Erasmus Onze Groote Mannen

Chapter 1

Chapter 13,647 wordsPublic domain

Produced by Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

Prijs f 0.40

Serie 1 No. 2

ONZE GROOTE MANNEN

* * * * *

ERASMUS

DOOR

Dr. J.A.C. VAN LEEUWEN

Hoogleeraar te Utrecht

* * * * *

BAARN

HOLLANDIA-DRUKKERIJ

1914

"Onze Groote Mannen"

Onder Redactie van Prof. Dr. S.D. VAN VEEN

Per serie van 10 nrs. (bij inteekening) f 3.--; afz. nrs. f 0.40

* * * * *

Over de hoofden der massa heen knikken--naar het treffend woord van een wijsgeer--de groote mannen elkander vol beteekenis toe. Zou 't niet hierom zijn, wijl hunne persoonlijkheid als in een andere sfeer leeft dan die massa--een sfeer boven het "feitelijke" en "betrekkelijke" van het alledaagsche verheven, bestraald door den glans van het absolute en eeuwige?

In 't karakter, de persoonlijkheid van groote geesten concentreert zich het beste en edelste van wat leeft in een volk; dat wat van een natie de geheime groei- en stuwkracht is. En het zich in aanraking brengen met, 't zich onder den invloed stellen van de "groote mannen" die uit 't eigen volk zijn opgekomen--zij mogen dan kunstenaar of wijsgeer, staatkundige, of godsdienstig hervormer zijn--is het niet: zich zelven meer of minder deel verschaffen aan de levenwekkende kracht, die van groote geesten ontegenzeggelijk uitgaat?

Alleen een volk van kleine zielen versmaadt het, zijn groote mannen te eeren, d.w.z. ze allereerst te _leeren kennen_.

Velen zulk een kennismaking te helpen vergemakkelijken--ziedaar wat deze nieuwe uitgave zich bescheiden ten doel stelt. De in deze reeks verschijnende studies willen iets méér zijn dan een samenvoeging van min of meer bekende biographische bizonderheden, hetgeen reeds valt op te maken uit de lijst van schrijvers, die hun medewerking wilden toezeggen. Naar _karakter-teekening_ zal bovenal worden gestreefd.

De omvang der brochures zal wisselen tusschen 2 en 3 vel druks. De uitvoering zal flink en degelijk zijn.

HOLLANDIA-DRUKKERIJ TE BAARN.

* * * * *

Reeds verscheen:

* 1. Vondel, door _G.F. Haspels_.

Voorts zullen o.m. het licht zien:

* Jan Pietersz. Koen, door Prof. Mr. _J.E. Heeres_. * Rembrandt, door _J.D.C. van Dokkum_. * Voetius, door Prof. Dr. _H. Visscher_. * Groen van Prinsterer, door Jhr. Mr. _de Savornin Lohman_. * Thorbecke, door _Henri van der Mandere_. * Is. da Costa, door _J.C. Rullman_. * Wessel Gansfort, door Prof. Dr. _S.D. van Veen_. * Huygens, door Dr. _J.A. Worp_. * Spinoza, door Prof. Dr. _B.J.H. Ovink_.

ERASMUS

DOOR

Prof. Dr. J.A.C. VAN LEEUWEN

De moderne tijd is geboren uit een geweldige woeling en gisting. In zijn opkomen wordt hij gekenmerkt vooral door de dubbele strooming van Renaissance en Reformatie. Beide de Renaissance en de Reformatie hadden een eigen beginsel, een eigen stuwkracht en een eigen ideaal. En in beide ging het, in den diepsten grond, om eenzelfde zaak: de worsteling om vrijmaking van den individu. Deze vrijheidsdrang, die zich in beide bewegingen openbaarde, had zich ten deele te keeren tegen dezelfde beletselen, welke de vrijheid breidelden; beide vonden zij tegenover zich de macht der middeleeuwsche kerk, die èn het sociale èn het religieuse leven tot dusver beheerscht had. Formeel hadden zij eenzelfde ideaal: het vrijheidsideaal, al was de gestalte, waarin het verwezenlijkt ideaal zou verschijnen, bij beide zeer verschillend.

De Renaissance greep terug naar het ideaal der classieke oudheid, dat evenwel met de elementen, die het Christendom gebracht had, onvermijdelijk gemengd was; de Reformatie, in haar worsteling om het recht der religieuse persoonlijkheid, werd gelokt door de bekoring die uitging van het beeld der oudste christelijke kerk, en boog zich voor het gezag der H. Schrift.

