Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde
Part 4
Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de „Seleucides“ genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen.
Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle uitstekende mannen geleerd worden.
[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.
Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]
[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]
Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden.
Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend kan veroordeeld worden.
Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de geheele aarde voedt het ambacht.“
Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.
Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen. Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn krachten onverzwakt behouden heeft.
Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“. Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren „dreketers“. Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een slechten naam heeft.
[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)]
Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: „velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.
Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der geneeskunde in het kort samen te vatten.
Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen. Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft.
U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.
U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.
Ik heb gezegd.
* * * * * * * * * * * * * *
_Erasmus Roterodamus D. Henrico Afinio Lyrano insigni Medico S. D._
_Erasmus van Rotterdam aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1] den voortreffelijken medicus._
[Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]
Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.
Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over „den lof der geneeskunde“. Terstond besloot ik de niet zeer goede redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge vinden.
Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur aliud nostra necessitudine dignius.
Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal gegeven worden.
Bene vale.
Het ga U wel.
Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.
LEUVEN, den 13den Maart, 1518.
DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.
REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.
[_Attentio._]
Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit effugere.
Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.
[_Propositio._]
Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas)
Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven,
medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus.
de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter traliën, aan de blikken der studenten te vertoonen.
[_Laudandi ratio per comparationem._]
Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum contumelia depraedicare.
Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht plaatst.
Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum praestigiis sit attollenda. [Sidenote: γνώμη.] Mediocrium est formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.
Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.
[_Dignitas et autoritas medicinae._]
Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) singula quosdam inventa deorum numero addiderunt,
In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd, hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,
aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse.
òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden.
[_A difficultate._]
Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, discrimina.
Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen van de overige geneesmiddelen;
Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur.