# Elsje

## Chapter 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/elsje-14580/index.md

Met een zucht kleedde Elsje zich uit en liet zich door de geduldige winkeljuffrouw het eene korset na het andere aanpassen. O, wat verveelde het haar en wat werden hare beenen moe en stijf van dat lange staan! En hoe ongemakkelijk zaten haar al die nare, rare machines met ontelbare baleinen en wat was het verschrikkelijk om telkens weer de juffrouw te hooren zeggen: "Ziet u mevrouw, van boven past dit heel goed, maar de jongejuffrouw is wat heel breed om het middel en de heupen." De arme "jongejuffrouw" had op het laatst een gevoel alsof ze een mismaakt schepsel was! En al was het warm in de kamer, toch werden hare armen en haar hals zoo koud en kreeg ze zulk akelig kippenvel! Hoe was het toch mogelijk dat het hare tante niet verveelde naar dat verschrikkelijke passen te kijken en dat zij maar steeds met dezelfde nauwkeurigheid haar oordeel ten beste gaf!

"U kunt dien veter nog wel wat meer aantrekken," zei ze, toen Elsje eindelijk een korset aan had, dat tamelijk goed paste. De juffrouw voldeed aan het bevel en Elsje kreeg een gewaarwording alsof ze in een soort van harnas vastgesnoerd zat.

"Het zit me nauw," waagde ze te zeggen.

"Nauw jongejuffrouw?" vroeg het meisje verbaasd. "Dat is toch een heel wijd nummer. Het zal u nog wat ongemakkelijk zijn omdat het nieuw is, maar ik geloof dat u er heel spoedig aan zult wennen."

"Zij moet dit maar aanhouden," zei mevrouw d'Ablong beslist. "Nu de onderlijfjes, juffrouw."

Elsje begreep dat tegenstribbelen niets zou baten en onderwierp zich aan haar lot met de kalmte der wanhoop.

Met een onderlijfje kwam men gelukkig sneller klaar en eindelijk namen zij afscheid van het onderkleeren-departement en bracht de onvermoeide mevrouw d'Ablong haar nichtje in een geheel ander gedeelte van het "modemagazijn", dat in Elsje's oogen een reusachtigen omvang had.

Zij bevonden zich nu in een ruim vertrek, waar de japonstoffen werden verkocht. Elsje's tante koos een paar donkere stoffen voor jurken uit en begaf zich toen naar een kamer, waar Elsje de maat genomen werd en een zeer elegant gekleede dame met mevrouw d'Ablong overlegde, hoe de jurken gemaakt moesten worden. Hiermee was men veel gauwer gereed dan Elsje had durven hopen en hoewel het akelig korset haar knelde en zij zich niet heel opgewekt voelde, verheugde zij zich toch over het feit, dat ze zich niet _weer_ zoo lang behoefde te laten passen. Juist wilde hare tante zich met haar naar de mantelzaal begeven, toen haar nog iets scheen in te vallen en ze tot de elegante dame zei:

"O ja juffrouw, u hebt zeker nieuwe stoffen ontvangen voor baltoiletjes? Waar kan ik die zien?"

"Gaat u even zitten mevrouw en de jongejuffrouw ook, dan kan ik ze wel dadelijk hier laten brengen."

Ze drukte op een knopje en een jongen verscheen om even later terug te keeren met het verlangde.

"Vindt u dit niet bizonder lief, mevrouw?" zei de juffrouw, een lichtrose stof vertoonend, die zacht en wollig aanvoelde en toch dun en fijn was. "Dat zou deze jongejuffrouw heel goed staan."

"Jawel, maar wat hebt u daar? Is dat lichtgeel of wit, die kantachtige stof met die fijne, blauwe bloemetjes?"

"Dit bedoelt u? Dat is heel zacht crème, mevrouw, iets beelderigs voor een brunette, vindt u niet? Voor uwe eigene dochter misschien.... u.... neemt u me niet kwalijk, maar u bent immers mevrouw d'Ablong?"

