# Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

## Part 15

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/ethica-in-meetkundigen-trant-uiteengezet-vertaald-ingeleid-en-t-723759a9/index.md

_Opmerking:_ Het streven om hem, dien wij haten, kwaad te doen, wordt _Toorn_ genoemd; het streven echter om kwaad dat ons is aangedaan terug te doen, heet _Wraakzucht_.

_Stelling XLI._

Wanneer iemand zich voorstelt dat een ander hem liefheeft, terwijl hij meent daartoe geenerlei aanleiding te hebben gegeven (_hetgeen vlg. Gevolg St. XV en vlg. St. XVI v.d. D. kan voorkomen_) zal hij dien ander wederkeerig liefhebben.

_Bewijs._

Deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als de vorige. Men zie ook de Opmerking daarbij.

_Opmerking:_ Gelooft men echter wèl een gegronde aanleiding tot Liefde gegeven te hebben, zoo zal men (_vlg. St. XXX en Opm. v.d. D._) zich daarop verheffen, hetgeen (_vlg. St. XXV v.d. D._) dan ook herhaaldelijk voorkomt, terwijl het tegenovergestelde, gelijk wij reeds zeiden, plaats grijpt wanneer iemand zich voorstelt dat hij door een ander wordt gehaat (_zie Opmerking voorgaande St._). Deze wederkeerige Liefde nu, en bijgevolg (_vlg. St. XXXIX v.d. D._) het streven om dengene die ons liefheeft en (_vlg. zelfde St. XXXIX_) ons tracht wel te doen, op onze beurt weldaden te bewijzen, wordt "_Dank_" of "_Dankbaarheid_" genoemd. En zoo blijkt het dat de menschen veeleer bereid zijn om wraak te nemen, dan om een weldaad te vergelden.

_Gevolg:_ Wie zich voorstelt dat hij bemind wordt door iemand dien hij haat, zal door Haat en Liefde gelijktijdig bewogen worden. Hetgeen langs denzelfden weg als Gevolg I der voorgaande Stelling wordt bewezen.

_Opmerking:_ Indien de Haat overweegt, zal men dengene door wien men bemind wordt, trachten kwaad te doen, welke aandoening dan _Wreedheid_[A56] genoemd wordt, vooral wanneer het blijkt dat hij, die liefheeft, geenerlei geldige aanleiding tot Haat gegeven heeft.

_Stelling XLII._

Wie een ander, hetzij uit Liefde, hetzij door hoop op Zelfverheerlijking bewogen, een weldaad heeft bewezen, zal zich bedroeven wanneer hij ziet dat deze weldaad met ondankbaar gemoed wordt aanvaard.

_Bewijs._

Wie een hem gelijkend wezen liefheeft, tracht (_vlg. St. XXXIII v.d. D._) zooveel mogelijk te bewerken dat hij wederkeerig er door bemind wordt. Wie dus uit Liefde een ander een weldaad bewijst, doet dit uit zucht om wederbemind te worden; d.w.z. (_vlg. St. XXXIV v.d. D._) uit hoop op Zelfverheerlijking ofwel (_vlg. Opmerking St. XXX v.d. D._) Blijheid, en hij zal zich derhalve (_vlg. St. XII v.d. D._) deze aanleiding tot Zelfverheerlijking zooveel mogelijk trachten voor te stellen ofwel als werkelijk bestaande te beschouwen. Hij stelt zich echter (_vlg. het onderstelde_) iets anders voor, dat het bestaan van die aanleiding tot Blijheid juist uitsluit. Derhalve zal hij (_vlg. St. XIX v.d. D._) zich daarover bedroeven. H.t.b.w.

_Stelling XLIII._

Haat wordt door wederkeerigen Haat versterkt, kan daarentegen door Liefde worden vernietigd.

