Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 7
En zij boog zich en roerde even met de lippen Nico's open mondje aan, en zij voelde zijn zachten, geurigen adem over haar wang strijken, als een liefkoozing, en haar tranen drupten neêr op zijn voorhoofd, zoo doorschijnend bleek, zoo zacht....
Engel van een jongen....
Hoofdstuk VI.
I.
De oude mevrouw Van Raat kwam een enkele maal des avonds thee drinken bij haar zoon op het Nassauplein; zij werd dan zeer vroeg, om zeven uur, door haar coupé gebracht, waarmede zij om halftien weder vertrok.
Dezen keer was Betsy nog boven, zeker met Ben, zooals Eline mevrouw Van Raat verzekerde, hoewel zij wist dat Anna, de kindermeid, den kleinen jongen naar bed placht te brengen.
Zij geleidde mevrouw Van Raat in het boudoir, waar het zachte schijnsel der bougies van een kristallen kroontje neêrschemerde op het violette peluche der causeuses en met het getintel der pendeloques weêrkaatst werd in den ronden spiegel.
--En Henk? vroeg de oude dame.
--O, die dut zeker nog! lachte Eline. Wacht, ik zal hem even roepen.
--Neen, neen, laat hem, arme jongen! zeide mevrouw Van Raat. Laat hem maar slapen, en blijf wat met mij keuvelen, kind.
Zij liet zich in de canapé neêr en zag glimlachend naar Eline die zich op een lage pouffe zette aan haar zij.
Eline nam de dorre, geaderde hand der oude vrouw in de hare.
--En hoe maakt u het mevrouwtje, goed? U ziet er vandaag uit als een jong meisje, zoo gladjes, ik zie geen enkelen rimpel op uw voorhoofd.
Mevrouw van Raat liet zich als altijd bekoren door die liefkoozende stem, door dat glanzende lachje, waarin Eline nu iets naiëfs wist te leggen, misschien onbewust.
--Dolle meid! Zoo te spotten met mijn grijze haren. Elly, je moest je schamen! en zij sloeg haar arm om Eline's hals en kuste haar op het voorhoofd. En hoe gaat het met Betsy tegenwoordig, is zij niet erg lastig? fluisterde zij.
--Ach, mevrouwtje, heusch, Betsy is niet zoo kwaad, ze is maar een beetje.... een beetje driftig, zoo in haar manier van spreken. Alle Vere's zijn driftig, ik ook; papa alleen herinner ik me nooit driftig gezien te hebben, maar papa was ook een man als er geen tweede bestond. Ik kan uitstekend met Betsy overweg; och ja, je kibbelt natuurlijk wel eens, als je altijd samen bent, maar dat zou ik zelfs met u doen, geloof ik, als ik bij u woonde.
--Wel, ik woû, dat je er eens de proef van nam!
--Kom, ik zou u op den duur veel te lastig zijn, u vindt me nu lief, omdat u me zelden ziet, maar als u me dikwijls zag....! en zij lachte vroolijk.
--Heb je nu toch ooit zoo een kwade meid gezien, net alsof ik zoo een humeur heb, hè?
--O, zoo bedoel ik het niet.... Maar waarlijk, Betsy is au fond een hartelijke meid, en ik verzeker u, Henk heeft een charmante vrouw aan haar.
--Nu, het is mogelijk, maar.... ik weet niet wie ik voor hem gekozen had, Betsy, of.... iemand anders, als ik had kunnen kiezen voor mijn jongen.
Zij legde de hand op Eline's hoofd en zag het meisje met iets veelbeteekenends in haren doffen blik aan, een treurig glimlachje om den ingevallen mond.
Eline schrikte een weinig. Mevrouw Van Raats toespeling bracht haar oude gedachten voor den geest, lang vervlogen en bijna vergeten gedachten waarin zij dat plotselinge verlangen naar Henk had gevoeld, dien vagen wensch zich op hem te verlaten, als op een goedigen steun. En het scheen, of die gedachten ver waren, uitgewischt, als in een nevel, of het nog slechts schaduwen van gedachten waren, schimmen van gedachten....
