Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 45
--Koud? herhaalde zij met een blik als van eene somnambule. Ja, nu voel ik het ook. Ik ril... maar ik heb hier geslapen.
--Kom meê naar beneden, we gaan gauw eten. Betsy zei, dat je bleef, niet waar?
--Ja. O, Henk, hoe vreeselijk, dat ik zoo even geslapen heb.
--Vreeselijk? Waarom?
--Nu slaap ik van nacht niet! kreet zij wanhopig en zij wierp heur hoofd op zijn schouder en snikte.
--Waarom kom je niet weêr bij ons terug, Elly? vroeg hij zacht. Je zou het zoo goed bij ons hebben.
--Neen, neen, dat niet.
--Waarom niet?
--Het zou niet gaan. Ik ben er zeker van. Het is heel lief, Henk, dat je het vraagt, maar het zou niet gaan. Ik heb soms buien, waarin ik Betsy zou kunnen slaan, en die buien komen juist op, als ze lief tegen me spreekt, zooals van middag bijvoorbeeld. Ik moest me geweld aandoen om haar niet te slaan.
Hij zuchtte, met een wanhopig gezicht. Zij bleef hem een raadsel.
--Laten we dan maar naar beneden gaan! sprak hij en terwijl zij de trappen afgingen, hing zij zwaar op zijn arm, sidderend van de kou, die haar bevangen had en die zij nu eerst voelde.
V.
De winter ging om en Eline bleef in denzelfden toestand. Het was nu Mei geworden en schoon het nog een week geleden winter was geweest viel de zomer in het midden van die maand als zonder overgang in, met een schroeiende warmte. Eline bleef verpletterd op haar bank liggen.
--Zou het u niet goed doen, als u van den zomer veel buiten was? vroeg Reijer. Ik meen niet reizen van de eene plaats naar de andere: dat zou u te veel vermoeien. Maar ik meen een séjour ergens op een koele, schaduwrijke plaats, waar u een lieve entourage zou vinden.
Zij dacht aan de Horze. O, als zij Otto's vrouw was geworden! Dan had zij nu koelte, schaduw, liefde gehad!
--Ik weet niet zoo een plaats! antwoordde zij mat.
--Misschien zou ik wel wat voor u kunnen vinden. Ik ken in Gelderland menschen, die een klein buitentje hebben met heerlijke dennebosschen in den omtrek!
--In Godsnaam! gilde Eline hartstochtelijk. Geen dennebosschen!
--Het buitenleven zou u toch versterken.
--Het is onmogelijk mij te versterken. Ik bid u, meneer Reijer, laat u me maar liggen waar ik lig.
--Slaapt u beter tegenwoordig?
--O ja, heel goed.
Het was niet waar, zij sliep des nachts nooit, en overdag dommelde zij een weinig. De druppels hielpen niet meer, maar brachten haar slechts in eene voortdurende suizende extaze, een waanzin vol levensmoêheid en doodsangst, waarin zij als een actrice comedie speelde of zich kermend over den grond slierde.
Reijer zag haar doordringend aan.
--Juffrouw Vere, ik bid u, zeg mij eens eerlijk: neemt u ook geneesmiddelen in, die ik u niet heb voorgeschreven?
--Hoe komt u daarop?
--Antwoord mij nu eerlijk, juffrouw Vere.
--Wel neen! Hoe kan u zoo iets van mij denken! Ik zou er veel te bang voor zijn! Neen, neen, daar kan u geheel en al gerust over zijn, geheel en al...
Reijer vertrok, en in zijn koetsje vergat hij een pooze zijn notitieboekje na te zien, en dacht hij even na over juffrouw Vere. Toen slaakte hij een moedeloozen zucht.
Nauwelijks was hij weg of zij stond op, hoewel zij versmolt van loomheid in de warmte, die, als een muffe lauwte, de kamer vulde, al stonden het raam en de balcondeur open. Zij droeg alleen een lossen, grijzen peignoir, die zonder eenige behaagzucht om hare vermagerde leden hing. Voor den spiegel streek zij door heur los haar; het was zeer dun geworden en zij lachte er om, terwijl de ijle vlokken over haar vingers vielen. Toen wierp zij zich op den grond neêr.
--Ik wil niet! stamelde zij bij zichzelve. Ik wil hem niet meer zien, dien Reijer. Hij maakt me nog zieker dan ik ben. Ik kan hem niet meer uitstaan. Ik zal hem schrijven.
Zij gevoelde echter niet genoeg geestkracht om het te doen en zij bleef liggen en hare vingers trokken lijnen langs de bloemen van het tapijt. Zachtjes begon zij te neuriën.
De zon wierp door de deur een vierkante gulden schittering op den vloer en duizenden stofjes stroomden in dien glans binnen. De glans hinderde Eline en zij kroop achteruit.
--O, die zon! fluisterde zij onhoorbaar, met vreemde, groote doffe oogen. Ik haat die zon. Ik wil regen en wind, kouden regen en kouden wind, regen, die over je borst sijpelt door een gedecolleteerde japon van zwarte tulle.
Zij stond in eens op en wrong haar handen op heur borst, als hield ze een mantel, die openwoei, vast.