_Bewijs._

Wanneer iemand zich voorstelt dat hij dien hij haat, wederkeerig haat jegens hemzelf koestert, ontspringt hieruit (_vlg. St. XL v.d. D._) een nieuwe Haat, terwijl (_vlg. het onderstelde_) de oude blijft bestaan. Stelt hij zich daarentegen voor dat die ander Liefde voor hem gevoelt, zoo zal hij (_vlg. St. XXX v.d. D._) in zooverre zichzelf met Blijheid beschouwen en (_vlg. St. XXIX v.d. D._) in zooverre dien ander trachten te behagen; d.w.z. (_vlg. St. XLI v.d. D._) trachten hem nìet te haten en op geenerlei wijze te bedroeven, welk streven (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) krachtiger of zwakker zal zijn naar gelang van de aandoening, waaruit het ontsprong. Derhalve: wanneer deze aandoening krachtiger is dan die, welke uit den Haat voortkwam en krachtens welke hij (_vlg. St. XXVI v.d. D._) het wezen dat hij haat tracht te bedroeven, zal zij overwegen en zal zij den Haat uit het gemoed verdrijven. H.t.b.w.

_Stelling XLIV._

Haat, welke door Liefde geheel wordt overwonnen, gaat in Liefde over en deze Liefde zal grooter zijn dan wanneer geen Haat haar ware vooraf gegaan.

_Bewijs._

Het bewijs wordt op dezelfde wijze gevoerd als dat van Stelling XXXVIII van dit Deel. Immers wie een wezen, dat hij haat of dat hij met Droefheid placht te beschouwen, lief krijgt, verblijdt zich reeds door het feit zelf dat hij liefheeft, en bij deze Blijheid, welke in die Liefde ligt opgesloten (_zie de Definitie in Opmerking St. XIII v.d. D._) voegt zich nog die andere, welke geboren wordt uit het feit dat het streven om de Droefheid, welke in den Haat ligt opgesloten (_gelijk wij in St. XXXVII v.d. D. hebben aangetoond_) te verwijderen, daardoor op zijn beurt gesteund wordt; waarbij hij zich tevens dengene dien hij haat als oorzaak [dier Blijheid] voorstelt.

_Opmerking:_ Ofschoon dit werkelijk aldus is, zal toch niemand trachten eenig wezen te haten of te bedroeven alleen om [later] deze grootere Blijheid te genieten. D.w.z. niemand zal uit hoop op schadevergoeding wenschen zich schade te zien toegebracht, noch verlangen ziek te worden uit hoop te genezen. Immers een ieder zal steeds er naar streven zijn bestaan te handhaven en Droefheid zooveel mogelijk uit den weg te ruimen. Indien het daarentegen denkbaar ware dat een mensch kon begeeren een ander te haten om hem later des te meer te kunnen liefhebben, dan zou hij steeds moeten blijven verlangen hem te haten. Want hoe grooter die Haat was, hoe grooter de [er op volgende] Liefde zou zijn en dus zou hij steeds moeten verlangen dat zijn Haat grooter en grooter werd. Om dezelfde reden zou de mensch er dan naar moeten streven steeds zieker te worden om later des te grooter Blijheid wegens het herstel zijner gezondheid te genieten; hij zou dus bij voortduring moeten trachten ziek te zijn, hetgeen (_vlg. St. VI v.d. D._) ongerijmd is.

_Stelling XLV._

Indien iemand zich voorstelt dat een ander, hem gelijkend wezen, een eveneens hem gelijkend wezen, haat, terwijl hijzelf het lief heeft, zal hij dien ander haten.

_Bewijs._

Immers het geliefde wezen zal (_vlg. St. XL v.d. D._) dengene dien het haat, wederkeerig haten en derhalve zal de minnende, die zich voorstelt dat een ander het geliefde wezen haat, door dit feit zelf zich tevens voorstellen dat het geliefde wezen Haat gevoelt, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) Droefheid. Bijgevolg zal hij zich (_vlg. St. XXI v.d. D._) bedroeven en zich daarbij dengene die het geliefde wezen haat, als oorzaak dier Droefheid voorstellen, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) hij zal hem haten. H.t.b.w.