Zij misten alle bekoring, zij kregen zelfs iets grotesks, dat haar bijna glimlachen deed....
--O, mevrouw, murmelde zij in haar parelend lachje; wie weet hoe ongelukkig hij dan was geworden, terwijl nu.... hij zit een beetje onder den pantoffel, maar Betsy heeft nogal kleine voeten....
--St.... stil! fluisterde mevrouw Van Raat, daar komt iemand.
Het was Henk, die de portière van het boudoir een weinig oplichtte en zich verwonderde, dat het reeds zoo laat was. Eline lachte hem uit en vroeg of hij zoet gedroomd had.
--Je eet veel te veel, daarom wordt je zoo lui 's avonds. U moest eens zien, hoeveel hij eet....
--Nu hoor je, moeder, hoe je zoon in zijn eigen huis bedrild wordt, zelfs door zijn schoonzusje. We hebben toch zoo een last van dat kind....
--O, schei daar maar over uit; mevrouwtje gelooft toch niets kwaads van me, zelfs niet van haar aangebeden Henk.... niet waar mevrouwtje? Durf eens te zeggen, dat het niet zoo is?
Zij zag met iets kinderlijks in hare mooie, amandelvormige oogen, met iets kinderlijks in hare houding naar de oude vrouw op, en er straalde eensklaps zulk een gloed van sympathie uit geheel haar wezen, dat mevrouw Van Raat zich niet weêrhouden kon haar te omhelzen.
--Je bent een dot! sprak ze, overgelukkig in de koesterende warmte der genegenheid van haren dorren ouderdom voor die zon van jeugd.
II.
Toen Betsy beneden kwam, verontschuldigde zij zich vriendelijk, dat zij zoo lang was opgehouden geworden en vroeg zij, of mama niet liever in den salon kwam theedrinken, het was daar ruimer....
--Paul zou straks ook komen, sprak mevrouw Van Raat, terwijl Eline haar een marmeren stoof onder de voeten schoof. Dan moest je samen wat muziek maken, Elly, zal je?
--Goed, mevrouwtje, heel gaarne....
Mevrouw Van Raat haalde haar bril en haar haakwerk te voorschijn, terwijl Betsy zich voor het theeblad, schitterend van zilver en Japansch porselein, neêrzette. Zij sprak over het een en ander, nieuwtjes van den dag, ook over het bal van eergisteren, bij de Eekhofs, zij had zich goed geamuzeerd...
--En jij ook, Elly? vroeg mevrouw.
--Ja, uitstekend, mevrouwtje, heerlijk gedanst, en een magnifique cotillon, heel aardig.
--En jij, Henk?
--O, Henk!
Betsy en Eline lachten beiden; Eline riep uit, dat hij veel te dik was om te dansen; alleen een menuet zou hij nog heel elegant kunnen doen; mevrouwtje wist, dat kwam nu weer langzamerhand in de mode.
Mevrouw lachte meê, en Henk dronk goedig zijn wasemend kopje thee uit, toen er gebeld werd en Paul weldra binnentrad. Hij vertelde, dat hij zoo juist van de Prinsengracht, van Hovel kwam, wien hij een visite gemaakt had; gisteren avond had hij al naar den advocaat willen gaan, maar hij was Vincent Vere tegengekomen, in de Hoogstraat, en hij had zijn bezoek uitgesteld, om met nog een paar kennissen een glas wijn op Vincents kamer te gaan drinken. Hovel was hem uitstekend bevallen bij nadere kennismaking; hij was zeer humaan, zeer vriendelijk, en zij waren overeengekomen, dat Paul met den volgenden Maandag beginnen zou op zijn kantoor te komen werken.
