Erasmus Onze Groote Mannen

Chapter 4

Chapter 43,686 wordsPublic domain

Hij blijft n.l., al is hij innerlijk los van wat de R. kerk leert, en al valt zijne innerlijke overtuiging met de leer der kerk volstrekt niet samen, zich toch geheel bewegen binnen het kader der traditie. Vandaar dat hij zich gewillig neervleit onder de autoriteit der kerk; de traditie houdt hem gebonden; hij protesteert heftig en scherp, tast allerlei misbruik aan, doch mist een eigen uitgangspunt, een eigensoortig religieus beginsel, waarmede hij zich tegenover de R. kath. kerk zou kunnen stellen. Zoo keert hij telkens meer, en naarmate hij ouder wordt, bereidwilliger en gemakkelijker, zich af van de Reformatie, waartoe hij niet behoort, wendt hij zich heen tot de kerk waarvan hij zich niet losgemaakt had.

Hij is de geleerde, meer de man van intellect dan van gemoed, die, zelf zijn genot vindend in den arbeid aan zijne schrijftafel, verdiept in zijne classieken en in bepaalde deelen der H. Schrift, geen oog heeft voor de roerselen van het volksleven, en weinig vatte van de religieuze worsteling, waar het ging om in de Reformatie.

Hij meende door zijne geschriften, door zijn spot en satire, mede te helpen aan de innerlijke hervorming en verbetering der kerk. Door z'n litteraire werkzaamheid, langs een rustigen weg meende hij, dat zulk eene verbetering zou worden bereikt. Vandaar dat hij ook den paus soms aanmaant tot bezadigd optreden tegen de door Luthers toedoen in gang gezette beweging. Hoe weinig hij in staat was, de beteekenis en draagkracht van Luthers optreden te beseffen, en hoe slecht hij de diepste en krachtige motieven verstond, waardoor deze onweerstaanbaar gedreven werd, blijkt wel uit zijne illusie, dat de vrede in de kerk nog wel zou terugkeeren, wanneer de paus maar een algemeen concilie samenriep waarin niet anders dan gematigde, verzoeningsgezinde en vredelievende personen zitting zouden hebben. En dat in 1523, toen toch ongetwijfeld de zaak der Reformatie te ver gevorderd was, dan dat zij op zulk eene wijze had kunnen gekeerd worden.

Hij was vreemd aan den ziele-nood en de ziele-worsteling, waarin een Luther door zijn zonde-besef voor zijn' God was neergevallen, en waaruit deze eerst uitkomst had gevonden mèt het antwoord op de vraag, hoe hij, zonder dat eenig schepsel zich tusschen God en zijne ziel plaatste, een genadigen God kon hebben.

Daarom kon Erasmus telkens den raad geven, dat men zich toch over Luther niet zoo druk zou maken; daardoor kon hij de vergissing begaan, te denken, dat het beste was, tot Luthers beweringen het zwijgen maar te doen. Hij meende, "indien men tegen Luther maar niet zoo heftig te keer was gegaan, zou de zaak niet zoo'n vaart geloopen hebben. En nog, als men zich maar drie maanden stil hield, zou de heele Luther met zijn geschrijf wel vergeten zijn".

Alsof zulk eene beweging, uit den drang der conscientie, uit de worsteling om vrijheid opgekomen, zou verdwijnen indien zij maar werd doodgezwegen! Doch Erasmus is niet de eenige, die een dergelijke vergissing heeft begaan.

Het meest vreesde hij eigenlijk van het tumult door Luther gewekt, voor de zaak der taalstudie en der fraaie letteren. Daaraan had Erasmus het meest zijn hart verpand. Hij was voor en boven alles de _humanist_. De onkunde, het barbaarsch latijn der lagere geestelijkheid was hem een oprechte ergernis. Zelf is hij doorkneed in de litteratuur der Grieksche en Latijnsche oudheid, van haar geest gedrenkt, en van liefde voor de classieken bezield. En zijn groote vrees is, dat de Luthersche beweging aan de zaak der letteren schade zal doen. Herhaaldelijk geeft hij uiting aan die vrees. De vijanden van Luther zullen ook hèm willen treffen. Zij zullen niet rusten, voordat zij de taal en alle studie der letteren eronder hebben gebracht. De onuitroeibare haat tegen taal-studie en literatuur is naar zijne meening de bron van de gansche tragedie.

