Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 5

Chapter 54,048 wordsPublic domain

Uit den aard harer droomerig idealistische natuur, hield Eline dol veel van de opera, niet alleen om er zich in haar loome elegance te laten bewonderen, niet alleen om de muziek, en om eener beroemde chanteuse de voordracht van een of ander aria af te hooren, maar ook om de gespannen, zeer romantisch gekleurde intrigues, de eenigszins ruw geschilderde melodramatische peripetieën, vol haat en liefde en wraak, waarvan het conventioneele haar niet hinderde, en waarin zij zelfs geen waarheid zocht. Zij behoefde geen oogenblik te vergeten, dat zij acteurs en actrices, geen ridders en edelvrouwen voor zich zag, dat zij zich in een vollen, verlichten schouwburg bevond, ziende naar geschilderde coulissen en hoorend naar de tonenmassa's van een zichtbaar orkest, en niet met held en heldin medeleefde in de tel quel opgerakelde poëzie van de een of andere mediaevistische periode; zij genoot desniettemin, zoo die acteurs niet te slecht zongen, niet burgerlijk acteerden en er gesoigneerd in hun kostumes uitzagen.

Betsy integendeel ging alleen naar de opera om te zien en zich te laten zien; zij zou Eline's genot, zoo zij hiervan geweten had, kinderachtig hebben gevonden en er de schouders over hebben opgehaald, maar Eline genoot in stilte, omdat zij Betsy's opinie vermoedde, en liet haar zuster dus denken, dat zij eigenlijk geen ander genoegen in den schouwburg smaakte dan, als zij, kennissen te zien en door dezen gezien te worden.

Zij betreurde het nu bij zichzelve zoo laat gekomen te zijn; ze zag Le Tribut de Zamora voor de eerste maal, en ze wist niet den inhoud der twee voorafgaande actes. Emilie was onder den indruk van haar vischpastei en haar getruffeerde poularde stil geworden en zat, als zij, aandachtig te zien.

Het ballet was geëindigd. Ben-Saïd en Xaïma traden van hun troon af, en hij zong na het recitatief:

"Je m'efforce en vain de te plaire!"

de romance:

"O, Xaïma, daigne m'entendre! Mon âme est à toi sans retour!"

De stem van den nieuwen baryton was vol en zwaar, meer die van een basse-chantante, en hij voileerde haar in zijn lied als met een sluier van melancholie.

Maar in zijn weelderig, Moorsch kostuum leek hij groot en zwaar gebouwd; noch aan zijn houding, noch aan zijn mimiek vermocht hij eenigen zweem van verliefde onderdanigheid te schenken, en hij zag de chanteuse-légère, in haar zilverlaken en haar, met paarlen doorvlochten, blonde haren, meer aan met iets dreigends en geweldigs, dan met den deemoed van smeekenden hartstocht.

Eline voelde dit gemis in zijn actie, maar toch behaagde haar het contrast dier uitdrukking van gebiedenden trots in zijn houding, met die andere van deemoedigheid in zijn stem. Zij volgde den zang toon voor toon, en terwijl de actrice bij een plotseling fortissimo van Ben-Saïds koper orgaan scheen te sidderen van angst, vroeg Eline zichzelve af:

--Waarom zou ze toch zoo bang zijn?.... Wat is er gebeurd? Hij ziet er niet kwaad uit.

En zij zag, terwijl men, na de romance, in de handen klapte, de zaal rond, toen haar blik bij toeval op een groep heeren viel, die in de entrée der stalles zich op de trapjes geposteerd hadden. Zij bespeurde, hoe zij juist naar hun loge tuurden, en denkelijk over hen praatten, zoodat zij met haar gracieuze loomheid het hoofd weder een weinig wilde afwenden.... maar tegelijkertijd merkte zij éen onder hen op, die, hoed en stok in de hand, haar met iets hoffelijks en familiaars toelachte.... Zij keek hem even aan, met groote oogen, groette in haar verbazing niet dadelijk terug, maar wendde zich eensklaps om, legde heur hand op Betsy's knie en fluisterde haar zuster toe:

--Zie eens, Betsy, zie eens wie daar staat!

