Chapter 2
En was ook te Rome zijn indruk van het geestelijk en kerkelijk leven niet bitter ongunstig? Hij kon daar een gebrek aan ernst opmerken, een jagen naar eervolle posten, een losheid van zeden bij een deel der geestelijkheid van Rome, die hem ergeren, en hem voor menige scherpe satyre de stof leveren. Ook kon hij zich geenszins vinden in het streven van een zekere groep onder de geestelijken, om, in zotte navolging van alles wat classiek was, zelfs de christelijke vormen en tradities te paganiseeren. Zelfs de titel van kardinaal, de naam der mis enz. werd verruild voor de titulatuur van het oude Rome; de kardinalen heetten _patres conscripti_, de mis werd als _sacra deorum_ aangeduid. Bij eene preek op Goeden Vrijdag, die Erasmus van een beroemd prediker aanhoorde, vernam hij meer van de opofferingen van Decius, van Curtius, van Iphigenia, dan van het offer van Christus; de romeinsche historie passeerde de revue, maar van de geschiedenis van Christus kreeg men weinig te hooren.
Ontegenzeggelijk hebben deze en dergelijke ervaringen op den geest en het optreden van Erasmus, op zijn oordeel over de Roomsche Kerk, grooten invloed geoefend, een invloed, die vooral in zijn satyrieke uitingen, in zijn heftig geeselen van allerlei misbruiken en misstanden in de kerk te bespeuren is.
Naast veel, dat hem hinderde, was er anderzijds ook ontzaglijk veel, dat hem aantrok. Tal van beroemde mannen keurden hem hun omgang waardig; in de wereld der geestelijken van Rome, die, bij al haar gebreken, voor geleerden en kunstenaars gastvrijheid bood, werd ook hij toegelaten. De meest verfijnde cultuur en het hoogststaand intellect, dat men zich denken kan, hij trof het er aan en genoot ervan. Hij zal er later met hevig begeeren naar terug verlangen.
"Ik kan niet anders dan betreuren", schrijft hij in 1512 aan den kardinaal van Nantes, "telkens als ik eraan denk, welke lucht, welk een land, welke bibliotheken, welken zoeten omgang met geleerden, welke lichten der wereld ik zoo gemakkelijk heb in den steek gelaten".
En toch, dat heeft hij gedaan. In 1509 verliet hij Italië. Noch het verzoek van kardinaal Grimani, noch de schoone en rijke toekomst, die hem beloofd werd, konden hem vasthouden. Zijne vrienden in Engeland hielden aan op zijne overkomst. Gedachtig aan vroegere beloften, in de verwachting misschien een groote, althans een nuttige rol te spelen bij Hendrik VIII, die na den dood zijns vaders (April 1509) den troon van Engeland beklommen had, neemt hij afscheid van het land, dat hem zooveel vreugde had bereid.
Hij hoopt weldra te kunnen terugkeeren, een hoop, die hij zijn gansche verder leven zal koesteren; bijna iederen winter zal hij plannen maken voor een hernieuwd bezoek aan Italië. Doch het zal hem niet worden vergund. "De toekomst ligt niet in zijne hand. Zijne zwakke gezondheid zal hem weldra lange reizen verbieden. Een nieuwe periode in zijn leven gaat zich voor hem openen. Straks vangt de Reformatie aan. Reeds oud en zwak, hunkerend naar rust, zal hij worden geroepen in den strijd, die de 16e eeuw beroerde; hij zal boeken schrijven, die duizenden zullen lezen en bespreken; Europa zal acht geven op al wat hij zegt. Erasmus begint zijn glorie te zien klimmen; maar zijn geluk neemt een einde" (P. de Nolhac, Erasme en Italië, p. 91).
De vijf jaren, die op zijn vertrek uit Italië (1509) volgden, bracht Erasmus, met uitzondering van enkele bezoeken aan het vasteland van Europa, in Engeland door. Zijn uiterlijke omstandigheden bleven nog vrijwel dezelfde; grootendeels bleef hij afhankelijk van de wisselende gunst zijner beschermers, wier mildheid hij vaak grooter wenschte, en die hem menige klacht deed slaken. Dat zijn armoede zoo groot was als hij dikwijls voorgeeft, is niet waarschijnlijk. Eerder mogen wij onderstellen dat zijn klachten strekken moesten om de hand zijner patroons te openen. Hoe dit zij, volmaakt tevreden was Erasmus toen nog niet. Eerst in de laatste periode van zijn leven zal hij over een inkomen beschikken, dat hem veroorlooft te leven in een staat, die voor zijne zwakke gezondheid dienstig, en voor de behoeften van zijn rusteloozen wetenschappelijken arbeid passend was.
