# Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

## Part 16

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/ethica-in-meetkundigen-trant-uiteengezet-vertaald-ingeleid-en-t-723759a9/index.md

_Opmerking:_ Deze Droefheid, vergezeld door de voorstelling onzer machteloosheid, wordt _Neerslachtigheid_ geheeten; de Blijheid daarentegen, welke uit de beschouwing van onszelf ontspruit heet _Eigenliefde_ of _Tevredenheid met zich zelf_ [Zelfvoldaanheid]. En aangezien deze laatste zich even dikwijls herhaalt als men zijn deugden of zijn vermogen tot handelen beschouwt, is het gevolg hiervan dat elkeen brandt van begeerte om van zijn eigen daden te verhalen en zoowel zijn Lichaamskracht als zijn geestelijk kunnen ten toon te spreiden, en dat de menschen elkaar om deze reden dan ook tot last zijn. Waaruit wederom volgt dat de menschen elkaar van nature benijden (_zie Opmerking St. XXIV en Opmerking St. XXXII v.d. D._), ofwel dat zij zich verheugen over de machteloosheid en daarentegen bedroeven over de flinkheid van huns gelijken. Immers zoo dikwijls zich iemand zijn eigen handelingen voorstelt, zoo dikwijls zal hij zich (_vlg. St. LIII v.d. D._) verblijden, en dat wel te meer naarmate hij zich die handelingen duidelijker en als uitdrukking van hooger volmaaktheid voorstelt; d.w.z. (_vlg. wat in Opmerking I St. XL D. II betoogd werd_) hoe meer hij ze kan beschouwen als bijzondere daden, van andere wèl onderscheiden. Vandaar dat ieder zich bij de beschouwing van zichzelf dàn het meest zal verblijden wanneer hij iets in zichzelf ziet wat hij aan anderen ontzegt. Doch wanneer hij datgene wat hij van zichzelf bevestigt, tot de algemeene voorstelling mensch of dier kan terug brengen, zal hij zich niet in zulk een mate verblijden; en bedroeven zal hij zich daarentegen, als hij zich voorstelt dat zijn daden bij die van anderen vergeleken, onbelangrijker zijn; welke Droefheid hij dan (_vlg. St. XXVIII v.d. D._) zal trachten van zich af te zetten, en dat wel door de daden van zijnsgelijken verkeerd uit te leggen en zijn eigene zooveel mogelijk op te sieren. Het blijkt dus wel dat de menschen van nature tot Haat en Nijd overhellen, waartoe hun opvoeding nog het hare bijdraagt. De ouders immers plegen hun kinderen uitsluitend met den prikkel van eerzucht en naijver tot deugd aan te sporen. Doch misschien zal men hier tegenwerpen dat wij toch niet zelden de deugden van menschen bewonderen en henzelf vereeren. Om deze bedenking uit den weg te ruimen zal ik het onderstaande Gevolg hier aan toe voegen.

_Gevolg:_ Niemand benijdt een ander om diens voortreffelijkheid, dan alleen zijns gelijke.

_Bewijs._

Nijd is Haat (_zie Opmerking St. XXIV v.d. D._), of (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) Droefheid, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) een aandoening waardoor 's menschen vermogen of streven om te handelen wordt belemmerd. Maar de mensch streeft (_vlg. Opmerking St. IX v.d. D._) noch begeert iets anders te doen dan wat uit zijn gegeven aard kan voortvloeien en daarom zal hij niet begeeren dat hem eenig vermogen tot handelen of (wat hetzelfde is) eenige deugd, worde toegeschreven, welke tot eens anders aard behoort, doch hemzelf vreemd is. Derhalve kan ook zijn eigen begeerte niet belemmerd worden door, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) kan hij zich niet bedroeven over het feit dat hij een of andere deugd bij een ander, die niet zijns gelijke is, waarneemt, en bijgevolg zal hij dien ander ook niet kunnen benijden. Wel echter zijns gelijke, van wien ondersteld wordt dat hij denzelfden aard heeft. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Wanneer wij dus hierboven in de Opmerking bij Stelling LII van dit Deel zeiden, dat wij iemand vereeren omdat wij zijn verstand, moed enz. bewonderen, dan komt dit (_gelijk uit de stelling zelf blijkt_) doordat wij ons deze deugden als hèm in het bijzonder eigen en niet als aan onzen aard gemeen voorstellen; zoodat wij ze hem evenmin benijden als een boom zijn hoogte, een leeuw zijn kracht enz.