_Stelling XLVI._

Indien iemand door een ander, behoorende tot een van de zijne verschillende klasse of natie, verblijd of bedroefd werd, terwijl hij zich dien ander in hoedanigheid van lid dier klasse of natie als oorzaak zijner aandoening voorstelde, zoo zal hij niet slechts hem, maar alle leden dier klasse of natie liefhebben of haten.

_Bewijs._

Het bewijs hiervan blijkt uit Stelling XVI van dit Deel.

_Stelling XLVII._

De Blijheid welke voortspruit uit de voorstelling, dat iets dat wij haten vernietigd of door eenig kwaad getroffen wordt, is niet zonder eenige Droefheid.

_Bewijs._

Dit blijkt uit Stelling XXVII van dit Deel. Immers voorzoover wij ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons gelijkt, wordt bedroefd, in zoover worden ook wij bedroefd.

_Opmerking:_ Deze stelling kan ook worden bewezen uit het Gevolg van Stelling XVII Deel II. Zoo dikwijls wij ons namelijk een zaak herinneren, ook al bestaat zij niet in werkelijkheid, beschouwen wij haar toch als aanwezig en ondergaat ons Lichaam daarbij dezelfde inwerking als vroeger; zoodat, voorzoover de herinnering aan deze zaak van kracht is, de mensch genoopt wordt haar met Droefheid te beschouwen; welke neiging weliswaar, zoolang het beeld dier zaak ons bijblijft, door de herinnering aan dingen welke haar bestaan uitsluiten wordt getemperd, doch niet opgeheven. Daarom verblijdt men zich slechts in zoover als deze neiging wordt getemperd en vandaar ook dat de Blijheid, welke uit het ongeluk van een wezen dat wij haten voortspruit, zich herhaalt zoo dikwijls wij ons die zaak herinneren. Immers, zooals wij reeds zeiden, telkens wanneer het beeld dier zaak wordt opgewekt, wordt men, aangezien dit beeld het bestaan dier zaak in zich sluit, genoopt die zaak met dezelfde Droefheid te beschouwen, waarmede men haar placht te beschouwen toen zij zelf bestond. Omdat men evenwel aan het beeld dier zaak andere voorstellingen heeft verbonden welke haar bestaan uitsluiten, wordt deze neiging tot Droefheid onmiddellijk getemperd en verblijdt men zich opnieuw en dit zoo dikwijls als deze herhaling plaats grijpt. Dit nu is eveneens de reden waarom men zich verblijdt zoo dikwijls men zich een kwaad uit het verleden herinnert en waarom men er genoegen in schept gevaren, waaraan men ontkomen is, te verhalen. Want als men zich een of ander gevaar voorstelt, beschouwt men het als toekomstig en wordt men genoopt het te vreezen, welke neiging echter getemperd wordt door de voorstelling der verlossing, welke men aan de voorstelling van het gevaar verbond, toen men ervan bevrijd werd en weder veilig was, zoodat men zich opnieuw verheugt.

_Stelling XLVIII._

Liefde of Haat, jegens Petrus bijvoorbeeld, gaan te niet als de Droefheid welke, deze en de Blijheid welke gene in zich sluiten, worden verbonden met de voorstelling van een andere oorzaak en beide verminderen juist in zooverre als wij ons voorstellen dat Petrus niet alléén hun oorzaak was.

_Bewijs._

Dit blijkt alleen reeds uit de Definities van Liefde en Haat, welke men vindt in de Opmerking bij Stelling XIII van dit Deel. Immers alleen daarom worden die Blijheid Liefde en die Droefheid Haat jegens Petrus genoemd, wijl Petrus wordt beschouwd als oorzaak van deze of van gene aandoening. Wanneer dit dus in het geheel niet meer of slechts ten deele geschiedt, zullen ook die gevoelens jegens Petrus geheel of ten deele verdwijnen. H.t.b.w.