Doch, hoe dan ook zijn geldelijke omstandigheden mogen zijn, overigens was er voor hem geen reden tot klagen. Hij ontwikkelde een buitengewone werkzaamheid, die zijn' naam door heel de geleerde wereld klinken deed, en hem bracht op het toppunt van zijn' roem. Te Cambridge trad hij een tijdlang op om onderwijs te geven in het Grieksch, voor Colet's school schrijft hij een werk van pædagogische strekking, gevolgd door een ander, dat handelt over de eischen den onderwijzer te stellen. Ook de uitgave van de werken van den kerkvader Hieronymus werd in deze jaren door hem voorbereid.
Het meest echter trok de aandacht een geschrift van betrekkelijk geringen omvang, dat ook nu nog als een der meest algemeen bekende werken van Erasmus mag worden beschouwd. Wij bedoelen zijn reeds even vermelde "Lof der zotheid". Hij gaf het uit op aandringen van zijn vriend Thomas More en droeg het aan dezen op. Beide, Erasmus en More, hadden een sterk ontwikkelden zin voor humor; al was het dan ook More, die zijn' vriend aanspoorde tot het uitgeven van den "Lof der zotheid", het is toch zeer de vraag, of Erasmus blijken geeft van de rechte zelfkennis, wanneer hij verzekert, dat zulk werk eigenlijk geheel niet naar zijn aard was: "hij (More) bracht mij ertoe, den "Lof der zotheid" te schrijven, d.i. hij bracht een kameel tot dansen".
Veel over dit werkje te zeggen is niet noodig. Het is over-bekend, en ook voor lezers, die het Latijn niet machtig zijn, gemakkelijk toegankelijk[7]. Ieder kan dus zonder moeite kennis maken met dit geschrift, waarin de Zotheid een lofrede houdt op zichzelf, zich de eer toekent, het gansche bestaan der menschen te beheerschen, en de bron te zijn van alle levensvreugde.
In dezen paradoxalen vorm worden allerlei maatschappelijke en kerkelijke misbruiken gehekeld; zoomin het zotte genot der jacht als de dwaasheid der menschen, die in ceremoniën, in vasten, in het aantrekken van een ordekleed, in het opzeggen van vele gebeden hun heil zoeken, ontkomt aan zijn spot; nu is het de oorlog, dan de paus, de ééne maal zijn het de vorsten, de andere maal de aflaathandel, die door zijn satire gegeeseld worden.
Nergens geeft Erasmus duidelijk aan, wat hij eigenlijk onder "zotheid" verstaat, hetgeen het lezen van dit geschriftje niet gemakkelijker maakt. Hij laat zelfs aan zijn vernuftspel zóóver den teugel vrij, dat wij er niet anders in kunnen zien dan een zondigen tegen den goeden smaak. Op het einde nl. laat hij de Dwaasheid haar eigen lof zingen met een beroep op de H. Schrift; eenvoudig op den klank van het woord afgaand, haalt hij allerlei Schriftwoorden aan, gewaagt zelfs van de dwaasheid, waartoe Christus zelf in zekeren zin gekomen is door Zijne menschwording, en van de door Paulus genoemde "dwaasheid des kruises".
Niet aanstonds wondde de scherpe pijl degenen, tegen wie zij gericht was. "De lof der zotheid" werd door velen gelezen, doch door weinigen begrepen. Eerst toen (in 1514) een uitgave verscheen met aanteekeningen en commentaar voorzien door Erasmus' landgenoot en vriend Gerard Lystrius, een dokter, die wel door den schrijver-zelven hierbij geïnspireerd was, gingen de oogen open. De universiteit van Leuven droeg aan Dorpius op, Erasmus aan te vallen. Deze deed het, doch op niet al te heftige wijze, en werd met groote vriendelijkheid beantwoord door den schrijver, die in later jaren zijn tegenstander geheel aan zijne zijde kreeg, en in hem zelfs een verdediger vond. Doch zoo ging het niet allen. De geestelijkheid, vooral de monniken, die zich door Erasmus' spot gewond voelden, vergaven hem zijn satire niet, wat echter den spotzieken geleerde niet weerhield, nog menigmaal den afkeer, door velen hunner tegen de studie en de classieke letteren gekoesterd, de domheid en vormendienst, waarin velen uitblonken, onmeedoogend te hekelen.