"Ja, en ik wou juist een baljaponnetje hebben voor mijn dochtertje. Stuurt u me dit maar eens op zicht, als 't je blieft. En.... ja, doet u er dat rose dan ook maar eens bij; het kon zijn dat ik voor dit meisje ook een baltoiletje noodig had."

"Als 't u belieft, mevrouw."

Elsje kon hare ooren nauwelijks gelooven. Een baljurk noodig voor haar! Met groote oogen keek ze haar tante aan, terwijl deze de beide stoffen nog eens nauwkeurig bezag.

"Dus dan stuurt u deze twee van avond nog op zicht?" vroeg ze nog eens.

"Jawel mevrouw."

"Kom Elsje, dan gaan we nu mantels passen."

Elsje ging snel mee. Een vraag brandde haar op de lippen.

"Tante," zei ze zacht, toen mevrouw d'Ablong op het punt was, de "mantelzaal" binnen te gaan.

"Wat is er?"

"Heb ik misschien ook een baljurk noodig?"

Mevrouw d'Ablong glimlachte en keek Elsje vriendelijker aan dan ze vandaag nog gedaan had.

"Wou je dat graag?"

"Ik zou vreeselijk graag eens een bal willen zien," zei Elsje. "Maar ik zou er liever stil naar kijken dan er aan meedoen, omdat.... omdat ik niet weet of ik alles wel naar uw zin doen zou."

"Als je je goed houdt en geen kuurtjes hebt en als je op Cécile's manieren let en die probeert na te volgen, dan.... dan laat ik je bij ons blijven tot na de partij. Cécile heeft er iederen winter een en dit jaar zal er niet alleen gedanst worden, maar ook comedie gespeeld. Als ik dus tevreden over je ben, zul je dat alles bijwonen."

"O!" was al wat Elsje zeide, maar al was de gedachte haar pijnlijk dat zij de belooning om bij de partij tegenwoordig te zijn, nog moest verdienen, toch scheen het haar iets onuitsprekelijk heerlijks toe eens een "echt bal" te zien. Dat zou iets zijn om van te vertellen, als ze weer tegenover grootmoeder op haar oude plaatsje zat!

"Hoe mooi tante," zei ze met een dankbaren blik op den warmen, donkerbruinen mantel, dien mevrouw d'Ablong voor haar kocht. Het korset begon wezenlijk al een beetje te wennen, vond ze, hoewel ze een hooge kleur had, omdat ze zooveel minder makkelijk adem haalde dan anders. Er werd bij een Fransch sprekende modiste een hoed met veeren voor haar gekocht; toen gaf hare tante den koetsier bevel naar den kapper te rijden.

Dat viel Elsje niet mee; zij had gehoopt dat zij nu weer naar huis terug zouden gaan, of dat zij eens wat zou mogen gaan wandelen. Ze was zoo gewend om veel in de frissche lucht te zijn; ze snakte er letterlijk naar om de aanraking van den wind te voelen op hare wangen en zich te koesteren in de volle, heldere Januarizon. Met een zucht ging ze met haar tante het "damessalon" van den "coiffeur" binnen.

"Ik kom zelf maar even bij u, mijnheer," zei mevrouw d'Ablong tot een klein mannetje met donker, krullend haar, "omdat er nogal haast bij is. Wilt u eens zien, wat er van dit haar is te maken? Zet je hoed eens af, kind."

"Tot uw dienst, mevrouw," zei de beleefde kapper, buigend als een knipmes. "Ga toch zitten als 't u belieft en wil de jongejuffrouw dan in dezen stoel plaats nemen?"

En met veel drukte en een vertoon van grooten ijver, schoof hij Elsje een lederen stoel met hooge zitting toe en haalde zijn kam en schaar te voorschijn.

"Het is geen mooi haar," zei mevrouw d'Ablong, "maar u kunt er toch misschien wel iets aan doen dat het wat aardiger en meer gedistingeerd zit."

"O ja zeker mevrouw, zeker. Wilt u het hoofd een _klein_ weinigje meer rechtop houden, jongejuffrouw? Zoo is het goed, dank u. Ik geloof dat het lang geleden is dat dit haar gepunt is, mevrouw. Hoe zoudt u het vinden, als ik de jonge dame een heel klein weinigje kleursel in het haar deed? De kleur is.... als ik het zeggen mag, een beetje.... ordinair."