Mevrouw Van Raat slaakte onwillekeurig een zucht van verlichting, nu die lang besproken visite eindelijk was afgelegd. Den laatsten keer dat zij haar zwager Verstraeten gezien had, meende zij, van Paul sprekende, eenige ontevredenheid in hem bespeurd te hebben, en zij rekende zeer, in zake haar jongste, op de hulp van Verstraeten, die Pauls toeziende voogd was geweest, tijdens zijne minderjarigheid.
Betsy gevoelde, terwijl Paul sprak, iets, alsof het niet stond, dat Henk toch zoo totaal zijn tijd "verlummelde" met zijn paard en zijn honden.... Maar wat te doen; zij had al zoo dikwijls aangedrongen, en het was er nu geen geschikt oogenblik toe, in het bijzijn der oude mevrouw Van Raat.
--Kom Paul! riep Eline op eens, willen we wat gaan zingen?
Paul verklaarde zich bereid; hij stond op; Eline zette zich aan de piano. Iederen Donderdag studeerden zij te zamen duo's in en zij beroemden zich reeds op een klein répertoire. Paul had nooit les gehad, kende nauwelijks pianospelen, maar van Eline ving hij nu en dan een raadgeving, een aanwijzing op, die hij steeds trouw volgde, en zij beweerde, dat wat hij met zijn stem vermocht te doen, hij aan haar verschuldigd was. Hij hield nu reeds zijn mond goed open en zijn tong tegen zijn ondertanden aan, maar heusch, hij moest les nemen, bij Roberts.... Je kon eigenlijk zoo maar niet zingen zonder studie.
--Wat zullen we nemen? Une Nuit à Venise?
--Goed, best, Une Nuit à Venise!
Zij sloeg een muziekboek open, in rood leer gebonden, waarop in gouden letters: Eline Vere prijkte.
--Maar galm hier en.... hier je hooge sol niet zoo uit, sprak ze. Neem die liever in je middenregister en niet uit de borst. Dan klinkt het veel melodieuser. En heel zacht beginnen, en hier, en hier crescendeeren. En goed gelijk met me blijven op het laatst, met het loopje, je weet wel. Nu... netjes Paul.
Zij speelde het voorspel van Lucantoni's duet, terwijl Paul met een kuchje zijn stem verhelderde. En zij zetten te zamen gelijk en zacht in:
"Ah, viens, la nuit est belle! Viens, le ciel est d'azur!"
Zijn lichte tenor klonk een weinig broos en week, maar met een aangeboren bevalligheid, op naast het glansrijke metaal van haar sopraan. Zij vond er een genot in zoo samen te zingen, als Paul wat bij stem was en naar raad wilde luisteren. Het scheen haar, of zij steeds gevoeliger zong, wanneer een andere stem de hare vergezelde, en vooral in de herhaling der fraze:
"Laisse moi dans tes yeux, Voir le reflet des cieux!"
legde zij iets als het smachten eener Italiaansche liefde....
Het duet kreeg in haar geest meer dramatischen vorm; zij stelde zich in gedachte voor met Paul, als den tenor, liggende in een gondel, die tusschen de decors van een Venetiaansch kanaal voortgleed, in den magneziagloed van het kunstmatige maanlicht. Haar droomende verbeelding dacht heurzelve in het rijke toilet eener patricienne; Paul in dat van een armen, jongen visscher en zij beminden elkaâr, en lagen in zijn boot te droomen, al zingende, op de lagune. Voor haar zat het publiek ademloos....
"Devant Dieu même Dire: Je t'aime Dans un dernier soupir....
Daar was het loopje, zij vreesde, zij vreesde.... Paul zou blijven steken, zij relentiseerde.... neen, Paul bleef met haar samen en zij genoot in de samenstemming van maat, terwijl hunne stemmen wegstierven:
"Dans un dernier soupir...."
III.
--Beeldig, beeldig, Eline! riep mevrouw Van Raat, die stil was blijven luisteren.
--Je bent goed bij stem, Paul, sprak Betsy, om iets te zeggen.
--Nu, Eline, moet je alleen zingen! riep Paul, verheugd over zijn succes.