Intusschen, dit bekende werkje, dat zoozeer de aandacht trok, nam maar een klein gedeelte van Erasmus' tijd in beslag. In den tijd van een week op het papier geworpen, is het ook maar een verdwijnend klein deel van den arbeid, door hem ook in deze jaren verricht. Toen, begin 1514, de tekst van Hieronymus' werken was gereed gemaakt, kwam hem ter oore, dat de beroemde drukker Frobenius te Bazel een uitgave van de werken van dezen kerkvader zou bezorgen. Dit deed bij hem het besluit rijpen Engeland te verlaten, waar hij van den koning, Hendrik VIII, op dit oogenblik toch niet veel te verwachten had, daar de oorlog met Frankrijk hem in beslag nam; en niet alleen den koning zelf, maar ook diens geldmiddelen.
In de jaren die volgden, van 1515-1521, bevindt Erasmus zich een groot deel van den tijd in de Zuidelijke Nederlanden, nu eens te Brussel, dan te Antwerpen, hoofdzakelijk te Leuven. Hij had het geluk en de eer tot raadsheer van aartshertog Karel, later Keizer Karel V, te worden benoemd, wat hem aanspraak gaf op een aanzienlijk jaargeld. Niet altijd werd hem dit uitbetaald, voornamelijk, toen hij zijn hoofdverblijf te Bazel had, na 1524.
Om, nu hij in de Nederlanden vertoefde, gevrijwaard te zijn tegen een gedwongen terugkeer in zijn klooster, waartoe hij niet den minsten lust gevoelde, wist hij door middel van den apostolischen secretaris Lambertus Grunnius van den paus, Leo X, gedaan te krijgen, dat hij van zijn kloostergelofte ontslagen werd. Nu kon hij vrijelijk gaan waar hij wilde. Niets belet hem naar Bazel te reizen. Op zijne reis door Duitschland wedijveren geleerden, gemeentelijke regeeringen, bisschoppen, den geleerde van naam, den raadsheer, met eerbewijzen te ontmoeten.
Te Bazel volgden eenige maanden van noesten arbeid. Met medewerking van Reuchlin, de gebroeders Amerbach en andere geleerden, werden de werken van Hieronymus uitgegeven. Erasmus droeg deze uitgave op aan den aartsbisschop van Kantelberg. Aan een nieuwe uitgave der "Spreekwoorden", aan een vertaling van Plutarchus, aan een uitgave van Seneca's werken, werd door hem gearbeid. Zwingli komt naar Bazel, om den beroemden geleerde te zien, van wiens geschriften hij voortaan dagelijks eenige bladzijden leest. Oecolampadius, die te Bazel woonde, is in groote bewondering voor Erasmus; steeds breeder wordt de kring, waarin zijn werken gelezen worden, al meer breidt zich het getal zijner vrienden uit, onophoudelijk is hij in briefwisseling met tallooze mannen van naam en invloed, die hij dan hier, dan daar ontmoet. Want rustig op ééne plaats blijven deed hij niet. Wel bracht hij veel van zijn tijd te Leuven door, waar hij zich beijverde om de bekwaamste mannen te verbinden aan het "collegium trilingue", door de mildheid van Busleiden in 1517 gesticht. De uitnemendste krachten zocht Erasmus voor het onderwijs in het Hebreeuwsch, het Grieksch en het Latijn naar Leuven te trekken. En zoo vertoefde hij ook daar in een kring van geleerden.
Doch achtte hij het noodig, voor den druk van een zijner werken, om naar Bazel te reizen, hij liet zich niet weerhouden. Ook niet door de scherpe verwijten der monnikenpartij, die hem het gebrekkige van zijn arbeid voorhielden, en van wispelturigheid beschuldigden op grond van zijne talrijke reizen. Onbeschroomd weet Erasmus zich te verweren: zijne reizen, met uitzondering van die naar Italië, die deels voor eigen genoegen, deels ook om te kunnen partij trekken van wat daar in de bibliotheken aanwezig is, werden ondernomen, zijn in het algemeen belang. "Als onbewegelijkheid, blijven op ééne plaats, een verdienste is, hebben steenen en boomstammen den voorrang, dan volgen de sponsen, die ook aan ééne plaats gehecht zijn, en niets te doen hebben dan te drinken!" Deze laatste bedekte hatelijkheid aan hun adres zal voor de monniken niet verborgen zijn gebleven; en het zal hun welwillendheid jegens den man, die hen reeds zoo dikwijls tot mikpunt van zijn spot had gemaakt, niet hebben doen terugkeeren!