Hoezeer Erasmus-zelf thuis was in die classieke letterkunde bewijzen niet alleen werken als de "Spreekwoorden" en de "Spreuken"[15], maar blijkt op iedere bladzijde van al zijn geschriften, waar spreekwijzen, beelden, voorbeelden, zinspelingen, aan classieke auteurs ontleend, schering en inslag zijn.

Erasmus is de humanist, en behoort naar zijn geestesaanleg geheel tot de humanistische beweging. Voor de Reformatie heeft hij beteekenis gehad door zijne uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament, door zijn aandringen op studie der H. Schrift, door zijne bestrijding ook van de Roomsche kerk. Doch zijne voornaamste beteekenis en invloed ligt toch op een andere lijn.

Wel vertoonde zijn humanisme een eenigszins ander karakter dan dat der Italiaansche classicisten. Bij Erasmus was het getemperd door zijn moralisme, dat gebaseerd was op de H. Schrift. In dit opzicht is de invloed van de school te Deventer onmiskenbaar. Vandaar dat hij tegen het drijven dezer Italianen sterk gekant is. Hij is niet gediend van hun frivoliteit, van hun aanbidding van den "schoonen vorm", van hun streven, de heidensche oudheid te doen herleven. Herhaaldelijk waarschuwt hij tegen het paganisme, dat bij hen het hoofd opsteekt. In zijn "Ciceronianus" hekelt hij dit streven, zich van den invloed der chr. religie te willen losmaken, en alles in de vormen der classieke, voorchristelijke wereld te hullen. Hij voor zich wil met het opleven der classieken de zaak der christelijke religie dienen. En voor hem bestaat, in overeenstemming met zijn moralistischen aanleg, de kern van het christendom in de Tien geboden, de bergrede, en het Onze Vader. Het Oude Testament lag bijna geheel buiten zijn gezichtskring; voor de eenheid en den organischen voortgang der Godsopenbaring had hij geen oog; zoo meent hij bijv. dat er een zeer groot onderscheid is tusschen "den God der Joden en den God der Christenen".

Geheel in overeenstemming met den realistischen, niet-speculatieven trek, die zijn tijd kenmerkt, en geheel naar zijn eigen, onsystematischen, moralistischen aanleg, met zijn afkeer van een speculatieve behandeling der religieuze waarheid, reduceerde hij de christelijke religie tot wat naar zijne meening de hoofdzaak was.

Ook Luthers greep was een reductie, een vereenvoudiging, een zich beperken tot het centrale: in de leer van de rechtvaardiging uit geloof alleen werd een antwoord gegeven op de conscientie-vraag van den zondaar aangaande zijne verhouding tot God. Bij Erasmus werd het alles uit een moralistisch oogpunt gezien. Zelfs de beteekenis van Christus ging bij hem ongeveer uitsluitend op in die van den leeraar, in den hemelschen leidsman tot een goed en deugdzaam leven. Voor hetgeen buiten deze ethische beteekenis der christelijke religie lag, kon Erasmus zich neerleggen bij de autoriteit der R. Kath. kerk.

Ten slotte zij gewezen op Erasmus' beteekenis inzake opvoeding en onderwijs. Ook hierin staat hij onder de humanisten vooraan. Door zijn buitengewoon rijke litteraire werkzaamheid, en door zijn veelvuldige reizen, die hem gelegenheid gaven, in persoon raad en aanwijzing te geven, heeft hij misschien meer dan iemand anders bijgedragen tot de verbreiding van het humanisme. Zijn eigenlijke aanleg en beteekenis komen hierin veel meer uit; op dit terrein beweegt hij zich vrijer, zijne meeningen komen niet rechtstreeks in botsing met de traditie der kerk, waarvan hij innerlijk los is, en waaronder hij toch zich gevangen geeft. In Erasmus als humanist, niet als reformator, komt zijn grootheid het meest uit.

