Chapter 3
Erasmus kon zich niet vinden in Luthers wijze van doen. Omdat zij van een gansch anderen geestes-aanleg waren, viel beider streven maar voor een klein deel samen. Dat was: de bestrijding van het bederf en de ontaarding in de kerk. Hierin ging Erasmus onvermoeid voort, zij het dan niet met eenzelfde kracht, met gelijken gloed van heilige overtuiging als Luther. Tot handelen kwam hij niet. Hij puntte zijn pijlen, om ze tegen de vele misbruiken te richten, die hem ergerden. Zoo verscheen in deze periode, waarin de Reformatie doorwerkte, één zijner geschriften, dat een ontzaglijke bekendheid verwierf, n.l. de "Samenspraken"[9]. In den vorm van een latijnsch leerboek, (dat in vele scholen gebruikt en van buiten geleerd is), behandelen deze samenspraken de meest verschillende onderwerpen; hierdoor is dit geschrift voor de kennis der cultuurgeschiedenis, van zeden en gewoonten uit het begin der 16e eeuw van groot belang. In vloeiend latijn geschreven, vol humor, spot en sarcasme, maakt het nu eens een woord uit een der classieken, dan een Schriftwoord, de éene maal een dwaas gebruik, de andere maal een bijgeloovige dwaasheid, tot onderwerp van bespreking. Niet zelden treft men toespelingen aan op voorvallen, uit Erasmus' eigen leven, of toespelingen op bekende tijdgenooten. En ook in dit werk keert zijn spot en sarcasme zich, zonder haar te sparen, tegen de R. kerk: het vasten, de zinnelijkheid en baatzucht van vele geestelijken, het bijgeloof, de heiligen-vereering, en wat niet al, moeten het ontgelden!
Het werk trok sterk de aandacht en werd gretig gelezen door vriend en vijand. De bekendheid van den schrijver, de meesterlijke wijze waarop hij het wapen van den spot hanteert, de kettersche meeningen, door de personen die in de samenspraken optreden, vrijuit verkondigd, werkten tot de geweldige verbreiding mede. Ongetwijfeld heeft het bijgedragen tot en zijn beteekenis gehad in de geestelijke worsteling, waardoor Europa werd geschokt.
Door Erasmus' vijanden werd het beschouwd als een gevaarlijk, kettersch geschrift. In 1526 werd het door de Parijsche Sorbonne veroordeeld; en ook de Inquisitie plaatste het op de lijst van verboden boeken.
Aan wien kon Erasmus het wijten, anders dan aan zichzelven, dat hij door de tegenstanders der Hervorming onder de vrienden van Luther werd geschaard, ja gerekend onder de aanstichters van deze door de kerk zoozeer verfoeide beweging?
Erasmus, zoo zeiden zij, had het ei gelegd, door Luther uitgebroed. En toch, Erasmus wilde tot geen prijs zijne zaak met die van Luther vermengd zien. Hij was voor de gevolgen daarvan bevreesd, en zag ook voor zijn eigen persoon gevaar. Hij is niet gesneden van het hout, waarvan martelaars gemaakt worden. "Anderen mogen", zoo schrijft hij, "het martelaarschap begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig" (Dec. 1520). Elders beklaagt hij zich, dat de Duitschers hem in Luthers zaak willen betrekken, "een dwaas plan; want des te eerder zouden zij mij van hem vervreemd hebben. Wat toch zou ik Luther hebben kunnen helpen, indien ik, als hij gevaar liep, aan zijne zijde was gaan staan, alleen dat er in plaats van één, twee zouden zijn ondergegaan? Al had hij alles in beter geest en toon geschreven, ik had toch geen lust mijn hoofd voor de waarheid te wagen. Niet allen zijn sterk genoeg voor het martelaarschap" (Juli 1524).