Terwijl in deze jaren het humanisme zijn invloed zag toenemen, en Erasmus meer en meer het middelpunt werd van deze geestelijke opwaking, verscheen den 1^en Maart van het jaar 1516 van Frobenius' pers een door Erasmus bezorgde uitgave, die van groot belang zou worden voor de Hervorming, waartoe weldra Luthers optreden den beslissenden stoot zou geven.
Wij bedoelen het Nieuwe Testament in den _Griekschen_ tekst, het eerste dat in druk werd uitgegeven. In April van 1515 ontving Erasmus een schrijven van zijn vriend Beatus _Rhenanus_, die hem meldde, dat Frobenius een Nieuw Testament in het Grieksch wilde uitgeven, en daartoe van Erasmus' arbeid wenschte gebruik te maken. Frobenius zou hem daarvoor zooveel geven als wie dan ook. Erasmus, die zich reeds veel met het N.T. had beziggehouden, voornamelijk met een latijnsche verklaring, begaf zich naar Bazel. En in ongeloofelijk korten tijd verscheen het eerste Grieksche Nieuwe Testament in druk. Den 11^en Sept. werd met drukken een aanvang gemaakt, den 1^en Februari 1516 is de opdracht van dezen arbeid aan Leo X gedateerd, en den 1^en Maart van dat jaar was de uitgaaf gereed. Nevens den Griekschen tekst was een latijnsche vertaling van Erasmus' hand afgedrukt, terwijl het geheel voorzien was van korte aanteekeningen, waarin hij rekenschap geeft van de afwijkingen van den gangbaren, door de kerk als authentiek erkenden bijbeltekst der "Vulgata", moeilijk verstaanbare uitdrukkingen kort uitlegt, en ook de gelegenheid niet ongebruikt laat, om de apostolische vermaningen, de toestanden uit den apostolischen tijd te vergelijken met den huidigen staat van kerk en geestelijkheid, waarbij hij zijn critiek en spot aan de theologen en monniken niet spaart.
De groote haast, waarmede deze uitgaaf werd bezorgd, kwam begrijpelijkerwijze aan de waarde ervan niet ten goede. De Grieksche handschriften, erbij gebruikt, waren niet van de oudste en beste, zooals Erasmus verzekert, doch die exemplaren, welke te Bazel waren, en niet ouder dan de 11^e eeuw. Van het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes, was slechts een moeilijk leesbaar, zeer defekt handschrift aanwezig, waarvan de onleesbare of ontbrekende plaatsen eenvoudig moesten aangevuld worden door vertaling van den Vulgata-tekst. Zoodat Erasmus' bewering wel wat optimistisch gekleurd is, dat hij een exemplaar had gehad van zoo hoogen ouderdom, dat het bijna in den apostolischen tijd kon geschreven schijnen. Voorts ontbrak de tijd voor een zorgvuldige vergelijking der handschriften met den overgeleverden tekst. Ook zijn in later eeuwen zóóveel meer gegevens tot vaststelling van een juisten Griekschen tekst bekend geworden, dat in vele détails de tekst van Erasmus' uitgave verbeterd is.
Doch dit alles doet niets te kort aan het feit, dat deze editie van groote beteekenis is geweest in de geschiedenis van de 16e eeuw. Erasmus' werk vond grooten bijval en was weldra uitverkocht; reeds in 1519 moest opnieuw het Nieuwe Testament in het Grieksch worden gedrukt. Deze 2e druk, veel verbeteringen bevattende van fouten der 1e editie, werd door _Luther_ gebruikt als grondslag voor zijne vertaling van het Nieuwe Testament in het Duitsch, welke in de geschiedenis der Reformatie, en eveneens voor de ontwikkeling der Duitsche taal, zulk een belangrijk moment werd.
Het is licht te begrijpen dat een dergelijk werk niet met enkel bijval werd ontvangen. Erasmus wist dan ook wel wat hij deed, toen hij juist dezen arbeid (en niet de uitgave van Hieronymus' werken, zooals eerst zijn voornemen was) aan paus Leo X opdroeg, en hem ook in een afzonderlijken brief onder diens auspiciën stelde!