--Waar, wie dan?

--Daar in de stalles.... Vincent.... zie je niet!

--Vincent! herhaalde Betsy, eveneens verbaasd; o ja, Vincent!!

Zij knikten beiden Vincent toe, die haar schertsenderwijze met zijn binocle begon te fixeeren, waarop Eline zich coquet achter haar waaier verborg.

--Wie, wie is dat, wie is Vincent? vroegen Emilie en Georges.

--Vincent Vere, een eigen neef! antwoordde Betsy. O, een dwaze jongen, meestal weet niemand waar hij uithangt; dan zie je hem in geen maanden en dan apparaisseert hij weêr. Ik wist volstrekt niet, dat hij in Den Haag was. Eline, doe toch zoo gek niet met dien waaier.

--Hij hoeft me niet te fixeeren! zeide Eline, en hield zich met een bevallige ronding van den arm den waaier voor het gelaat.

--Sedert wanneer heeft u uw neef gezien, mevrouw? vroeg Georges.

--O, zeker niet in anderhalf jaar. Ik geloof, dat hij, toen we hem het laatst spraken, naar Londen zou gaan, waar hij iets gevonden had, als reporter bij een courant, geloof ik, of iets dergelijks. Verbeeld je, ze zeggen, dat hij een tijdlang in het Vreemden-Legioen in Algiers is geweest, maar dat geloof ik nooit.... Hij heeft van alles gedaan, en bezit nooit een sou....

--Ja, nu herinner ik me hem, ik heb hem vroeger wel eens gezien, zeide Emilie gapend. Een raar individu.

--Ja, dat wel, maar hij weet, dat hij zich hier in Den Haag, waar hij familie heeft, een beetje moet inhouden, en dat doet hij: we tolereeren hem dus.

--Ach ja, merkte Emilie filozofisch op; je hebt meestal zoo een vuns lid in de familie.

Eline choqueerde zich lachend om haar studentikoze uitdrukking en plooide eindelijk langzaam de roze struisveeren van haar waaier in.

XI.

De derde acte verliep, zonder dat zij veel begreep van de scène met Manoël, maar uit het groote duo van Hermosa en Xaïma ving zij een draad op; de herkenning van moeder en dochter na het gebisseerde:

"Debout, enfants de l'Ibèrie!"

en het scherm viel onder een daverend applaus, dat de beide actrices driemaal voor het voetlicht, waar een paar bouqetten en een corbeille haar overhandigd werden, terugriep.

--Ach toe, meneer De Woude, vertel me eens, waar komt toch de intrigue eigenlijk op aan. Je n'y vois pas encore clair! vroeg Eline nu terwijl zij zich een weinig tot Georges wendde.

Betsy sloeg echter voor, een oogenblik in den foyer te gaan en zij stonden op en verlieten hunne loge. In den foyer, op de ottomane gezeten, verhaalde Georges het verloop van de handeling der opera, terwijl Eline met meer aandacht dan zij wilde laten blijken, luisterde. Zij wist nu, waarom Xaïma huiverde voor Ben-Saïd en zij had gaarne de loting der jonkvrouwen in de eerste, den verkoop van Xaïma als slavin in de tweede acte gezien.

Eensklaps merkten zij Vincent op, die de trappen van den foyer af en naar hen toekwam, eenvoudig en vrijmoedig, als had hij zijn nichten nog pas den dag te voren gezien.

--Zoo Vincent, ben je weêr uit de lucht komen vallen? riep Eline.

--Dag Eline! Dag Betsy! Gecharmeerd je weêr eens te zien. Freule Van Berg en Woude, zoo ik me goed herinner?

Hij drukte haar beiden de hand.

--Zoo ongeveer. Ik bewonder uw geheugen, ik was u vergeten, antwoordde Emilie.