"Neen, neen, verf wil ik niet in mijn haar hebben!" riep Elsje, driftig opspringend. "Dat kan niet, dat vind ik veel te vies!"

"Ga maar gauw weer zitten, kind," zei haar tante bedaard, maar met een zeer strengen blik. "Neen mijnheer, u behoeft geen andere kleur aan het haar te geven; van dergelijke kunstmiddeltjes houd ik heelemaal niet, dat weet u wel. Hoe zou het staan, als het een weinig gegolfd werd en als u wat pony knipte van voren?"

"Dat zou wel gaan, mevrouw. Als de jongejuffrouw zoo goed zou willen zijn, haar hoofdje wat stiller te houden. Zoo! Als dit achterhaar nu goed weggeschuierd is en het ponyhaar een weinigje gefriseerd, zult u eens zien hoe goed het staat."

En ijverig gebruikte hij de krultang, waarbij het Elsje hoe langer hoe benauwder te moede werd.

Eindelijk legde hij het, in hare oogen zeer hatelijke, instrument neer, nam den schuier, streek het achterhaar glad en strikte het lint om Elsje's hoofd. Toen zijn werk met een blik vol innig welgevallen beschouwend, zei hij:

"Zie eens mevrouw, nu bevalt het u zeker beter, niet waar? Deze coiffure geeft de jonge dame een geheel ander voorkomen, vindt u niet? Alleen nog een klein, heel klein droppeltje van iets, om de kleur iets minder geel te maken?"

"Kijk mij eens goed aan," zei mevrouw d'Ablong, zonder op de vraag van den kapper te letten. "Trek niet zoo met je wenkbrauwen. Neen, neen, niet dat haar wegschuiven van je voorhoofd."

"Het jeukt zoo," zei Elsje verdrietig.

Weer keek haar tante haar aan met een afkeurenden blik; toen zei ze:

"Zoo kan het wel blijven, mijnheer. Als er nog iets aan veranderd worden moet, zal ik u wel een boodschap sturen."

Eindelijk, eindelijk was er, voorloopig ten minste, niets meer te bestellen ter verfraaiing van Elsje's toilet en persoon en reed zij met haar tante naar huis terug.

Hoofdstuk VI.

Nieuwe Kennissen.

"Nog eens, Elsje, doe nu vooral je best, aardige, beschaafde, damesachtige manieren aan te nemen," begon mevrouw d'Ablong weer in het rijtuig. "Die drift zooeven bij den kapper stond je bij voorbeeld weer heel leelijk. Neen, neen, zucht nu maar niet zoo ongeduldig en schuif ook niet zoo heen en weer op de bank. Je zult werkelijk met veel meer plezier bij ons logeeren, als je zelf probeert wat in den smaak te vallen. Het is voor Cécile ook niet prettig, als je zoo'n burgelijken indruk maakt. Wil je me nu beloven goed op te letten hoe Cilly en ik ons gedragen?"

"Ja tante," zei Elsje, zoo kalm als het haar mogelijk was, "maar ik verlang er in het geheel niet naar om een modepop te worden. En grootmoeder zegt nooit iets van mijn manieren!"

"Wij spreken nu niet over grootmoeder, kind, maar wij hebben het erover hoe je je _hier_ gedragen moet. Je kondt onmogelijk beter voorbeeld hebben dan Cilly. Zij heeft onberispelijke manieren, al heeft ze natuurlijk ook veel voor omdat ze zoo beelderig mooi is en dat...."

Zij eindigde den zin niet, maar Elsje begreep wel dat ze bedoelde: "en dat ben jij niet." Ze kreeg een kleur van ergernis, maar ze hield zich in en bleef zwijgen totdat het rijtuig weer voor het huis van mevrouw d'Ablong stil stond.

"O, Cilly heeft zeker kennisjes bij zich," zei deze, toen Elsje en zij naar boven gingen en een kamer voorbij kwamen, waar Elsje nog niet geweest was en waaruit het geluid van vroolijke meisjesstemmen naar buiten drong. "Doe maar gauw je goed af, Elsje, dan kun je naar haar toegaan. Het is jammer dat je geen andere jurk hebt, maar deze past je toch beter dan die blouse van gisteravond. Laat mij nog eens even kijken hoe je haar nu zit. Zoo, zoo, vind ik het; het bevalt me toch maar half. Hoe kom je nu toch weer zoo rood in je gezicht en lieve tijd kind, wat heb je leelijke, groote handen! En hoe komen die toch zóó ruw?"

"Van het werken, tante," zei Elsje een beetje trotsch. "Maar zou ik dat korset vandaag niet nog uit mogen hebben? Het geeft me zoo'n benauwd gevoel."

"Och kom kind, malligheden! Ga nu maar gauw naar Cilly's kamer en let vooral op je manieren. Wees bedaard en spreek nog maar niet te veel vandaag."

"Ik wou liever eens wat gaan wandelen, tante. Ik verlang zoo vreeselijk om eens even in de lucht te zijn. Thuis ben ik zooveel buiten. Later kan ik toch ook nog wel met Cécile's vriendinnen kennis maken."

"Neen, neen, je gaat er nu heen. Morgenochtend kan dat wandelen wel gebeuren. Je blijft vandaag verder thuis."

Dan maar met moed er op af! dacht Elsje, toen ze naar beneden liep en de deur opende van de kamer, waaruit het drukke gelach en gepraat klonk. Zij zag een vrij groot vertrek met twee ramen aan den tuin en elegante tafeltjes, gemakkelijke stoeltjes, een kleine, sierlijke canapé, waarvoor een aardig eikenhouten theetafeltje stond met een fijn porseleinen theeservies, dat op dit oogenblik ijverig dienst deed, een overvloed van smaakvolle, kleine snuisterijen op den schoorsteen en het miniatuur-schrijfbureautje bij het raam, een groote verscheidenheid van waaiers en zijden draperieën in zachte tinten,--op een lage, zwarte zuil in een hoek een allerliefste kleine groep in wit marmer van twee slapende kinderen, aan den muur een paar landschap-etsen en een menigte kleine en groote photographieën en in een vergulden lijst een schilderij van een mooi kinderkopje met bruine oogen en donker krullend haar--blijkbaar een portret van Cécile, toen ze twee of drie jaar oud was.

Dit alles zag Elsje als niet ziende, zoozeer werd zij overweldigd door een gevoel van plotselinge verlegenheid, toen zij de kamer in ging. Niemand scheen haar binnenkomen te bemerken en zij bleef in een linksche houding bij de deur staan, onzeker wat ze doen zou en eigenlijk heel weinig verlangend om de aandacht op zich te doen vestigen.

"Neen maar, hoe allergekst Cilly," zei een groot, blond meisje, dat naast Cécile zat, die de _afternoon-tea_ schonk in kleine kopjes van doorschijnend wit porselein met rose bloemtakjes beschilderd. "Heeft hij dat heusch tegen je gezegd en wat heb je toen geantwoord? Dat je pas zestien waart?"

"Eigenlijk maken wij Cilly ook ouder doordat wij juist hare vriendinnen zijn," zei een meisje met een spits, scherp gezicht. "Wij zijn alle drie al achttien en Cilly is _net_ zestien geworden."

"Neen Lou, _ik_ ben nog maar zeventien," zei de derde gast, een meisje met een rond gezicht en vroolijke, blauwe oogen. "En we blijven Cilly trouw, hoor. Ik kan onmogelijk zonder haar leven en zij niet zonder mij, is 't wel, _darling_? Toe, zeg ons nu eens gauw wat je geantwoord hebt, op dat gewichtige oogenblik, toen je...."

"_Dear me_, daar staat Lizzie af te luisteren wat wij praten!" viel Cécile opeens verschrikt in. "Heeft mama je hierheen gestuurd, Lizzie?"

Elsje knikte verlegen en bleef bij de deur staan, terwijl Cécile's vriendinnen haar met onverholen verbazing aanstaarden.