Wat de ééne zocht, viel volstrekt niet samen met wat der andere als opperste goed voor oogen stond. Wel konden beiden een eindweegs samengaan.

Hoe verschillend dus in uitgangspunt en streven, de mannen der Renaissance en der Reformatie sloegen elkander met belangstelling gade, konden in sommige opzichten elkaar als bondgenooten beschouwen; soms zelfs kon het onzeker schijnen, aan welke zijde een strijder geschaard stond: in de reeks van de mannen der Renaissance, of in de gelederen der Hervormers. En eerst wanneer na de woeling de rust is gedaald, wanneer de wild zich baanbrekende stroomingen in rustiger beddingen zijn gaan vloeien, is het mogelijk, dit met zekerheid te bepalen. Wie op een afstand de wieling en bewegingen gadeslaat, kan beter de tegenstrijdige factoren onderkennen, en gemakkelijker onderscheiden, waar zij noodzakelijk moesten uiteengaan.

Eén dergenen, die in de opkomst van den modernen tijd van groote beteekenis geweest is, die ver uitsteekt boven de middelmaat, op wien velen zijner tijdgenooten het oog gevestigd hadden, van wiens steun zij veel verwachtten, op wiens woord zij wachtten, en die ook op latere eeuwen aanmerkelijken invloed heeft geoefend, is _Erasmus_.

Wat één zijner vrienden en bewonderaars, Colet, van hem zeide: "nomen Erasmi nunquam peribit", is althans tot op den huidigen dag geen overdrijving gebleken.

Inderdaad is Erasmus een man van groote beteekenis geweest. Iemand, wiens pen van ongelooflijke vruchtbaarheid was, zoodat zijne werken 10 folio-deelen beslaan[1], iemand van buitengewoon levendigen geest, met 'n ongewonen zin voor humor, van tintelend vernuft, afwisselend met bijtenden spot en snijdend sarcasme. Een man van zeldzame geleerdheid en belezenheid in de letterkunde der classieke en der christelijke oudheid, van rustelooze arbeidzaamheid, welke ook door lichaams-lijden niet gebreken werd, met onverwoestbare liefde voor de literatuur en de eruditie der oudheid bezield; die in briefwisseling stond met pausen en wereldlijke vorsten, persoonlijk bevriend was met de voormannen der humanistische beweging in Engeland, die als raadsheer van den Duitschen keizer op zijn doorreis door onderscheiden Duitsche steden met eerbewijzen werd begroet, die in aanraking was, persoonlijk of schriftelijk, met Zwingli en Luther, met Oecolampadius en Melanchton, en evenzeer voeling hield met de inquisiteurs der Roomsche kerk, die door de aanhangers der Reformatie bijwijlen werd gehouden voor een invloedrijk medestander, en, had hij gewild, den cardinaalshoed had kunnen dragen, een man, door tijdgenooten betiteld als "vorst der letteren, priester der wetenschap, verdediger der ware godgeleerdheid, roem en sieraad van Duitschland", die door de uitnemendste geleerden van zijne eeuw als de vertegenwoordiger der hoogst denkbare ontwikkeling werd geëerd, die door de universiteiten te Ingolstadt, Leipzig, Keulen, Heidelberg en Weenen begeerd werd, door gansch Europa bewonderd als de man, die de groote vernieuwing en hervorming van alle dingen, die algemeen verwacht werd, zou tot stand brengen..., voorwaar, het mag der moeite waard geacht worden, in breede omtrekken zijn beeld geschetst te zien, en de vraag te stellen naar zijn beteekenis voor den tijd van woeling en worsteling, waarin hij leefde, zoowel als voor het nageslacht, dat hem telt onder de groote mannen.

Over de geboorte van _Geert Geertsz_, den man, die als "_Desiderius Erasmus van Rotterdam_", gelijk hijzelf zich later noemde, zich zulk een schitterenden naam zou maken, ligt eene schaduw. Hij zag het levenslicht te Rotterdam, als de natuurlijke zoon uit een verbintenis van een Zuid-hollandsch pastoor en de dochter van een Zevenbergensch chirurgijn, Margaretha geheeten. Zijn geboortejaar is waarschijnlijk 1466[2], de datum zijner geboorte is 28 October. Ten huize van haar ouders wachtte Margriet hare bevalling af, en werd haar kind opgenomen.