Doch dit is niet het eenige. Hij beseft zelf, en spreekt het soms ook uit, dat Luther en hij maar weinig gemeen hebben, iets anders bedoelen. Men moet beider zaak niet in één adem noemen; men wil beiden tegelijk gaarne treffen, maar hij heeft met Luther niets uitstaande: "wat heeft de studie en wetenschap met het geloof van doen?" (Nov. 1519).
Hoe meer de toorn tegen Erasmus ontbrandde, en hij, met het toenemen van de Luthersche Reformatie, voor medeschuldig aan deze beweging werd aangezien, des te talrijker en krachtiger worden zijne verzekeringen, dat hij met Luther noch met diens boeken bekend is. In zijne drukke briefwisseling uit deze jaren, met den paus en allerlei hooge kerkelijke personages door hem gevoerd, kan men dergelijke betuigingen herhaaldelijk aantreffen. Aan den paus, Leo X, schrijft hij (Sept. 1520): "Luther ken ik niet, nooit heb ik zijn boeken gelezen, behalve misschien enkele bladzijden, en dan nog maar terloops, ze doorbladerend".
Wel komt hij, met eenigen schroom, en zonder kracht, eenigszins voor Luther op. Hij vestigt de aandacht op de ongerijmdheid, dat uitspraken van Luther als kettersch worden veroordeeld, die in de werken van Augustinus en Bernhard als rechtgeloovig, ja als vroom gelezen worden. Hij zegt, in dezen man, die liever terecht gewezen dan vernietigd moest worden, toch enkele schitterende vonkskens eener evangelische leer te hebben gevonden. Hij wijst er op, wat, naar zijne meening, eigenlijk bedoeld wordt met dat woeden tegen Luther; zij die dit doen "kunnen niet verdragen, dat de letteren en de taalstudie weer tot bloei komen, dat de classieken weer opleven, die totnutoe van de motten gegeten werden, en bedolven waren onder het stof".
Doch tegelijk beijvert hij zich, zijne gehoorzaamheid aan de kerk en aan den paus te betuigen, vooral aan Leo X, aan wiens vroomheid hij verklaart veel verschuldigd te zijn, en wiens liefde voor de letteren hij roemt.
Het ligt voor de hand, dat de geestelijkheid gaarne een klaar bewijs zou zien van deze gezindheid van Erasmus. Hoe kon hij ze beter bewijzen, dan door tegen Luther te schrijven? Doch daarin toont hij weinig lust. Hij maakt zich hiervan af: dan zou hij eerst Luthers geschriften met aandacht en meer dan eens moeten doorlezen; daartoe ontbreekt hem de tijd, wijl hij met zijn studiën meer dan bezet is. Bovendien zou het voor zijn geringe geleerdheid en geest een te zware taak zijn, en wilde hij aan de Academies, tot wier terrein zoo iets zou behooren, die eer niet ontrooven. En eindelijk hij was bevreesd, den haat van zoovele machtige mannen zich op den hals te halen, voornamelijk daar niemand hem met zulk een werk belast had.
Toch zou het oogenblik kunnen komen, dat hij zich hieraan niet kon onttrekken. Indien de keizer het hem opdroeg, zou hij niet kunnen of durven weigeren. De mogelijkheid hiervan, en ook de bestrijding, die hij te Leuven had te verdragen van de zijde der geestelijkheid, baarde hem zorg. Om zich hieraan te onttrekken, en om de kans te ontloopen, gedwongen te worden tot het opnemen van de pen tegen Luther, verliet hij Leuven, en vertrok in het najaar van 1521 naar Bazel.
Maar ook daar zou eene gewenschte rust zijn deel niet zijn. Hevige aanvallen van zijn kwaal, een ziekte van de spijsverteringsorganen, kwelden hem, en deden hem sterk vermageren. Een reis naar Rome, waarheen hij op weg was, moest hij om een dergelijken aanval opgeven; van Constanz keert hij weer naar Bazel, in plaats van door te reizen naar Rome.
