Part 5
Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden.
"Hè, wat een vervelend geluid!" zei Cécile. "Je kunt best ophouden, als je maar wilt, Lizzie."
"_Take some water, do,_" raadde Miss Piper aan.
"Ja, drink eens, Elsje," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. Dat het kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat!
Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een glas water in uit een klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde.
"Kind, wat ben je ook onhandig!" fluisterde mevrouw d'Ablong wrevelig. "Bel eens even, Cilly, als 't je blieft."
Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam binnen.
"Maak dat eens even een beetje schoon," zei mevrouw d'Ablong met een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder werd. "Je kunt meteen de borden wel wegnemen."
Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd.
Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had.
Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide.
"Leg nu je lepel neer, Elsje," zei ze kortaf. "Neem dat bord weg, Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent."
"Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante," zei Elsje, om het dienstmeisje te verontschuldigen.
"Neem dat bord weg," herhaalde mevrouw d'Ablong streng tot Dina, "en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork--je hadt moeten zien dat deze geheel nat zijn."
Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was, het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen, tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten--was Elsje weer tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de vork niet vlak bij de tanden vast te houden--maar zij deed wat ze kon en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten zonder een aanmerking van mevrouw d'Ablong te hebben gehoord.
Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld.
Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo'n dorst en het karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens even drinken--ze had zoo'n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He, het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag en boos zei:
"Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even."
Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord, op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare tante aan.
"Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat je je nog zoo weinig weet te gedragen," zei mevrouw d'Ablong.
Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op den grond. Zij raapte ze snel op.
"Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen."
Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik naar den podding, dien ze nu in 't geheel niet zou proeven, ging Elsje de kamer uit.
Hoofdstuk V.
Van Top tot Teen herschapen.
Toen mevrouw d'Ablong een kwartier later in het salon kwam, vond ze daar haar nichtje niet, zooals ze verwacht had. "Dan zal ze zeker maar naar haar kamer gegaan zijn," dacht ze en liep met een zucht de trap op. Nu reeds voelde ze eenig berouw dat ze Elsje te logeeren had gevraagd--er zouden zooveel van die kleine, lastige onaangenaamheden komen en het beviel haar volstrekt niet, haar gemakkelijk leven door allerlei moeielijkheden met Elsje bedreigd te zien. Maar, zij had het verzoek harer moeder toch niet kunnen weigeren--ze was nu eenmaal dezen weg ingeslagen en ze moest er op voortgaan, daaraan was geen twijfel. Ze moest het kind dan maar flink onder handen nemen van tijd tot tijd, zoolang ze hier was en... misschien was het wel niet noodig, dat Elsje later voor goed bij haar in huis kwam. Zoo oud was de grootmoeder toch ook nog niet en zoo heel ziek scheen ze eigenlijk ook niet te zijn en het was dus heel wel mogelijk dat Elsje volwassen was en ergens een werkkring had gevonden, voordat haar grootmoeder stierf. Dan zou zij heel makkelijk wat voortgeholpen kunnen worden met geld en kleeren nu en dan; hare tante zou haar dan niet uit het oog verliezen en goed voor haar zijn... uit de verte. Als alles zóó ging, zou mevrouw d'Ablong zelf ook heel tevreden wezen.
Maar, terwijl het kind bij haar in huis was, moest ze zich beter gedragen, dat sprak van zelf.
"Ik kom eens even met je spreken, Elsje," zei ze, de deur openend van de logeerkamer, waar Elsje de eenzaamheid had gezocht. "Waarom ben je niet naar de zaal gegaan, toen ik je wegstuurde?"
"Ik wou veel liever hier blijven, tante," zei Elsje met iets angstigs in hare stem.
"Waarom?"
Zij antwoordde niet dadelijk, maar wreef zenuwachtig hare handen over elkaar.
"Ik doe toch alles verkeerd," zei ze eindelijk op koppigen toon.
"Hoor eens Elsje, als wij goede vrienden zullen blijven, moet je je zooveel mogelijk voornemen, om _niet_ alles verkeerd te doen. Want wat je daar zegt, is waar, je _doet_ bijna alles verkeerd. Maar als je wezenlijk wilt, als je heel goed op Cilly let en haar navolgt in alles, als je probeert om zooveel als het kan natuurlijk, op haar te gelijken, dan...."
"Ik verlang er niets naar om op Cécile te lijken," zei Elsje, heel driftig.