--Meneer De Woude Van Bergh, meneer Vere, prezenteerde Betsy.

--Zeer aangenaam. En hoe gaat het, goed?

--Totnogtoe een weinig verbaasd! lachte Eline. Je komt zeker om morgen weêr te vertrekken, naar Petersburg of Constantinopel, niet?

Hij zag haar glimlachend aan met zijn fletse blauwe oogen, als van verkleurd porselein achter hun lorgnet. Zijn gelaat had schoone, regelmatige trekken, bijna te schoon voor een man, met den fijnen rechten neus, den kleinen mond, waarom vaak iets spotzieks of minachtends speelde, overdonst door het dunne, blonde snorretje; maar een ongezonde, geelbleeke tint, en een vermoeide uitdrukking vaagde de grootste bevalligheid ervan weg. Zeer slank en fijn gebouwd, was hij in een donker, half gekleed kostuum, en opvallend waren zijn smalle voeten en zijn slanke hand, met dunne, witte vingers, een hand als van een artist, waarvan de fijnheid Eline steeds aan die haars vaders deed denken.

Hij zette zich bij hen neder, en vertelde, op Eline's vraag, met een matte stem, hoe hij juist in Den Haag was gekomen, voor bezigheden. Het laatste was hij geweest te Malaga, in een wijnzaak; vóór dien tijd in een assurantiemaatschappij te Brussel; daarvóór, in een rijk oogenblik, als compagnon in een tapijtenfabriek te Smyrna, die failliet was gegaan. Niets vlotte; nu verveelde hem dat gereis en getrek; hij had genoeg blijk van energie gegeven, maar het noodlot was hem tegen; alles waarin hij zich moeide scheen hem ongeluk aan te brengen; wellicht zou hij echter bij een kinaonderneming op Java een betrekking kunnen krijgen, maar hij moest eerst juiste inlichtingen inwinnen. Morgen in den ochtend hoopte hij bij Van Raat te komen, dien hij spreken moest. Betsy vroeg daarop, of hij dan kwam koffiedrinken, daar Van Raat 's morgens nooit thuis was, wel 's middags. Hij nam dit gaarne aan en praatte vervolgens over de opera.

--Fabrice, o, dat is de baryton, niet waar? Ja, een mooie stem maar een leelijke, dikke baas.

--Vindt u? Neen, ik vindt, dat hij op het tooneel nogal een goed figuur maakt! meende Emilie.

--Kom, freule, dat meent u niet....

Emilie bleef bij haar opinie en Eline lachte om hun verschil van meening. Het belletje waarschuwde echter, dat de vierde acte begon en Vincent nam afscheid, ofschoon Georges hem beleefd zijn plaats in de loge wilde afstaan.

--O, dank u, zeer verplicht; ik wil u niet van uw plaats berooven, ik sta in de stalles heel goed. Dus dan tot morgen, nietwaar? Adieu Betsy, Eline.... au plaisir freule.... zeer aangenaam geweest, meneer De Woude.

Hij boog, drukte Georges de hand en verwijderde zich langzaam, lichtjes met zijn dunnen rotting zwaaiend.

--Het is een vreemde jongen! zeide Eline en schudde het hoofd.

--Ik ben altijd bang, dat hij ons nog eens compromitteeren zal! fluisterde Betsy Emilie in het oor; maar, zooals ik zeide, totnogtoe heeft hij zich nogal fatsoenlijk gedragen. En daarbij, ik ben lief tegen hem, om hem te vriend te houden; ik heb een soort vrees voor hem, men kan nooit weten....

--Ik kan niet zeggen, dat hij een charme van me is! sprak Emilie en zij stonden op, om zich naar hun plaatsen te begeven.

--Kom, Emmy, dat zeg je nu maar, omdat hij Fabrice niet mooi vond! plaagde Georges.

Emilie haalde de schouders op en zij gingen door den couloir.

