Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen

Part 13

Chapter 13 3,468 words Public domain Markdown

Indien het menschelijk Lichaam ééns tegelijkertijd inwerking van twee voorwerpen ondervond, zal de Geest, wanneer hij zich later één dier beiden voorstelt, zich (_vlg. St. XVIII D. II_) terzelfdertijd het andere herinneren. De verbeeldingen van den Geest echter geven (_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_) meer de inwerkingen op ons Lichaam dan den aard der uitwendige voorwerpen weer. Derhalve: indien het Lichaam, en bijgevolg ook de Geest (_zie Definitie III v.d. D._) ééns twee inwerkingen tegelijk onderging, zal de Geest later, wanneer hij opnieuw een dier aandoeningen ondergaat, ook de tweede weer gevoelen. H.t.b.w.

_Stelling XV._

Elk willekeurig ding kan bij gelegenheid oorzaak van Blijheid, Droefheid of Begeerte zijn.

_Bewijs._

Stel dat de Geest twee inwerkingen tegelijkertijd ondergaat, waarvan de eene zijn vermogen tot handelen noch vermeerdert noch vermindert en de tweede dit wèl vermeerdert of vermindert (_zie Postulaat I v.d. D._). Uit de vorige Stelling blijkt, dat wanneer de Geest later wederom die eerste inwerking door haar eigen oorzaak (welke volgens het onderstelde op zichzelf zijn vermogen tot denken noch vermeerdert noch vermindert) ondergaat, dadelijk ook de tweede, welke zijn vermogen tot denken wèl vermeerdert of vermindert, zal ondergaan, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) Blijheid of Droefheid zal gevoelen. Derhalve zal deze eerste inwerking niet uit zichzelf, maar door toevallige omstandigheden oorzaak van Blijheid of Droefheid zijn. En op dezelfde wijze kan gemakkelijk worden aangetoond dat zij ook bij gelegenheid oorzaak kan zijn van Begeerte. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Alleen reeds op grond daarvan dat wij een of andere zaak beschouwd hebben met een aandoening van Blijheid of Droefheid, ofschoon zij zelf niet de bewerkende oorzaak daarvan was, kunnen wij die zaak liefhebben of haten.

_Bewijs._

Want alleen daardoor komt het dat (_vlg. St. XIV v.d. D._) de Geest, zich die zaak later voorstellende, wederom een aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaat, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) dat de levenskracht van Geest en Lichaam wordt vermeerderd of verminderd enz. En bijgevolg (_vlg. St. XII v.d. D._) dat hij verlangt zich die zaak voor te stellen ofwel (_vlg. Gevolg St. XIII v.d. D._) daarvan afkeerig is, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) dat hij die zaak liefheeft of haat. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hierdoor kunnen wij begrijpen hoe het komt dat wij sommige zaken liefhebben of haten zonder eenige ons bekende reden, maar alleen uit (zooals men dat noemt) sympathie of antipathie. En dit geldt ook voor die voorwerpen welke Blijheid of Droefheid in ons teweeg brengen, alleen omdat zij eenigerlei gelijkenis vertoonen met voorwerpen welke die aandoeningen in ons plegen op te wekken, gelijk ik in de volgende stelling zal aantoonen. Weliswaar weet ik dat de schrijvers die de woorden sympathie en antipathie het eerst hebben ingevoerd, daarmede zekere verborgen eigenschappen der dingen hebben willen aanduiden, maar ik meen niettemin dat het ons vrijstaat er ook bekende en voor de hand liggende eigenschappen onder te verstaan.

_Stelling XVI._

Alleen om het feit dat wij ons voorstellen dat een of ander ding in eenig opzicht gelijkt op een voorwerp dat in den Geest Blijheid of Droefheid pleegt teweeg te brengen, zullen wij dit ding liefhebben of haten, hoewel datgene, waarin het op dit voorwerp gelijkt, niet de bewerkende [directe] oorzaak dier aandoeningen is.