_Stelling LVI._

Er zijn evenveel schakeeringen van Blijheid, Droefheid en Begeerte, en bijgevolg van alle aandoeningen, welke uit deze zijn samengesteld, zooals Weifelmoedigheid, of welke uit hen worden afgeleid, zooals Liefde, Haat, Hoop, Vrees enz. als er soorten van voorwerpen bestaan welke op ons inwerken.

_Bewijs._

Blijheid en Droefheid, en bijgevolg de aandoeningen welke daaruit zijn samengesteld of afgeleid, zijn (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) _Lijdingen_; wij lijden echter (_vlg. St. I v.d. D._) noodzakelijk voorzoover wij inadaequate voorstellingen hebben; en wel (_vlg. St. III v.d. D._) _uitsluitend_ voorzoover wij die hebben lijden wij; d.w.z. (_zie Opmerking I St. XL D. II_) uitsluitend in zooverre lijden wij noodzakelijk, als wij ons iets verbeelden [voorstellen], ofwel (_zie St. XVII en Opmerking D. II_) voorzoover wij een inwerking ondergaan welke den aard van ons eigen Lichaam en dien van een uitwendig voorwerp in zich sluit. De aard van iedere lijding moet dus noodzakelijk aldus worden verklaard dat ook de aard van het voorwerp dat op ons inwerkt, er in wordt uitgedrukt. Zoo zal de Blijheid welke uit bijvoorbeeld een voorwerp A ontspruit, den aard van ditzelfde voorwerp A en de Blijheid welke door een voorwerp B wordt te weeg gebracht, den aard van ditzelfde voorwerp B in zich sluiten en dien ten gevolge zijn deze beide aandoeningen van Blijheid verschillend van aard, aangezien zij uit oorzaken van verschillenden aard voortspruiten. Evenzoo is de aandoening van Droefheid door het eene voorwerp opgewekt, van anderen aard dan de Droefheid door een andere oorzaak te weeg gebracht; hetgeen eveneens geldt voor Liefde, Haat, Hoop, Vrees, Weifelmoedigheid enz. En vandaar dat er noodzakelijk evenveel schakeeringen van Blijheid, Droefheid, Liefde, Haat enz. bestaan, als soorten van voorwerpen welke op ons inwerken. Nu is echter de Begeerte het wezen of de aard zelf van ieder mensch, voorzoover men hem beschouwd als krachtens een of andere gegeven gesteldheid er toe gedreven om iets te doen (_zie Opmerking St. IX v.d. D._) Derhalve: al naar gelang in iemand door uitwendige oorzaken deze of gene soort van Blijheid of Droefheid, Liefde, Haat, enz. wordt opgewekt, d.w.z. al naar gelang iemands aard in dezen of genen toestand wordt gebracht, zal ook zijn begeerte zus of zoo zijn; waarbij de aard der eene Begeerte evenzeer van dien der andere moet verschillen als de aandoeningen, waaruit elk van hen ontsproot, van elkaar verschillen. Er bestaan dus evenzoovele soorten van Begeerte als er soorten van Blijheid, Droefheid, Liefde enz. zijn en bijgevolg (_vlg. hetgeen reeds werd bewezen_) als er soorten van voorwerpen zijn welke op ons inwerken. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Onder de soorten van aandoeningen, welke (_vlg. voorgaande St._) zeer talrijk moeten zijn, zijn de voornaamsten: _Gulzigheid_, _Drankzucht_, _Wellustigheid_, _Hebzucht_ en _Eerzucht_; al welke [hartstochten] niets anders zijn dan schakeeringen van Liefde of Begeerte, welke den aard dezer aandoeningen openbaren naar gelang der voorwerpen waarop zij betrekking hebben. Immers onder Gulzigheid, Drankzucht, Wellustigheid, Hebzucht en Eerzucht verstaan wij niets anders dan een onmatige liefde of begeerte tot zwelgen, drinken, bijslaap, rijkdommen en roem. Overigens hebben deze aandoeningen voorzoover we ze alleen ten opzichte van het voorwerp waarop zij betrekking hebben, van andere onderscheiden, geen tegengestelden. Want de _Matigheid_, welke wij aan Gulzigheid, de _Nuchterheid_ welke wij aan Drankzucht en tenslotte de _Kuischheid_ welke wij aan Wellustigheid tegenover te stellen plegen, zijn geen gemoedsaandoeningen of lijdingen, maar duiden de zielskracht aan, welke deze aandoeningen matigt. De overige soorten van gemoedsaandoeningen kan ik hier verder niet behandelen (aangezien er evenzoovele bestaan als soorten van voorwerpen) en het zou bovendien, al kon ik het, ook niet noodig zijn. Voor datgene toch wat wij ons ten doel stellen: namelijk de kracht der aandoeningen en de macht, welke de Geest over hen heeft te bepalen, is het voor ons voldoende om een _algemeene_ definitie, op iedere aandoening toepasselijk, te bezitten. Het is voor ons voldoende, zeg ik, de algemeene eigenschappen der aandoeningen en van den Geest te begrijpen en te kunnen vaststellen hoedanig en hoe groot de macht van den Geest in het temperen en bedwingen der aandoeningen is. Ofschoon dus het verschil tusschen deze of gene aandoening van Liefde, Haat of Begeerte groot is, gelijk bijvoorbeeld tusschen iemands liefde jegens zijn kinderen en zijn liefde jegens zijn echtgenoote, hebben wij nochtans niet van noode deze verschillen te kennen en aard en oorsprong der aandoeningen nog dieper na te speuren.