--Jeanne! Jeanne! begon zij te ijlen. Ik bid je, neem me bij je. Ik ben van Betsy weggeloopen, want ze is zoo akelig voor me, weet je, en ze heeft van avond aan het diner bij Hovel allerlei hatelijke dingen over Vincent gezegd! En je weet, dat ik Vincent lief heb. Om hem heb ik mijn engagement afgemaakt, mijn engagement met St. Clare. O, hij verveelde me zoo, altijd kalm, kalm, kalm. Ik, ik word dol onder die kalmte! Maar heusch, Henk, ik zal Lawrence vergiffenis vragen, maar je moet me niet slaan, Henk. O, Lawrence, ik smeek je, ik hou zoo veel van je, wees niet boos op me, Lawrence, Lawrence! Zie maar, of ik niet van je hou. Hier is je portret, dat draag ik altijd op mijn borst.
Zij was neêrgeknield bij de bank en hief haar gelaat op, als zag zij iemand. Eensklaps schrikte zij en richtte zich haastig, huiverend, omhoog.
--O God, daar begint het weêr! dacht ze, zichzelve opnieuw bewust.
Er scheen een strijd in haar hersenen, een strijd tusschen haar onmachtig verstand en haren, zich steeds uitbreidenden waanzin. Onzeker greep zij een boek, dat op tafel lag en sloeg het open, om zich te dwingen verstandig te zijn, te lezen. Het was de partiture van Le Tribut de Zamora, die zij zich eertijds had aangeschaft tijdens heuren hartstocht voor Fabrice.
Ze dorst niet kijken, vreezende haar krankzinnigheid als belichaamd voor zich te zien. Zij dorst zich niet bewegen, ontzet voor zichzelve, en zij had gaarne haar twijfelend verstand gered, door, als het het ware, buiten zichzelve te gaan. En de glans van de zon vulde al meer en meer het ruime vertrek, gloeide over het satijn der gordijnen en kaatste zich terug in het porcelein van Japansche vazen en het gepolijst koper van ornamenten.
Zachtjes aan begon zij iets te zingen, onwillekeurig, met haar heesche stem, schor van een eindeloozen hoest. Maar er werd geklopt.
--Wie is daar? vroeg ze angstig. Ze was zeer verschrikt.
--Ik, juffrouw! riep een stem. Om het déjeuner klaar te zetten.
--Dank je, Sofie, ik heb geen honger. Ik mag niet veel eten, zei de dokter.
--Wilt u dan niets hebben, juffrouw?
--Neen dank je, dank je.
--U zal dan wel bellen, als u iets verlangt, niet waar?
--Ja, ja.
Zij hoorde de meid de trappen afgaan: zij hoorde borden en glazen licht rinkelen op het blad, dat zij weder meênam. Eline zag de rol van Xaïma verder in, en zij hief het hoofd hoogmoedig op en maakte een edel gebaar met de hand, terwijl zij kuchend zong.
Er werd nogmaals geklopt.
--Ach! wat moet dat toch? riep Eline, opnieuw verschrikt en geërgerd.
--Mag ik even binnenkomen, juffrouw Vere? vroeg een tweede stem, vriendelijk en een weinig deftig.
Eline bedacht zich even, sloot de partiture en vlijde zich met kwijnende oogen in de kussens van den divan.
--Zeker, mevrouw! riep ze vleiend.
De deur ging open: een groote dame, een weinig zwaar, in het zwart, trad binnen. Het was de eigenaresse van het pension.
--Ik kom even zien, hoe u het maakt! sprak zij beleefd en vriendelijk. Voelt u u niet wel?
--O neen! kreunde Eline en zij sloot de oogen. Ik ben zoo zwak.
Zij gevoelde zich in dit oogenblik integendeel vol van een overspannen, zenuwachtige kracht, die zij zingend wilde uiten, maar zij zeide, voor het gemak, steeds, dat ze zwak was, zoo men haar naar heure gezondheid vroeg.
--Wil u niets eten?
--Dokter Reijer zei.... begon Eline.
De dame schudde het hoofd.
--Foei, juffrouw Vere, u mag me zoo niet voor den gek houden. Dokter Reijer zei me juist, dat het zeer goed was als u bouillon dronk.
--O, mevrouw, ik word misselijk van uw bouillon!
--Maar u moet toch iets gebruiken!
--Ik verzeker u, ik voel me te ziek om te eten.
--Mag ik dan een goed diner voor u klaar maken? Wat wil u van middag?
--Wat u wilt: laat u maar iets maken. Van middag zal ik wel honger hebben. Maar mevrouw, ik wil u iets zeggen. Laat van middag niemand bij me komen, zelfs niet mijn zuster. Ik voel me zoo diep ellendig. U weet niet, hoe ellendig ik me voel.
--Heeft u iets noodig, kan ik iets voor u doen?
--U is heel vriendelijk, maar heusch, ik heb niets noodig. Of ja toch, toe laat u wat ijs voor me halen. Ik heb zoo een dorst.
--Een caraffe frappée?
--Liefst een stukje ijs.
--Heeft u koorts?