Buiten en behalve zijn overigen arbeid vond hij ook tijd zich direct met vragen van opvoeding en met onderwijs-zaken in te laten. Talrijk zijn zijne theoretische beschouwingen hierover; en van niet minder beteekenis waren de schoolboeken, door hem vervaardigd. Voor Colet's school te London bijv. schreef hij een werkje "Over de wijze van het brieven-schrijven"[16] (1522); reeds werd gewezen op zijne "Samenspraken"; ook verdient nog vermelding een geschrift, dat voor de verbetering van den stijl aanwijzingen geeft, en behulpzaam moet zijn in het aanleeren van fraaie uitdrukkingswijze: "Over den rijkdom zoowel van uitdrukking als van onderwerp" (1512). Geheel in overeenstemming met wat het humanisme in het algemeen kenmerkte, verwachtte ook Erasmus verbetering van beschaving en verreining van de zeden der geestelijkheid, wanneer het "barbarisme" maar zou plaats maken voor een verbeterde eloquentie. Aan den sierlijken, schoonen vorm werd ook door hem veel gewicht gehecht. En de classieke oudheid moest daarbij als voorbeeld dienen. Erasmus zelf wilde hieraan medewerken, door de schoolboeken, die hij vervaardigde, niet minder dan door de uitgaven van talrijke classieke latijnsche schrijvers, door hem bezorgd; ook door wat hij schreef "over de juiste uitspraak van het Latijn en het Grieksch" (1528).

Zoowel voor de kennis van het Latijn als voor die van het Grieksch is de beteekenis van dezen genialen man groot geweest. Zelf hanteerde hij het Latijn met de grootste gemakkelijkheid; hij schreef deze taal zeer vloeiend en elegant. En evenzeer was hij in geestdrift ontstoken voor het Grieksch, dat hijzelf te Cambridge eenige jaren doceerde, en als vak van onderwijs met het Latijn wilde gelijkgesteld zien.

Erasmus' gedachten over opvoeding en onderwijs zijn niet systematisch geordend, een afgerond systeem geeft hij nergens. Wel heeft hij in meer dan één geschrift zijne denkbeelden neergelegd. Hiervan noemen wij nevens het kleinere, in 1512 verschenen geschriftje "Over de wijze van onderwijs", het grootere "Dat de knapen tot deugd en wetenschap van der jeugd aan moeten worden opgevoed" (1529), een werk waarin de denkbeelden van het humanisme over het schoolonderwijs duidelijk en breedvoerig worden uiteengezet. Ook over de opvoeding van meisjes uitte hij zijne gedachten in zijn werk "Over het christelijk huwelijk" (1526).

In al deze geschriften is het humanistisch streven naar hervorming en verbetering van opvoeding en onderwijs aan het woord.

Erasmus zelf heeft in zijne jeugd de ondervinding opgedaan van het stelsel van plak en roede, dat in de kloosterscholen heerschte; van de methode, om maar eindeloos te laten van buiten leeren en opzeggen en herhalen, die toen de meest gebruikelijke was. Ongeloofelijk sterke voorbeelden van hardvochtigheid in de behandeling van scholieren weet hij aan te halen, klaarblijkelijk wel uit eigen ervaring, mishandelingen, die niet alleen als straf voor een soms zeer gering misdrijf werden toegepast, maar soms ook louter om den leerling te vernederen.