_Stelling XLIX._

De Liefde of de Haat jegens een wezen dat wij ons als vrij voorstellen moeten beide, bij overigens gelijke aanleiding, sterker zijn dan jegens een afhankelijk.

_Bewijs._

Iets dat wij ons als vrij voorstellen moet (_vlg. Definitie VII D. I_) op zichzelf en afgescheiden van andere dingen beschouwd worden. Indien wij het ons dus voorstellen als oorzaak van Blijheid of Droefheid, zullen wij het (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) daardoor alleen reeds liefhebben of haten en dat wel (_vlg. voorgaande St._) met den hoogsten graad van Liefde of Haat welke uit de gegeven aandoening kan voortspruiten. Indien wij ons evenwel de zaak welke oorzaak van een dier aandoeningen is, als "afhankelijk" voorstellen, zullen wij ons (_vlg. dezelfde Definitie VII D. I_) haar niet alléén, maar in verband met andere dingen als oorzaak dier aandoening denken, zoodat (_vlg. voorgaande St._) de Liefde en de Haat jegens haar geringer zullen zijn. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hieruit volgt dat de menschen, omdat zij zich voor vrij houden, grooter Liefde of Haat gevoelen jegens elkaar dan jegens andere dingen. Daarbij komt nog het nabootsen der aandoeningen (_zie St. XXVII, XXXIV, XL en XLIII v.d. D._).

_Stelling L._

Ieder ding, wat ook, kan bij gelegenheid oorzaak van Hoop of Vrees zijn.

_Bewijs._

Deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als Stelling XV van dit Deel. Men zie tegelijk met deze de Opmerking bij Stelling XVIII van dit Deel.

_Opmerking:_ Dingen welke door toevallige omstandigheden oorzaak van Hoop of Vrees zijn, noemt men goede of kwade voorteekenen. Voorzoover nu deze voorteekenen oorzaak zijn van Hoop of Vrees, zijn zij (_vlg. Definitie v. Hoop en Vrees, zie Opmerking II St. XVIII v.d. D._) oorzaak van Blijheid of Droefheid en zullen wij ze bijgevolg (_vlg. Gevolg St. XV v.d. D._) in zooverre ook liefhebben of haten en (_vlg. St. XXVIII v.d. D._) trachten ze, hetzij als middelen ter bereiking van wat wij hopen aan te wenden, hetzij ze als beletselen daartoe of als oorzaken van Vrees, uit den weg te ruimen. Bovendien volgt uit Stelling XXV van dit Deel dat het van nature zóó met ons gesteld is dat wij datgene wat wij hopen gemakkelijk, wat wij vreezen daarentegen liever niet gelooven en aan het eerste meer, aan het tweede minder beteekenis hechten dan gerechtvaardigd is. Hieruit is al het bijgeloof ontsproten, waardoor de menschen allerwegen worden verontrust. Overigens acht ik het niet der moeite waard hier alle schakeeringen van weifelmoedigheid te beschrijven welke uit Hoop of Vrees ontspringen; aangezien uit de Definitie dier aandoeningen alleen reeds volgt dat er geen Hoop bestaat zonder Vrees, noch Vrees zonder Hoop (gelijk wij te zijnerplaatse nog breedvoeriger zullen uiteenzetten), en aangezien wij bovendien een zaak, voorzoover wij haar hopen of vreezen, ook liefhebben of haten. Daarom zal een ieder gemakkelijk al wat wij over Liefde en Haat gezegd hebben op Hoop en Vrees kunnen toepassen.

_Stelling LI._

Verschillende menschen kunnen van één en hetzelfde voorwerp op verschillende wijze inwerking ondergaan en één en dezelfde mensch kan van één en hetzelfde voorwerp op verschillende tijdstippen verschillenden invloed ondervinden.