_Stelling LVII._

Elke aandoening van elken enkeling verschilt evenveel van de [soortgelijke] aandoening van een ander, als het wezen van den een verschilt van het wezen van den ander.

_Bewijs._

Deze stelling blijkt uit Axioma I (_zie achter Hulpst. III, Opmerking St. XIII D. II_). Wij zullen haar echter niettemin nog bewijzen uit de definities der drie oorspronkelijke aandoeningen.

Alle aandoeningen zijn terug te brengen tot Begeerte, Blijheid of Droefheid, gelijk blijkt uit de definities, welke wij van deze gegeven hebben. Maar Begeerte is ieders aard of wezen zelf (_zie haar definitie in Opmerking St. IX v.d. D._). Derhalve verschilt de Begeerte van elken enkeling evenveel van de Begeerte van een ander als de aard of het wezen van den een verschilt van het wezen van den ander. Voorts zijn Blijheid en Droefheid lijdingen, waardoor ieders vermogen of streven om in zijn bestaan te volharden wordt vermeerderd of verminderd, bevorderd of belemmerd (_vlg. St. XI en Opmerking v.d. D._). Onder dit streven om in zijn bestaan te volharden, voorzoover het op Geest en Lichaam beide betrekking heeft, verstaan wij echter Drang en Begeerte (_zie Opmerking St. IX v.d. D._). Derhalve zijn Blijheid en Droefheid, Drang of Begeerte zelf, voorzoover deze door uitwendige oorzaken worden vermeerderd of verminderd, bevorderd of belemmerd; d.w.z. (_vlg. dezelfde Opmerking_) zij zijn de aard zelf van ieder wezen, en daarom verschilt ook een ieders Blijheid of Droefheid evenveel van de Blijheid of Droefheid van een ander, als de aard of het wezen van den een verschilt van het wezen van een ander, en bijgevolg verschilt elke aandoening van elken enkeling evenveel van de soortgelijke aandoening van een ander als enz. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hieruit volgt dat de aandoeningen der dieren, welke redeloos genoemd worden (want dat de dieren gevoel hebben kunnen wij, nu wij den oorsprong van den Geest kennen, onmogelijk langer betwijfelen), evenveel van de aandoeningen der menschen verschillen als hun aard van den menschelijken aard verschilt. Weliswaar worden paard en mensch beide door teeldrift gedreven, gene echter krachtens den lust welke het paard, deze krachtens die welke den mensch eigen is. Evenzoo moeten ook de wellust en begeerten van insekten, visschen en vogels voor elk van hen weer anders zijn. Hoewel dus elk individu, tevreden met den aard dien het bezit, leeft en zich daarin verheugt, zijn toch dit leven, waarmede elk tevreden is en die vreugde niets anders, dan de voorstelling of de ziel van ditzelfde individu, en derhalve moet de vreugde van het eene natuurlijkerwijs evenzooveel van de vreugde van het andere verschillen als het wezen van het eene verschilt van het wezen van het andere. Tenslotte volgt uit de voorgaande stelling dat er eveneens geen gering verschil bestaat tusschen de vreugde waardoor bv. de dronkaard geleid wordt en die welke den wijsgeer bezielt, wat ik hier in het voorbijgaan wilde opmerken.