Hiertegenover beveelt Erasmus zachtheid aan en liefde. Aan den onderwijzer stelt hij zeer hooge eischen; hij gevoelt meer voor den huisonderwijzer, die desnoods aan een klein getal kinderen tegelijk onderwijs kan geven, dan voor het samenbrengen van een groot aantal in ééne klasse. Voor de vrouw als onderwijskracht had hij zeer weinig crediet; hij achtte het ongewenscht, dat zij met het onderwijs belast werd. In zijne humanistisch-Pelagiaansche beschouwingswijze hechtte hij een zeer groote waarde zoowel aan den uiterlijken vorm als aan de macht van het voorbeeld. De kinderziel achtte hij gelijk aan een onbeschreven blad papier; door navolging was haar deugd of ondeugd aan te leeren, en in het aanleeren van den vorm lag een voorbereiding voor het bezit van het wezen der dingen. Zoo schreef hij een ook voor de cultuurgeschiedenis zeer merkwaardig werkje "over de hoofsche zeden der jeugd": de uiterlijke vormen der wellevendheid waren hem eene noodzakelijke aanvulling van de wetenschappelijke vorming en eene voorbereiding voor de zedelijke opvoeding.

Het eerste en voornaamste doel der opvoeding is voor hem, "dat de teedere ziel de beginselen der vroomheid indrinke". Doch deze godsvrucht vertoonde, in overeenstemming met zijne moralistische opvatting van de religie, zeer veel overeenkomst met wat later als "christelijke en maatschappelijke deugden" zou worden aangediend.

In vele opzichten vinden wij ook in deze geschriften van Erasmus opmerkingen op pædagogisch en zielkundig terrein, waardoor hij bewijst zijn tijd vooruit te zijn, gedachten die in later eeuwen zouden worden herhaald en opvoeding en onderwijs zouden gaan beheerschen. Aan de andere zijde is hij geheel en al de humanist, een der grootsten en meest geniale, zoo niet de grootste en meest begaafde onder de humanisten.

Zijn tijd begroette hem als den man, die geroepen zou zijn de groote hervorming van alle dingen, welke men als voorgevoelde, door te voeren. Bij zijn komst te Keulen, in December 1516, werd hij begroet als een tweede Hercules, die de wereld bevrijden zou van monsters, welke sedert acht eeuwen allerwege waren opgekomen. Als een tweede Paulus, wiens roeping was het oude christendom te doen herleven, werd hij in een brief van 1517 door één zijner bewonderaars aangesproken.

Wat is er geworden van dit alles? Heeft zijn tijd hem overschat, ja dan neen? Overschat, zooveel als het humanisme zichzelf overschat heeft.

Erasmus zelf heeft den neergang der humanistische beweging nog aanschouwd. Het deed hem pijnlijk aan en stemde hem weemoedig. Herhaaldelijk beklaagt hij zich dat velen hem verlaten, die vroeger onder hun vriendelijkheden hem bijna verstikten. Zij kiezen de zijde van Luther. Aan de door Luther in gang gezette reformatorische beweging gaf Erasmus de schuld van wat in waarheid in den oorsprong en den aard van het humanisme zelf zijn oorzaak had. Ten deele beweegt ook Erasmus zich binnen het kader der traditie. Een reformator was hij niet. En tot zijn voordeel is het niet geweest dat hij zoo vaak met Luther is vergeleken.

Niettemin staat hij vóór ons als één der groote mannen van zijn tijd. Als een man van scherpen geest en buitengewone geleerdheid. Als een man, groot niet alleen in zijn eigen tijd, maar ook door zijn invloed op de volgende eeuwen.

Noten

1. In de door Clericus bezorgde uitgave, Leiden 1703-1706, tesamen niet minder dan ruim 12000 colommen druks.

2. Het inschrift in Erasmus' standbeeld te Rotterdam vermeldt 1467 als geboortejaar. Volgens zijn grafschrift te Basel stierf hij als 70-jarige, wat op 1466 wijst. Reeds Erasmus' vriend Beatus Rhenanus, die een kort levensbericht van hem schreef, zegt dat het jaar zijner geboorte niet geheel vaststaat.