--O, er is dus geen vijfde acte! Ik dacht, dat er vijf actes waren! zeide Eline, bijna teleurgesteld, tot De Woude, die haar het slot der opera verhaalde, snel, met een enkel woord.

XII.

In de vierde acte, in de door maanlicht beschenen tuinen van Ben-Saïd, hoorde Eline vol belangstelling naar Manoëls cavatine, zijn duet met Xaïma en hun beider trio met Hermosa, maar haar aandacht steeg, toen de Moorsche vorst in de poort van zijn paleis verscheen, den krijgslieden beval Manoël weg te voeren, en Xaïma, na zijn, tevergeefs smeekende klacht, in plotseling woedenden hartstocht voortsleepte.... Het einde der opera: Ben-Saïd vermoord door de moeder, die haar dochter redden wil, greep haar meer aan, dan zij zou hebben willen bekennen. In zijn scènes met de beide vrouwen speelde de nieuwe baryton met een vuur en een kracht, die het melodrama als een gloed van romantische waarheid bijzette, en toen hij getroffen op de trappen van het paviljoen neêrzeeg, hief Eline haar binocle op, om zijn donker gekleurd gelaat met den zwarten baard en de geloken oogen even te beschouwen....

Het scherm viel, maar de vier acteurs werden teruggeroepen en Eline zag hem weder, buigende met een koelen, onverschilligen trek, die afstak bij de glimlachjes van den tenor, de forte-chanteuse en de chanteuse-légère.

Het publiek rees op, de deuren der loges openden zich...

Georges hielp zijn dames met haar sorties en zij gingen den couloir door, de trappen af, om achter de glazen deuren te wachten, tot hun rijtuig werd aangediend, door den afroeper met de hand aan den mond:

--Van Raa....aat!....

--Ik geloof toch niet, dat de Tribut een van Gounods beste opera's is, is het niet, Eline? vroeg Emilie in het rijtuig. Niet te vergelijken met Faust of Romeo et Juliette.

--Ik geloof het ook niet, antwoordde Eline voorzichtig, om haar bewogen gemoedsstemming niet te doen blijken: maar men kan zoo moeilijk over muziek oordeelen, wanneer men die voor het eerst hoort. Een paar lieve melodieën hebben mij wel gefrappeerd. En daarbij, we hebben maar de helft gezien.

--Voor een paar actes te gaan, vind ik wel aardig, maar eene geheele opera te moeten hooren, verveelt me, dat wil ik wel bekennen, zeide Betsy gapend.

En Georges neuriede:

"Debout, enfants de l'Ibérie!"

De De Woudes werden eerst thuisgebracht op het Noordeinde en Betsy en Eline reden vervolgens, mollig gedoken in het gebrocheerd satijn van den landauer, naar het Nassauplein terug. Zij spraken nog even over Vincent en toen zwegen zij beiden, en Eline dacht in een dwalende mijmering aan de wals van Mireille, aan haar twist met Betsy over Grete, aan de groep der Vijf Zinnen, aan Mevrouw Van Raat en De Woude, aan heur roze japon en Ben Saïd.

Hoofdstuk V.

I.

