Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 9
--Wat zien de kamers er uit! zeide Frédérique en zij schopte een gescheurde kartonnen doos terzijde naar een hoop verkreukeld pakpapier. Daarop naderde zij de tafel; de waaier..... Eline had hem meêgenomen. Vervolgens kuste zij haar moeder en Otto, maakte schertsenderwijze Etienne's haar in de war en bracht haar cadeaux naar boven.
Langzaam ontkleedde zij zich, dralende in de kilte, die haar huiverend omving.... En terwijl zij zich rillende tusschen haar dekens uitstrekte, zag zij weder Eline voor zich, in haar betooverende elegance, in haar zwarte kant, glimlachend tegen Otto.... Het dwarrelde voor haar heen als een ordelooze kaleidoscoop, Henk als St. Nicolaas gedost met zijn afgezakten tabbaard, en Jan Verstraeten als knechtje, de kist uit Londen, de waaier van Bucchi....
Hoofdstuk IX.
I.
Het was een paar dagen na den St. Nicolaasavond, toen Eline des middags uitging met den kleinen Ben aan haar hand. Den vorigen avond was zij met mevrouw Verstraeten, Marie en Lili naar de opera geweest, waar zij de Trouvère gezien had, en dien morgen had zij Roberts, haar ouden brompot van een muziekmeester, Léonore's air voorgezet, opdat hij haar zou accompagneeren:
"La nuit calme et sereine..."
Hij had zijn hoofd geschud; hij hield niet van die bravour-aria's der Italiaansche school, waarvoor Eline dikwijls met hem redetwistte; zij vond Bellini, Donizetti, Verdi elegant en melodieus, muziek als geschreven voor haar kristallen sopraan, hij vond ze dikwijls kinderachtig, met hun huppelende, lichte wijsjes en wees haar op de rijkere diepheid van Wagner. Maar ze had hem onder den duim en hij had gespeeld wat ze hem voorgezet had.
--Kom Ben, niet zoo hangen, goed loopen! sprak Eline tot den kleinen, dikken jongen, die op zijn loome beentjes haar een pas achterna bleef. Kom, gelijk met tante blijven. Vindt je het niet prettig, meê naar de winkels te gaan?
Eline had gisteren in de opera, tijdens de cavatine van den Comte de Luna, een gedachte in zich voelen opkomen. Achter het raam van een platenwinkel had zij portretten van Fabrice gezien, gecostumeerd, in verschillende pozes, en zij had het plotselinge verlangen gevoeld er een te bezitten. Nu was zij op weg gegaan, om zich dat portret aan te schaffen. En zij stelde met een lichten glimlach, als genoot zij in een geheime weelde, zich hem voor met zijn groote, forsche gestalte en zijn mooien kop met den zwarten baard. Hoe heerlijk toch acteur te zijn!
Van Fabrice dwaalden hare gedachten af op haar nieuwen waaier, dien zij gisteren had gebruikt.... Betsy had haar gezegd, dat zij dwaas deed dien te gebruiken, voordat zij den gever kende, nu zij in het minst niet vermoeden kon van wien het geschenk haar toekwam, maar zij had zich niet aan het bezwaar harer zuster gestoord; zij vond integendeel iets pikants in dat onbekende, en haar romantische geest schepte er aanstonds een kleinen roman uit: Fabrice had haar opgemerkt in de loge der Verstraetens, hij was gecharmeerd op haar geworden, hij zong voortaan slechts voor haar, alleen voor haar, en de grootste teleurstelling vervulde zijn hart, wanneer hij haar niet in de opera zag... Hij was het, die haar den waaier gestuurd had, met dat bescheiden: Mlle E. Vere, op het adres; hij had gezien, dat zij gisteren den waaier gebruikt had, en hij zou het haar wellicht eenmaal laten raden uit een enkelen blik, uit een enkelen klank zijner stem....
Zij glimlachte om dat romantizeeren harer fantazie en eensklaps schoot er als een bliksemstraal door haar geest... Het heugde haar: verleden zomer, op de tentoonstelling van schilderijen in de Akademie, had zij waaiers van Bucchi gezien, onopgemaakt, en uitgespannen achter glas, en zij herinnerde zich nu plotseling ze zeer bewonderd en den wensch geuit te hebben er een te bezitten.... Wie had de fijne opmerkzaamheid gehad, haar nu dat verlangen te bevredigen? Met wie was zij geweest in die tentoonstelling? Met Emilie De Woude, met Georges misschien.... Georges kon toch niet.... Of, haar danseur, die haar ten huwelijk had gevaagd, dien zij had afgewezen? Ach, het was te dwaas, ze gaf het op, ze wilde er niet meer over denken.... eenmaal zou ze het toch wel weten....
Door de Parkstraat en de Oranjestraat was zij in het Noordeinde gekomen en zij naderde reeds den platenwinkel, toen haar op eens de vrees omving, of de winkelier het niet dwaas zou vinden, dat een jong meisje het portret van een acteur kwam koopen. Zij geloofde, dat zij nooit zou durven... maar daar stond zij reeds voor den spiegelruit, waarachter groote gravures en fotografieën, beelden in biscuit en terracotta, tal van andere kleinere kunstvoorwerpen uitgestald waren, en haar oog viel dadelijk op een ris portretten, acteurs en actrices van de opera, met hun namen er onder geschreven: Estelle Desvaux, Moulinat, Théo Fabrice...
--Kom Ben! sprak ze en duwde het kind zachtjes de deur in. Eenige dames zochten in den winkel fotografieën uit en zagen haar aan. Zij kon het niet helpen, maar ze meende waarlijk, dat zij even bloosde onder haar witte tulle voiletje.
--Mag ik nieuwjaarskaartjes van u zien, zooals er voor aan het raam liggen? vroeg zij den winkelier, die haar naderde, Niet aan die beeldjes komen, Ben.
Een menigte van kaartjes werden haar getoond. Ze bezag ze aandachtig, nam ze met de tippen harer geschoeide vingeren op, en legde er eenige terzij. Daarna zag zij hier en daar rond, bespeurde een stapel portretten en vatte die met haar loome onverschilligheid aan. Er waren er bij van Fabrice.
Welke zou ze nemen? Dit melancholieke, in het zwart fluweelen kostuum, met den kanten kraag, van Hamlet; dit als Tell? Neen, hier dit, als Ben Saïd, zooals ze hem voor het eerst gezien had. Maar zij zou er ook nog een nemen van Moulinat, den tenor, en een van Estella Desvaux, de forte-chanteuse; dan frappeerde het niet, dat zij eigenlijk alleen voor Fabrice was gekomen. Maar dàn kon zij nog wel een tweede van Fabrice er ook bij nemen, als Hamlet.
--Wil u me die kaartjes geven en, hier, deze vier portretten.
--Mag ik ze u laten bezorgen?
--O, neen, geeft u het maar meê, ik zal u dadelijk betalen. Hoeveel is het te zamen?
Zij betaalde en nam het enveloppe aan, waarin de winkelier de platen gesloten had, en ze ging heen met Ben aan haar hand, en verbeeldde zich, dat de dames, nog altijd bezig met haar fotografieën, haar weder aanzagen, als wilden zij heur gedachte doorgronden.
II.
Een glans van genoegen overstraalde Eline's gelaat, nu zij weder buiten was, en nu zij gedurfd had, en zij gevoelde zich zeer vriendelijk en sprak telkens als een lief moedertje tegen Ben. En toen zij in de Hoogstraat Jeanne Ferelijn bespeurde, die melancholiek, in haar wintermantel wijd als een zak, en met haar eenvoudig zwart hoedje op, aan de overzijde liep zonder haar te bemerken, stak zij haastig, Ben medetrekkend, de straat over, tusschen twee rijtuigen, en zij sprak Jeanne aan, glimlachend en vol hartelijkheid. Zij liepen te zamen een eind op, en Jeanne vertelde haar, dat het zeer goed met Dora ging, maar dat zij een kindermeisje had moeten nemen, dat zij de kinderen niet altijd onder de hoede van Mietje durfde laten, die zoo slordig was en zoo weinig attent en dat dit haar financieël wel eenigszins drukte. Eline dwong zich oplettend te zijn bij het verhaal der nieuwe beslommering; Jeanne sprak echter weldra opgewekter over haar vader, den heer Van Tholen, en over dokter Reijer, waarmede zij thans beter overweg kon. Nu zij opmerkte hoe sympathiek Eline haar aanzag, en hoe lief zij Ben een enkele maal vermaande, rakelde zij eenige oude herinneringen op uit haar schooltijd, en zij lachten beiden om een paar guitenstreken, eertijds bedreven, en om de kersen, die zij snoepten uit Eline's capuchon. Jeanne berispte zichzelve, dat zij op het dinertje, onlangs bij de Van Raats, zulk een onaangenamen indruk van Eline had kunnen ontvangen; zij vond haar nu eenvoudig en hartelijk.
--Maar laat mij je niet langer ophouden, Eline, sprak zij, eensklaps stilstaande; ik heb eenige vervelende commissies te doen; ik moet een paar pannen bestellen, en een melkkan. Mietje heeft kans gezien me er een te breken.
--O, ik heb niets te doen, ik ga zoo ver met je meê, wanneer je het niet vervelend vindt, en wanneer Ben niet moê is. Ben je moê, kleine baas? Neen, niet waar? Hij kan al zoo flink loopen!
Zij liepen verder op en Jeanne bestelde de pannen en Eline koos in een porceleinwinkel een melkkan voor haar uit. Intusschen bleef zij vol van haar eigen gedachten over Fabrice en zij gevoelde soms een onweêrstaanbaar verlangen, om het enveloppe, dat zij in haar eene hand droeg, te openen en zijn portretten te zien. Ze hield zoo dol veel van muziek, en Fabrice zong met zoo iets innigs, met veel meer gevoel dan andere acteurs. Hij was nog jong, geloofde zij; hij zou later zeker zeer veel naam maken en in Parijs worden geëngageerd. Jeanne ging nooit naar de opera en had hem dus denkelijk nooit gezien....
Zou zij, Eline, hem wel eens tegenkomen in de straten? En hoe zou hij er uitzien in zijn gewone kleeren? Ze zou eens, des morgens vroeg, een boodschap verzinnen, ten einde de opera te passeeren; mogelijk was het dan repetitie geweest, en zou zij de artisten in den omtrek van het gebouw ontmoeten. Vervuld van haar eigen berekeningen, hoorde zij niet altijd wat Jeanne haar verhaalde, maar zij bleef haar, wandelende aan heur zijde, aanzien met die oogen en dien glimlach, welke zoo betooverend lichtvol en Eline's grootste innemendheid waren.
Zij waren intusschen omgekeerd en zij nam nu afscheid bij den Hoogewal.
--Nu adieu, ik kom je eens gauw opzoeken, Jany, en mijn groeten aan Ferelijn. Zal je het doen? Kom Ben, geef mevrouw een handje.
Jeanne gevoelde, in haar behoefte aan teederheid, iets als een lauwe warmte haar doorstroomen bij den klank van dien naam, Jany, een herinnering aan vroeger, aan haar jongemeisjesjaren, toen iedereen haar Jany noemde, Jany....
En zij haastte zich naar de Hugo de Grootstraat vol moed en vroolijkheid, verlangende naar haar klein binnenhuisje, haar man en haar schatjes van kinderen....
Eline glimlachte heimelijk, terwijl zij zich door het Willemspark naar huis begaf. De dorre takken boven haar glinsterden van den rijp, en in de vriezende lucht was het helder en klankrijk, als vol van onbestemde echo's.... Zij gevoelde een aandrang om haar geluk in die ruime atmosfeer uit te galmen met een schitterende roulade....
Was zij dan een klein beetje.... gecharmeerd.... op dien cabotin?
Ach, het was te dwaas, hij zong alleen maar goed!
Hoofdstuk X.
I.
Groote, zich rekkende schaduwen, als dansende, zwarte schimmen, wierpen de vlammen in de kachel over den muur en het plafond der donkere kamer. Voor een seconde bleef er dan een lichtglans hangen aan een antieke zilveren kan op een gebeeldhouwd buffet, dat, als een donkere massa, een hoek vulde, aan eenige antieke borden en pullen tegen den wand....
Vincent Vere lag uitgestrekt op zijn divan, en zag bij die telkens herhaalde lichtflikkeringen met halfgesloten oogen rond. Die vreemde, met rossen gloed doorschoten, somberheid van het vertrek deed hem aangenaam de alledaagschheid van zijn in de Spuistraat gehuurde kamers vergeten, waar een enkel kostbaar voorwerp van hemzelven vloekend afstak tegen de versleten burgerlijkheid van het ameublement. En hij mijmerde een pooze in die dantesque schemering....
Hij gevoelde zich in de laatste dagen zeer uitgeput. Een matheid verlamde zijn ledematen; het scheen hem of er lauw water door zijn aderen vloeide in plaats van bloed; een mist scheen somwijlen over zijn hersenen te hangen, zoodat hij niet denken of zich iets herinneren kon. Zijn geaderde oogleden vielen kwijnend over zijn fletsen, lichtblauwen blik; zijn onderlip scheen als moede neêr te hangen en er groef zich daardoor een trek om zijn kleinen mond, die hem iets zeer lijdends gaf. Vaak had hij zich zoo gevoeld, maar thans gaf hij de schuld aan de atmosfeer van Den Haag, die hem deed stikken, en hij verlangde naar veel ruimte en veel lucht, en begreep niet hoe hij er toe gekomen was, zich te begeven naar een stad, die zoo weinig aantrekkelijkheid voor hem gehad had.... Ja, het heugde hem, door den nevel van zijn uitputting heen: hij had een wijle van rust gewild, na al zijn rusteloos trekken en reizen, maar nu reeds werd hij, trots zijn vermoeidheid, door een nervoziteit geprikkeld om zich opnieuw in een maalstroom van veranderingen te werpen. Rust en eentonigheid verdoofden hem, en niettegenstaande zijn zwakte, bevocht hem steeds een aandrang naar veel beweging, naar veel handeling; een verlangen naar telkens wisselende verschieten, naar een horizon, die steeds week. Toch miste hij alle energie om zich aan eenig werk met kracht te wijden, terwijl zijn veranderlijkheid hem steeds voortdreef in een rusteloos zoeken, naar een kring, een omgeving, een betrekking, waarin hij zich thuis zou gevoelen, en die hij niet vond.
De twee weken, welke hij thans in Den Haag had doorgebracht, schenen hem een eeuw van verveling toe. Den dag, nadat hij Betsy en Eline in de opera gezien had, was hij bij de Van Raats komen koffiedrinken en had hij Henk vijfhonderd gulden te leen gevraagd: hij wachtte, binnen een paar dagen, geld uit Brussel, naar hij zeide, en zou zijn neef zoo spoedig mogelijk deze schuld afdoen. Henk, die hem kende als zeer vergeetachtig in zulke kwijtingen, had echter niet willen weigeren en hem de gevraagde som ter hand gesteld, en Vincent leefde nu, terwijl het geld hem den eenen dag als water tusschen de vingers slipte, en hij den anderen, met een bijna bekrompen gierigheid, een dubbeltje poogde uit te winnen, in zijn doffe zwakte voort, terwijl de wissels uit Brussel zich wachten lieten.
Over de toekomst bekommerde hij zich weinig, hij had steeds geleefd van het eene uur op het andere; hij had dagen van weelde gekend in Smyrna, en honger geleden in Parijs en Londen, maar in welke omstandigheden ook, steeds had hem die koorts naar afwisseling voortgejaagd in een ontevredenheid met het tegenwoordige; nu gevoelde hij zich eensklaps, terende op zijn vijfhonderd gulden, zoo gedésoeuvreerd, dat de last zijner lusteloosheid hem somwijlen zijne zwakte vergeten deed.
Zoo mijmerde hij voort, starende in de duisternis, doorschoten met de rosse vlammen, die de meubels telkens met spookachtig relief uit het donker deden verschijnen. Hij mijmerde voort in een troosteloos pessimisme.... Waarom zou hij niet zijn zooals hij was? Hij zou weder geld noodig hebben en hij zou het krijgen op welke wijze ook, quand même; waarom niet? Er was geen goed en geen slecht in de wereld; alles was zooals het wezen moest en het gevolg van een aaneenschakeling van oorzaken en redenen; alles had recht van bestaan; niemand kon iets veranderen aan wat was of zijn zou; niemand had een vrijen wil; ieder was een gestel, een temperament en kon niet anders handelen, dan volgens de eischen van dat temperament, overheerscht door omgeving en omstandigheden; dàt was de waarheid, die de menschen steeds met hun kinderachtig idealisme, zeurend over deugd en met een handjevol religieuze poëzie, zochten te bedekken....
--O God, wat een bestaan is toch het leven! dacht hij en vatte het hoofd in de handen, terwijl zijn vingers door het krullende lichtbruine haar woelden. Dit leven tenminste dat ik nu leid, zou mij binnen een jaar dood of dol maken. Morgen is als vandaag, niets, niets, eentonig flauw....
En hij wierp zich als in een zee van herinneringen en overdacht wat hij doorleefd had, en verschillende oorden en steden doemden voor zijn geest op....
--En toch, wat een gezwoeg voor niets! murmelde hij en zijn oogen sloten zich, terwijl eensklaps een sluier over zijn heugenis scheen neêr te dalen, en een licht zweet hem op het voorhoofd parelde. Het suisde in zijn ooren en een onbepaalde ruimte, iets schrikwekkend wijds rolde zich plotseling uit voor zijn gesloten blik....
Maar die zwakheid, een flauwte nabij, duurde slechts eenige seconden; een diepe zucht slechts hief zich nog op uit zijn borst....
II.
Daar hoorde hij vlugge stappen de trap opdraven, en een vroolijke stem wisselde eenige woorden met de juffrouw uit den galanteriewinkel beneden. Hij wachtte eenige kennissen dien avond.
De deur werd geopend....
--Bliksems wat donker! Het lijkt hier wel de hel met dat vuur.... Waar zit je, Vere? riep Paul Van Raat, bij de deur stilstaande.
Vincent rees op en kwam hem te gemoet en vatte Paul bij de schouders.
--Hier, old chap, schrik niet.... Wacht, ik zal de lamp opsteken.
Hij zocht lucifers, stak twee ouderwetsche lampen aan, die op den schoorsteen stonden, en knipte met de oogleden, door het schijnsel verblind. Het dantesque waas, dat over de kamer hing, was aanstonds door het gele petroleumlicht weggewischt, en de eenige gezelligheid bleef nog de goed brandende kachel, terwijl het antieke buffet met de zilveren kan en enkele Oostersche voorwepen verdwaald schenen tusschen het oude ameublement van rood Utrechtsch trijp, versleten tot den draad, en het antieke porselein tusschen de leelijke, goedkoope gravures en chromolithografieën aan den muur in een aristocratische misplaatstheid scheen opgehangen.
Het was de eerste maal, dat Paul Vincents verblijf binnentrad en hij bezag de kan en de borden en bewonderde ze.
--Ja, ze zijn nogal mooi in hun soort; de kan lekt, maar het drijfwerk is heel fijn, zie eens. Ik ben vandaag naar een ouden jood gegaan, een antiquaire, om die dingen van de hand te doen. Het is au fond ballast. Hij zou morgen komen. Of misschien heb jij er lust in? Zij zijn à prendre!
--Neen, mijn kamer, of mijn atelier, zooals je wilt, is al zóo vol.
--Nu, een paar borden meer of minder....
--Neen, merci.
--Ja, ik doe ze ook liever aan den jood weg. Als ik kan, zie ik hem dan nog in den nek, weet je, en daarvoor zou ik met jou natuurlijk te eerlijk zijn.
--Zeer verplicht. En als hij fijner is dan jij?
--Ach, dan ziet hij mij in den nek. Dat is altijd zoo in de wereld, nietwaar? Je hebt zeker al thee gedronken?
--Ja .... neen, dank je, laat maar .... maar zeg, hoe lang blijf je nu hier in Den Haag?
Ze hadden zich neêrgezet en Vincent trok zijn schouders en zijn wenkbrauwen op. Dat wist hij werkelijk niet; hij had nog geen inlichtingen ingewonnen omtrent de betrekking bij de kina-onderneming op Java, maar hij had gehoord, dat men er liefst een chemist voor wilde hebben, en dat was hij niet. Hij zou er dus denkelijk van afzien, en daarbij geloofde hij, dat hij het Indische klimaat niet zou kunnen verdragen. Intusschen, blijven in Den Haag, en er iets zoeken, daar was geen kwestie van. Den Haag begon nu al te vervelen; het was er kleinsteedsch: iedereen kende elkander, ten minste van aanzien, en men ontmoette er overal de zelfde menschen, criant vervelend! Hij wist nog niet, wat hij zou doen, maar hij wachtte eerst brieven en geld uit Brussel. En hij eindigde met Paul te vragen of deze hem, voor een paar dagen, honderd gulden kon leenen. Paul geloofde wel, dat hij zou kunnen, maar hij wist het niet zeker.
--Je zou me waarlijk er meê een dienst doen. Hoor ik het dan van je, morgen bijvoorbeeld? Of vindt je me indiscreet?
--O, volstrekt niet, in het geheel niet. Ja, goed, ik zal zien, morgen.
--Nu, ik dank je bij voorbaat. Je weet, de beide Erlevoorten en De Woude komen van avond ook. Ik had gevraagd, of ze een glas wijn kwamen drinken, sprak Vincent op een anderen toon.
--Ja, ik sprak ze vanmiddag op de Witte, antwoordde Paul.
Vincent leunde achterover tegen de oude, roode bank en het licht van de lampen wierp een vale tint op zijn geelbleeke gelaatskleur. Een zeer vermoeide trek grifte zich om zijn lippen. Het trof Paul, hoe Vincent geleek op een portret van zijn oom Vere, Eline's vader, terwijl hij, in zijn liggende houding, zijn arm met een gebaar, dat Paul bij Eline zelve vaak had opgemerkt, onder het hoofd boog.
III.
Na eenigen tijd, over negenen, kwam Georges De Woude van Bergh en het laatst Etienne Van Erlevoort binnen, die de verontschuldigingen van zijn broêr, welke verhinderd was geweest mede te komen, overbracht. Otto gevoelde geen sympathie voor Vincent, ofschoon hij met dezen nooit de minste onaangenaamheid gehad had; in zijn eigen degelijk, kalm, mannelijk karakter, waarvan het gezonde evenwicht zich nooit verbrak, in zijn hartelijke flinkheid kon hij geen vriendschap koesteren voor iemand, die zich, naar zijn meening, geheel en al beheerschen liet door een ziekelijke nervoziteit, zonder ooit eenige geestkracht in te spannen, om er zich boven te verheffen. Otto was een van de weinigen, die Vincent niet vermocht tot zich te trekken; bijna ieder gevoelde in zijn omgang wel iets, dat terugstiet, maar dat tevens later zeer aantrok; iets als een zoet vergift, waarmede men eerst bekend moest zijn, als een bedwelming van opium. Door zijn voortdurend reizen had Vincent veel menschenkennis, of liever, veel tact verkregen om met allerlei lieden om te gaan, en hij kon, zoo hij wilde, den schijn van welk karakter ook aannemen, met het zelfde gemak, waarmede een slang zich lenig wringt in verschillende bochten of een goed acteur verschillende rollen vertolkt. Maar Otto, in een onbewuste fierheid op zijn gezonde kracht, die recht door zee ging, minachtte Vincent om de vergiftige bekoring welke hij van zich kon doen uitstralen en waardoor een ander zich verleiden liet.
Een blauwige rook wolkte weldra door het vertrek, daar Vincent sigaren had geprezenteerd; alleen hijzelve rookte niet. Hij had een paar flesschen St. Emilion uit een kast gehaald, ontkurkte ze en zette vier wijnglazen op de tafel. Etienne, luidruchtig als altijd, verhaalde in een sterk gekruid jongelui's-patois tal van anecdoten en histories, met een mimiek en gebaren, die hem iets gaven van een gentlemanlike comiek uit een café-chantant. Paul en Georges lachten, Vincent echter haalde met een blasé-glimlachje zijn schouders op, en terwijl hij inschonk, murmelde hij minachtend met zijn lichte stem:
--Wat een kind ben je toch, Eetje, Eetje!
Etienne trok zich de opmerking niet aan, en voer voort, terwijl hij in het geheel geen gaas meer over zijn stijl plooide, en de anderen luisterden toe, behagelijk de bouquet van hun wijn genietend. Vincent bleef Etienne echter voor den gek houden.
--Wat een stoute jongen is die kleine Erlevoort, om zulke dingen te durven vertellen, hè? Wat een ondeugd! sprak hij en de spotzieke lach om zijn lippen had zoo iets aanmoedigends en innemends, dat Etienne nog niet uit het veld geslagen werd.
Vincent schonk nog eens in en Georges prees zijn wijn. Hij was onder jongelui weinig spraakzaam en amuzeerde zich met een stil genot, daar hij alleen voor dames de moeite nam al het schitterende schuim zijner conversatie te doen sprankelen. Vincent vroeg hem het een en ander omtrent zijn werkkring op Buitenlandsche Zaken, terwijl Etienne ernstige waarschuwingen aan Paul deed, die hem ongeloovig aankeek.
--En later wordt je dan zeker naar de een of andere plaats gedetacheerd, nietwaar? vroeg Vincent.
--Dat kan gebeuren, antwoordde Georges.
--Het is ten minste een betrekking, waarin je nog het een of ander zien kan. Maar hoe iemand zijn gansche leven op een bureau slijten wil, is me onbegrijpelijk. Ik zou dood zijn voor mijn tijd. Daar heb je nu Erlevoort, ik meen je broêr, Eetje....
--Nu, laat Otto maar loopen, sprak Paul. Die maakt een schitterende carrière, dat zal je zien....
--Je weet, Otto is voor minister of gouverneur-generaal in de wieg gelegd.... ten minste dat beweert de oude vrouw altijd. Ik ben alleen de verschoppeling van de familie! riep Etienne.
--Ja, het bedorven jongetje, hè, lachte Vincent. Hoe ver ben je nu met je studies?
--Ik, wel ik moet candidaats doen, maar ik loop geen college, ik studeer hier in Den Haag.
--Vindt je het hier dan zoo genotvol in jullie Den Haag? vroeg Vincent met een toon van minachting op dien plaatsnaam.
--Ja, het gaat vrij wel....