Mina was onder het duet de couranten binnen komen brengen, het Vaderland en het Dagblad, en Henk had er zich in verdiept, zoo geruischloos mogelijk de krakende bladen omslaande.
--Maar Paul, wil je dan niet meer? vroeg Eline. Iets anders, of ben je moê?
--Zing liever alleen, Eline....
--Ach neen, als je niet moê bent, wil ik liever nog een duet. Heusch, ik vind het heerlijk zoo met je te zingen. Durf je uit de Roméo, het groote duo?
--Heusch Eline, ik kan het nog niet goed, en het is zoo zwaar.
--Ach, verleden kende je het uitstekend, als je maar zacht en lief zingt en je niet forceert met uit je borst te galmen. Kijk.... hier deze heele passage in een tusschenstem zingen, vooral niet schreeuwen....
Hij vroeg haar met een angstig gezicht nog eenigen raad over deze fraze, over dien toon, en zij zeide, hoe hij doen moest.
--Kom, durf je? Maar vooral niet schreeuwen, dat is altijd afschuwelijk, en.... blijven we steken, dan is het immers nog niets.
--Ach, wil je het probeeren, het is mij goed.
"Va! Je t'ai pardonné, Tybalt voulait ta mort!"
zong zij daarop met rijk gekleurde voordracht, en Paul antwoordde met zijn recitatief en te zamen murmelden zij het
"Nuit d'hyménée, o, douce nuit d'amour!"
Opnieuw verrees de dramatizeering van het duo voor haren blik; het vertrek van Juliette, Roméo, in zijn schitterend kostuum, op kussens aan hare voeten liggend. En Roméo was Fabrice geworden, de nieuwe baryton, en zij liet haar hoofd neêrzijgen op zijn schouder:
"Sous tes baisers de flamme Le ciel rayonne en moi!"
Pauls stem wankelde zeer en klonk onzeker, maar Eline hoorde het nauwlijks, dat hij het was, die zong: in hare gedachte bleef het Fabrice met zijn zwaar geluid, en haar zang klonk op, klaterend en vol, zonder dat zij meer dacht, hoe zij haar tenor overdekte.
Daar.... daar parelde de leeuwerik in den dageraad en zij stelde zichzelve voor, ontsteld hangende in Fabrice's armen, terwijl zij vroeg:
"Qu'as tu donc.... Roméo?"
"Ecoute, o Juliette!"
antwoordde Paul met vaster klank, nu hij een pooze had kunnen rusten. Maar zij betuigde: het was niet de leeuwerik, het was nog steeds de nachtegaal; het was niet de eerste zonnestraal, het was nog steeds de teedere weêrschijn der maan en Fabrice bleef en het orchest ruischte door in de akkoorden, welke zij der piano ontsloeg, terwijl zij zwijgend in elkanders armen vielen. Bijwijlen, in de korte pauzen van het duo, doemde de werkelijkheid ruw en wreed voor Eline's geest terug, en dan zag zij niet meer het tooneel en Fabrice, maar hun salon, en Paul, die het blad omsloeg. Maar nu, opnieuw viel zij in: zelve begreep Juliette het gevaar, zoo Roméo langer toefde; zij drong zelve, dat hij zou gaan en hij antwoordde:
"Ah! reste encor, reste dans mes bras enlacés! Un jour il sera doux, à notre amour fidèle, De se ressouvenir de ces douleurs passées!"
Dit was een passage waarin Pauls lyrische weekheid tot zijn recht kwam en Eline hoorde, als glimlachend en voor goed uit den droom ontwakend, hoe melancholiek en lief hij dit vermocht voor te dragen. Een wroeging omving haar: zij gevoelde het, dat zij zooeven hem in haar genot overjubeld had; ze zou nu oppassen....
En zij droeg de finale, minder in overweldigende wanhoop, dan in weeke smachting voor, zoodat Pauls hooge borsttonen beter uitkwamen dan in het begin, maar het visioen was voorbij, het tooneel, het publiek, Fabrice waren verdwenen.