Er was ongeveer een week verloopen na de tableaux-vivants, toen Lili Verstraeten zich des middags in den kleinen salon neêrzette, daar waar ze waren vertoond geworden. Het vertrek had sinds lang weêr zijn gewoon aanzien hernomen, en in het open haardje vlamde een vroolijk vuur. Buiten was het koud; er woei een gure wind, en het dreigde te zullen regenen. Marie was met Frédérique van Erlevoort commissies gaan doen, maar Lili had verkozen thuis te blijven en vlijde zich nu behagelijk in een ouderwetschen, ruimen fauteuil, bedekt met oud tapisseriewerk, een gezelligen stoel, die haar lief was. Zij had Victor Hugo's Notre Dame de Paris medegenomen, maar zij wilde zich niet dwingen tot lezen, zoo zij er nog geen genoegen in nam, en zij liet haar boek, in rood leêr gebonden, verguld op sneê, dus ongeopend in haar schoot liggen. Hoe heerlijk niets te doen dan een beetje te droomen, en hoe dom van Marie en Freddy, uit te gaan in dat vreeselijke weêr! Haar kon het niet schelen, het weêr; buiten mocht het waaien en stortregenen, binnen was het heerlijk; de wolken temperden het licht, de laag gedrapeerde meubelgordijnen lieten het slechts zeer bescheiden doorglijden.... Dien had zij weggestuurd, toen die ze wilde wegtrekken naar terzijde. Papa zat te lezen in de serre, daar, waar het meeste licht viel; ze kon juist zijn lieven, grijzen kop zien, en zij bespiedde, hoe gauw hij de blaadjes omsloeg; hij las werkelijk niet zooals zij, die haar boek had medegenomen om zich een houding te geven. Zij verveelde zich nooit, al deed zij niets; integendeel, zij genoot dan van haar dwalende gedachten: rozeblâren, als voortgeblazen door een lichte koelte; zeepbellen, broos en kleurig, die zij behagelijk zag omhoog stijgen, en de rozeblâren woeien weg, de zeepbellen spatteden uiteen, maar ze verlangde haar rozeblad geen klimop te zijn, dat zich in haren geest vastrankte, en haar zeepbel geen ballon captif! Mama was nog boven, steeds zeer bedrijvig; ach, zij kon mama toch geen werk uit de handen nemen; die wilde toch alles zelve doen, al deed Marie ook zoo een beetje het huishouden. Ze hoopte, dat er geen visite zou komen; heerlijk, heerlijk alleen te rêvasseeren! Hoe aardig, zoo een vlam te zien krullen om een verkoold houtblok; de haard was net een hel, in miniatuur, de turven waren rotsen, en daartusschen groeven zich afgronden, louter vuur en gloed, iets van Dante! De vervloekten dwaalden rond over de rotsen en zagen met ontzetting in den vlammengloed, brrr.... En glimlachend tegen haar eigen fantazie wendde zij de oogen af, een weinig verblind door het staren in die hel.... Nog geen week geleden, hadden zij, ginds op die plek, gepozeerd voor hun opgetogen kennissen! Wat zag er toen alles geheel anders uit! Nu waren de achtergronden, de lieren, het kruis, al de rommeldebommel geborgen op den zolder. Dien had de kostumes netjes opgevouwen in koffers bewaard. Het was toch een gezellige tijd geweest, ook de beraadslagingen met Paul en Etienne over de onderwerpen en de kostumes; de repetities, waar Paul iedere poze moest voordoen! Wat hadden zij dikwijls geschaterd, wat een moeite zich ook getroost voor enkele minuten....

Papa las maar ijverig door, en zij telde; eens na vijf-en-twintig, toen na dertig tellen sloeg hij het blaadje om; wat repte hij zich! Hè, wat kletterde de regen, en wat stroomde de goot! Freddy en Marie waren voor haar pleizier uit.... heerlijk zich veilig te voelen, als een poesje, voor die nattigheid.... En haar voeten nestelden zich in de wol van de zwarte schapenvacht voor den haard; haar blond hoofd drukte zich dieper in het tapisseriewerk van den ouden stoel.

Freddy ging dien avond naar een bal. Hoe was het mogelijk, dat zij er tegen kon, bijna iederen avond uit te gaan! O, zij, Lili, hield er ook dol van, een prettig bal, een amuzant soiréetje, maar ze bleef ook heel gaarne thuis: ze las of ze werkte of ze.... deed niets, maar verveling kende ze niet, en haar leventje.... het was net een kalm beekje, ze was zoo geheel en al tevreden bij haar engelen van ouders; ze wenschte maar dat het altijd zoo zou blijven; het kon haar niets schelen een oude jongejuffrouw te worden.... Quasimodo, Esmeralda, Phoebus de Châteaupers; ach, had ze maar liever Longfellow medegebracht; ze had niets geen verlangen naar de Cour des Miracles, maar wel naar Evangeline en The Golden Legend:

My life is little, Only a cup of water, But pure and limpid....