Het was er uit, voordat ze het wist en terstond, _toen_ het er uit was, had ze berouw. Maar alles, wat zij dien dag had doorgemaakt, het droevige gevoel van verlatenheid, dat haar weer overvallen was na het ongeluk aan tafel en vooral het wreede, hatelijke gedrag van Cécile, hadden haar in zulk een bittere stemming gebracht dat het haar was, als leefde ze in een bangen droom en als was zij plotseling van de vroolijke, levenslustige Elsje veranderd in een arme verschoppelinge, door niemand begeerd en door niemand bemind. Als hare tante Cécile buiten het gesprek had gelaten, zou Elsje haar drift hebben kunnen bedwingen, maar nu liep de maat van haar geduld over en met fonkelende oogen, snel en bijna woest, bracht ze er de noodlottige woorden uit.
"Wil je wel eens dadelijk zeggen dat je dat niet meent, ondeugend, brutaal kind?" riep mevrouw d'Ablong, haar bij de schouders vattend. "Kom, kijk mij aan en zeg dat je het niet meent."
Elsje barstte in tranen uit.
"Laat mij weer naar huis gaan!" snikte ze. "Och, laat mij toch weer naar grootmoeder gaan! Ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk! En ik wil veel liever nooit, nooit weer hier komen! Ik doe toch niets zooals ik moet en ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk!"
Zij had hare tante van zich afgestooten en schreide bitter, met de handen voor het gezicht geslagen.
Met een strenge uitdrukking in hare oogen, bleef mevrouw d'Ablong zwijgend bij haar staan. Er was niets met het meisje te beginnen, zoolang ze zich zoo aanstelde, oordeelde zij, maar dergelijke dwaze buien moesten in het vervolg vermeden worden, dat stond vast.
Eindelijk bedaarde het snikken wat.
"Mag ik als 't je blieft morgen weer terug naar huis?" vroeg het kind met een smeekenden blik. "Ik durf best alleen te reizen en... en grootmoeder zal het geld wel weerom geven."
"Dat is natuurlijk te dwaas om van te praten, Elsje. Ik zou die kinderachtigheid nu maar uit mijn hoofd zetten. Je bent oud genoeg om te begrijpen, dat je het bij mij aan huis volstrekt niet 'vreeselijk' behoeft te hebben, als je je verstandig gedraagt. Ik ben ernstig boos op je om die leelijke, afgunstige woorden, die je zooeven hebt gezegd. Je bent jaloersch op Cécile en dat had ik van jou allerminst verwacht. Ik reken er op dat je die ongepaste jaloezie zult trachten te overwinnen en _nooit_ zult toonen. Begrijp mij goed en doe wat ik zeg, anders zullen we maatregelen nemen, die je heelemaal niet aanstaan, juffertje. Je bent moe en alles is ongewoon voor je natuurlijk en ik zal je voor ditmaal dus vergeven. Ga straks naar bed en kom niet meer beneden. Keetje zal je een kop thee brengen en als je nog iets noodig hebt, kun je het haar zeggen."
En zonder het bedroefde kind verder met een blik te verwaardigen, ging mevrouw d'Ablong de kamer uit.
Niet lang daarna kwam Keetje boven met een nachtjapon van Cécile en verdere toiletbenoodigdheden voor Elsje.
"Mevrouw dacht dat het goed voor u zijn zou om nu maar naar bed te gaan, jongejuffrouw," zei ze. "Zal ik u even helpen met het uitkleeden? Dan kan ik u een kopje thee brengen, als u in bed bent."
Elsje stond langzaam op van den stoel, waarop ze in moedeloos gepeins was verzonken geweest.
"Ja, ik zal naar bed gaan," zei ze, "maar je behoeft me niet te helpen. Ik kleed me altijd alleen uit."
"Maar misschien gaat het een beetje gauwer, als ik u help met dien vastgespelden rok," zei Keetje goedhartig. Elsje zag er zoo bedroefd en terneergeslagen uit, dat het dienstmeisje medelijden met haar kreeg. Dina had natuurlijk in de keuken verteld wat er aan tafel met Elsje was gebeurd en hoe boos mevrouw d'Ablong had gekeken en nu Keetje het jonge gezichtje van het "dorpskind" zoo bitter bedrukt zag, kwam haar goed hart boven.
"Kom," zei ze, "ik zal wel maken dat u gauw rustig en wel te bed ligt, jongejuffrouw. En wie weet, hoe lekker u dan slaapt."
"Ik hoop het," zei Elsje zacht. "Maar wil je me Elsje noemen, als 't je blieft, dat zou ik veel prettiger vinden."
"Ik geloof niet dat mevrouw dat zou willen hebben," lachte Keetje vroolijk. "Ziezoo, daar is de blauwe rok al uit. Straks zal ik alles wel netjes opvouwen. Die nachtjapon zal wel een beetje te lang zijn. Kijk, heb ik geen mooie voor u uitgezocht? Dat is allemaal echt Fransch borduursel."
Elsje voelde niet heel veel belangstelling voor het "echt Fransche borduursel", maar Keetje's vriendelijkheid deed haar toch goed en met een half ingehouden snik vroeg ze:
"Woont jouw moeder ook buiten?"
"Neen, hier in de stad. Wilt u nu in dien lagen leuningstoel gaan zitten, dan zal ik uw haar uitschuieren. Pas op dat u niet over de nachtjapon struikelt."
Het was toch wel prettig om zich zoo'n beetje te laten bedienen, nu ze zoo erg moe was, dacht Elsje, terwijl ze makkelijk leunde tegen den rug van haar stoel. En wat was het een heerlijk gevoel, die zachte aanraking van Keetje's hand aan heur haar en de gelijkmatige beweging van den schuier over haar hoofd!
"Nu bent u klaar en nu ga ik gauw een lekker warm kopje thee voor u halen," zei het dienstmeisje eindelijk. "Is dat goed?"
"Ja, als 't je blieft."
Keetje ging heen en Elsje stond op om in bed te gaan. Eerst moest ze nog even kijken hoe het er buiten uitzag. Ze schoof het gordijn op zij, drukte haar gezicht tegen het raam en keek op naar het kleine stukje lucht, dat vanuit haar kamer zichtbaar was. Hè, wat fonkelden de sterren mooi--wat zou het prachtig, prachtig zijn op de heide, dicht bij het huisje harer grootmoeder! Als zij maar eens even bij haar kon zijn, even de armen om haar hals kon slaan en haar een nachtkus geven, dan zou haar moed wel weer terugkomen, dacht ze. Maar ze moest zich dapper houden, ze moest haar best doen, niet weer flauw zijn en driftig tegen tante; ze had het grootmoeder beloofd! Ze liet het gordijn los en slikte even. Ze wou nu niet meer schreien. Ze was wezenlijk kinderachtig geweest, daar had tante wel gelijk in. Morgen zou alles zeker wel beter gaan en met het optimisme van een kind, begon zij zich voor te stellen, hoeveel gelukkiger dan nu, zij zich morgenavond als zij naar bed ging, misschien voelen zou. Tante zou dan ook wel niet meer boos zijn. Kom, ze moest nu maar rustig gaan slapen. Zou ze ... zou ze nog eens even in dien grooten spiegel kijken hoe die prachtige nachtpon haar stond met al die breede strooken? Verlegen, alsof er iemand in de kamer was, die haar uit kon lachen, ging ze voor den langen spiegel staan en keek nieuwsgierig naar de meisjesgestalte in het lange, witte, bijna den grond rakende gewaad. Was zij dat heusch? Ze vond eigenlijk wel dat ze er heel deftig uitzag met die geborduurde kanten om de mouwen en dat lange, breede borduursel van voren. Zoo moest grootmoeder haar eens even kunnen zien! Als zij zoo eens plotseling voor haar staan kon en haar goeden nacht zeggen! Wat zag haar gezicht er beschreid uit en wat werd zij koud, zoo dicht bij het raam! Vlug liep ze naar het ledikant, trok de dekens over zich heen en genoot de zachte, mollige warmte van het veeren bed. Ze was zoo moe, zóó moe; Keetje moest nu maar gauw komen met de thee, dan kon ze het licht meteen uitdraaien. Daar schoot haar plotseling te binnen, dat ze grootmoeder van avond nog een briefkaart had willen sturen met het bericht dat ze goed was overgekomen. Hoe was het mogelijk dat ze dat had kunnen vergeten! Misschien zou Keetje nog raad weten te schaffen.
Daar was ze juist met een grooten kop thee in de hand. Elsje kwam dadelijk met haar vraag voor den dag. "Mevrouw is juist bezig een briefkaart te schrijven," zei Keetje, "en ze zou uwe groeten doen, zei mevrouw. Drink nu maar gauw deze warme thee op, dat zal u goed doen. Ziezoo, zal ik u nu nog eens instoppen?"
"Ja, heel graag."
Keetje streek het laken glad, schudde de kussens op, trok de dekens dichter om Elsje heen en zag er daarbij zoo vriendelijk en aantrekkelijk uit in haar helder katoenen japonnetje, met den keurigen witten boezelaar en het nette geplooide mutsje, dat Elsje het prettig vond om naar haar te kijken en met een dankbaren blik zei:
"Dankje wel, hè, dankje wel."
"Kan ik nu nog iets voor u doen?" vroeg Keetje eindelijk. "Zal ik het licht maar uitdraaien?"
"Ja, als 't je blieft."
Het dienstmeisje deed het gas uit en verliet de kamer met een vriendelijk "goeden nacht." Elsje was op het punt haar terug te roepen en nog iets te vragen, maar zij durfde niet goed, zei zacht bij zichzelf: "Het is te flauw" en deed toen hare oogen dicht, vast besloten, dadelijk te gaan slapen.
Zij deed ze echter terstond weer open, toen tot hare verwondering de deur der kamer geopend werd en Keetje weer binnen kwam met een brandend nachtlichtje in de hand. Heel zacht zette zij dit op de tafel neer om Elsje niet te storen en juist wilde ze weer weggaan, toen een zacht stemmetje zei:
"Ben je daar nog, Keetje?"
"Jawel, jongejuffrouw."
"Wil je.... wil je even bij me komen?"
Keetje kwam terstond bij het bed.
"Ik.... ik.... wil jij me een nachtzoen geven? Dat doet grootmoeder altijd."
Het dienstmeisje dacht er niet aan op dit oogenblik, of "mevrouw" een dergelijke familiariteit wel zou goedkeuren, boog zich over Elsje heen en kuste haar op het voorhoofd.
"Slaap lekker," zei ze.
"Dank je wel," zei Elsje. "Dank je wel voor al je vriendelijkheid. Nacht Keetje."
"Nacht jongejuffrouw. Zult u nu gauw gaan slapen?"
"Ja wezenlijk."
En met de gedachte aan grootmoeder en aan den brief dien zij haar morgen zou schrijven, viel Elsje in slaap.
Om elf uur kwam haar tante even naar haar kijken.
"Ze slaapt gelukkig rustig," dacht ze, "we moeten nu in vredesnaam maar hopen dat alles morgen beter gaat."
Den volgenden ochtend om half acht bracht Keetje Elsje een warme, wollen ochtendjurk en voelde deze zich zeer verkwikt en bemoedigd door de lange nachtrust, die ze had gehad. Aan het ontbijt liep alles tamelijk goed voor haar af. Cécile was stil en een beetje uit haar humeur, maar bemoeide zich weinig met haar en Miss Piper was vriendelijk en beleefd evenals gisteren, terwijl mevrouw d'Ablong blijkbaar haar best deed, om haar meer op haar gemak te zetten. Dadelijk na het ontbijt bracht zij haar naar een aardige, vroolijke kamer, die nog altijd de "kinderkamer" werd genoemd en op den tuin uitzag. Er stond een groote tafel met een groen lakensch kleed en tegen den muur waren boekenkasten geplaatst, waarvan de planken met geschupte, groenlederen randen waren versierd. Elsje had nog nooit zooveel boeken bij elkaar gezien en keek nieuwsgierig naar al de roode, groene, zwarte, gele en bruine banden in de hooge eikenhouten kasten.
"Hier neemt Cécile hare lessen altijd," zei mevrouw d'Ablong. "Je weet immers dat ze niet meer school gaat? Vandaag is ze wat moe en moet ze maar eens vacantie nemen: jij kunt hier dus van ochtend rustig gaan zitten schrijven. Kijk, hier staat een inktkoker en in dat vloeiboek zijn wel postpapier en couverts. Als je met je brief klaar bent, moet je maar even op dit knopje drukken. Dat is een electrische schel en als je hierop drukt, komt Dina terstond bij je en zal zij je brief naar de post brengen. We moeten maar wat vroeg koffiedrinken vandaag; dat ga ik van middag met je naar den kapper en de naaister en zoo verder. Denk er aan dat je de groeten van mij doet aan grootmoeder en haar vraagt, of ze ons eens gauw bericht stuurt hoe het met haar is."
Een paar minuten later zat Elsje met een hoogroode kleur en een heel ernstig gezicht haar brief te schrijven. Het was behagelijk warm in de kamer en heel rustig om haar heen, maar het viel haar toch allesbehalve gemakkelijk, den brief precies zóó te krijgen, als zij dien hebben wou. Grootmoeder moest vooral niet den indruk ontvangen dat zij ongelukkig was en telkens naar huis verlangde, maar Elsje vond het heel moeielijk een opgewekten brief te schrijven, vooral ook omdat het schrijven zelf al een heel ding voor haar was. Toen het postvelletje vol was, streek ze met een zucht de hand over het voorhoofd en las het geschrevene over met een gezicht, dat duidelijk toonde dat ze er weinig mee ingenomen was. Zij had het ook zoo warm en dat vervelende losse haar gaf haar telkens een gevoel, alsof ze haar _eigen_ hoofd niet had vandaag. Keetje had wel getracht het haar geheel op te maken naar Elsje's zin, maar dit was haar maar half gelukt--het zat zoo akelig weinig stevig, vond Elsje.