_Bewijs._

Het menschelijk Lichaam ondergaat (_vlg. Postulaat III D. II_) op tal van wijzen inwerking van uitwendige voorwerpen. Op hetzelfde tijdstip kunnen dus twee menschen op verschillende wijze inwerking ondergaan en kunnen zij dus ook (_vlg. Axioma I achter Hulpstelling III, zie achter St. XIII D. II_) verschillende inwerking ondergaan van één en hetzelfde voorwerp. Voorts kan (_vlg. hetzelfde Postulaat_) het menschelijk Lichaam nu eens op deze, dan weer op gene wijze inwerking ondergaan en bijgevolg kan het (_vlg. hetzelfde Axioma_) van één en hetzelfde voorwerp op verschillende tijdstippen verschillende inwerking ondergaan. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Wij zien dus hoe het kan gebeuren dat de een lief heeft wat de ander haat, de een vreest wat de ander niet vreest en hoe éénzelfde mensch lief heeft wat hij vroeger haatte, durft waarvoor hij vroeger bang was enz. Wijl voorts een ieder naar gelang van zijn eigen aandoeningen oordeelt wat goed of kwaad en wat beter of slechter is (_zie Opmerking St. XXXIX v.d. D._) volgt hieruit dat de menschen zoowel in hun oordeel als in hun aandoeningen kunnen verschillen[V14] en vandaar dat menschen wanneer we ze met elkaar vergelijken, alleen naar het verschil hunner aandoeningen door ons worden onderscheiden en dat wij den een onverschrokken, den ander vreesachtig, een derde weer anders noemen. Zoo zal ik bijvoorbeeld iemand die een kwaad dat ik pleeg te vreezen geringschat, onverschrokken noemen, en wanneer ik bovendien zie dat zijn begeerte om dingen welke hij haat kwaad te doen en dingen, welke hij lief heeft wèl te doen, niet wordt getemperd door vrees voor een kwaad waardoor ìk mij pleeg te laten weerhouden, zal ik dien man _vermetel_ noemen. Voorts zal, wie een kwaad vreest, dat ikzelf pleeg te minachten, mij _vreesachtig_ schijnen, en als ik bovendien zie, dat zijn begeerte wordt bedwongen door de vrees voor een kwaad dat mijzelf niet kan weerhouden, zal ik zeggen dat hij _lafhartig_ is; en op dergelijke wijze zal iedereen oordeelen. Bij 's menschen dusdanigen aard en onstandvastigheid van oordeel, en gegeven het feit dat de mensch dikwijls uitsluitend op grond van zijn aandoeningen over de dingen oordeelt en dat de dingen welke, naar hij gelooft, tot zijn Blijheid of Droefheid bijdragen en welke hij daarom (_vlg. St. XXVIII v.d. D._) tracht te bevorderen of te verwijderen, dikwijls alleen maar denkbeeldig zijn (om nog te zwijgen van het overige wat wij in Deel II omtrent de onzekerheid der dingen gezegd hebben) kunnen wij gemakkelijk inzien dat de mensch dikwijls zelf mede-oorzaak is dat hij zich bedroeft of verblijdt, ofwel dat hij zoowel Droefheid als Blijheid kan gevoelen, vergezeld door de gedachte aan zichzelf als oorzaak daarvan. En zoo kunnen wij ook gemakkelijk begrijpen wat _Berouw_ en wat _Tevredenheid met zichzelf_ (_Zelfvoldaanheid_) is. _Berouw namelijk is Droefheid, Zelfvoldaanheid is Blijheid, vergezeld door de gedachte aan zichzelf als oorzaak_, en deze aandoeningen zijn allerhevigst, wijl de menschen wanen dat zij vrij zijn. (_Zie St. XLIX v.d. D._)

[Voetnoot 14: N.B. Dat dit mogelijk is, niettegenstaande de menschelijke Geest een deel is van het goddelijk Verstand, hebben wij aangetoond in de opmerking bij Stelling XIII Deel II [zie ook Gevolg Stelling XI D. II].]