Dit over de aandoeningen, welke betrekking hebben op den mensch voorzoover hij lijdt. Er rest mij nu nog enkele woorden toe te voegen over die, welke betrekking op hem hebben voorzoover hij handelt.

_Stelling LVIII._

Behalve de Blijheid en Begeerte, welke lijdingen zijn, bestaan er nog andere aandoeningen van Blijheid en Begeerte welke betrekking op ons hebben voorzoover wij handelen.

_Bewijs._

Wanneer de Geest zich van zichzelf en zijn macht tot handelen bewust is, verblijdt hij zich (_vlg. St. LIII v.d. D._). De Geest beschouwt (_vlg. St. XLIII D. II_) echter zichzelf noodzakelijk wanneer hij een ware of adaequate voorstelling heeft. Maar de Geest heeft (_vlg. Opmerking II St. XL D. II_) inderdaad enkele adaequate voorstellingen. Derhalve zal hij zich ook in zooverre verblijden als hij [zulke] adaequate voorstellingen heeft; d.w.z. (_vlg. St. I v.d. D._) voorzoover hij handelt. Verder streeft de Geest (_vlg. St. IX v.d. D._), zoowel voorzoover hij verwarde als voorzoover hij heldere en duidelijke voorstellingen heeft, er naar in zijn bestaan te volharden. Onder dit streven echter verstaan wij (_vlg. de Opmerking daarbij_) De Begeerte. Derhalve heeft dus de Begeerte ook betrekking op ons voorzoover wij begrijpen, of (_vlg. St. I v.d. D._) voorzoover wij handelen. H.t.b.w.

_Stelling LIX._

Onder de aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest voorzoover hij handelt, behooren slechts zulke, welke tot Blijheid of Begeerte teruggebracht kunnen worden.

_Bewijs._

Alle aandoeningen kunnen teruggebracht worden tot Begeerte, Blijheid of Droefheid, gelijk uit de definities welke wij daarvan gaven blijkt. Onder Droefheid evenwel verstaan wij (_vlg. St. XI en Opmerking v.d. D._) dat het vermogen van den Geest tot denken wordt verminderd of belemmerd. Derhalve bedroeft zich de Geest in zoover als zijn vermogen tot begrijpen, d.w.z. (_vlg. St. I v.d. D._) tot handelen, wordt verminderd of belemmerd. Wij kunnen daarom geen enkele aandoening van Droefheid met den Geest in verband brengen voorzoover hij handelt, doch uitsluitend aandoeningen van Blijheid en Begeerte, welke (_vlg. voorgaande St._) ook in dit opzicht op den Geest betrekking hebben. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Alle handelingen welke voortvloeien uit aandoeningen welke betrekking hebben op den Geest voorzoover hij begrijpt, rangschik ik onder het begrip "_Flinkheid_" [kloekheid], waarin ik dan onderscheid "_Geestkracht_" en "_Edelmoedigheid_". Onder _Geestkracht_ versta ik namelijk _die Begeerte, krachtens welke ieder, alleen op voorschrift der Rede, er naar streeft in zijn bestaan te volharden_. Onder _Edelmoedigheid_ echter versta ik _die Begeerte krachtens welke ieder, alleen op voorschrift der Rede, er naar streeft anderen te helpen en door vriendschap aan zich te verbinden_. Die handelingen dus, welke alleen het nut van den handelende beoogen, rangschik ik onder Geestkracht en die welke tevens anderen tot nut strekken, onder Edelmoedigheid, Matigheid, Nuchterheid, Tegenwoordigheid van Geest in gevaren, enz., zijn soorten van Geestkracht. Gematigdheid [Minzaamheid], Goedertierenheid enz. daarentegen zijn soorten van Edelmoedigheid.