"Adieu, ma Juliette!"
zong Paul haar toe en zij antwoordde met een lichten kreet, waarin hij instemde:
"Toujours à toi!"
IV.
--Heerlijk, heerlijk zoo te zingen! riep Eline in extaze uit en ze vloog op en omhelsde mevrouw Van Raat met bruisende onstuimigheid. En zingt Paul nu niet lief, mevrouwtje, en is het niet onverantwoordelijk, dat hij geen les wil nemen? U moest hem eigenlijk dwingen....
Maar Paul beweerde, dat Eline hem reeds mooi genoeg les gaf, en dat ze hem nog eens zich zou laten doodzingen met hare moeilijke duo's; Eline echter meende, dat hij het er perfect had afgebracht.
Betsy zuchtte, in stilte, van verademing na het bruyante afscheid der Veroneesche geliefden, dat onder het geschilderd plafond en tusschen de peluche draperieën van haar salon haar te zwaar en te luid in de ooren had geklonken. Eigenlijk vond ze het een vreeselijk geblèr! Waarom zong Eline liever niet iets aardigs, iets luchtigs uit de een of andere bouffe!
Het gesprek begon, nu Eline en Paul zich hadden neêrgezet, weder algemeen te worden, over kleine nieuwtjes van den dag, over de drukte in de straten, nu het weldra St. Nicolaas was, tot het halftien sloeg en Mina zeggen kwam, dat het rijtuig voorstond.
--Het is ook mijn uurtje, sprak mevrouw Van Raat, langzaam opstaande, en Eline huppelde neuriënd weg, om haar goed in het boudoir te halen, een bonten rotonde, een wollen doek, een capuchon.
Zij liet zich zorgvuldig inmoffelen door haar lieveling, en pakte voorzichtig haar bril en haar handwerk bijeen in hare réticule. Daarna kuste zij hen allen, zich tot hen buigend met de langzame bewegingen eener vermoeide, oude vrouw en Henk en Paul lieten haar uit en hielpen haar in de mollige, satijnen kussens van den coupé.
Het rijtuig rolde weg, en mevrouw Van Raat hoorde nog een geruisch in haar ooren als van zingende stemmen en zij glimlachte weemoedig, terwijl zij het beslagen glas van het portier afwischte, om naar buiten te zien, waar de sneeuw vuil en bezoedeld neêrlag in den glans der lantarens, en ze dacht aan den tijd, toen ze naar de opera ging, met haar man....
Paul bleef nog een uurtje en stapte toen op, na een stevig glas wijn op zijn duo's gezet te hebben.... Toen hij vertrokken was, ging Eline naar boven, om wat op te redderen, zooals zij aan Betsy zeide. Het was koud in Eline's zitkamer, maar de koelte verfrischte hare wangen en hare handen, verhit door de lauwe atmosfeer van den overwarmen salon. Zij wierp zich neêr op de Perzische kussens, hief heur hand omhoog en streelde het blad der aralia, in een houding, die haar lief was. En zij glimlachte, terwijl haar oogen zich vergrootten in een droomerig gestaar, en dacht aan Fabrice met zijn mooien baard en zijn prachtige stem. Hoe jammer, dat Betsy niet meer van de opera hield! Zij gingen er zeer weinig heen en zij was er toch zoo dol op. Ze zou mevrouw Verstraeten eens netjes, op een discrete wijze, doen blijken, dat zij haar wel eens een enkelen keer kon vragen; meneer ging toch nooit, en mevrouw inviteerde meestal den een of den ander op haar vierde plaats, nu eens Freddy, dan Paul.... waarom haar ook niet?
Eensklaps sprong zij op, geprikkeld door een plotselinge gedachte: Fabrice had gisteravond voor de derde maal gedebuteerd: de eerste maal was hij opgetreden in Hamlet, daarna in le Tribut de Zamora, waarin zij hem gezien had, gisteren in Guillaume Tell....
Zij liep haar kamer uit en boog zich over de leuning der trap.
--Mina, Mina! riep ze.