Wat werd ze poëtisch gestemd! Ze lachte in zichzelve om zichzelve en keek naar buiten in den tuin, waar de druipende, dorre takken als in wanhoop geschud werden door den wind.

Daar werd gebeld en.... zij hoorde stappen en gelach in de gang, en een aanhoudend geveeg van voeten op de mat. Freddy en Marie kwamen thuis, maar zij gingen denkelijk naar boven; neen.... zij traden binnen, steeds lachend, ontdaan van hunne druipnatte regenmantels en beslikte overschoenen, en met zich een geur van wind en vochtigheid in de warmte der kamer voerend.

--Heb je ooit! riep Marie uit; de freule zit bij het vuurtje zich te warmen. Wel zeker, waarom niet!

--Wil de freule ook een kussentje in het rugje? spotte Freddy.

--Lach maar toe! murmelde Lili glimlachend en nestelde zich dieper in den stoel; ik zit hier heerlijk en heb geen koude, natte voeten. Bagger maar alleen in de vuiligheid, hoor!....

Freddy ging den heer Verstraeten even groeten, en Marie beweerde een hartversterking noodig te hebben, en zou thee zetten.

Daarop zetten de meisjes zich bij elkander neder en Lili wilde ook gaarne een kopje, heur afternoon-tea, al had ze niet gebaggerd in de vuiligheid.

--Wat is het hier donker, Lili, hoe heb je hier kunnen zitten lezen! Het is om je oogen te bederven! riep Marie.

--Ik heb ook niet gelezen, antwoordde Lili, genietende in haar dolce-far-niente.

--De freule heeft zitten peinzen! spotte Freddy weêr.

--Heerlijk! sprak Lili, glimlachend haar oogen luikend. Zoo totaal niets te doen.... alleen te rêvasseeren.

En zij schaterden het alle drie uit over de bekentenis van die schaamtelooze luiheid, toen mevrouw Verstraeten beneden kwam, zoekende naar het sleutelmandje, dat Marie verzuimd had in haar kamer te brengen, en zij vond ze, alle drie lachende over heur kopje, de sleutelmand naast de banketschaal.

Frédérique vertelde daarop, dat zij gauw weg moest; zij was dien avond gevraagd op de soirée-dansante bij de Eekhofs, en zij moest nog het een en ander voor haar toilet nazien, en mevrouw vond Lili veel verstandiger dan Freddy en Marie, die commissies gingen doen in hondenweêr.

II.

Er werd weder gebeld.

Het was Paul, die nog meer dan de meisjes dien geur van wind en vocht medebracht, en die weêr naar buiten werd gestuurd, om beter zijn voeten af te vegen.

--Wat een weêr! zuchtte hij en deed zich eindelijk na al die pourparlers neêrvallen in een fauteuil.

Mevrouw liet de jongelui alleen en zette zich in de serre bij heur man, maar deze, hoorende dat Paul er was, begaf zich naar de achterkamer.

--Dag oom.

--Zoo, dag Paul, hoe gaat het.... Ook goed met mama?

--O, het schikt nog al, oom, mama is heel wel; zooeven zat ze druk te lezen in een boek, dat Eline haar gestuurd had....

--En hoe is het er meê, heb je al een visite bij Hovel gemaakt?

--Neen oom, nog niet!

--Maar doe dat dan. Laat er niet al te veel gras over groeien, Hovel verlangt kennis met je te maken....

--Paul, je hebt nu al vier dagen geleden gezegd, dat je naar Hovel zou gaan! riep Marie uit. Hoe is het mogelijk, dat je daar zoo lang over moet denken. Het is, of het een reis is!

--Ik was van plan er morgen heen te gaan.

--Ga dan ook morgen, om halfzeven; na den eten vindt je hem altijd thuis en is hij te spreken. Ik zou dat nu zoo maar vaststellen! zeide oom Verstraeten, en er glom iets ontevredens in zijn anders zoo vroolijke, donkerbruine oogen, toen hij naar de serre terugging, gauwer dan hij anders zou gedaan hebben.