En als de jonge Geert of Gerard, die reeds in Utrecht als koorknaap in een der kerken mede-gezongen en z'n eersten schooltijd doorgebracht had, op negenjarigen leeftijd naar Deventer gaat, om daar de school van de "broeders des gemeenen levens" te bezoeken, wordt hij door zijne moeder vergezeld, wier trouwe zorg over den begaafden knaap waakte, totdat zij in 1480 als slachtoffer viel van de pest, die te Deventer woedde.

Uit Erasmus' verzuchtingen, later over dien leertijd geslaakt, valt op te maken, dat hij met weinig vreugde op zijn leerjaren terugzag, "toen de tijd grootendeels werd besteed aan het dicteeren, repeteeren en reciteeren van onnoozele versregels".

Toch zal de leiding van den beroemden Alexander Hegius, den vriend van Rudolf Agricola, niet zonder nut zijn geweest voor den knaap, die reeds in zijn jonge jaren een bijzonderen aanleg moet hebben getoond. Op Agricola tenminste, die in 1480 Deventer bezocht, maakte hij zulk een gunstigen indruk, dat deze hem groote beroemdheid voorspelde en tot hem zeide: "gij zult eens een groot man zijn".

Weinig meer vreugde dan te Deventer smaakte hij te Gouda, waar hij na den dood zijner moeder heenging, en grootendeels onder de leiding stond van Pieter Winckel, den rector der Goudsche school, één der drie mannen, die tot voogd waren benoemd van Erasmus en zijn ouderen broeder, toen ook hun beider vader kort na de moeder overleden was.

Onder de pressie zijner voogden liet hij, na met zijn broeder op de kloosterschool in den Bosch onder de leiding van mannen, op wier kunde hij met groote minachting neerzag "bijna drie jaren vermorst te hebben", zooals hijzelf het uitdrukt, zich op zeventien jarigen leeftijd overhalen tot het afleggen van de kloostergelofte. Het Augustijner-klooster Steijn bij Gouda nam hem op, en na afloop van het proefjaar "kwam hij in de kap", d.w.z. nam hij het orde-kleed aan, van het dragen waarvan hij later op zijn verzoek door Leo X werd vrijgesteld.

Het is zeer waarschijnlijk, dat Erasmus, om van zijne monniksgelofte ontslagen te worden, het kloosterleven en zijn afkeer daarvan met wat al te donkere kleuren heeft geschilderd. Wel kan het waar zijn, wat hij schrijft (in 1514), dat zijn voogden op zijn gaan in het klooster eenigen drang hebben uitgeoefend, en dat hij ongeschikt was voor het kloosterleven, "naar den geest, omdat ik een afkeer had van ceremoniën, en de vrijheid liefhad, naar het lichaam, omdat, al zou de leefregel mij uitnemend hebben aangestaan, toch mijn lichaamsgesteldheid dergelijke vermoeienissen niet verdragen kon". Doch zóóveel lichtzinnigheid en een zóó totale afwezigheid van allen lust tot studie als hij vóórgeeft was er zeer zeker niet, althans niet in het klooster, waarmede hij kennis had gemaakt.--Hijzelf heeft gedurende het verblijf in het klooster gelegenheid gehad zich veel bezig te houden met de studie van het latijn en het lezen van vele latijnsche schrijvers. En al had hij dan niet den rechten smaak in het kloosterleven, uit dezen tijd dateert toch zijn geschrift "Over de verachting van de wereld", dat voor het grootste gedeelte den lof van zulk leven bezingt[3].

Hoe het zij, in 1493 verliet hij het klooster, waarin hij nimmer zou terugkeeren. De bisschop van Kamerijk stelde hem aan als zijn secretaris om bij een voorgenomen reis naar Rome iemand in zijn omgeving te hebben, die een grondige kennis van het latijn bezat. Van die reis naar Rome, waarheen reeds toen Erasmus' gedachten uitgingen, kwam weliswaar niets, en zijn aanzienlijke beschermer voorzag hem wel niet zoo rijkelijk van geldmiddelen als Erasmus wel gewenscht had, "hij is guller in liefde-betuiging dan in geven, en belooft veel, maar houdt de gulle beloften niet", schrijft hij. Doch de bisschop liet hem dan toch naar Parijs gaan, om zijn studiën te voltooien. Het strenge régime, de slechte kost en het armzalig logis in het collegium Montaigu waarin hij zich liet opnemen bezorgden den toch al niet sterken jongen man een ziekte, waarvoor hij in de Nederlanden herstel zocht. In Parijs teruggekeerd (in 1496), gaf hij er de voorkeur aan, op zichzelf te leven, en zich aan de studie te wijden, terwijl hij in zijn levens-onderhoud voorzag door onderwijs te geven aan eenige jonge Engelschen, o.a. Lord Mountjoy en Thomas Grey. De vriendschap met deze mannen bracht hem in het laatst van 1498 of het voorjaar van 1499 tot een reis naar Engeland, die voor zijne geestelijke ontwikkeling van groote beteekenis werd.

