Elsje

Part 7

Chapter 7 4,166 words Public domain Markdown

Nu was het Cécile's beurt om een beetje verlegen te kijken. Zij antwoordde echter niets op Elsje's woorden, maar zei, op het boek wijzend: "Kom eens even wat dichter bij. Kijk, dit is het stukje. Het dienstmeisje komt het eerst op en moet vlug en wat bijdehand spelen. Je rol is klein; in het tweede en derde bedrijf heb je bijna niets te zeggen. Je kunt van avond wel in de leerkamer gaan zitten en je rol overschrijven. Weet je hoe je dat doen moet?"

"Ja, ik moet zeker alleen opschrijven wat die Grietje te zeggen heeft."

"En goed opletten, wanneer je invallen moet. De volgende week hebben we repetitie, maak dat je je rol dan prompt hebt geleerd. Ik zal het boek wel op de leerkamer leggen, ga nu maar heen."

En 's avonds zat Elsje weer rustig alleen in de leerkamer. Er lag een groot vel papier voor haar en met een kleur van inspanning schreef ze vlijtig de rol van "Grietje" over. Als zij zich van avond flink hield, mocht ze den volgenden ochtend alleen een eindje gaan wandelen, had hare tante gezegd. Zij moest dan in de buurt blijven natuurlijk, dan was er geen kans op dat ze verdwalen zou. En met het puntje van haar tong uit den mond en haar hoofd dicht over het papier gebogen, schreef ze zonder ophouden voort. Miss Piper kwam haar een kopje thee brengen en bleef even bij haar om een paar vriendelijke woorden te zeggen, maar overigens kon zij zich ongestoord aan haar werk wijden, zoodat ze eindelijk het laatste woord had geschreven. Ze vond dat die "Grietje" nogal grappige dingen zeide en zij zag er op dit oogenblik nog niet erg tegen op om voor dienstmeisje te spelen. Het zou wel gaan, dacht ze; het leek haar niet heel moeielijk. Als zij de meisjes maar eerst wat beter kende, zou ze zich wel gauw wat meer met haar op haar gemak voelen.

Den volgenden ochtend gaf mevrouw d'Ablong haar werkelijk verlof om even uit te gaan. Het sneeuwde een weinig, maar dat hinderde Elsje niet. Zij beloofde vast dat ze niet te ver van huis zou gaan en niet te lang wegblijven--toen liep ze vlug naar haar kamer om zich klaar te maken. Daar viel haar opeens iets in. Als zij nu gauw even haar eigen roode jurk aantrok en haar kapje opzette! Het was zooveel prettiger om daarin uit te gaan dan met haar nieuwen hoed en mantel--daar kon ook zoo licht iets aankomen met die sneeuw! Tante zou er natuurlijk niets tegen hebben; zij ging nu immers alleen uit en niemand kende haar in deze groote stad. Zij bedacht zich niet lang, maar deed vlug de kast open om te zien of haar jurk er nog in hing. Jawel hoor, daar was ze, die verachte roode! En daar was haar kapje ook! Kom, een, twee, drie, haar reiscostuum weer aangetrokken, toen vlug de trappen af en de gang door naar de voordeur. Al maakte ze zichzelf wijs dat haar tante nu niets op deze kleeding zou aan te merken hebben, toch vond ze het erg plezierig dat ze niemand tegenkwam op haar tocht naar beneden. De voordeur ging gelukkig veel gemakkelijker open dan ze had durven hopen. Daar stond ze op de stoep. Hè, wat was het buiten heerlijk! Het begon harder te sneeuwen en groote vlokken stoven haar langs de ooren, op haar kapje, op de jurk en op de oogharen, zoodat ze die lachend knipte en het vocht van haar gezicht moest vegen. Ze keek eerst eens goed om zich heen, voordat ze verder ging. Ze moest den weg vooral onthouden, maar o, wat was het heerlijk, heerlijk om de frissche lucht weer in te ademen! Zij had een gevoel alsof ze in geen dagen buiten was geweest. Met volle teugen dronk ze de lucht in en keek vroolijk rond. Het huis van mevrouw d'Ablong stond op een stille, deftige gracht. Langzaam liep zij de statige, hooge huizen langs tot ze bij een breede straat kwam, waar het heel druk was en zich rij aan rij groote, mooie winkels vertoonden.