"En heeft mama ook gezegd dat je daar vooral bij de deur moest staan blijven?" vroeg Cécile spottend.

"Neen, volstrekt niet," zei Elsje, zich vermannend.

"Nu, kom dan hier."

Elsje kwam naderbij met een gezicht, dat onverschillig moest heeten, maar waarop duidelijk te lezen stond dat ze zich weinig op haar gemak voelde.

"Dit is Lizzie van den Berg, mijn nichtje van buiten. Ze logeert bij ons," zei Cécile, zich tot hare gasten wendend.

"O, ik wist niet dat je een nichtje hadt, dat buiten woonde," zei de scherpe Louise. "Zeker verre familie, he? Aangenaam kennis te maken," vervolgde ze, zich tot Elsje wendend en hare hand uitstekend, waarop de twee andere meisjes haar voorbeeld volgden.

"Ze heeft ons wel eens verteld van een _neef_, die buiten woonde," zei Emma, het meisje met het vroolijke gezicht schalks, terwijl Cécile Elsje op een laag stoeltje naast zich liet plaats nemen.

"_Please don't_," zei Cécile met een flauw blosje en met een waarschuwende beweging harer oogen naar Elsje.

"He ja, waar hadden wij het ook weer over?" zei het groote, blonde meisje, dat Cato heette. "O gunst neen, daar kom ik weer op verboden terrein!" En zij proestte het uit van het lachen.

"Hè, wat ben je vervelend," zei Cécile spijtig. "Wil je nog een kopje thee? Als 't je blieft, Lizzie, dit is voor jou."

"Toe Cilly, niet boos zijn!" zei Cato, "dat kan ik heusch niet dragen. Wat vind ik dat toch een allersnoeperigst portret van je, dat geschilderde! En wat hadt je _toen_ toch een allerliefst gezichtje! Jammer dat je zoo erg veranderd bent na dien tijd."

"Cato, wees toch niet zoo laf," zei Cécile, toch nogal gevleid door het bedekte compliment.

"Ja, ik zou wel eens willen weten, of _sommige_ menschen dat portret wel eens gezien hebben," zei Emma met een geheimzinnig lachje.

"Wat meen je daarmee?" vroeg Cécile, terwijl ze met neergeslagen oogen water in het trekpotje schonk.

"He ja, wat zou ze daarmee meenen? Of liever, wien zou ze daarmee meenen?" zei Louise lachend en op half fluisterenden toon.

"Ik vind dat dat portret waard is dat iedereen het ziet, die je kent, Cilly," zei Cato beslist. "Bent u dat niet met mij eens, juffrouw Lizzie?"

"Och Cato, wees toch niet zoo dwaas!" zei Cécile. "Noem haar toch Lizzie, ze is pas veertien jaar."

"Met heel veel genoegen. Nu Lizzie, ben je het niet met me eens?"

"Ja," zei Elsje met een onbestemd gevoel dat men haar voor den gek hield.

"Ben je al eens eerder hier gelogeerd geweest?" vroeg Emma, met een goedhartige poging om Elsje aan het praten te krijgen.

"Neen."

"En houdt je veel van het buitenleven?"

"Ja."

"Cécile heeft zeker ook al eens bij jou gelogeerd?"

"Neen."

"Het lijkt wel het spelletje van ja en neen," zei Louise zacht tot Cato.

"O, het is zoo'n vervelend kind," fluisterde Cécile terug. "Ik begrijp heusch niet waarom mama haar hier gevraagd heeft."

Met een gloeiend gezicht, warme handen en een benauwd, stijf gevoel door het korset niet alleen, maar ook door de ongemakkelijke houding, waarin ze zat, op het puntje van het lage vouwstoeltje--achterover leunen wist ze niet of voor haar "welgemanierd" was--beantwoordde Elsje de vragen, die haar werden gedaan. Weer was het haar alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als de vroolijke, levenslustige, werkzame Elsje, die blij en moedig haar taak verrichtte en gelukkig was in het kleine huisje bij grootmoeder.