Tot zijn tweede bezoek aan Parijs n.l. waren zijn studiën uitsluitend op de classieke latijnsche schrijvers gericht. Hij somt in een schrijven aan Cornelius van Gouda hun namen op; geen enkel christelijk schrijver bevindt zich er onder. Deze echter gaf hem den raad, ook de christelijke schrijvers te lezen, een raad, dien Erasmus opvolgde, waardoor zijn studiën van uitsluitend-humanistisch meer theologisch werden.

Geheel in overeenstemming met zijn geestes-aanleg was ook deze meer theologisch geïnteresseerde studie volstrekt anti-scholastisch getint. In Engeland nu werd hij in deze richting verder gestuwd, onder den invloed der mannen, met wie hij daar in aanraking kwam en bevriend werd. Zoo breidde de kring zijner vrienden zich steeds uit. Te Parijs was hij in aanraking gekomen met velerlei geleerden van naam, door allerlei publicaties in (latijnsch) dicht en proza had hij zich reeds den naam van een groot geleerde verworven; een breede schare van invloedrijke en machtige vrienden stelde belang in zijn lot. En zoo zou ook Engeland den grooten humanist gastvrijheid bewijzen, terwijl hij op zijne beurt den invloed van Engelands geestelijke leiders zou ondergaan.

Onder hen moeten allermeest met name vermeld worden _John Colet_, de beroemde deken van St. Paul, en de zeker niet minder bekende _Thomas More_, die bij Erasmus' eerste bezoek aan Engeland nauwelijks twintig jaren telde.

Colet ontroofde aan Thomas Aquinas de eereplaats, die deze groote scholasticus in Erasmus' denken en schatting tot dusver had ingenomen. Hierdoor kon zijn afkeer tegen alle scholastiek slechts grooter, en hemzelven klaarder bewust worden. En dit werkte ongetwijfeld in sterke mate mede, om aan Erasmus' theologie (indien men hiervan spreken kan) het eigenaardig stempel op te drukken, dat zijne denkbeelden steeds duidelijker gingen dragen.

Dit eerste verblijf in Engeland duurde slechts kort, doch leverde hem veel eer, en groote vreugde. Colet verzocht hem, te Oxford college te willen geven over den pentateuch of den profeet Jesaja, een verzoek, door Erasmus afgeslagen, daar hij "gekomen was om te leeren, niet om te onderwijzen".

Intusschen begint Erasmus, terwijl hij afwisselend te Parijs en te Leuven vertoeft, zich meer en meer toe te leggen op het Grieksch, met de bedoeling, zeker onder Colets invloed, de theologie en de kennis der chr. religie terug te leiden tot de H. Schrift, als de bron waaruit beide hadden te putten.

Terwijl hij onvermoeid aan zijn' letterkundigen arbeid bleef, ging het hem in deze eerste jaren der 16e eeuw nog geenszins voor den wind. Zijne geldelijke omstandigheden geven hem dikwijls aanleiding tot klachten. Hoe gaarne zou hij eene reis maken naar Italië! Doch de middelen daartoe ontbreken hem nog steeds. De uitgave van wat hij schreef, bracht hem niet veel op: een honorarium aan te nemen gold in die dagen niet voor eervol. En de verkoop zijner werken bracht hem toen slechts langzaam eenig voordeel. Zoo zijn er, schrijft hij aan Colet, toch 100 exemplaren van zijn "Adagia"[4] naar Engeland gegaan, die nu toch wel alle verkocht zullen zijn, en waarvan hij de opbrengst tegemoet ziet.