O, wat wemelde het hier van menschen! Zij bleef dicht langs den winkelkant gaan, uit vrees van tusschen den drom van karren, rijtuigen en trams te raken, die voortdurend door de straat reden. Telkens stond ze stil voor een der winkelramen om al het moois te bewonderen, dat hier uitgestald lag. Het meest trok een groote bloemenwinkel haar aandacht. Het was haar alsof ze in een toovertuin keek, zoo prachtig zag het er achter dat raam uit! Rijke bouquetten lichtgele rozen met fijne, sierlijke takjes vrouwenhaar, stonden in hooge vazen van zacht-groen en rood glas, terwijl een overvloed van kerstrozen, de mooie, reinwitte sterren afstekend tegen de donkergroene, stevige bladeren, gegroepeerd was tegen een draperie van donkerrood fluweel. Allerlei soorten varenplanten en palmen waren tusschen de bloemen in gezet. Elsje kon hare oogen nauwelijks gelooven. Al die prachtige bloemen en planten midden in den winter! Naast den bloemenwinkel, op den hoek van een nauwe straat, was een kleine kruidenierswinkel, die er bizonder onaanzienlijk uitzag naast zijn rijken buurman, maar Elsje keek er opgetogen naar. Bijna precies zoo'n kruidenierswinkel als die bij haar in het dorp! De deur stond op een kier en zij gluurde nieuwsgierig naar binnen. Kijk, de toonbank was ook aan denzelfden kant en och, wat stond daar een aardig klein kereltje met knikkers te spelen! Een vrouw met een vriendelijk gezicht stond achter de toonbank en riep: "Toe maar Evert, toe maar, het gaat al heel mooi!" Zij was zeker de moeder van den kleinen jongen.

Daar rolde een der knikkers naar buiten vlak voor Elsje's voeten. "O moeder, daar loopt er een weg, die mooie groote nog wel! Dien pakken ze bepaald mee!" En zoo gauw als zijn kleine voeten hem veroorloofden, dribbelde Evert naar de deur toe om den verloren schat te gaan zoeken.

Elsje had den knikker terstond opgeraapt, maar Evert zag dit niet en liep op een drafje de deur uit, juist op het oogenblik dat een vigilante snel den hoek der straat omkwam. De kruideniersvrouw gaf een gil en vloog den winkel uit om haar zoontje buiten het bereik der paardenhoeven te brengen, maar zij kwam te laat en Evert zou zeker een vreeselijk ongeluk hebben gekregen, indien Elsje hem niet had gegrepen en vlug als de wind met hem den winkel was ingeloopen. Het kleine kereltje begon te schreien nu de schrik voorbij was, zijn moeder drukte hem met een hartstochtelijke beweging aan het hart en dankte toen Elsje met uitbundige dankbaarheid.

"Nu is mijn knikker heelemaal weg!" klaagde Evert met zulk een bedroefd gezichtje dat zijn moeder en Elsje er om moesten lachen.

"Kijk eens!" zei Elsje, hem het verlorene voorhoudend. "Dien had ik al eerder opgeraapt dan jou."

Evert lachte door zijne tranen heen.

"Dank je wel hoor, voor al je hulp," zei zijn moeder. "Dat trof mooi, he Evert? Dat dit vriendelijke meisje juist den knikker moest oprapen en jou zoo flink weghalen voor die vigelante!"

"Ja," zei Evert en keek Elsje met groote oogen aan. Zij scheen een gunstigen indruk op hem te maken, want terwijl hij haar zachtjes aan den rok trok, zei hij:

"Je moet mijn paardje zien."

"Dat wil ik heel graag," zei Elsje vroolijk, "als moeder het goed vindt."

"Wel zeker," zei deze. "Evert heeft van Sinterklaas een paardje gekregen en dat wil hij nu aan iedereen laten kijken. Kom maar even binnen, als 't je blieft." Elsje ging den winkel door en volgde de vrouw door een smalle gang naar een klein vertrek, dat achter den winkel gelegen was en hierop door een glazen deur uitzicht gaf. Tegenover deze deur was een raam aan een klein tuintje en hier, in de lage vensterbank, stond de grootste schat van Evert, een klein, bruin, houten paard.

"Kijk!" zei hij terstond, toen zij de kamer in waren, met een blik vol trots zijn ros aan Elsje toonend.

"Heel mooi!" zei ze, "en hij heeft ook heel wat te eten!"

Er lagen eenige krenten en rozijnen bij het paard op de vensterbank.

"Ik eet er ook van," zei Evert heel eerlijk en stopte een paar rozijnen in den mond. "Wil je ook wat?"

"Neen, dan zullen we haar wat meer geven," zei zijn moeder. "Wacht maar!" Zij ging even naar den winkel en kwam spoedig met een bruin papieren zakje vol rozijnen terug.

"Dank u wel," zei Elsje. "Ik vind dit zoo'n aardigen winkel, net zoo een als bij ons."

"Is je vader dan ook kruidenier?"

"Neen, mijn ouders zijn dood. Ik woon buiten, dicht bij een heel mooi dorp, bij mijn grootmoeder. Ik ben hier maar voor een poosje. Maar nu moet ik weer naar huis, anders is tante boos op me. Dag Evert!"

"Dag!" zei Evert.

"Elsje heet ik."

"Dag Elsje. Kom je morgen weer?"

"Neen, dat denk ik niet," zei Elsje lachend.

"Ze zal nog wel eens voorbij komen," zei de vrouw, ziende dat Evert een lipje trok. "Dag Elsje, dank je nog wel voor je hulp."

Elsje nam een beetje haastig afscheid. Zij had opeens gezien op de klok in den winkel dat het bijna twaalf uur was en hare tante had haar zeker al eerder thuis verwacht. Ze was den bloemenwinkel al voorbij en liep snel voort, toen ze opeens uitgleed en met een smak op den grond viel. Het zakje ontglipte haar hand en raakte los en al de rozijnen vielen in een lange, bruine streep op den grond, tot groote vreugde van twee of drie straatjongens, die uit alle macht aan het grabbelen gingen.

Pijn deed ze zich gelukkig niet erg, maar ze had toch moeite om weer op te komen; de plek, waar zij gevallen was, was zóó glad. Telkens als ze probeerde op te staan, gleed ze weer uit.

"Geef mij maar eens een hand," zei een vriendelijke stem achter haar en haar rechterhand uitstrekkend, zag ze een heer bij zich staan met een jong, prettig gezicht, waarin de donkerbruine oogen haar vroolijk aanzagen.

"Een, twee, drie!" zei hij, haar hand stevig vasthoudend. "Ziezoo, nu zou ik maar gauw maken dat ik van die verraderlijke gladde plek vandaan kwam."

"Dank u wel, mijnheer," zei Elsje beschroomd.

"Niet te danken, meisje," zei hij. "Pas nu verder maar op, hoor."

"Ja, mijnheer," zei ze en terwijl hij voor haar uit liep, de straat door, keek zij hem met een dankbaren blik na. Hij sloeg den hoek om en liep de gracht op, waar mevrouw d'Ablong woonde en toen zij het huis naderde, zag Elsje hem tot hare verbazing de stoep opgaan en aanschellen. Hij stond met den rug naar haar toe, toen zij op hare beurt de stoep opging en keerde zich lachend om, toen hij haar herkende.

"Zoo zoo, moet je hier ook zijn?" zei hij. Toen tot Dina, die de deur opende:

"Morgen Dientje. De dames zijn zeker thuis, he?"

"Jawel mijnheer, daar komt mevrouw juist aan." En met een verbaasden blik op Elsje, die zij eerst niet herkend had: "O jongejuffrouw, bent u het?"

Elsje ging vlug naar binnen. Zij had opeens een gevoel dat zij toch veel beter gedaan zou hebben niet in deze kleeding uit te gaan en zij schrikte erg toen ze zag, hoe ontstemd hare tante naar haar keek.

"Ga terstond naar boven en verkleed je," zei ze fluisterend, waarop Elsje zoo snel mogelijk naar haar kamer liep.

"Zoo tante, hoe maakt u het?" zei de jonge man, die met groote verwondering naar mevrouw d'Ablong en Elsje had gekeken. "En Cécile, is ze ook wel en Miss Piper? Nog altijd even gezond en elegant?"

"Allemaal uitstekend, uitstekend," was het antwoord. "Ga mee naar beneden. Je blijft toch natuurlijk lunchen?"

"Zeker, heel graag. Heeft grootmama u geschreven dat zij gauw hier hoopte te komen?"

"Ja. Cécile vindt het heerlijk dat zij er juist met de partij zal zijn. Zou je ook niet kunnen komen, Frits? Cilly zou het zeker ontzettend graag willen."

"Ik weet het heusch niet, tante," zei Frits, terwijl hij zich behagelijk in een lagen stoel bij den haard liet glijden en met de hand door zijn donkerbruin haar streek. Men zou hem voor een broer van Cécile hebben kunnen houden: hij had dezelfde fijnbesneden gelaatstrekken, dezelfde kleur van oogen en ook die gemakkelijkheid in houding en manieren, die zijn nichtje zoo goed stond. Maar de uitdrukking van trots en aanmatiging, die Cécile's gezicht soms zoo onaangenaam maakte, zag men nooit op dat van Frits. Juist zijn bizonder groote vriendelijkheid, gaf hem een aantrekkelijkheid, die Cécile doorgaans mistte.

Hij was de lieveling van zijn grootmoeder, die hem na den dood zijner ouders,--zij had haar man en hare twee zonen, den vader van Cécile en dien van Frits overleefd--geheel had opgevoed. Frits placht te zeggen, dat hij het gemis zijner ouders nooit had _kunnen_ voelen, zoozeer had zijn grootmoeder haar best gedaan het hem te vergoeden. Als kleine jongen was hij bij haar gekomen; thans was hij student in de rechten en kwam hij iederen Zaterdag en Zondag buiten bij zijn grootmoeder doorbrengen.

Daar vloog Cécile de kamer binnen.

"O dag Frits, hoe vreeselijk gezellig!" zei ze, terwijl ze hem hare beide handen toestak. _Thans_ keek ze volstrekt niet trotsch of uit de hoogte.

"Dag Cilly," zei hij, lachend opstaande. "Wat een eer, dat je zóó blij bent me te zien! Neen, je hebt me je twee handen gegeven, nu houd ik ze ook vast. Kom, wat krijg ik nog meer? Ik ben je eigen neef en vroeger kreeg ik altijd een...."

"Och malle jongen!" zei Cilly met een coquette beweging van haar hoofd en terwijl ze haar best deed, hare handen weg te trekken. "Ik dank je wel--met die vreeselijke snor, die je er tegenwoordig op na houdt!"

"O, geef me dan maar een kus op de wang, daarmee ben ik ook tevreden."

"Neen, dien geef ik je niet. Toe mama, mag hij nu ophouden? Anders roep ik Miss Piper."

"Och kom Cilly, geef hem maar even een kus, als hij daar zoo op gesteld is," zei hare moeder lachend. "Vraag hem maar eens of hij ook op de partij komt."

"Hè ja, kom je? Toe, kom je?" vroeg Cécile dringend.

"Heel misschien, maar zeker _niet_, als je me nu geen kus geeft," zei Frits, plagend op haar neerziende.

"Je bent bepaald de eenige wezenlijke _heer_. Er komen anders niets dan jongens van 16 en 17."

"En ik ben al over de twintig! Denk je dat ik me met zulke knaapjes wil bemoeien?"

"Neen, maar dan bemoei je je maar met ons. Als.... als.... ik je _twee_ kussen geef, kom je dan?"

"_En_ als ik er altijd een hebben mag, wanneer ik er om vraag."

"Hè neen, dat kan niet. Wat zegt u nu, mama?"

"Dat moet je zelf uitmaken, kind. Maar maak wat gauw voort, want wij gaan dadelijk lunchen."

"Nu, in vredesnaam dan maar," zei Cécile met een zucht. "Dus je komt _zeker?_"

"Ja, maar eerst de twee...."

"Jawel, jawel, gauw dan maar."

Zij ging op de teenen staan en Frits boog zich tot haar over. Juist op het oogenblik dat zij zijn wang aanraakte, kwam Elsje de kamer in. Zij bleef verlegen bij de deur staan.

"Wie is daar?" riep Cécile, zich omkeerend. "O, Lizzie, ben jij het? Kom maar binnen."

En alsof ze het niet onaardig vond, dat Elsje zag hoe vrij ze met haar neef omging, kuste zij hem hartelijk.

"Dat was wezenlijk goed gemeend," zei Frits. "Je bent zoo kwaad niet, als je wel lijkt. En vertel mij nu eens, wie Lizzie is. Wij kennen elkaar al van van ochtend, is het niet, Lizzie?"

"Dan behoef ik ook niet meer te vertellen wie zij is," zei Cécile spottend.

"Ik heet Elsje," zei haar nichtje snel, "Elsje van den Berg en ik woon buiten bij mijn grootmoeder. Ik ben hier bij tante gelogeerd."

Keetje had haar een der jurken aangetrokken, die van de naaister thuis gekomen was. Het was een donkerblauwe stof en de jurk was zoo aardig gegarneerd en kleurde zoo goed bij Elsje's blond haar en het frissche rood harer wangen dat mevrouw d'Ablong met welgevallen opmerkte hoe goed zij er op dit oogenblik uitzag.

"Ja, ja, ze heet Elsje," zei ze. "Zij is het eenige kind van mijne overledene zuster, Frits, en ook door hare grootmoeder opgevoed, evenals jij."

"He, dat vind ik aardig!" zei Frits. "Dan zullen wij wel goede vrienden samen worden, Elsje."

"Hè, zeg toch Lizzie," zei Cécile.

"Wel neen, ik vind Elsje veel mooier. Heb jij Lizzie gemaakt van dien aardigen, Hollandsche naam? Zeg Elsje, wordt je ook wel eens Roodkapje genoemd?"

Elsje zweeg bedremmeld en keek verlegen naar hare tante. Zij durfde niet vroolijk te antwoorden op de toespeling op haar toilet van dien ochtend.

"O, daar is Miss Piper," zei Frits opstaande om de Engelsche te begroeten, die juist op dit oogenblik binnen kwam.

Tot Elsje's blijdschap werd er thans een begin gemaakt met het lunch en was zij niet langer het onderwerp van het gesprek. Frits babbelde onophoudelijk voort en vertelde allerlei vroolijke grappen, waarom zij telkens hardop lachen moest. Hare tante keek haar soms waarschuwend aan, als Elsje naar hare meening, onbehoorlijk luid lachte, maar Frits vond het aardig, hare blauwe oogen van pret te zien glinsteren en toen hij wegging, zei hij:

"Dag Roodkapje. Ik ben blij dat je ook vroolijk kijken kunt. Geen al te deftige Lizzie worden, hoor!"

Hoofdstuk VII.

"Ik bedank er voor!"

"En wilt u dan vooral goed op hare manieren letten, mijnheer? Zorgen dat ze wat netter loopt en zoo verder? Ze behoeft juist niet zooveel dansen te kennen, als ze maar wat mee kan doen. Ik ben er op gesteld dat ze een klein beetje meer elegance krijgt en ze wil zelf graag haar best doen, is het niet Elsje?"

"Ja tante," zei Elsje zacht.