3. Erasmus schreef dit werk op ruim 20-jarigen leeftijd, doch gaf het ruim 30 jaren later uit. In het laatste hoofdstuk, waarin hij o.m. schrijft dat "het klooster niets baat, als iemand er goddeloos leeft, noch het monnikskleed, als men niet rekent met het witte gewaad, bij den doop gedragen", slaat hij een gansch anderen toon aan. Niet onwaarschijnlijk is dit hoofdstuk later aan de overige door Erasmus toegevoegd.

4. Een rijke verzameling spreekwoorden en dergel., door Erasmus van toelichtingen voorzien; de eerste uitgave verscheen te Parijs, en omvatte ongeveer 800 spreekwoorden. Het werk, dat talrijke uitgaven beleefde, werd met nieuwe stof verrijkt door den schrijver, die naar zijn eigen getuigenis, er een "Herculeïschen arbeid" aan verricht had. Meer dan 10.000 versregels uit Homerus, Euripides e.a. dichters, metrisch in het latijn overgebracht, waren erin opgenomen, benevens tal van aanhalingen uit Plato, Demosthenes e.a. "Een menschenleven", zegt Erasmus zelf, "is bijna te kort om zooveel dichters, grammatici, oratoren, wijsgeeren, historieschrijvers, wiskundigen, godgeleerden, waarvan het lezen van de titels alleen haast zou vermoeien, te doorzoeken, te lezen, te herlezen".

Dit werk van Erasmus behoort onder diegene, waardoor hij grooten invloed heeft geoefend op de verbreiding der classieke beschaving. Het is niet slechts een getuigenis aan zijne ontzaglijke belezenheid en geleerdheid, maar is ook vol van dien spot en die satyre, waarmede hij zoo gaarne de misbruiken en misstanden der R.-Kath. kerk en van de monniken geeselde.

5. Niet onwaarschijnlijk is in zijn "Colloquia" de samenspraak "Vrekkige rijkdom", een, zij het dan ook te scherp gekleurde schildering van Erasmus' eigen ondervindingen. Vermakelijk is hierin de beschrijving van den, meer dan schralen, maaltijd, waarop slecht brood, kei-harde kaas, bedorven vleesch of een fragment van een broodmager kippetje met uiterst schralen wijn te genieten viel! (Vgl. "Een 12-tal samenspraken van Des. Erasmus," vertaald door N.J. Singels, uitgave "Wereldbibliotheek").

6. In 1508 kwam van Manutius' pers een nieuwe druk van Erasmus' Adagia. Hij bewerkte een nieuwe uitgave van "Hecuba" en "Iphigenia in Aulis", en bezorgde een uitgave van de werken van Terentius en Plautus.

7. De Lof der Zotheid verscheen nog onlangs in eene nieuwe Nederl. vertaling van wijlen Dr. J.B. Kan, uitgegeven en van korte ophelderingen voorzien door Dr. A.H. Kan, in de "Wereldbibliotheek".

8. D.w.z. "zonder licht, zonder kruisbeeld, zonder God". Indien de prediker inderdaad het zóó heeft gezegd als Erasmus het hem in den mond legt, is ieder woord een bewijs van ongelooflijke onkunde van de latijnsche grammatica.

9. Colloquia familiaria. De eerste, zeer weinig bevattende uitgave, verscheen in 1518; in z'n meest uitgebreiden vorm werd het werkje in 1524 uitgegeven. Sedert werd het talloos vele malen herdrukt, en ook in vertalingen gepubliceerd. Twee bloemlezingen van 12 samenspraken verschenen in de "Wereldbibliotheek".

10. Toen Erasmus hoorde van von Huttens voornemen, de pen tegen hem op te vatten, ried hij hem in een particulieren brief aan, dit liever niet in het publiek te doen. Het slot van dit schrijven was een hatelijke toespeling op von Huttens berooiden toestand: "Wellicht zouden er kunnen zijn, die, vernemende in wat voor omstandigheden gij verkeert, gaan vermoeden, dat gij op deze wijze geld zoekt af te persen; het staat te vreezen, dat velen deze gissing zullen maken ten aanzien van iemand, die verbannen is, in schulden steekt, en tot de uiterste armoede is vervallen".