_Stelling LII._

Een voorwerp dat wij reeds vroeger gelijktijdig met andere gezien hebben of dat naar onze voorstelling uitsluitend eigenschappen bezit welke het gemeen heeft met vele andere voorwerpen, zullen wij niet zoolang onze aandacht schenken als een waarvan wij ons voorstellen dat het iets bijzonders heeft.

_Bewijs._

Zoodra wij ons dit voorwerp, dat wij met andere tezamen gezien hebben, voorstellen, herinneren wij ons (_vlg. St. XVIII D. II, zie ook de Opmerking daarbij_) ook de andere voorwerpen en zoo worden wij van de beschouwing van het eene onmiddellijk tot beschouwing van een ander gebracht. Hetzelfde is het geval bij een voorwerp, dat naar onze voorstelling uitsluitend eigenschappen bezit welke aan vele andere gemeen zijn. Immers juist daardoor nemen wij aan dat wij er niets in beschouwen dat wij niet vroeger samen met andere dingen zagen. Wanneer wij evenwel aannemen dat wij ons voorstellen dat een of ander ding iets bijzonders heeft, dat wij vroeger nooit hebben gezien, dan zeggen wij niets anders dan dat de Geest, terwijl hij dit voorwerp beschouwt, niets anders bevat tot welks beschouwing hij door de beschouwing van dit voorwerp gebracht kon worden, zoodat hij wel genoodzaakt is uitsluitend dit voorwerp zelf te beschouwen. Derhalve: Een voorwerp dat enz. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Deze aandoening van den Geest, dat wil zeggen deze voorstelling van een bijzonder ding, voorzoover het den Geest uitsluitend in beslag neemt, noemt men _Verbazing_[A57] welke, als zij wordt te weeg gebracht door een voorwerp dat wij vreezen, _Ontzetting_ wordt geheeten, aangezien de verbazing over eenig kwaad den mensch zoozeer in de beschouwing ervan bevangen houdt, dat hij niet bij machte is over iets anders te denken, waardoor hij dit kwaad zou kunnen vermijden. Maar als datgene waarover wij ons verbazen eens anders verstand, vlijt of iets van dien aard is, omdat wij overwegen dat hij daarin verre boven ons uitsteekt, zoo heet deze verbazing _Vereering_ [Bewondering]; daarentegen _Afschuw_ wanneer wij ons verbazen over iemands toorn, nijd enz. Als wij ons verder verbazen over het verstand, den vlijt enz. van iemand dien wij lief hebben, zal (_vlg. St. XII v.d. D._) daardoor die Liefde te grooter zijn en deze Liefde, gepaard aan Bewondering of Vereering, noemen wij _Toewijding_. En op deze wijze kunnen wij ons ook Haat, Hoop, Gerustheid en andere aandoeningen voorstellen als verbonden met Verbazing, waardoor wij dan veel meer aandoeningen zullen kunnen afleiden dan gemeenlijk met de geijkte woorden worden aangeduid. Waaruit blijkt dat de namen der aandoeningen meer hun bestaan danken aan het algemeen [spraak] gebruik dan aan een nauwkeurige kennis [dier aandoeningen zelf]. Tegenover Bewondering staat _Verachting_, welker oorzaak echter meestal is dat wij, wanneer wij zien dat iemand een zekere zaak bewondert, lief heeft, vreest enz., of dat wij, wanneer (_vlg. St. XV en Gevolg en vlg. St. XXVII v.d. D._) iets op het eerste gezicht schijnt te lijken op dingen welke wij bewonderen, liefhebben, vreezen enz., zelf gedreven worden die zaak eveneens te bewonderen, lief te hebben, te vreezen enz. Maar wanneer wij, tengevolge van de aanwezigheid dier zaak of van een nauwlettender beschouwing, gedwongen zijn haar alles te ontzeggen wat oorzaak van Bewondering, Liefde, Vrees enz. zou kunnen zijn, blijft de Geest, juist door de aanwezigheid dier zaak, meer geneigd om te denken aan datgene wat dit voorwerp nìet, dan aan datgene wat het wèl eigen is, terwijl hij toch anders bij aanwezigheid van een voorwerp voornamelijk pleegt te denken aan wat er wèl toe behoort. Evenals nu voorts Toewijding uit Bewondering voor een zaak die wij liefhebben voortspruit, ontstaat _Bespotting_ uit Verachting van een zaak, welke wij haten of vreezen en Ergernis uit Verachting van dwaasheid, evenals Vereering uit Bewondering voor verstand. Tenslotte kunnen wij ons Liefde, Hoop, Zelfverheerlijking en andere aandoeningen verbonden denken met Verachting en op deze wijze nog weer andere aandoeningen afleiden, welke wij nochtans niet door afzonderlijke woorden van elkaar plegen te onderscheiden.