Intusschen blijft hij onvermoeid aan den arbeid. Maar voor een schrijven tegen Luther was hij nog niet te vinden. Paus Adriaan VI, na Leo's dood tot paus verkozen, en uit Leuven met Erasmus bekend, deed hem het verzoek de pen tegen Luther op te nemen, en naar Rome te komen. Het laatste wijst Erasmus af met beroep onder anderen op zijne gezondheid, en ook van het eerste weet hij zich met zeer vernuftige redenen te ontslaan.
Doch nu zou een andere moeilijkheid hem ontmoeten. En wel door toedoen van den bekenden humanist Ulrich von Hutten, die telkens poogde Erasmus tot een krasser optreden tegen den paus en de kerk te bewegen. Reeds had von Hutten een schrijven aan den aartsbisschop van Mainz, door Erasmus hem ter bezorging toebetrouwd, zonder diens medeweten openbaar gemaakt. Dit had den voorzichtigen en vreesachtigen Erasmus zeer ontstemd, die van het heftig en ruw optreden van von Hutten bovendien een afkeer had. Tijdens Erasmus' verblijf te Bazel kwam ook von Hutten daar; doch op een bezoek van den berooiden, door een nare ziekte bezochten edelman was hij in 't minst niet gesteld. Waarschijnlijk mede door de dubbeltongigheid van een zekeren von Eppendorf, die zich in Erasmus' gunst had weten in te dringen, en zijne zeer hoffelijke boodschappen bij von Hutten verkeerd overbracht, werd deze zeer verbitterd. Hij liet zich, ook door Erasmus' verzoek, dat trouwens eer geschikt was om hem te prikkelen dan hem te kalmeeren[10], niet weerhouden van het schrijven van een heftig geschrift tegen Erasmus, waarin diens verzaken van de Reformatorische beweging werd aan de kaak gesteld, en in krasse taal zijn vleierij jegens den paus, zijn vriendschap met mannen als Alexander, den vijand en tegenstander der Reformatie, over wien hij zich vroeger zoo schamper had uitgelaten, zijn heulen met de vijanden der nieuwe beweging werden gehekeld.
Erasmus bleef het antwoord op dezen in Juli 1523 verschenen aanval niet schuldig. Reeds in September van datzelfde jaar kwam het van de pers, zeer kort nadat inmiddels von Hutten overleden was, waarvan Erasmus echter eerst bericht ontving nadat hij zijn antwoord had neergeschreven, en onmiddellijk vóór de uitgave ervan.
De omstandigheden drongen Erasmus steeds meer terug naar de zijde, die sommigen hadden gehoopt, dat hij te eeniger tijd zou verlaten, naar den kant nl. der Roomsche Kerk. Toen Clemens VII in 1524 tot paus was verheven, schreef Erasmus hem een brief vol vleierij. Wat hij te Bazel aanschouwt van de werking van "het nieuwe evangelie", doet hem verlangen naar een plaats, die vrij mocht zijn van menschen, "onbeschaamd, huichelachtig, verraders, als dit nieuwe evangelie voortbrengt". Wist hij zulk een plaats, hij zou er heengaan.
Steeds duidelijker wordt, dat voor de Reformatie van Erasmus niets is te verwachten: hij zal haar zijde nimmer kiezen. Ja, ten laatste wordt hij nog genoopt tegen Luther en zijn werk te schrijven. Hij doet het in het geschrift "Van den vrijen wil", waarin hij, tegenover Luthers voorstellingen, de Pelagiaansche opvatting der wilsvrijheid verdedigt, (1524), en waarop deze met zijn "Van den knechtelijken wil" antwoordde (1525). Erasmus' repliek volgde in nog twee geschriften.
Almeer komt hij tusschen twee vuren. In de Nederlanden hield men hem voor een Lutheraan, in Duitschland voor 'n hevig Anti-Lutheraan. "Ik zie", zoo schrijft hij, "dat het mijn lot is, terwijl ik beide partijen van nut tracht te zijn, dat ik door beide gesteenigd word".