--Ja juffrouw! antwoordde Mina, die juist in de vestibule liep met een blad vol wijnglazen.
--Breng me de couranten eens, als meneer en mevrouw ze gelezen hebben, wil je?
--Goed juffrouw, dadelijk.
Zij keerde terug en wierp zich weêr op den divan. En ze lachte om zichzelve, daar heur hart klopte van nieuwsgierigheid. Het idée! Wat kon het haar eigenlijk schelen!
Daar hoorde zij Mina de trap opkomen; zij bracht beiden, het Vaderland en het Dagblad.
--Als u blief, juffrouw.
--Dank je wel, Mina, zeide Eline onverschillig en nam de couranten loom aan.
Nauwlijks echter had de meid de deur achter zich gesloten, of zij vouwde kreukend en krakend het Vaderland open, en zocht met tintelende oogen in het Kunst- en Letternieuws, en ze las:
"De Fransche Opera."
"Niemand zal het zeker na Hamlet en Le Tribut de Zamora betwijfeld hebben of de heer Theo Fabrice zou genade vinden in de oogen van de abonné's onzer Fransche Opera, en men kan zich dus alleen verwonderen, dat er zich nog drie stemmen tegen den schitterenden baryton verklaarden. Opnieuw gaf de heer Fabrice, in Tell, bewijs hoe hij ten volle geschikt is om het emploi van Baryton van den Grand Opéra alhier te vervullen, zoodat wij ons van harte in zijn aanneming verheugen kunnen. Aan een forsch en goed geleid orgaan paart de verdienstelijke artist een hartstochtelijke en toch gepaste actie, die van studie getuigt. In het duo met Arnold (1e acte) en het groote trio, in de scène met Jemmy, gaf Fabrice een grootere volmaaktheid dan men meestal op ons tooneel gewend is, te hooren...."
En Eline knikte glimlachend, goedkeurend; het was inderdaad volkomen waar; en zij las het artikel uit, zich verheugend in zijn succes, en zocht vervolgens hoe het Dagblad over hem oordeelde.
Hoofdstuk VII.
I.
De Ferelijns bewoonden in de Hugo de Grootstraat boven een kruidenier een klein appartement, een suite met een keuken en een kabinetje op de eerste, en twee kamers met twee kabinetjes op de tweede verdieping. Zij leefden daar in een drukkende bekrompenheid, een benauwde zuinigheid; Frans was door zijn ouders weinig nagelaten geworden en moest dus met vrouw en kinderen leven van zijn klein verlofstractement. Zij hadden zich in Den Haag gevestigd, in de stad, waar zij beiden, van hun kindsheid af, hadden gewoond, waar zij elkaâr hadden leeren kennen, waar zij hun vrienden en hun meeste souvenirs dachten terug te zullen vinden, hoewel Frans er wel eens over sprak, dat zij verstandiger zouden handelen zich in een kleinere stad te vestigen. Maar ook Jeanne's vader, de heer Van Tholen, gepensionneerd rezident, woonde nog in Den Haag, zeer eenzaam, wegens zijn moeilijk karakter weinig meer gezocht door oude vrienden en bekenden, en langzamerhand verlaten door zijn kinderen, die huwden of eene betrekking zochten. Daarom had Jeanne haar man ook overgehaald, niettegenstaande hun kleine beurs, in Den Haag te blijven. Zij zou zuinig zijn, beloofde zij, en zij hield woord, weinig spaarzaam van aard, maar nu gedwongen te zien op iederen cent, dien ze uitgaf.