_Bewijs._

Datgene, wat op het voorwerp gelijkt, werd (_volgens het onderstelde_) in dit voorwerp zelf door ons met een aandoening van Blijheid of Droefheid beschouwd. Daarom zal ook (_vlg. St. XIV v.d. D._) telkens wanneer het beeld daarvan op den Geest inwerkt, deze dadelijk de eerste of de tweede aandoening ondergaan, en bijgevolg zal (_vlg. St. XV v.d. D._) het ding waarin wij hetzelfde waarnemen, door deze toevallige omstandigheid oorzaak van Blijheid of Droefheid zijn. Derhalve zullen wij (_vlg. voorgaande Gevolg_) dit ding liefhebben of haten, hoewel datgene waarin het op het voorwerp gelijkt, niet de bewerkende [directe] oorzaak dier aandoeningen is. H.t.b.w.

_Stelling XVII._

Wanneer wij ons voorstellen dat een zaak, welke Droefheid in ons pleegt teweeg te brengen, in eenig opzicht gelijkt op iets anders dat ons evengroote Blijheid pleegt te schenken, zullen wij deze zaak tegelijkertijd haten en liefhebben.

_Bewijs._

Immers deze zaak is (_vlg. het onderstelde_) op zichzelf oorzaak van Droefheid en dus zullen wij haar (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) haten, voorzoover wij ons haar voorstellen onder invloed van deze aandoening. Maar voorzoover wij ons voorstellen dat zij bovendien nog in eenig opzicht gelijkt op iets anders dat ons evengroote Blijheid pleegt te schenken, zullen wij haar (_vlg. voorgaande St._) met een evengroot verlangen naar Blijheid liefhebben; zoodat wij die zaak tegelijkertijd zullen haten en liefhebben. H.t.b.w.

_Opmerking:_ _Deze geestesgesteldheid, welke dus uit twee tegenovergestelde aandoeningen ontspringt_, noemt men _weifelmoedigheid_, [tweestrijd], welke dus onder de zielsaandoeningen hetzelfde is als twijfel bij het voorstellen (_zie Opmerking St. XLIV D. II_). Weifeling en twijfel verschillen dan ook alleen maar naar den graad. Ik doe echter opmerken dat ik in de vorige Stelling deze weifeling des gemoeds heb afgeleid uit oorzaken, waarvan de eene op zichzelf oorzaak is van de eerste aandoening, de andere door toevallige omstandigheden van de tweede. Ik deed dit wijl ik ze aldus gemakkelijker uit het voorgaande kon afleiden, doch niet wijl ik zou willen loochenen dat zulk een zielestrijd meestal ontspringt uit één voorwerp dat van bèide aandoeningen de bewerkende oorzaak is. Het Lichaam toch is (_vlg. Postulaat I D. II_) uit tal van enkeldingen van verschillenden aard samengesteld en kan dus (_vlg. Axioma I achter Hulpst. III, zie achter St. XIII D. II_) van één en hetzelfde voorwerp op de meest verschillende wijzen inwerking ondervinden. Omgekeerd, wijl één en hetzelfde ding op tal van verschillende wijzen inwerking ondergaan kan, zal het ook op tal van verschillende wijzen op éénzelfde deel van het Lichaam kunnen inwerken. Waaruit wij gemakkelijk kunnen begrijpen dat één en hetzelfde voorwerp oorzaak van vele en tegenstrijdige aandoeningen kan zijn.

_Stelling XVIII._

De mensch ondergaat bij het beeld [voorstelling] van een verleden of toekomstige zaak dezelfde aandoening van Blijheid of Droefheid als bij het beeld [voorstelling] eener aanwezige.

_Bewijs._

Zoolang het beeld van eenig ding op den mensch inwerkt, zal hij (_vlg. St. XVII en Gevolg D. II_) dit ding als aanwezig beschouwen, ook al bestaat het niet en het zich noch als verleden noch als toekomstig denken, tenzij zijn beeld verbonden is met de voorstelling van den verleden of toekomstigen tijd (_zie Opmerking St. XLIV D. II_). Vandaar dat het beeld van een ding, op zichzelf beschouwd, hetzelfde is, onverschillig of het met de toekomst, het verleden, danwel met het heden in verband gebracht wordt. D.w.z. (_vlg. Gevolg II St. XVI D. II_): de toestand of aandoening van ons Lichaam, is dezelfde, onverschillig of het beeld er een is van een verleden, van een toekomstig, danwel van een tegenwoordig ding. En derhalve is ook de aandoening van Blijheid of Droefheid dezelfde, onverschillig of het beeld er een is van een verleden, van een toekomstig, danwel van een tegenwoordig ding. H.t.b.w.