En hiermede meen ik de voornaamste aandoeningen en gemoedsbewegingen welke uit de verbinding der drie oorspronkelijke aandoeningen, namelijk Begeerte, Blijheid en Droefheid, ontspruiten, toegelicht en in hun eerste oorzaken blootgelegd te hebben. Er blijkt uit dit alles, dat wij op tal van wijzen door uitwendige oorzaken worden bewogen en dat wij als de golven der zee, door tegengestelde winden voortgezweept, ronddobberen, onwetend omtrent den afloop en van ons noodlot. Toch zeide ik dat ik alleen nog maar de voornaamste aandoeningen beschreven heb en geenszins alle welke bestaanbaar zijn. Immers voortgaande op denzelfden weg als hierboven, kunnen wij gemakkelijk aantoonen, dat Liefde ook verbonden kan zijn met Berouw, Verontwaardiging, Schaamte enz. Ik meen dan ook dat het, na hetgeen tot nu werd gezegd, voor ieder wel duidelijk zal vaststaan, dat de aandoeningen op zóóvele wijzen met elkaar kunnen worden verbonden en dat er dientengevolge een zóó groote verscheidenheid ontstaat, dat hun aantal niet te bepalen is. Voor mijn bedoeling evenwel volstaat het dat ik slechts de voornaamsten heb opgenoemd, want de behandeling der overigen, welke ik wegliet, zou meer tot bevrediging van weetgierigheid strekken dan werkelijk van nut zijn[A58]. Nochtans wil ik omtrent de Liefde nog doen opmerken, dat het zeer dikwijls voorkomt dat ons Lichaam, terwijl wij een zaak welke wij begeerden genieten, door dit genot in een nieuwen toestand geraakt, waardoor het voor iets anders ontvankelijk wordt en de beelden van andere dingen er in worden opgewekt, terwijl terzelfdertijd de Geest zich die andere dingen gaat voorstellen en begeeren. Zoo begeeren wij bijvoorbeeld, wanneer wij ons iets voorstellen, dat ons door zijn smaak pleegt te verheugen, dit voorwerp ook te genieten, d.w.z. op te eten. Maar terwijl wij nu daarvan genieten, wordt de maag verzadigd en verkrijgt het Lichaam een andere gesteldheid. Indien nu, terwijl het Lichaam reeds in anderen toestand is, de voorstelling dier bepaalde spijs, doordat zijzelf aanwezig is, wordt verlevendigd en bijgevolg ook het streven of de begeerte om haar op te eten, zal die nieuwe gesteldheid des Lichaams zich tegen die begeerte of dit streven verzetten en bijgevolg zal de aanwezigheid van de spijs, welke wij eerst begeerden, ons thans onaangenaam zijn. Dit is het wat wij "_Tegenzin_" en "_Walging_" noemen.

Verder heb ik die uitwendige werkingen des Lichaams, welke bij de aandoeningen worden opgemerkt, zooals beven, verbleeken, snikken, lachen enz. verwaarloosd, omdat zij uitsluitend op het Lichaam betrekking hebben, zonder in eenig verband te staan met den Geest. Tenslotte wil ik nog een en ander doen opmerken naar aanleiding van de definities der aandoeningen, zoodat ik ze hier naar volgorde herhalen en wat bij elk van hen valt op te merken, er tusschen voegen zal.

DEFINITIES DER AANDOENINGEN

I. _Begeerte_ is 's menschen wezen zelf, opgevat als krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt om iets te doen.

_Toelichting:_ Wij hebben hierboven, in de Opmerking bij Stelling IX van dit Deel, gezegd dat Begeerte "Drang" is, gepaard met het bewustzijn daarvan, dat evenwel die Drang 's menschen wezen zelf is, voorzoover hij daardoor wordt gedreven om datgene te doen, wat tot zijn eigen behoud strekt. Doch in diezelfde Opmerking heb ik tevens er op gewezen dat ik tusschen dien menschelijken Drang en de Begeerte eigenlijk geen onderscheid erken. Immers of de mensch zich van zijn Drang bewust is of niet, de Drang blijft nochtans dezelfde en ik heb daarom, om mij niet schijnbaar aan tautologie schuldig te maken, de Begeerte liever niet uit den Drang willen afleiden, maar veeleer mijn best gedaan haar aldus te omschrijven dat al die strevingen van den menschelijken aard, welke wij met de woorden drang, wil, begeerte of aandrift[A59] aanduiden, er onder begrepen zijn. Ik had dus ook kunnen zeggen: Begeerte is 's menschen wezen zelf, opgevat als genoopt om iets te doen; doch uit deze definitie zou (_vlg. St. XXIII D. II_) niet volgen dat de Geest zich van zijn Begeerte of Drang bewust kan zijn. Om dus ook een oorzaak voor deze bewustwording in te sluiten, was het (_vlg. dezelfde St._) noodig er aan toe te voegen: "opgevat als krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt" enz. Want onder een aandoening van 's menschen wezen verstaan wij iedere gesteldheid van dit wezen, welke ook, hetzij zij aangeboren is [dan wel verworven][A60], en hetzij men haar beschouwe als openbaring van alleen het Denken, dan wel van alleen de Uitgebreidheid, of wel eindelijk van beide tegelijk. Ik versta hier dus onder het woord Begeerte elk streven, elke aandrift, elken drang en elke willing van den mensch, welke naar gelang van 's menschen eigen wisselende gesteldheid, telkens verschillen en niet zelden zoozeer met elkaar in strijd zijn, dat de mensch op alle manieren her en derwaarts wordt geslingerd en niet weet waarheen hij zich zal wenden.