Want ook van Roomsche zijde wordt tegen hem gewoed, zóó, dat het hem verbittert. Van de "theologen en monniken", zegt hij: "dat vee woedt zoo hardnekkig en dom tegen mij, dat ik, had ik geen steenen gemoed gehad, door hun haat zelfs in het kamp van Luther had kunnen gedreven zijn".
Tegen Albertus Pius, den vorst van Carpi, tegen de Dominikaners en Franciskaners van Spanje had hij zich in geschrifte te verweren tusschen al den arbeid door, dien hij met stalen vlijt bleef verrichten. Zoo vertaalde hij sommige geschriften van _Origenes_, van _Chrysostomus_, _Athanasius_ en andere kerkvaders; schreef een dialoog "_over de juiste uitspraak van het Latijn en het Grieksch_"; in dezen zelfden tijd (1528) kwam zijn geestige, scherpe dialoog "_Ciceronianus_" van de pers, waarin het overdreven classicisme der Italiaansche humanisten werd bespot; bezorgde hij een nieuwe uitgave van _Seneca_, en, meer op aandringen van den uitgever Frobenius, dan uit sympathie voor _Augustinus_, ook een druk van diens werken.
Ook te Bazel zelf werd het Erasmus welhaast te benauwd. Wel waren nu zijn geldelijke omstandigheden van dien aard, dat hij onbekommerd, in betrekkelijke weelde kon leven. Hij kon zich nu veroorloven in een eigen huis te wonen, en drie bedienden te houden, waarvan er steeds één op reis was om een brief te bezorgen, of eenige andere opdracht te vervullen. Al bleef de keizer vaak in gebreke hem zijn jaargeld te doen uitbetalen, geldgebrek had hij in dezen tijd geenszins. Behalve geregeld de jaargelden van zijn Engelsche vrienden Warham en Mountjoy ontving hij talrijke geschenken, niet zelden in geld, van vorsten, kardinalen, hertogen, bisschoppen. Twee malen zond paus Clemens VII hem 200 goudguldens. Sigismund I van Polen zond hem een vorstelijk geschenk. De verkoop van zijn boeken bracht hem steeds meer aan. Bijna geregeld had hij een of twee jonge mannen van aanzienlijke positie in zijn omgeving, die van zijn omgang en geleerdheid genoten, het een eer achtten aan zijne tafel aan te zitten, en de kosten van zijne huishouding hielpen dragen. Onder hen noemen wij alleen den bekenden Johannes a Lasco, die aan Erasmus veel te danken had.
Tegenover al dit licht ontbrak evenwel de schaduw niet. Vele vrienden ontvielen hem door den dood, onder welke het verlies van Frobenius (+ 1527) hem zeer diep trof.
Daarbij maakte het veldwinnen van de Hervorming te Bazel het verblijf voor Erasmus daar niet aangenamer. In den avondmaalsstrijd, die ontbrandde, scheen hij af te wijken van het gevoelen der R. kerk, en te neigen tot de meening van Oecolampadius ten aanzien van de wijze, waarop Christus in het brood en den wijn van het H. Avondmaal tegenwoordig was. Zijne voorzichtige, soms dubbelzinnige[11] uitingen deden hem het verwijt niet ontgaan, dat hij het met Oecolampadius wel eens was, doch er niet voor durfde uitkomen. Aan de andere zijde vraagde de overheid van Bazel zijn advies, of de verkoop van Oecolampadius' boek daar al of niet zou worden toegestaan. Een en ander was oorzaak, dat hij zich niet recht meer op zijn gemak gevoelde. En toen eindelijk te Bazel de onrust onder het volk toenam, de mis openlijk werd afgeschaft, de beelden uit de kerken werden verwijderd, achtte hij het beter van woonplaats te veranderen. Hij koos daartoe _Freiburg_ im Breisgau, waarheen hij in 1529 vertrok.