Zij stond met een ernstig gezicht naar den dansmeester te kijken, die zich bereid had verklaard haar een weinig dansles te geven, opdat ze niet geheel onbeslagen op het ijs zou komen ter gelegenheid van de partij van Cécile. De eerste les zou thans een aanvang nemen in de leerkamer, terwijl Miss Piper het toeschouwend publiek zou uitmaken. Elsje was blij dat Cécile het veel te druk had met het leeren van haar rol om naar de dansles te komen kijken.

"Ik zal mijne beste krachten aan de jonge dame wijden, mevrouw d'Ablong," zei de dansmeester met een sierlijke buiging. "U weet, ik heb groot succès gehad met uwe dochter, verbazend succès bepaald. Zoo iets lichts en elegants en zwevends, zoo uitermate bevallig...."

"O jawel, daar hebt u gelijk in," viel mevrouw d'Ablong ongeduldig in. "Maar mijn dochter is..."

"Van nature reeds zoo allerinnemendst," zei de dansmeester met een beleefd lachje.

"Ja juist," was het antwoord, dat een beetje trotsch en uit de hoogte gegeven werd. "Nu, u weet nu, geloof ik, mijn bedoeling. Dag Elsje, doe goed je best. Dag Missy, ik zal probeeren die kant voor u te krijgen. Dag mijnheer Meudon."

"Uw dienaar mevrouw," zei de dansmeester met een tweede buiging.

Mevrouw d'Ablong ging heen en Elsje zuchtte even en ging toen rechtop staan als een kaars. Het was haar aan te zien dat zij zich vast voorgenomen had, haar beste beentje voor te zetten. Maar ook in den letterlijken zin des woords, was dit niet gemakkelijk. De kleine dansmeester kweet zich met groot geduld van zijn taak, maar Elsje vond het verbazend moeielijk, precies te doen wat hij verlangde. "Als u zoo goed wilt zijn, om naar mijn voeten te kijken," zei hij telkens en heel gehoorzaam keek ze strak naar de keurige, blinkende schoenen van haar onderwijzer. "Vooral het hoofdje recht houden!" riep hij dan weer, waarop Elsje verschrikt gehoorzaamde, zonder hare oogen van de schoenen van mijnheer Meudon af te wenden. "Flink rechtop en de armen niet zoo ver van het lijf. Ziezoo, nu de eerste pas, de derde.... zóó, dat gaat al beter. O, maar u moet geen kromme knieën maken! Ja juist, zoo is het goed. Probeer nu eens op de maat van mijn viool. Een, twee, drie.... een, twee, drie.... een, twee, drie....e, een, twee, drie.... Kijk eens, dat gaat al heel aardig. Wel, wel, wat bent u warm! Eens even rusten?"

"Heel graag mijnheer."

"Dan zou ik maar een oogenblikje gaan zitten. Hebt u nooit eerder dansen geleerd?"

"Neen mijnheer."

"Maar dan gaat het heusch al vrij goed. Vindt u ook niet, juffrouw?" vroeg hij, zich tot Miss Piper wendend, die Elsje telkens bemoedigend had toegeknikt, zonder dat deze er iets van gemerkt had.

"Ik versta niet u," zei Miss Piper. "Ik ben Engelsch."

"O...." zei mijnheer Meudon teleurgesteld. "Maar u spreekt toch Hollandsch?"

"Heel klein. Het is moeielijk aan mij."

"Vindt u niet," begon hij, langzaam en zeer gearticuleerd sprekend, alsof hij met een doove sprak, "dat zij," en hij wees naar Elsje, "al goed danst?"

"Zij wil gauw leeren, u meent?"

"Ja."

"Ik hoop zoo," zei Miss Piper lachend. "Zij heeft alleen juist begonnen."

"Ja zeker en alle begin is moeielijk," zei de goedhartige dansmeester, "kom jonge dame, nog maar eens op de maat van de viool."