_Opmerking I:_ Ik noem een ding in zoover verleden of toekomstig als het op ons heeft ingewerkt of zal inwerken, bijvoorbeeld voorzoover wij het gezien hebben of zullen zien, voorzoover het ons verkwikt heeft of zal verkwikken, geschaad heeft of zal schaden enz. Immers in zoover als wij het ons aldus voorstellen, beamen wij zijn bestaan; d.w.z. ons Lichaam ondervindt geenerlei inwerking welke het bestaan van het ding uitsluit en zal derhalve (_vlg. St. XVII D. II_) van het beeld ervan dezelfde inwerking ondergaan alsof het ding zelf aanwezig ware. Wijl echter inderdaad lieden met veel ervaring meestal weifelen, zoolang zij iets als toekomstig of verleden beschouwen en omtrent den afloop ervan meestal twijfelen. (_Zie Opmerking St. XLIV D. II_) is het gevolg daarvan dat aandoeningen welke uit dergelijke voorstellingen der dingen ontstaan, niet zeer standvastig zijn, maar dat zij meestal door beelden van andere dingen worden verward, totdat men omtrent dien afloop zekerder is.

_Opmerking II:_ Na het zooeven gezegde kunnen wij begrijpen wat _Hoop, Vrees, Gerustheid, Wanhoop, Verheuging_ en _Spijt_ [Hartzeer][A53] is. _Hoop_ namelijk is niets anders dan _onbestendige Blijheid, opgewekt door het beeld van een toekomstige of verleden zaak, omtrent welker verloop wij twijfelen_. _Vrees_ daarentegen is een _onbestendige Droefheid, eveneens door het beeld eener twijfelachtige zaak opgewekt_. Indien verder de twijfel in deze aandoeningen wordt opgeheven, worden Hoop tot _Gerustheid_, Vrees tot _Wanhoop_; tot een _Blijheid of Droefheid_ namelijk, _te weeg gebracht door het beeld der zaak welke wij vreesden of hoopten_. _Verheuging_ vervolgens is _Blijheid, opgewekt door het beeld eener verleden zaak, omtrent welker afloop wij twijfelden_. _Spijt_ eindelijk is een _Droefheid, tegenovergesteld aan Verheuging_.

_Stelling XIX._

Wie zich voorstelt dat iets wat hij liefheeft, te niet gaat, zal zich bedroeven; daarentegen zal hij zich verheugen bij de gedachte dat het behouden blijft.

_Bewijs._

De Geest tracht zich (_vlg. St. XII v.d. D._) zooveel mogelijk datgene voor te stellen wat het vermogen tot handelen des Lichaams vermeerdert of bevordert, d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) dingen welke hij liefheeft. De verbeeldingskracht evenwel wordt (_vlg. St. XVII D. II_) geholpen door wat het bestaan van iets [onder]stelt, belemmerd daarentegen door wat het bestaan van iets uitsluit. Derhalve helpen beelden van dingen, welke het bestaan der geliefde zaak [onder]stellen, den Geest bij zijn streven om zich die geliefde zaak voor te stellen; d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) zij brengen Blijheid in den Geest te weeg. En omgekeerd: beelden van dingen welke het bestaan der geliefde zaak uitsluiten belemmeren den Geest bij dit streven; d.w.z. (_vlg. dezelfde Opmerking_) zij brengen Droefheid in hem te weeg. Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij lief heeft, te niet gaat, zal zich bedroeven enz. H.t.b.w.

_Stelling XX._

Wie zich voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal zich verblijden.

_Bewijs._

De Geest tracht zich (_vlg. St. XIII v.d. D._) datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken, waardoor het vermogen tot handelen des Lichaams verminderd of belemmerd wordt, uitsluit; d.w.z. (_vlg. Opmerking bij dezelfde St._) hij tracht zich datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken welke hij haat uitsluit. Derhalve steunt het beeld eener zaak, welke het bestaan van wat de Geest haat uitsluit, dit streven van den Geest; d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) het verwekt Blijheid in hem. Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal zich verblijden. H.t.b.w.