Hier bracht hij zijne laatste levensjaren door, af en toe geplaagd door ongesteldheid en hevige ziekte. Toch rustte zijn arbeid niet. Velerlei werken van zijne hand verschenen nog, o.a. eene uiteenzetting van de Apostolische geloofsbelijdenis, van de tien geboden en het Gebed des Heeren; een klein geschrift over de voorbereiding tot den dood, op verzoek van Rochford, den vader van de ongelukkige Anna Boleyn, vervaardigd; een breede verhandeling, aan de hand van Psalm 84, "over de liefelijke eenheid der kerk" waarin eene uiteenzetting wordt gegeven over de verschillende ketterijen die de kerk hadden belaagd, en Erasmus zich, veel scherper dan hij vroeger wel gedaan had[12], over de Arianen uitspreekt.
Sinds 1534 begon hij hevig aan de jicht te lijden, zoodat hij niet zelf kon schrijven, maar moest dicteeren. Niettemin slaagde hij er nog in een werk "Over de kunst van prediken" te voltooien.
In verband met den druk van dit werk vertrok hij naar Bazel, met het voornemen vandaar naar de Zuidelijke Nederlanden te gaan. Doch hiertoe zou het niet komen. Zijne krachten waren gesloopt. Een ziekte overviel hem, die hij niet meer kon doorstaan. Den 12en Juli 1536 overleed hij, omgeven door een kleinen kring van vrienden, onder aanroeping van den naam van Christus.
Hij werd in de hoofdkerk van Bazel begraven, ten grave gedragen door de studenten der universiteit, zijn stoffelijk overschot gevolgd door al hare professoren.
De door hem bij testament aangewezen erfgenamen zorgden voor een grafsteen, die de plaats, waar hij begraven ligt, aanwijst, en dezen Desiderius Erasmus van Rotterdam in een opschrift eert als een "alleszins zeer groot man, wiens onvergelijkelijke geleerdheid in allerlei wetenschap het nageslacht zal bewonderen en verkondigen".
* * * * *
Vragen wij thans, na deze vluchtige schets zijner lotgevallen, naar de beteekenis van dezen groote, één der geleerdste en meest vermaarde mannen der 16e eeuw, en trachten wij ons een indruk te vormen van den invloed, op zijn eigen tijd en op het nageslacht uitgeoefend.
Allereerst moet dan gewezen op Erasmus' karakter en geestes-aanleg. Dat hij een man was vol geest, een liefhebber van scherts, met een scherpe opmerkingsgave voor het dwaze en lachwekkende in toestanden en personen, ziet ieder terstond die zijn trekken gadeslaat, zooals Holbein de jongere ze weergaf. Uit zijn oog spreekt het vernuft, de spotachtige trek ligt duidelijk geteekend om den mond. Dat die spot wonden kon als een vlijmende dolk, ondervond o.a. von Hutten, tegen wiens aanval hij zich in een scherp geschrift teweer stelde, ondervonden ook de geestelijken, die zich hadden aan te trekken wat hij zoo herhaaldelijk schreef over de domheid, het formalisme, het bijgeloof, dat in de kerk zoo velerwegen heerschte. Aan de andere zijde was Erasmus een man van groote bedeesdheid, uiterst schuchter en verlegen, het liefst rustig tusschen zijne boeken, de pen in de hand, of in een vertrouwelijk en onderhoudend gesprek met enkele goede vrienden. Misschien kan zijn zwakke gezondheid, die hem veel deed lijden en waarover hij in menigen brief in den breede handelt[13], hierbij voor een deel in rekening gebracht worden.