Elsje deed al haar best, maar toen de les afgeloopen was, was ze moe en had ze een gevoel dat ze het nooit zou leeren. Met een zucht streek ze zich het lastige ponyhaar van het voorhoofd weg en keek naar buiten in den tuin, waar de regen bij stroomen neerviel en plassen als kleine meren vormde tusschen de vuilwitte sneeuw, die op de bloembedden lag. Het zag er somber uit, alles grauw en vaal met een egaal-grijze doffe tint--"echt weer om heerlijk in mijn kamer te gaan zitten, met den rug naar het raam en het gezicht naar het vuur," had Cécile 's ochtends gezegd. De regen viel gestadig neer in dichte, rechte stralen en alles droop van het water; de kale takken van den beuk in den tuin, de glibberige, houten schutting, de klimop langs het tuinhuisje--alles was doornat; het zag er uit, alsof er niet meer water bij kon, zoo doorweekt en drassig. En toch scheen het Elsje heerlijk, om eens even, al was het ook maar vijf minuten, in dien regen te zijn. Zij was nu al een week bij hare tante en het was haar als had ze bijna geen frissche lucht ingeademd in dien tijd. Buiten hare ochtendwandeling, was ze nog maar weinig uit geweest en dan nog steeds met mevrouw d'Ablong en telkens in het rijtuig, omdat het weer "zoo heel ongunstig" was, volgens deze. En er was zooveel te doen voor die partij! Dan weer moest Elsje haar rol van dienstmeisje instudeeren, dan weer gepast worden, want zij kreeg werkelijk ook een baltoiletje, dan weer vermaningen aanhooren, hoe ze zich gedragen moest, of zich het haar op verschillende wijzen laten kappen door Keetje, opdat zij toch vooral op Cécile's feest niet te "boerinne-achtig" voor den dag zou komen. Bijna den geheelen dag was men met haar bezig, om haar te fatsoeneeren en te kneden naar één model, dat van Cécile, op wie zij toch in de verste verte nooit zou gelijken, zooals mevrouw d'Ablong herhaaldelijk met een trotsch lachje verzekerde. Het begon Elsje te vervelen, o zoo erg soms, en als hare grootmoeder haar niet telkens zoo opgewekt en bemoedigend had geschreven en als zij niet steeds had gedacht: "Na de partij mag ik weer naar huis",--zou zij zich zeker niet zoo geduldig en gehoorzaam hebben kunnen gedragen.

Van de merkwaardigheden van de stad had ze nog weinig of niets gezien. "Als Cécile's partij voorbij is, kan Miss Piper wel eens met je uitgaan, die weet uitstekend den weg," zei mevrouw d'Ablong, toen Elsje het eens waagde te vragen, of ze eens wat van de stad mocht gaan zien, "alleen laat ik je niet weer uitgaan, dat spreekt van zelf."

En nu, terwijl de regen tegen de ramen kletterde, snakte het kind er letterlijk naar, om dien ook op hare wangen te voelen, om den frisschen, woesten wind met hare haren te laten spelen, om er zich door te laten voortzwiepen tot ze hijgend stil moest staan, zooals ze dat zoo dikwijls gedaan had, lachend en vroolijk, op den verlaten straatweg buiten haar dorp, met geen andere getuigen dan de enkele boomen, die het hoofd schenen te schudden over den dartelen, onbeschaamden wind.

Zij haalde eens diep adem, terwijl Miss Piper ernstig naar haar keek en zich afvroeg, waarom hare oogen zoo schitterden en ze zoo ongeduldig met den voet op den grond stampte.

"_Poor child_!" zei de gouvernante bij zichzelf. Toen, naar Elsje toegaande en de hand op haar schouder leggend, vroeg ze:

"Wat is het, Elsie?"

Cécile was de eenige in huis, die haar nog "Lizzie" noemde. Miss Piper deed haar best, Elsje te zeggen, ten volle bereid haar genoegen te doen.

Elsje keek verschrikt om. Gehoor gevende aan een opwelling van teederheid, trok de Engelsche haar naar zich toe en herhaalde hare vraag.

"Ik zou zoo vreeselijk graag eens wandelen gaan," zei Elsje.

"Wandelen? In dit weer?"