_Stelling XXI._

Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft Blijheid of Droefheid ondervindt, zal zelf Blijheid of Droefheid gevoelen en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn in den liefhebbende naarmate zij sterker of zwakker is in het geliefde ding [wezen] [A54].

_Bewijs._

De beelden van dingen, welke het bestaan eener geliefde zaak onderstellen, steunen (_gelijk wij in St. XIX v.d. D. hebben bewezen_) het streven van den Geest om zich die geliefde zaak voor te stellen. Maar Blijheid onderstelt het bestaan van iets dat blijde is en dat wel te meer naarmate de aandoening van Blijheid sterker is. Immers zij is (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) een overgang tot grooter volmaaktheid. Derhalve steunt de gedachte aan de Blijheid van het geliefde wezen het streven van den Geest des liefhebbenden zelf; d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) zij wekt in den liefhebbende Blijheid op en wel des te meer hoe sterker deze aandoening in het geliefde wezen was. Dit wat het eerste betreft. Voorzoover voorts eenig wezen Droefheid gevoelt, gaat het te niet [wordt er iets van zijn bestaanskracht vernietigd] en wel des te meer (_vlg. dezelfde Opmerking bij St. XI v.d. D._) hoe heviger die Droefheid is. Derhalve zal (_vlg. St. XIX v.d. D._) wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft Droefheid ondervindt, zelf ook Droefheid gevoelen en dat wel des te meer, hoe sterker deze aandoening was in het geliefde wezen. H.t.b.w.

_Stelling XXII._

Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij liefhebben Blijheid te weeg brengt, zal hij ook ons Blijheid schenken. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen Droefheid brengt, zoo zullen ook wij Haat jegens hem gevoelen.

_Bewijs._

Wie in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid te weeg brengt, schenkt ook onszelf Blijheid of Droefheid, wanneer wij ons wel te verstaan (_vlg. voorgaande St._) het geliefde wezen als door Blijheid of Droefheid aangedaan voorstellen. Er wordt evenwel ondersteld dat deze Blijheid of Droefheid vergezeld gaat van de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Derhalve zullen wij (_vlg. Opmerking St. XIII v.d. D._) indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid te weeg brengt, Liefde of Haat jegens hem gevoelen. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Stelling XXI verklaart ons wat _Medelijden_ is; wij kunnen het omschrijven als _Droefheid om eens anders leed_. Welken naam ik nu evenwel moet geven aan die Blijheid, welke uit eens anders welzijn voortkomt, weet ik niet. Voorts zullen wij _Liefde jegens hem die een ander wèl-deed_, _Ingenomenheid_ en daarentegen _Haat jegens hem die een ander kwaad deed_ _Verontwaardiging_ noemen. Tenslotte doe ik opmerken dat wij niet slechts medelijden hebben met wezens die wij hebben liefgehad (_gelijk wij in St. XXI aantoonden_) maar ook met wezens, voor welke wij voordien niets [bepaalds] gevoelden, mits wij slechts oordeelen (_gelijk ik hierna zal aantoonen_) dat zij op ons gelijken. Derhalve zullen wij ingenomen zijn met wie onzen gelijke weldeed, daarentegen ons verontwaardigen over wie onzen gelijke schade berokkende.

_Stelling XXIII._

Wie zich voorstelt dat een wezen dat hij haat, door Droefheid wordt aangedaan, zal zich verheugen; bedroeven zal hij zich echter indien hij zich voorstelt dat het door Blijheid wordt aangedaan; en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn naarmate de haar tegengestelde sterker of zwakker is in het wezen dat hij haat.