Zoo bleven zij in Den Haag, trots vele teleurstellingen, Jeanne vond heur vader in de vier jaren, waarin zij elkaâr niet gezien hadden, oud geworden, ontevredener en prikkelbaarder, dan zij hem zich vroeger herinnerde. De tijden van vroeger waren voorbij, dacht zij; de vroolijke jeugd in de ouderlijke zonnige woning, met haar moeder en haar broers en zusters; haar onschuldige guitenstreken met vriendinnetjes van school; haar meisjesdroomen onder de seringen en jasmijnen van hun tuin; haar engagementstijd, vol idealistische hersenschimmen, met Frans. De souvenirs, die zij in Holland meende terug te vinden, waren wijd en zijd verspreid, als verdorrende bladeren, en hoe zij in Indië's hitte ook heimwee had gehad naar de vocht en den mist van het vaderland, nu, gebukt onder haar teleurstellingen, gebukt onder haar gedwongen zuinigheid, verlangde zij weder naar dat materieel kommerlooze buitenleven, dat zij in de Kadoe, tusschen haar koe en haar kippen, genoten had. En toch, dapper trots haar zwakte, hield zij den kamp met de duizende kleine beslommeringen van het dagelijksche leven vol. Dokter Reijer kwam hare Dora steeds om den anderen dag bezoeken, maar ze meende in den gezochten, jongen dokter een zenuwachtige haast te bespeuren, die hem zijne visite als bij seconden deed aftellen. Hij bleef even, luisterde aan Dora's borstje, zeide geruststellend, dat haar hoest losser werd, drukte Jeanne nog eens op het hart, het kind niet uit te laten gaan en vertrok in zijn coupé, terwijl hij met een gouden potlood in zijn boekje noteerde en de namen zijner drukke clientèle nazag. Frans zelven had hij, om zijn zware hoofdpijnen en zijn koortsen, een consult aangeraden met een professor in Utrecht, wien hij over den patiënt reeds lang uitvoerig geschreven had en Frans was naar Utrecht gegaan en teruggekomen, ontevreden over de vage, bedekte wijze, waarop de professor zich had uitgelaten. Zoo dokter Reijer nu Dora bezoeken kwam, ging Frans weg, geërgerd over hem en zijn Utrechtschen professor, die met hun beiden hem nog niet konden genezen, en hij begroef zijne hoofdpijn, die hem in het achterhoofd hamerde en zijne rillende huiveringen, die over zijn rug als sijpelingen van koud water vloeiden, in eene norsche eenzaamheid op zijn eigen kantoortje, het kabinet der eerste verdieping. Iets als eene wroeging omving hem dan wanneer hij Jeanne, alleen, boven met den dokter hoorde praten en Dora met haar zeurig stemmetje hoorde krijten, als het kind tegenstribbelde en zich niet wilde laten onderzoeken, maar toch: hij stond op; alle doktoren waren kwakzalvers, die hem wel veel wijsheid konden vertellen, maar die hem, als hij ziek was, toch niet genezen konden....
II.
Jeanne ging met den dokter, nog pratende, de trap af, en Frans hoorde in zijn kabinet hoe Reijer naar hem vroeg, hoe zij iets antwoordde en de meid riep, om den dokter uit te laten. Daarop kwam zij binnen, terwijl het koetsje weldra op straat wegratelde.
--Stoor ik je? vroeg zij met hare zachte, onderdrukte stem.
--Neen, zeker niet, waarom?
--Waarom ben je niet even boven gekomen, Frans? Reijer heeft tweemaal naar je gevraagd.
Hij haalde de schouders op.
--Het is toch voor niets! sprak hij wrevelig; ze sturen je naar beroemdheden in Leiden en Utrecht, die je een tientje laten betalen voor een praatje van een paar minuten....
--Maar wat wil je dan? Je kan toch niet met een tooverslag genezen van iets, waar je al twee jaren aan souffreert. Ik vind, je bent niet verantwoord, als je niet meer voor je gezondheid doet, dan je in die drie maanden, die wij hier zijn, gedaan hebt. Je bent er toch voor in Europa gekomen, niet waar?
--Zeer zeker, maar ik moet eerst iemand vinden, die meer vertrouwen inboezemt dan Reijer. Reijer is een dokter à la mode, jou door de Van Raats aangeraden, heel beleefd en heel aardig, maar mij te oppervlakkig en te vluchtig. Hij is weg voor je hem gezien hebt.