En toen de meisjes haar met rust lieten, in de overtuiging dat er met dat "stille burgerkind" niets te beginnen was, keek zij verlangend naar de heldere zonnestralen, die in de kamer vielen en zag zij het alles duidelijk voor zich: de lange, rustige dorpsstraat met de roode en grijze gevels der huizen en de groen-en-roode luiken beschenen door de zon, den breeden straatweg met de schilderachtige dennengroepjes, de ruime velden met de korte struiken langs den kant, de kale takken goudbruin en geel getint door het warme licht,--en eindelijk het vriendelijke huisje met grootmoeders gezicht voor het raam, haar toeknikkend met een welkomstgroet in de oude oogen.

Emma moest tweemaal de vraag herhalen, die ze tot Elsje had gericht, zoozeer was deze in gedachten verzonken.

"Ben je nog hier met Cécile's partij?" vroeg ze.

"Dat denk ik niet," zei Cécile haastig. "En in ieder geval kan _zij_ natuurlijk niet meespelen. Dan moeten we liever een ander zien te vinden voor die rol. Lizzie heeft stellig nooit comedie gespeeld; zij kan onmogelijk meedoen."

"Nu, _wij_ weten dan ten minste al vast, wat we te leeren hebben," zei Louise. "Voor die rol van Grietje moet dan nog iemand gevonden worden. Zeg Cilly, je hebt zeker weer een snoeperig toiletje?"

"Ik weet nog niet precies wat ik aan zal doen," zei Cécile. "Misschien geeft mama me weer iets nieuws."

"Toe Cato, sta nu op, we moeten heusch weg," zei Emma. "Je gaat immers zoo ver met me mee?"

"Ja zeker. O, daar is je mama, Cilly. Dag mevrouw, hoe maakt u het? Hoe heerlijk, dat Cilly's partij al zoo gauw is!"

"Dag meisjes," zei mevrouw d'Ablong, die binnen gekomen was met twee brieven in de hand. "Hier is een brief van grootmama, Cilly. Zij komt hier gauw een poosje logeeren, dus zij zal er waarschijnlijk ook zijn met de partij."

"O, dat is gezellig," zei Cécile. "Jij kent grootmama wel, he Emma?"

"Ja zeker, die aardige dame met dat prachtige grijze haar, die hier ook was op je verjaardag. Zij is immers uw moeder, niet waar mevrouw?"

"Neen, de moeder van mijn man," zei mevrouw d'Ablong. "Ze woont op een buiten in de buurt van Arnhem. Cécile logeert er dolgraag."

"O ja, dat wist ik wel, maar ik dacht dat zij uw moeder was. Hoe aardig dat zij juist hier is met de partij, Cilly. Maar nu moeten we heusch weg."

"Hier is ook een brief voor jou, Elsje," zei hare tante zacht. "Van grootmoeder, daar ben je zeker heel blij mee."

"O ja, hoe heerlijk!" zei Elsje, blij opspringend. "Mag ik weggaan, tante, en hem boven lezen op mijn kamer?"

"Ja, maar groet de meisjes dan eerst."

Elsje gehoorzaamde haastig en Emma zei vriendelijk:

"Dag Lizzie, ik hoop dat je me eens op komt zoeken met Cécile."

Toen snelde Elsje naar boven naar haar kamer, met den kostbaren brief stijf in haar hand gedrukt. De tranen sprongen haar in de oogen, toen ze het welbekende, beverige schrift zag op het adres en met haastige, trillende vingers scheurde zij het couvert open en begon te lezen. Lang was de brief niet, maar Elsje las dien herhaaldelijk over, als wilde zij de hartelijke, bemoedigende woorden uit het hoofd leeren. Grootmoeder had haar brief natuurlijk nog niet ontvangen, maar zij zag er verlangend naar uit, dat begreep Elsje zeker wel. Het was erg vreemd dat zij niet thuis was, maar zij moest toch maar denken dat grootmoeder het heel goed had; Aafje's zuster zorgde best voor haar. En Krelis was er 's ochtends geweest met een aardig klein poesje voor Elsje. Hij had er twee van vrouw Rikkers gekregen en dat van Elsje was pikzwart met een smalle witte streep op het borstje. En Aafje's zuster was een beetje bang voor het katje, omdat het haar telkens voor de voeten liep.