_Bewijs._

Voorzoover het gehate wezen door Droefheid wordt aangedaan, voorzóóver gaat het te niet [wordt zijn levenskracht verminderd] en wel des te meer (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._) hoe heviger die Droefheid is. Wie zich dus voorstelt dat een wezen dat hij haat Droefheid ondervindt, zal zich (_vlg. St. XX v.d. D._) verheugen, en wel des te meer, hoe heviger hij zich die Droefheid van het gehate wezen voorstelt. Dit wat het eerste betreft. Voorts onderstelt Blijheid (_vlg. dezelfde Opmerking St. XI v.d. D._) het bestaan van een wezen dat blijde is en dit wel te meer hoe sterker die Blijheid gedacht wordt. Indien dus iemand zich een ander, dien hij haat, voorstelt als door Blijheid aangedaan, zal deze voorstelling (_vlg. St. XIII v.d. D._) zijn streven belemmeren; d.w.z. (_vlg. Opmerking St. XI v.d. D._): hij die haat zal Droefheid gevoelen indien enz. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Deze Blijheid kan bezwaarlijk duurzaam zijn of zonder tweestrijd in ons gemoed bestaan. Want (_gelijk ik straks in St. XXVII v.d. D. zal aantoonen_) voorzoover men zich zijns gelijke voorstelt als door Droefheid aangedaan, voorzóóver moet men zich ook zelf bedroeven, en omgekeerd, indien men zich voorstelt dat hij door Blijheid wordt aangedaan. Hier echter hebben wij alleen het oog op den haat.

_Stelling XXIV._

Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij haten Blijheid te weeg brengt, zullen wij ook jegens hem Haat gevoelen. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij in datzelfde wezen Droefheid te weeg brengt, zoo zullen wij Liefde jegens hem gevoelen.

_Bewijs._

Deze stelling wordt op dezelfde wijze bewezen als Stelling XXII van dit Deel; zie dus deze.

_Opmerking:_ Deze en soortgelijke aandoeningen van Haat behooren onder het begrip "_Nijd_", welke dus niets anders is dan _Haat zelf, voorzoover hij den mensch brengt in zoodanigen toestand dat hij zich verheugt over het ongeluk van een ander_ [Leedvermaak] _en omgekeerd zich bedroeft over zijn geluk_. [Afgunst].

_Stelling XXV._

Al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen Blijheid brengt, trachten wij van onszelf of van het geliefde wezen te bevestigen, en omgekeerd trachten wij al wat naar onze voorstelling onszelf of het geliefde wezen bedroeft, te ontkennen.

_Bewijs._

Datgene, waarvan wij ons voorstellen dat het in het geliefde wezen Blijheid of Droefheid te weeg brengt, schenkt (_vlg. St. XXI v.d. D._) ook onszelf Blijheid of Droefheid. Maar de Geest tracht (_vlg. St. XII v.d. D._) zich zooveel mogelijk datgene wat ons Blijheid schenkt voor te stellen, d.w.z. (_vlg. St. XVII en Gevolg D. II_) als aanwezig te beschouwen. En omgekeerd tracht hij (_vlg. St. XIII v.d. D._) het bestaan van wat ons droef maakt uit te sluiten. Derhalve trachten wij al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen blij maakt, van onszelf of van het geliefde wezen te bevestigen, en omgekeerd. H.t.b.w.

_Stelling XXVI._

Van een wezen dat wij haten trachten wij alles te bevestigen wat het naar onze voorstelling bedroeft en omgekeerd trachten wij er van te ontkennen al wat het naar onze voorstelling verblijdt.

_Bewijs._

Deze stelling volgt uit Stelling XXIII, gelijk de voorgaande uit Stelling XXI van dit Deel.

_Opmerking:_ Wij zien hieruit, dat het licht kan gebeuren dat de mensch over zichzelf of een geliefd wezen beter dan gerechtvaardigd, en omgekeerd dat hij over een gehaat wezen slechter dan billijk is oordeelt, welke verbeelding, indien zij dien mensch zelf betreft die beter over zichzelf oordeelt dan gerechtvaardigd is, _Hoogmoed_ [verwaandheid] genoemd wordt en een vorm is van waanzin, aangezien zulk een persoon met open oogen droomt dat hij allerlei dingen kan welke hij alleen in zijn verbeelding bereikt; welke hij dus als werkelijkheden beschouwt en waarop hij zich verheft, zoolang hij niet bij machte is zich iets voor te stellen dat hun bestaan uitsluit en zijn eigen vermogen tot handelen beperkt.

_Hoogmoed_ [verwaandheid] is dus _een aandoening van Blijheid, ontstaan doordat iemand beter van zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is_. Verder wordt de _Blijheid, ontstaan doordat iemand beter van een ander denkt dan gerechtvaardigd is_, _Overschatting_ genoemd, en _Geringschatting_ tenslotte die, welke _ontstaat doordat men van een ander slechter denkt dan billijk is_.