De aanvallen bleven niet uit, met name na de 2e editie. Vooral van de zijde der monniken was de critiek heftig. Omdat Erasmus' tekst in menig opzicht afweek van den kerkelijk goedgekeurden, zagen zij er een aanslag in op de H. Schrift. En niet minder waren zij geprikkeld door de scherpe opmerkingen, die de schrijver in zijn "Annotaties" had ingelascht tegen vele misbruiken in de Roomsche kerk. Erasmus bleef het antwoord niet schuldig. En zoo was ook deze arbeid aanleiding tot een nieuwe reeks van geschriften, ten deele van apologetischen aard.
In het erkennen van fouten, die, vooral door den grooten haast waarmede gewerkt was, zeer begrijpelijk waren, en door zijne vijanden met speurenden blik werden opgezocht, was onze Erasmus niet ridderlijk. Hij waagde wel eens goed te praten, waar een ruiterlijke bekentenis, dat hij zich eenvoudig vergist had, hem volstrekt niet tot oneer zou hebben gestrekt.
Ook bij ééne verandering, welke hij in de 3e uitgave van zijn N.T., die in 1522 verscheen, aanbracht, gaf hij blijk van zwakheid. Eén zijner bestrijders had hem o.a. verweten, dat hij in I Joh. 5 vs. 7 de woorden "drie zijn er, die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de H. Geest; en deze drie zijn één" had weggelaten; deze woorden worden in den Vulgatatekst wel gevonden. Erasmus verdedigde zich met een beroep op de door hem geraadpleegde Grieksche handschriften, waarin deze woorden niet voorkwamen, doch verklaarde zich bereid ze op te nemen in den tekst, indien zij hem in eenig Grieksch handschrift werden aangewezen. Toen hij nu vernam dat een dergelijk handschrift bestond, nam hij ze inderdaad in den tekst wederom op, hoewel hij vermoedde (en niet ten onrechte), dat deze getuige expresselijk voor dit geding was vervaardigd.
Behalve deze 3e uitgave waren nog in 1527 en in 1535 een 4e en een 5e noodig. Bewijs genoeg van den opgang, dien dit werk maakte, van de aandacht, die het trok. En inderdaad, van beteekenis was het. Het verschafte aan de Hervormers een beteren tekst dan zij in den officieelen kerkelijken tekst alleen zouden hebben gehad, en werd de grondslag van de latere Grieksche tekstuitgave, die ook bij het tot standkomen der "Statenvertaling" werd gebruikt.
In dit verband mag ook op een anderen arbeid van Erasmus de aandacht worden gevestigd, die wel veel later voltooid, maar toch ongeveer in denzelfden tijd als de uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament aangevangen werd, en die mede een krachtig getuigenis is voor de groote beteekenis, door hem aan de H. Schrift toegekend. In 1517 n.l. begon hij met de "Paraphrasen" op het Nieuwe Testament, die, met uitzondering van de Openbaring van Johannes, over alle boeken van het N.T. werden uitgestrekt, en in 1524 hare voltooiing vonden. Aan het paraphraseeren van de evangeliën had Erasmus zich eerst niet willen wagen. Hij achtte het niet recht, aan de woorden van Christus iets toe te voegen, en meende ook, dat een toelichten van de evangelische verhalen, zoo verheven en klaar in hun eenvoud, gelijk zou staan met "het aansteken van een lamp midden op den dag". Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang. Door deze "Paraphrasen" evenals door zijn Nieuwe Testament met de annotaties heeft Erasmus veel bijgedragen tot een betere Schriftuitlegging. Hij opende veler oogen voor de noodzakelijkheid van de kennis der grammatica en hare regels; en al droeg zijn arbeid er niet onmiddellijk toe bij, de H. Schrift in aller handen te brengen, daar hij wel zegt, van meening te zijn dat ieder in zijn eigen taal haar moest kunnen lezen, maar toch nimmer afwijkt van zijne gewoonte, in het Latijn te schrijven, niettemin wekte hij veler belangstelling voor de H. Schrift, en werkte hij in sterke mate mede tot haar verbreiding en onderzoek.