_Stelling LIII._

Wanneer de Geest zichzelf en zijn macht tot handelen beschouwt, verblijdt hij zich en dat des te meer, naarmate hij zich die macht tot handelen duidelijker voorstelt.

_Bewijs._

De mensch kent zichzelf niet, dan alleen (_vlg. St. XIX en XXIII D. II_) door de inwerkingen op zijn Lichaam en de voorstellingen daarvan. Wanneer het geval dus wil dat de Geest zichzelf [en zijn macht tot handelen] kan beschouwen, wordt hiermede tevens ondersteld dat hij tot grootere volmaaktheid overgaat, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) dat hij verblijd wordt en wel des te meer naarmate hij zich zichzelf en zijn macht tot handelen duidelijker kan voorstellen. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Deze Blijheid wordt steeds meer aangewakkerd, hoe meer men zich voorstelt door anderen geprezen te worden. Immers hoe meer men zich voorstelt door anderen geprezen te worden, hoe grooter Blijheid men zich voorstelt zelf dien anderen te bereiden en dat wel (_vlg. Opmerking St. XXIX v.d. D._) vergezeld door de gedachte aan zichzelf. Derhalve zal men (_vlg. St. XXVII v.d. D._) ook zelf grooter Blijheid, vergezeld door de gedachte aan zichzelf, gevoelen. H.t.b.w.

_Stelling LIV._

De Geest tracht zich slechts zulke dingen voor te stellen, die zijn macht tot handelen onderstellen.

_Bewijs._

Het streven of vermogen van den Geest is (_vlg. St. VII v.d. D._) het wezen van den Geest zelf. Het wezen van den Geest echter bevestigt (_gelijk vanzelf spreekt_) alleen datgene wat de Geest is en vermag, doch niet datgene wat hij niet is en niet vermag. Derhalve streeft hij er naar zich slechts datgene voor te stellen wat zijn macht tot handelen bevestigt of onderstelt. H.t.b.w.

_Stelling LV._

Wanneer de Geest zich zijn eigen machteloosheid voorstelt, wordt hij daardoor bedroefd.

_Bewijs._

Het wezen van den Geest bevestigt slechts datgene wat de Geest is en vermag, ofwel het ligt in den aard van den Geest (_vlg. voorgaande St._) zich slechts zulke dingen voor te stellen, welke zijn macht tot handelen onderstellen. Wanneer wij dus zeggen dat de Geest, terwijl hij zichzelf beschouwt, zich zijn eigen machteloosheid voorstelt, zeggen wij niets anders dan dat, terwijl de Geest poogt zich iets voor te stellen wat zijn macht tot handelen onderstelt, juist diezelfde poging wordt belemmerd; m.a.w. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) dat hij zich bedroeft. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Deze Droefheid wordt steeds heviger, indien men zich voorstelt dat men door anderen wordt gelaakt; hetgeen langs denzelfden weg bewezen wordt als het Gevolg van Stelling LIII van dit Deel.