_Stelling XXVII._

Door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons gelijkt en waarvoor wij niets [bepaalds] gevoelen, een of andere aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf een dergelijke aandoening opgewekt.

_Bewijs._

De beelden der dingen zijn (_vlg. Opmerking St. XVII D. II_) inwerkingen op het menschelijk Lichaam, welker voorstellingen ons de uitwendige voorwerpen als aanwezig voorstellen; d.w.z. (_vlg. St. XVI D. II_) welker voorstellingen den aard van ons Lichaam en tegelijk den aanwezigen aard van het uitwendig voorwerp in zich sluiten. Indien dus de aard van een uitwendig voorwerp gelijkt op den aard van ons Lichaam, zal de voorstelling van dit uitwendig voorwerp dat wij ons verbeelden, een inwerking op ons Lichaam in zich sluiten, welke gelijkt op den toestand van het uitwendig voorwerp. Bijgevolg zal, indien wij ons voorstellen dat een wezen dat ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat, deze voorstelling een toestand van ons Lichaam weergeven welke op deze aandoening gelijkt [aan deze aandoening beantwoordt]. Derhalve: door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen hetwelk ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf een dergelijke aandoening opgewekt. Wanneer wij echter een wezen dat ons gelijkt haten, zullen wij een tegenovergestelde aandoening dan dit wezen ondergaan en niet een dergelijke. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Deze nabootsing van aandoeningen heet, voorzoover zij onder Droefheid thuis behooren, _Medelijden_ (_waarover men zie Opmerking St. XXII v.d. D._); behooren zij evenwel tot de Begeerte, zoo noemt men haar _wedijver_, welke dus niets anders is dan een _Begeerte tot een of ander ding, welke in ons ontstaat door ons voor te stellen dat anderen, die ons gelijken, dezelfde begeerte hebben_.

_Gevolg I:_ Wanneer wij ons voorstellen dat iemand, die geenerlei aandoening in ons te weeg brengen, een ons gelijkend wezen verblijdt, zullen wij Liefde jegens hem gevoelen. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen bedroeft, zoo zullen wij hem haten.

_Bewijs._

Dit wordt op dezelfde wijze uit de voorgaande stelling bewezen als Stelling XXII van dit Deel uit Stelling XXI.

_Gevolg II:_ Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen, kunnen wij niet haten op grond daarvan dat zijn ongeluk ons bedroeft.

_Bewijs._

Immers indien wij het om die reden konden haten, zouden wij ons (_vlg. St. XXIII v.d. D._) over zijn droefheid verblijden, hetgeen in strijd is met het onderstelde.

_Gevolg III:_ Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen, trachten wij zooveel mogelijk van zijn ongeluk te bevrijden.

_Bewijs._

Datgene wat het wezen waarvoor wij medelijden gevoelen bedroeft, brengt ook in ons (_vlg. de voorgaande St._) een dergelijke Droefheid teweeg en wij zullen dus (_vlg. St. XIII v.d. D._) alles trachten te verzinnen wat het bestaan dier aanleiding tot Droefheid opheft ofwel wat haar vernietigt; d.w.z. (_vlg. Opmerking St. IX v.d. D._) wij zullen verlangen of er toe gedreven worden haar te vernietigen. Derhalve zullen wij een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen van zijn ongeluk trachten te bevrijden. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Deze wil of dit verlangen om wèl te doen, welke daaruit voortspruit dat wij voor het wezen waaraan wij een weldaad willen bewijzen, medelijden gevoelen, wordt _Welwillendheid_ genoemd, welke dus niets anders is dan _Begeerte, ontstaan uit medelijden_. Zie overigens over Liefde en Haat jegens dengene die een wezen dat wij als ons gelijkend beschouwen goed of kwaad deed, de Opmerking bij Stelling XXII van dit Deel.

_Stelling XXVIII._

Al wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt trachten wij tot stand te brengen; wat daarentegen naar onze voorstelling daarmede in strijd is, ofwel wat tot Droefheid leidt, trachten wij uit den weg te ruimen of te vernietigen.

_Bewijs._