Zoo was Erasmus onverpoosd bezig; zijn naam klonk gansch Europa door, de roem zijner geleerdheid werd luide verkondigd; en naarmate zijn gesternte helderder schitteren ging, nam ook de vijandschap toe der geestelijkheid; zij zagen in den bespotter van hun ondeugden, in den man, die de misstanden in de kerk onbarmhartig geeselde, een vijand, over wiens dood zij zich zouden hebben verheugd. Dat bleek, toen het gerucht van zijn dood zich had verbreid. Hij was, in den herfst van 1518, pas hersteld, uit Bazel naar Leuven gereisd, en kwam daar weer ernstig ziek aan. Tegen veler verwachting bezweek hij niet. Toch werd verteld, dat hij was gestorven. En zoo verkondigde te Keulen een geestelijke, niet zonder voldoening, aan zijn gehoor, in zijn barbaarsch latijn, dat Erasmus was gestorven "sine lux, sine crux, sine Deus"[8], terwijl te Praag zelfs de legende ging, dat hij te Keulen tegelijk met zijne boeken verbrand was!
Kan het wel anders, toen in dezen tijd Luthers geloofsdaad een vonk deed spatten, die welhaast in heel West-Europa een vuur zou doen opvlammen, dat ook op Erasmus gezien werd, dat veler verwachting was: nu zal hij zich aanstonds aan de zijde der Reformatie scharen, en met Luther schouder aan schouder den strijd voortzetten?
En hoe _is_ het gegaan? De man, die niets méér beminde dan de rust van zijn studeervertrek en zijne boeken, kon niet blijven buiten den strijd. Niet straffeloos had hij uit zijn stille studeercel zijne pijlen afgeschoten: als straks de Reformatie zich keert tegen zooveel misbruik en ontaarding, waardoor de kerk van Christus was misvormd, geven de mannen, die door zijne pijlen gewond waren, hèm de schuld van al het onheil; en de vrienden der Hervorming hopen op zijn steun. En de arme Erasmus komt almeer tusschen twee vuren. Bij den paus en de hoogere geestelijkheid bleef hij hoog aanzien genieten, doch de lagere geestelijkheid keerde zich tegen hem. De monniken en "theologen" zagen in alles, wat hun afbreuk dreigde te doen, zijn hand. Hetzij omdat zij het meenden, hetzij slechts om zoo mogelijk dezen gevaarlijken, gevreesden en invloedrijken tegenstander te vernietigen, schreven zij alles wat in druk verscheen en hun tegen was, aan hem toe. Hij was, zoo zeiden zij, de auteur van More's Utopia, van von Huttens's Nemo, was medeplichtig aan de "Obscuranten-brieven", ja, ook in Luthers geschriften had hij de hand gehad.
Aan de andere zijde waren er onder de mannen der Hervorming, die meenden, op Erasmus te kunnen rekenen. Luther zelf echter heeft als bij intuïtie beseft, dat hij en Erasmus niet op één weg zouden gaan. Hij heeft wel aanraking met hem gezocht, doch deed dit zeer voorzichtig. Zijn schrijven aan Erasmus (28 Maart 1519) is niet een pogen, hem aan zijne zijde te brengen, veeleer slechts als een uitsteken van de voelhorens; Luther vermijdt, in dien brief te gewagen van Erasmus' optreden tegen de R.-Kath. kerk, hij spreekt slechts van Erasmus' verdiensten, zegt, vernomen te hebben dat ook Erasmus wel van hèm heeft gehoord, en verklaart, het niet goed te achten, dat zij elkander niet kennen. Verder echter gaat hij niet.
En Luther heeft zich niet vergist. Erasmus neemt een afwerende houding aan, wanneer hij, omstreeks dienzelfden tijd, een schrijven aan Luther richt (30 Mei 1519). Hij herhaalt zijn verzekering, dat hij in Luthers geschriften de hand niet heeft gehad, een verdenking, die maar niet uit te roeien is, zelfs al verklaart hij, noch Luther noch diens geschriften te kennen. Tusschen de regels door is duidelijk te lezen, dat hij met de wijze van Luthers optreden niet ingenomen is. Het is hem te heftig, te persoonlijk: "het doet meer nut, de stem te verheffen tegen hen, die de pauselijke macht misbruiken, dan tegen den paus zelven. Men moet niet zoozeer de scholen (der scholastiek) verachten, als aanmanen tot verstandige studie". Hij vreest, dat velen uit een ander optreden aanleiding nemen zullen om de fraaie letteren tegen te werken, die zij van harte verfoeien.
De waarschuwing is duidelijk genoeg, al schrijft hij aan het eind van den brief: "ik maan u niet aan, om zoo te doen, maar om voort te gaan gelijk gij totnogtoe deedt". Dit is echter eene hoffelijkheid, die niet geheel oprecht is.