Hoe het zij, als een beeld van fieren, nobelen moed staat hij niet voor ons. Soms durft hij onbeschroomd zelfs den paus raad te geven en te vermanen, en toont hij tegenover één zijner beschermers, die met zijn armoede een weinig den spot gedreven had, een fijn eergevoel. Maar bij andere gelegenheden vloeien zijne brieven aan hooggeplaatsten over van onwaardige vleierij. En de wijze, waarop hij een enkele maal tegen zijne bestrijders optreedt, of over zijne tegenstanders zich uitlaat, strekt hem niet tot eer. Over het feit, dat zijn antwoord op von Hutten's aanval eerst verscheen na diens dood[14], kan hem geen blaam treffen. Minder eervol echter is voor hem, dat hij ook den uitgever van von Hutten's strijdschrift trachtte te achterhalen, en aan de overheid van Straatsburg, waar de drukker woonde, verzocht dezen te straffen.
Dikwijls is gewezen op een trek in Erasmus' karakter, door sommigen plooibaarheid, door anderen lafhartigheid en onoprechtheid genoemd. Een onweersprekelijk feit is, dat hij, vreesachtig als hij was, gaarne buiten moeite bleef, en dikwijls kans zag uitlatingen, die hem onder verdenking van ketterij brachten, later weer te verzachten, of geheel te verloochenen. Weinig nobel was zijn houding jegens den jongen Franschen edelman Louis de Berquin, een vurig humanist en bewonderaar van Erasmus, met wien hij in levendige briefwisseling stond. Ten gevolge van zijn optreden tegen de R. kerk, werd de Berquin in 1529 te Parijs verbrand, na een beroep gedaan te hebben op Erasmus' tusschenkomst; doch tevergeefs. En ook dan nog laat Erasmus, in al te groote voorzichtigheid, zich zeer koel over den vurigen strijder uit. "Over zijne zaak, die mij totaal onbekend is, kan ik mij niet uitspreken. Heeft hij zijne straf niet verdiend, ik betreur het; heeft hij haar wel verdiend, zoo betreur ik het dubbel: want het is nog beter onschuldig dan schuldig te sterven!"
Niet moeilijk zou het zijn voorbeelden aan te halen van de pogingen, die hij aanwendt, om verklaringen, welke hem gevaarlijk konden worden, aannemelijk te doen schijnen; van de onoprechte wijze waarop hij zich uitlaat; van de terughouding, dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid van menige uitspraak. Niet zelden zijn het onoprechte uitvluchten, waarmede hij zich tracht te vrijwaren. Wij zouden aan de waarheid te kort doen door dezen karaktertrek geheel te verzwijgen. Hij is deels een uiting van vreesachtigheid en deels een gevolg van gemis aan een diepgewortelde, met heilig vuur verdedigde overtuiging.
Het is dan ook licht te begrijpen, dat men soms niet wist wat men aan hem had; dat hij bij de Roomsche geestelijken gold voor een aanstichter der Reformatie, en bij de Lutherschen als een hevig anti-Lutheraan; dat een man als von Hutten hem verweet, dat hij zich uit vrees en halfslachtigheid meer en meer aansloot bij de pauselijke partij, terwijl hij zich toch vroeger zoo kras over den paus, de geestelijken en de misbruiken der kerk had uitgelaten.
Toch doet men onzes inziens Erasmus geen recht, wanneer men alleen aan dezen karaktertrek toeschrijft dat hij, naarmate de Reformatie veld won en de door Luthers optreden ontbrande strijd heftiger ging woeden, steeds meer zijne gehechtheid aan de Roomsche kerk, zijne gehoorzaamheid aan den paus uitspreekt. Het is waar, in den loop der jaren en bij den voortgang der gebeurtenissen worden dergelijke betuigingen menigvuldiger en duidelijker. En evenzeer is het waar, dat hij door zijn tallooze hatelijkheden tegen de geestelijkheid, door zijn meedoogenloos bespotten van de misbruiken in de kerk, niet alleen aan die kerk veel afbreuk heeft gedaan, maar ook den indruk kon maken aan de zijde der Hervorming te staan. Doch het is niet juist, te zeggen, dat hij uit vrees of lafhartigheid is teruggekeerd van een weg, dien hij, om de gevolgen, niet ten einde durfde loopen, en dat hij, waar hij zijn verknochtheid aan de R.-Kath. kerk uitspreekt, zijn beginsel zou hebben verloochend of zijn diepste overtuiging geweld aangedaan. Hij verklaart zelf (in 1525), ten opzichte van zijne houding jegens de R. kerk en de Reformatie: "tot nog toe heb ik mij evenmin door vleierij als door dreigingen of door scheldwoorden van beide partijen van mijn plaats laten dringen. Dat zal iemand misschien voorzichtigheid noemen, eer dan standvastigheid... Toch, mijn geweten heeft mij weerhouden, geen vrees". En wij mogen het ervoor houden, dat hij hierin de waarheid spreekt.