11. Zoo schrijft hij bijv. aan Wilibald Pirkheimer (in 1526): "Mij zou het gevoelen van Oecolampadius niet mishagen, als het oordeel der kerk er niet tegen was". Het min of meer gevaarlijke van dergelijke uitlatingen, waarin hij toch weer geen vat op zich gaf, besefte hij zelf wel, blijkens zijn verzoek aan Pirkheimer, dien brief maar niet aan een ieder zonder onderscheid te laten lezen.

Kenmerkend is ook een uitspraak als deze: "Hoe zwaar bij anderen de autoriteit der kerk weegt, weet ik niet; bij mij is zij van zooveel gewicht, dat ik het met de Arianen en de Pelagianen eens zou zijn, indien de kerk hunne leer had goedgekeurd".

12. In zijne voorrede op de door hem bezorgde, in 1523 verschenen, uitgave der werken van _Hilarius_, kwamen onderscheiden opmerkingen voor over de leer der triniteit en het Arianisme, die Erasmus onder verdenking van kettersche gevoelens brachten. Ook zijne "Paraphrasen" op het N. Test. maken de beschuldiging van ketterij verklaarbaar, evenals allerlei beweringen, in de "Samenspraken" den daar optredenden personen in den mond gelegd. Hiervan kon Erasmus gemakkelijk verklaren, dat niet hij, maar de daar sprekend ingevoerde personen de verdedigers waren van afwijkende gevoelens.

13. Meer dan eens treft men in zijne brieven klachten aan over zijne gezondheid, en ook uitvoerige, plastische beschrijvingen van zijn kwalen, of van eene ongesteldheid, die hem overviel.

14. Zie blz. 30.

15. _Apophtegmata_, een in 1531 uitgegeven rijke verzameling van puntige, geestige, korte uitspraken, bijeengebracht uit Grieksche en Latijnsche schrijvers. Aan de 6 boeken, waaruit deze verzameling oorspronkelijk bestond, voegde Erasmus later er nog twee toe.

16. De sterke ontwikkeling van het schrijven van brieven is een karaktertrek aan de humanistische periode eigen, en hangt samen met den realistischen trek van het humanisme: men had een afkeer van het abstracte, en zocht het concrete. Zoo wordt zelfs het niet-persoonlijke, het algemeene, in den concreten vorm van een persoonlijke mededeeling gegoten, en ontstaat de verhandeling in den vorm van een brief.

Voor kort is verschenen:

KÄTHE STURMFELS

HET VROUWENGEVAAR

Geautoriseerde vertaling door B. Nolthenius-Mertens

f 1.-- ingenaaid; f 1.40 gebonden

INHOUD: Inleiding; Over het wezen der vrouw; Over de vrouwelijke zelfstandigheid; Over de grondslagen der Vrouwenbeweging; Het Feminisme in vroeger tijden; Het Feminisme als "Amerikanisme"; De dames der sexueele ethiek; Het "sociale" Feminisme; Vrouwen in mannelijke beroepen; Feminisme, Jodendom en Sociaal-Democratie; De ongunstige finantiëele toestand; De oplossing van het Vrouwenvraagstuk; Slotwoord.

Besprekingen in de pers:

Contra:

_Evolutie_: "'n Volmaakt samenraapsel van onzin en tegenstrijdigheden. Op ons maakt dit moois den indruk of het zijn ontstaan te danken heeft aan 'n studentenmop. "Wedden, dat je den grootst mogelijken onzin, hier en daar met-'n-air-van-waar-en-eerlijk-willen-zijn aan het lezend publiek kunt voorzetten en dat ze het goedig slikken, het "au sérieux" nemen, het bespreken en bestrijden gaan? Wedden, dat tal van recensenten er het ontleedmes inzetten en met den grootsten ernst op de leemten en de tegenstrijdigheden wijzen, meenende dat ze 'n product van diep en ernstig nadenken onderhanden hebben?".