En ook in de rijke vrienden, die hij, als zoo menig geleerde dier tijden, zich tot patroon of patrones koos, zag hij zich niet zelden teleurgesteld. Door middel van Battus, den gouverneur van haar zoon, was Erasmus bekend geworden met Anna van Borsele. Zij stelde belang in de letteren, en een tijdlang was op hààr Erasmus' hoop gevestigd. Wie weet, of uit haar overvloed de middelen hem niet zouden toevloeien voor een reis naar dat Italië, waarnaar hij zoo hunkerde. Doch tevergeefs was zijn wachten. Battus' voorspraak kwam aan een' ander dan Erasmus ten goede; straks is Battus gestorven, en Anna van Borsele, wier rijkdom bovendien niet zoo groot was als het scheen, opnieuw gehuwd. Voor drie latijnsche, en één grieksch grafschrift, door hem op den bisschop van Kamerijk (+ 1502) gedicht, ontving hij een zéér geringe belooning.

Van den rijken graaf van Mountjoy was de arme Erasmus door de zee gescheiden, Frankrijk en Duitschland durfde hij om de pest, die telkens opdook, niet bezoeken. Zoo was hij, in betrekkelijke armoede, gedwongen van het reizen voorloopig af te zien.

Een zekere onvoldaanheid is in de brieven uit deze periode dan ook onmiskenbaar, en geenszins onverklaarbaar. Doch zijn energie is niet gebroken; door niets kan zijne liefde voor de studie worden gedoofd. Onder den invloed, met name van Colet, richtte hij zich meer op het bestudeeren van Grieksche en Latijnsche kerkvaders, en werd zijn hart hoe langer zoo meer getrokken tot de H. Schrift. Misschien eenigermate sterk uitgedrukt ten pleiziere van Colet, zeker onder diens invloed, is wat Erasmus in dezen tijd schrijft: "ik kan niet zeggen, hoe ik met alle macht mij toeleg op de studie der H. Schrift, hoe alles mij tegenstaat, dat mij hiervan afroept of hierin belemmert. Vrijwillig en van heeler harte zal ik aan de H. Schrift mij wijden, en hieraan mijn gansche verder leven geven".

Het zou echter niet zoo heel lang meer duren, of Erasmus' hartewensch zou vervuld worden, en hij zou naar Italië kunnen gaan. Daarbij was het hem gedeeltelijk te doen om den graad van doctor in de godgeleerdheid te verwerven, maar voornamelijk om te vertoeven in dat brandpunt der classieke geleerdheid. In Augustus van het jaar 1506 reist hij naar het land zijner droomen. In September werd hem te Turijn de doctorstitel verleend; "ik verwierf hem", zoo schrijft hij, "geheel tegen mijn eigen lust, maar voor herhaald aandringen mijner vrienden gezwicht". Reeds vroeger had hij verklaard, er niet zooveel aan te hechten; doch die titel zou hem allicht eenig aanzien verleenen "de menschen oordeelen nu eenmaal naar den titel, dien iemand heeft, niet naar zijn geschriften, die zij niet kennen".

Was dus deze promotie voor hem slechts bijzaak, in wat voor hem op den voorgrond stond, werd hij niet teleurgesteld. De tijd, in Italië doorgebracht, was een periode van rijk leven, van vruchtbaren arbeid, van overvloedig genieten voor intellect en hart.

Een jaar ongeveer vertoefde hij te Bologna, waar hij werkte aan een nieuwe uitgave van zijn "Adagia", en de vriendschap van den beroemden _Paulus Bombasius_, hoogleeraar in het Grieksch, hem rijkelijk vergoeding schonk voor velerlei verdrietelijkheden. Aan Bombasius schijnt Erasmus zich meer dan aan iemand anders verbonden te gevoelen; ook in latere jaren bleef deze vriendschap bestaan.

Door de voorbereiding van een nieuwen druk van de "Adagia" kwam Erasmus in aanraking met den beroemden drukker _Aldus Manutius_ te Venetië, dat toen op het toppunt was, wel niet meer van zijn politiek overwicht in Italië, maar van zijn artistieken en literairen roem.

Niet weinig droeg Aldus' genie hiertoe bij, die in zijn drukkerij door geleerden van naam uitgaven verschijnen liet van Grieksche auteurs, welke als gebeurtenissen van belang werden begroet. Toen Erasmus verscheen in den winkel van Aldus, liet deze, druk met anderen bezig, hem stil staan. Doch zoodra de vreemde en niet gewenschte bezoeker zich bekend maakte als "Erasmus van Rotterdam", werd hij met eerbewijzen ontvangen; hij mag niet in een herberg verblijven, maar vindt gastvrijheid bij Aldus' schoonvader, en vertoeft voorts in den kring van geleerden, die Aldus om zich had vereenigd.