Bovendien ligt in Erasmus' ganschen geestes-aanleg de verklaring voor de houding, die hij aannam, en die niet aan min-edele motieven toegeschreven, of louter uit vrees en dubbelzinnigheid mag verklaard worden. Hem kenmerkt een zekere skepsis, waardoor hij den gloed eener vaste overtuiging mist. Innerlijk was hij los van de leer der kerk, die in zijn gemoedsleven geen weerklank vond, en waarvan hij voor zijn denken evenmin de beteekenis inzag. Zoo kan het gebeuren, dat hij telkens tot uitingen komt, die hem onder de verdenking van ketterij brengen, een verdenking, die hij door zijne omzichtige wijze van uitdrukking weet af te wijzen, en door betuiging van onderworpenheid aan de kerk en hare leer neutraliseert. En niettemin bleven de monniken hem beschouwen als hun doodelijken vijand. Zij gevoelden, als bij instinct, alhoewel hij in zijne afwijkingen van de leer geen vat op zich gaf door de voorzichtigheid van zijne woordkeus, dat toch de gansche geest van hetgeen hij leerde aan Rome vijandig was.
Zoo geeselt hij wel misbruiken, en wijst misstanden aan; maar in de ontaarding, waarop hij zijn aanvallen richt, treft hij de zaken zelf, en werkt hij ertoe mede dat deze voor veler besef haar beteekenis verliezen.
Zeer sterk komt dit bijv. uit in zijn, in 1524 geschreven boekje over "de wijze van biechten". Hierin somt hij eerst negen voordeelen op der biecht, wijdt dan lang uit over de nadeelen en gevaren, die eraan verbonden kunnen zijn, waarvan hij er eveneens negen opnoemt, om ten slotte te spreken over de rechte wijze van biechten, en te besluiten met de woorden: "deze opsomming van de nadeelen strekt niet om van de biecht af te schrikken, maar opdat wij meer tot ons nut zouden biechten". Doch de uitwerking van een dergelijke wijze van schrijven moest wel zijn, dat hij metterdaad van het biechten afschrikte. Niet anders is het in hetgeen hij schrijft telkens waar hij zich uitlaat over het vasten. Zeer terecht is dan ook van hem gezegd: "niemand wist beter dan hij bijgeloovige uitwassen, kerkelijke misbruiken zóó met zijn spot te treffen, dat ook de zaak zelve, waaraan het misbruik zich had gehecht, erdoor werd getroffen".
En toch is het geen onoprechtheid, wanneer Erasmus met dat al verklaart, zich aan de uitspraken en meeningen der kerk te onderwerpen. Zeer scherp en duidelijk karakteriseert hij zichzelf in de volgende woorden: "ik ben zóó afkeerig van dogmata, dat ik gemakkelijk zou kunnen overgaan tot het gevoelen der skeptici, overal waar het door de onaantastbare autoriteit der H. Schriften en de besluiten der kerk geoorloofd is, aan welke ik mijn verstand in alle opzichten gaarne onderwerp, hetzij ik begrijp, wat zij voorschrijft, hetzij ik het niet begrijp".