en Opmerking St. XLI v.d. D._)

XXXV. _Welwillendheid_ is Begeerte om iemand met wien wij medelijden hebben wèl te doen (_zie Opmerking St. XXVII v.d. D._)

XXXVI. _Toorn_ is Begeerte, waardoor wij uit Haat er toe worden gedreven hem, dien wij haten, kwaad te berokkenen (_zie St. XXXIX v.d. D._)

XXXVII. _Wraakzucht_ is Begeerte, waardoor wij uit wederkeerigen Haat ertoe worden gedreven, hem, die ons op grond van dezelfde aandoening benadeelde, kwaad te doen. (_Zie Gevolg II St. XL v.d. D. en Opmerking_).

XXXVIII. _Wreedheid_ of _Gruwzaamheid_ is Begeerte, waardoor wij worden gedreven iemand, dien wij liefhebben of met wien wij medelijden gevoelen kwaad te doen.

_Toelichting:_ Tegenover Wreedheid staat _Zachtmoedigheid_ [Goedertierenheid], welke geen lijding is, maar de zielskracht door welke de mensch toorn en wraakzucht tempert.

XXXIX. _Angst_ is de Begeerte om een grooter kwaad dat wij vreezen, door een kleiner kwaad te vermijden. (_Zie Opmerking St. XXXIX v.d. D._)

XL. _Vermetelheid_ is de Begeerte, waardoor iemand wordt gedreven iets te doen met een gevaar voor zichzelf, dat zijns gelijken te loopen vreezen.

XLI. _Lafhartigheid_ wordt toegeschreven aan hem, wiens Begeerte wordt in bedwang gehouden door angst voor een gevaar dat zijns gelijken aandurven.

_Toelichting:_ Lafhartigheid is dus niets anders dan vrees voor een kwaad dat de meeste menschen niet plegen te vreezen, zoodat ik haar niet tot de Begeerten reken. Toch heb ik haar hier moeten toelichten, wijl zij, voorzoover de Begeerte betreft, inderdaad tegenover de aandoening der Vermetelheid geplaatst wordt.

XLII. _Verbijstering_ wordt toegeschreven aan hem, wiens begeerte om een kwaad te ontwijken, belemmerd wordt door Verbazing over het kwaad dat hij vreest.

_Toelichting:_ Verbijstering is dus een soort van lafhartigheid. Wijl echter verbijstering uit een dubbele vrees ontspringt, kan zij gemakkelijker worden gedefinieerd als zijnde die vrees, welke den mensch zóó verstomd doet staan of in weifeling houdt, dat hij een of ander kwaad niet kan afwenden. Ik zeg "verstomd doet staan", voorzoover wij aannemen dat zijn begeerte om het kwaad af te wenden, wordt belemmerd door verbazing. Maar "in weifeling houdt" zeg ik voorzoover wij aannemen dat de begeerte wordt belemmerd door vrees voor een ander kwaad, dat hem evenzeer kwelt, zoodat hij niet weet welk van de twee hij zal afwenden. (_Zie hierover Opmerking St. XXXIX en Opmerking St. LII v.d. D. en overigens over Lafhartigheid en Vermetelheid Opmerking St. LI v.d. D._)

XLIII. _Menschenmin_ [Vriendelijkheid] of _Gematigdheid_ [Minzaamheid][A62] is de Begeerte om te doen wat den menschen behaagt en te laten wat hen mishaagt.

XLIV. _Eerzucht_ is onmatige Begeerte naar roem.

_Toelichting:_ Eerzucht is een Begeerte, door welke (_vlg. St. XXVII en XXXI v.d. D._) alle aandoeningen worden aangewakkerd en versterkt en daarom is deze aandoening bijna niet te overwinnen. Want zoolang als de mensch door welke begeerte ook bevangen is, is hij noodzakelijk tevens bevangen door deze. "De allerbesten" zeide Cicero[V15], "worden in hooge mate door Eerzucht geleid. Zelfs wijsgeeren, die schrijven over de verachtelijkheid van den roem, zetten hun naam op hun boeken, enz."

[Voetnoot 15: Pro archia XI.]

XLV. _Gulzigheid_ is onmatige Begeerte of ook wel Liefde tot gastmalen.

XLVI. _Drankzucht_ is onmatige Begeerte en Liefde tot drinken.

XLVII. _Hebzucht_ is onmatige Begeerte en Liefde tot rijkdommen.

XLVIII. _Wellustigheid_ eindelijk is Begeerte en Liefde tot lichamelijke vermenging.

_Toelichting:_ Deze begeerte tot vermenging pleegt men steeds wellustigheid te noemen, onverschillig of zij gematigd is of niet.