--Paultje, Paultje! zeide Frédérique, haar hoofd schuddend: hoe kan je zoo lui zijn, nog luier dan Lili.

--Ach, het is immers morgen tijds genoeg, bromde Paul terug, en dronk zijn kopje uit.

--Ja maar lui ben je! voer Marie hem tegen, onbevreesd voor een booze bui. En om er oprecht over te spreken, we vinden dat allesbehalve goed....

--Wel zeker, ga me nu maar eens de les lezen, oude grootmama.

--Oude grootmama, of geen oude grootmama, ik zeg je precies mijn opinie.... En zie je, ik vind het jammer, dat je zoo bent, want je zou veel meer kunnen presteeren, als je wat meer energie hadt. Let op mijn woorden, als je je niet een beetje betert, wordt je net als Henk.... een uitstekend goede, beste, brave jongen, maar een doeniet. Je weet, ik dweep volstrekt niet met Betsy, maar ik kan me begrijpen, dat je broêrtje haar soms gruwelijk moet vervelen, met zoo een heelen dag niets doen.

--Zeg nu niets van Henk; Henk is een goede, beste vent! riep Frédérique.

--En daarbij, voer Marie voort; je hebt meer capaciteiten dan Henk; daarom vind ik die luiheid en dat gebrek aan energie dubbel onuitstaanbaar in je....

--Ach, Marie, zeide Lili opstaande; zit nu niet zoo uit te varen tegen Paul.... poor boy! Ga jij morgen naar Hovel, hoor! fluisterde zij hem in; dan is alles weêr in orde....

Hij lachte haar toe, en beloofde zich te zullen beteren onder het voogdijschap van haar drieën.

--Het schijnt, of ik onder curateele van mijn nichtjes en van freule Van Erlevoort sta! zeide hij vroolijk. Mag het kleine jongetje nu nog een kopje thee?

III.

De stortregen had opgehouden, maar de wind schudde nog steeds de druppelende takken.

Het was over halfvijf, toen er opnieuw gebeld werd.

--Over halfvijf! riep Frédérique uit. Ik moet weg, ik had al lang weg moeten gaan, om strikken op mijn japon te zetten.... O, ik zal adorable zijn van avond, geheel en flot de tulle! Waar zijn mijn pakjes, Marie?

--Er is gebeld, zou daar visite zijn? vroeg Lili. Frédérique wachtte even, daar zij in de vestibule haren regenmantel moest aantrekken, en Dien kwam binnen om te vragen, of er belet was voor meneer De Woude Van Bergh.

--Ik denk van niet, Dien, vraag maar even in de serre.

--O, die onuitstaanbare jongen! riep Lili. Dat pedante être!

--Ach, hij is zoo kwaad niet, meende Paul; en volstrekt niet pedant.

--Nu maar, ik maak de deur dicht, ik wensch hem niet te zien! hervatte zij en zij wilde de porte-brisée dichtschuiven, toen Dien terugging met de boodschap, of meneer zoo goed zou willen zijn binnen te komen.

--Kom Lili, wees nu niet zoo dwaas, kom nu meê! drong Marie aan.

--Dank je, ga maar alleen; sprak zij en schoof de beide deuren dicht, juist toen De Woude in den salon binnentrad, waar hij door Marie ontvangen en in de serre geleid werd.

Paul en Frédérique lachten, en namen afscheid van Lili; zij gingen alle drie door de eetkamer naar de vestibule.

--Adieu, groet oom en tante van mij, en zeg oom dat ik bepaald naar Hovel zal gaan, morgen na den eten! zeide Paul.

--Doe ook mijn complimenten, en zeg, dat ik waarlijk weg moest! sprak Freddy.

--Goed, adieu, amuzeer je van avond, en flot de tulle! Brr, wat is het hier koud in de gang!