Indien we het niet mis hebben en dit geschrift alzoo zijn ontstaan dankt aan 'n weddenschap, dan is voorzeker het doel van de(n) schrijver bereikt".

_Daisy E.A. Junius_ in "Nieuw Vrouwenleven": "Over een kleine 150 jaar gelden alle gekken voor wijzen en alle wijzen voor gekken, zegt men. Is voor Käthe Sturmfels de vrouw reeds tot dat stadium genaderd?... Men kan evengoed nalaten dit boekje te lezen als men kan nalaten "De Roofridder" te gaan zien".

_Telegraaf_: "Is het niet of grootmoeder het zegt, in een vertrek met den eigenaardigen geur van lodderijn- en snuifdoos? Staat geheel buiten de werkelijkheid. Een praatje uit grootmoeders tijd".

_Tijdspiegel_: "De horizon van de schrijfster is nog al beperkt".

_Herman Middendorp_ in "De Vrouw in de XXe eeuw": "Een mal boekje. Dom, oppervlakkig, eenzijdig, grof, oudbakken en ridicuul. Zeult aan achter alle cultuur".

Pro:

_Neerlands Damesblad_ (Red. Marie van Amstel): "Dit merkwaardige boekje behoort in handen te komen van alle denkende vrouwen. Wij hebben de overtuiging dat het in de hoofden en harten van allen die het lezen zooveel licht zal ontsteken als noodig is om den weg te beschrijven dien de denkende man en de echte vrouw in deze tijden hebben op te gaan..."

_De Hofstad_: "Een der weinige wezenlijk zuivere beschouwingen over de vrouwenbeweging. Dit boekje van 150 blz. weegt tegen centenaarslasten van werken over de vrouwenbeweging, met al hun wetenschappelijke en statistische fratsen, op".

_Haarl. Dagblad_: "Zegt herhaaldelijk rake dingen. Een boekje van beteekenis".

_Maçonniek Weekblad_: "Onderhoudend en niet zonder talent geschreven"

_Schied. Crt._: "Een bizonder, 'n belangrijk boekje".

_Ned Kerkbode_: "'t Is wat hartstochtelijk hier en daar, maar, afgezien van enkele bijzonderheden, heeft de vrouw die het schreef, _gelijk_".

_Goudsche Crt._: "Ik heb dezer dagen een merkwaardig boekje gelezen. Ik heb daarin veel leerrijks, veel interessants gevonden en veel dat ons zoo kalm voor ons weg doet denken: dat heb je 'm nou eens flink gezegd".

_Onze Eeuw_: "Een merkwaardig, een moedig boekje".

_De Avondpost_: "Men weet van ouds dat het "enfant terrible" wonderlijk juiste dingen kan zeggen, omdat het dingen zegt die een ander geleerd heeft voorzichtiger te formuleeren, zoo niet voor zich te houden. Er is in de boutades van K.S. een jeugdige frischheid welke prettig aandoet".

_Soerabaiasch Handelsblad_: "Een "brutaal" boekje, dat juist door deze eigenschap bekoorlijk wordt en den lezer sympathiek. Die arme Käthe Sturmfels wordt natuurlijk door veel dames "met den nek aangezien". Maar de zuiver denkende mannen met een gezond idealisme drukken die Käthe bemoedigend de hand".

_Vragen van den Dag_: "een met overtuiging, warmte en talent geschreven pleidooi".

_Dordr. Crt._: "Een flinke daad".

_Leidsch Dagblad_: "Ons moet de opmerking van 't hart, dat wij wenschten hoe er meer van dit soort boeken geschreven werd".

_Bredasche Crt._: "Een interessant, origineel boek".