Telkens als Elsje dit gedeelte van den brief las, lachte zij hardop, maar zij las het eerste stukje met grootmoeders hartelijke woorden vol liefde, nog vaker en eindelijk bracht zij het papier met een hartstochtelijke beweging aan de lippen en kuste het.

Toen lachte ze om hare opgewondenheid.

"Hoe kom ik toch zoo mal hier!" zei ze bij zichzelf, "grootmoeder zou mij erg uitlachen, als ze me zoo zag. Kom, ik moet moed houden en niet zoo flauw zijn."

"Ben je hier, Elsje?" klonk de stem van mevrouw d'Ablong op het portaal.

"Ja tante."

"Goede berichten van grootmoeder?" vroeg ze, de kamer inkomend. "Voelt ze zich beter?"

"O ja, dat geloof ik wel; daar schrijft grootmoeder heel weinig over."

"Kom, dat is een goed teeken. Ga nu nog even naar Cécile's kamer, kind. Cilly heeft je wat te zeggen. Wees vooral lief en bedaard tegen haar hoor en doe wat zij je zegt."

Elsje zuchtte eens even, maar zij gehoorzaamde toch en een oogenblik later stond ze weer in Cécile's kamer.

Cilly lag lang-uit op de canapé met een boek in de hand. Zij keek niet op, toen Elsje binnenkwam, maar zij scheen toch gemerkt te hebben, dat deze in de kamer was, want met hare oogen op het boek geslagen, zei ze koel:

"O, ben je daar?"

Toen bleef ze rustig doorlezen, terwijl Elsje ongeduldig afwachtte, wat ze verder zeggen zou. Zij deed echter precies of ze alleen was, sloeg een bladzijde om en bleef ijverig in het boek kijken.

Het was eenvoudig niet om uit te staan, vond Elsje.

"Cilly," zei ze.

Cécile keek op. "Och kind, noem mij als 't je blieft maar Cécile, dat spreek je in ieder geval beter uit dan Cilly. Het is of je tien s's in het woord brengt, zoo dwaas en ordinair komt het er uit. Wat is er?"

"Dat wou ik jou juist vragen," zei Elsje, al haar best doende niet driftig te worden. "Tante heeft me naar je toegestuurd, omdat je me iets te zeggen hadt."

"O ja, dat is ook zoo, maar je kondt toch wel even wachten. Heeft mama je die pony laten knippen? Ik vind niet dat het je schoonheid verhoogt."

Elsje antwoordde niet.

"Je schijnt geen heel goed humeur te hebben," hernam Cécile spottend. "Hoor eens Lizzie, mama wil absoluut dat je hier nog bent met mijn partij, maar doe dan als 't je blieft je best om een _klein_ beetje meer een _lady_ te zijn. Mama wil ook dat je meespeelt in het comediestukje dat wij zullen opvoeren. _Ik_ vind het gek, maar het moet nu natuurlijk toch. Gelukkig is het een kleine rol en je moet dan voor dienstmeisje spelen, dat komt dus nogal goed uit; voor die rol ben je nog het meest geschikt. Leer je gemakkelijk uit het hoofd?"

"Op school kon ik altijd best leeren," zei Elsje fier, "maar ik wil liever niet meedoen in dat tooneelstukje. Ik wil ook wel weer weg vóór de partij, als jij het zoo verschrikkelijk vindt dat ik er bij ben!"

"Je doet wat mama wil, niet wat je zelf wilt, dat spreekt," zei Cécile beslist. "Natuurlijk zou het voor mij oneindig prettiger zijn als je er niet bij waart, maar mama heeft mij zooeven gezegd dat zij er bepaald op gesteld is omdat het jouw grootmoeder plezier zal doen en nu gebeurt het natuurlijk."

"Mijn grootmoeder is de jouwe ook, Cécile," zei Elsje met bevende lippen. "En je moogt wel heel trotsch op haar wezen."