Eén ding scheen onzen Erasmus, wiens maag zeer gevoelig was, zeer slecht te bevallen, en wel de kost, die hem daar werd voorgezet[5]. Maar verder gevoelde hij zich thuis en genoot in deze omgeving, terwijl hij ook zelf zijn aandeel leverde in den arbeid, in dit centrum van intellectueel leven verricht[6]. Doch niet tot Bologna en Venetië beperkte zich Erasmus' verblijf. Ook te Padua vertoefde hij, bij den jeugdigen Alexander, toen reeds Aartsbisschop van St. Andrews, te Ferrara, te Siena, te Rome en te Napels.

Door de meest gevierde humanisten werd hij te Bologna, Venetië en Padua geëerd; te Rome maakte hij kennis met den kardinaal Johan de Medicis, den lateren paus Leo X, met Dominicus Grimani, van een bezoek aan wien hij een enthousiaste beschrijving geeft.

Inderdaad, hij beleefde in Italië een zeer gelukkigen tijd, waarin de geest van dezen grooten geleerde genoot van den omgang met gelijkgestemde zielen, en zich verlustigen kon in de atmosfeer van de classieke oudheid, die daar als herleefd was. Een eigenaardigen indruk maakt het, dat Erasmus vrijwel ongevoelig schijnt geweest voor wat buiten de literatuur viel. Hij was uitsluitend de geleerde, en scheen voor het kunstleven zeer weinig belangstelling te hebben. Florence, waar hij kort vertoefde, scheen tot hem niets te zeggen te hebben. Voor de kunst, die daar opbloeide in de ateliers van een da Vinci, een Michel Angelo, een Raphaël, een fra Bartolommeo, had hij geen oog. "Eenige dialogen", zoo schrijft hij, "heb ik in de weinige dagen, dat ik te Florence was, in het latijn vertaald, om tenminste iets te doen te hebben".

Zoo heeft ook de majesteit van Rome's groote ruïnen hem niet getroffen. "Rome heeft niets dan ruïnen en overblijfselen, litteekenen en sporen van vroegere rampen... Neem den paus en de kardinalen weg... en wat blijft er van Rome?" Dat hij "zoovele gedenkteekenen der oudheid" heeft opgemerkt, (hij kòn ze ook niet voorbijzien), blijkt wel; maar in zijne werken geen spoor van een machtigen indruk, dien deze overblijfselen van het oude Rome op hem zouden gemaakt hebben.

Even weinig als voor de impressie der schoonheid van de kunst schijnt hij vatbaar geweest voor de grootsche, huiveringwekkende schoonheid van de Alpen. Op zijn heenreis naar Italië, terwijl zijn reisgezelschap in een twist geraakte, waar Erasmus zich liever buiten hield, dichtte hij in den zadel gezeten, tot tijdverdrijf zijn gedicht "Over de gebreken van den ouderdom" (een bewijs, dat hij-zelf zich reeds vroeg oud begon te gevoelen); en toen hij, Italië verlatend, wederom de Alpen overtrok, ontstond in zijn' geest het plan en de opzet voor de satyre, die tot zijne beroemdheid zooveel zou bijdragen, die hij in Engeland aangekomen, in een week tijds zou schrijven, en uitgeven onder den titel "De lof der zotheid".

Intusschen, hiermede zijn wij reeds gekomen aan wat een keerpunt zou worden in Erasmus' leven: zijn vertrek uit Italië, dat hij had liefgekregen en dat voor zijn' geest van groote beteekenis was.

Hoeveel zag hij daar van nabij dat hem ergerde, dat hem stof leverde voor zoo menig spottend woord over het in de kerk heerschende bederf, en het weelderige, vaak ook slechte leven van vele geestelijken.

Hoe trof hem, toen hij te Bologna den glorieuzen intocht van paus Julius II bijwoonde, het verschil met de majesteit der apostelen, die het evangelie verkondigden. Te Bologna de triomftocht van den zegevierenden krijgsman, die zijne vijanden verslagen had, die zich eerepoorten zag opgericht, die werd toegejuicht als overwinnaar der tyrannen. In de dagen der apostelen de majesteit van mannen, "die met hun hemelsche leer de wereld bekeerden, wier schaduw zelfs tot genezing der zieken was (Handel. 5). Deze apostolische grootheid stel ik boven gene triomftochten, waarvan ik niets kwaads schrijf; maar, eerlijk gezegd, toen ik het aanschouwde, zuchtte ik toch in stilte".