II. Blijheid is 's menschen overgang van geringer tot grooter volmaaktheid.

III. Droefheid is 's menschen overgang van grooter tot geringer volmaaktheid.

_Toelichting:_ Ik zeg "overgang". Want Blijheid is niet volmaaktheid zelf. Immers indien de mensch met die volmaaktheid, waartoe hij kan overgaan, geboren werd, zou hij haar bezitten zonder eenige aandoening van Blijheid, hetgeen nog duidelijker blijkt bij de Droefheid, welke het tegenovergestelde van deze aandoening is. Want dat Droefheid bestaat in overgang tot geringer volmaaktheid, doch niet in die geringe volmaaktheid zelf, kan niemand ontkennen, aangezien geen mensch zich bedroeven kan, voorzoover hij ook maar eenige volmaaktheid deelachtig is. Evenmin kunnen wij zeggen dat Droefheid bestaat in gemis van grooter volmaaktheid; want een gemis is niets, terwijl een aandoening van Droefheid een zielsproces is en dus niets anders zijn kan dan het proces van overgang tot geringer volmaaktheid, d.w.z. (_zie Opmerking St. XI v.d. D._) een proces waardoor 's menschen vermogen tot handelen wordt verminderd of belemmerd. Voor het overige laat ik de definities van Opgewektheid, Prikkeling, Gedruktheid en Pijn hier weg, wijl zij voornamelijk betrekking hebben op het Lichaam en niets anders zijn dan schakeeringen van Blijheid of Droefheid.

IV. Verbazing is een zoodanig zich voorstellen eener zaak, dat de Geest er door geboeid blijft, wijl deze bijzondere voorstelling geen verband houdt met andere [gelijktijdige] voorstellingen. (_Zie St. LII en Opmerking v.d. D._)

_Toelichting:_ In de Opmerking bij Stelling XVIII Deel II hebben wij aangetoond welke de oorzaak ervan is, dat de Geest van de beschouwing van het eene ding dadelijk op de gedachte aan een ander komt; te weten wijl de beelden dier dingen aaneengeschakeld en aldus gerangschikt zijn, dat zij op elkaar volgen. Wat ondenkbaar is, wanneer de voorstelling eener zaak geheel nieuw is en de Geest dus bij de beschouwing ervan wordt vastgehouden, totdat hij door andere oorzaken wordt gedwongen aan iets anders te denken. Op zichzelf beschouwd is dus de voorstelling van een nieuw ding van denzelfden aard als andere en om deze reden reken ik dan ook de Verbazing niet tot de oorspronkelijke aandoeningen en zie ik ook geen reden waarom ik dit doen zou, aangezien deze in beslagneming van den Geest uit geen enkele positieve oorzaak, welke den Geest van andere dingen zou aftrekken, voortspruit, doch alleen uit het feit dat een oorzaak, waardoor de Geest van de beschouwing van het eene ding tot het denken aan iets anders gedwongen kon worden, ontbreekt. Ik erken dus slechts (_gelijk in Opmerking St. XI v.d. D. reeds werd gezegd_) drie oorspronkelijke of primaire aandoeningen, namelijk Blijheid, Droefheid en Begeerte en ik heb ook om geen andere reden over de Verbazing gesproken, dan wijl het gewoonte is geworden sommige aandoeningen, welke uit die drie oorspronkelijke zijn afgeleid, met een anderen naam aan te duiden wanneer zij betrekking hebben op voorwerpen waarover wij ons verbazen. Welke reden mij uit dezelfde overweging er toe leidt hier ook nog de definitie van Verachting aan toe te voegen.