Met een uitdrukking van ontevredenheid in de oogen, zat ze naar de dikke, groote letters op het papier te kijken, toen mevrouw d'Ablong binnen kwam.
"Ben je _nog_ niet klaar, kind?" vroeg ze. "Het is al elf uur."
"Ja, tante, mijn brief is af," zei Elsje, haastig opstaande.
"Goed, ga dan gauw mee naar beneden. Wij hebben nog zooveel te doen vandaag. Hè, wat staat die jurk je akelig! Wij zullen wat nette, nieuwe kleeren voor je laten maken. Vindt je het niet heerlijk, dat je dat allemaal zoo maar van me krijgt?"
"Het is heel vriendelijk van u tante, maar.... maar mijn roode jurk zit me zoo erg gemakkelijk, die heb ik het liefst aan."
"O, maar als een goede naaister jurken voor je maakt, zullen die je nog prettiger zitten natuurlijk. Kom, treuzel nu niet langer."
Niet lang daarna reed Elsje in gezelschap harer tante de drukke straten door naar een der deftigstige modemagazijnen der stad. Men had haar een winterhoed opgezet, dien Cécile niet meer droeg en een kort lakensch manteltje aangetrokken, dat haar te nauw was, zoodat zij zich niet heel behagelijk voelde "Wacht maar, we zullen wel gauw een jonge dame van je maken," zei mevrouw d'Ablong, toen het rijtuig stilstond voor een grooten winkel met spiegelruiten, waarachter zooveel fraaie stoffen in donkere en lichte tinten en zooveel kostbare kant, zijde, fluweel en wit dons lagen uitgestald dat Elsje groote oogen opzette. Zij volgde hare tante schuchter, toen een bediende in livrei met een beleefde buiging het portier en de glazen deuren van den winkel opende.
Mevrouw d'Ablong liep tusschen de toonbanken aan beide zijden door, terwijl haar nichtje zeer bedeesd achteraan kwam. Het was haar alsof al die dames en heeren achter de toonbanken haar nazagen en alsof de deftige mevrouwen, die hier hare inkoopen deden, haar aankeken met oogen, die duidelijk zeiden: "Jij behoort hier niet, kind!" Ze was blij, toen hare tante de trap opging, die toegang verleende tot een zaal, waar slechts twee jonge meisjes aanwezig waren en waar stapels fijn linnengoed in de winkelkasten tegen den muur waren geborgen. Er heerschte een aangename warmte en Elsje vond dat de winkeljuffrouw, die hare tante aansprak, een vriendelijk gezicht had.
"Wat is er van uw dienst, mevrouw?"
"Ik zou graag eens meisjeskorsetten van u willen zien," zei mevrouw d'Ablong. "Het is voor dit meisje. Zij komt van buiten en ik moet allerlei ondergoed voor haar hebben. De korsetten kunnen hier immers gepast worden, niet waar?"
"O ja zeker mevrouw, als u zoo goed wilt zijn mij even te volgen."
Zij ging de zaal door naar een klein zijvertrekje, waar de zon vroolijk naar binnen scheen en men door een hoog boogvenster een levendig uitzicht had op de drukke straat, die er vroolijk uitzag in het heldere, vriezende weer.
"O tante, wat is het hier aardig!" riep Elsje, naar het raam toeloopende en terstond daarop een kleur krijgende over hare vermetelheid.
Mevrouw d'Ablong keek haar ontevreden aan; zij vond het in 't geheel niet noodig dat de winkeljuffrouw wist dat Elsje haar nichtje was. Het kind was eerst zoo dwaas verlegen geweest hier en nu opeens die uitroep!
"Jawel, het uitzicht is hier niet onaardig," zei ze kortaf. "Maar kleed je nu maar gauw uit; wij hebben nog zooveel te doen. Zoudt u meteen eens onderlijfjes willen laten zien, juffrouw?"
"Gaarne." En het meisje ging heen.
"Komaan, Elsje, haast je wat," zei hare tante ongeduldig. "De juffrouw komt dadelijk terug met de korsetten."
"Maar ... maar tante, moet ik me dan hier heelemaal uitkleeden?" vroeg het kind met een angstig gezicht.
"Natuurlijk. Als wij alles eerst nog thuis laten sturen, duurt het weer langer, eer je er een beetje presentabel uitziet."
"Maar ik wil veel liever niet zoo'n stijf korset aan hebben," klaagde Elsje.
"Geen woord meer. Je doet nu dadelijk, wat ik je zeg," klonk het gebiedend.