--Neen, maar ik hoû er van stukjes in mijn mond te nemen. En denkt u er om dat ik niemand kan ontvangen?
--Goed. Ik zal dadelijk voor het ijs zorgen. Maar ik mag zeker de stores wel neêrlaten? U heeft niets geen medelijden voor mijn meubels, juffrouw Vere.
De dame liet de stores neêr en vertrok. Eline richtte zich dadelijk op uit hare kwijnende houding en zij glimlachte en smakte met de tong bij de gedachte aan de frissche koude van het ijs, dat zij zou krijgen. Intusschen nam zij werktuigelijk de partiture weder op, en verbeeldde zij zich, dat zij Xaïma was.
Zij stond hoog opgericht als een vorstin en wees op een gedroomden afgrond aan heur voeten. Terwijl zij meende, dat Ben-Saïd antwoordde, bleef zij een pooze aldus onbewegelijk, daarna hervatte zij haar rol en neuriede zij voort. Maar het kriebelde haar in de keel, zij schrapte, zij kuchte herhaaldelijk en ten laatste begon zij zoo hevig te hoesten, dat zij de partiture neêrlegde, en zitten ging, de handen geperst op heur benauwden boezem.
Waarom doe ik zoo dol? dacht ze. Kom, ik wil nu verstandig zijn.
Maar het woelde in hare hersens voort. Stroomen van, zich verwarrende, herinneringen overgolfden haar en verdronken heure gedachte. Hare oogen dwaalden met een koortsachtigen, zonderlingen blik om haar heen.
--Ik wil nu verstandiger zijn! dacht ze telkens en dit voornemen werd als een wiel, dat in haar brein omwentelde. Ik wil nu verstandiger zijn!
Haar hoofd werd loodzwaar, en zij gevoelde in plaats Van heure theatrale opwinding die dofheid, waar ze zoo voor vreesde. Zij had in die dofheid slechts éen verlangen: St. Clare. Zoo hij hier ware geweest, had hij haar opgebeurd en had zij verstandig kunnen zijn. En plotseling heugde haar hun laatste gesprek, te Brussel. Over vijf maanden, hadden zij beiden gezegd. Het was toen Januari geweest, nu was het Mei. Met den zomer zou hij terugkomen, en zij had slechts éen woord te zeggen om gelukkig te wezen. Dat denkbeeld was zoo verleidelijk, dat zij zich reeds voornam hem te schrijven--zij wist hun adres door brieven van Vincent--o, enkele woorden slechts, maar die hem aanstonds zouden doen overkomen! Een zacht verschiet opende zich voor haar blik en zij werd zeer kalm, zeer gelukkig. Maar door die kalmte geheel tot zichzelve gebracht kon hare illuzie niet lang duren en zij schudde weemoedig het hoofd. St. Clare had haar lief uit medelijden, uit een behoefte om te troosten waar geleden werd, en zou hij haar ook oogenblikken van geluk kunnen schenken, zij mocht haar verwelkt leven niet aan het zijne vastketenen! En naast die gedachte rees de gedachte aan Otto. Zij wist dus dat het nooit mocht zijn, nooit...
Niettegenstaande de dichte stores stoofde de broeiende warmte de lauwe atmosfeer van het vertrek, toen Sofie, de meid, klopte.
--Hier is het ijs, juffrouw?
Zij bracht het ijs, dat in stukken op de schaal lag, binnen. Zoodra Eline weder alleen was, stak zij een stuk in den mond, legde zich een stuk op het voorhoofd, nam zij een paar stukken in de handen en zij speelde met het ijs, terwijl groote, koude druppels over heur gelaat en tusschen hare vingers gleden.
VI.
Sofie bracht om halfzes het diner en dekte de kleine, ronde tafel met veel zorg. Maar Eline roerde nauwelijks iets van de spijzen aan, en zij was blijde, toen Sofie weêr afnam. De geur van dat eten in de warmte maakte haar nog zieker dan zij was.
Zij nam een paar kaartjes op, die Sofie had binnengebracht, kaartjes van mevrouw Verstraeten en van Lili...
--Ook de oude mevrouw Van Raat is er geweest, juffrouw! zeide Sofie en zij ging weg.
Eline bleef alleen; de avond viel. De zon deinsde langzaam terug, maar het bleef nog zeer lang licht en Eline trok de stores weder op. Toen nam zij uit hare kast een klein fleschje en telde voorzichtig hare druppels, die ze in een glas water liet vallen. Langzaam dronk ze. Ach, als ze maar hielpen. Het was zoo dikwijls tevergeefs geweest in den laatsten tijd.
Zij was moê van haren langen dag van niets doen en halven waanzin, en zij wilde zich vroeg ter ruste leggen. Zij zou ook niet het gas opsteken; zij zou nog een pooze schemeren en dan zou zij pogen te slapen.
Maar het begon te zieden, te bruisen, te klotsen in haar hoofd. Zij snakte naar adem, en zij liet, onbevreesd voor de avondlucht, die binnen begon te vlieten, den grijzen peignoir van hare schouders glijden. Hare armen waren mager, haar borst als ingevallen en zij bezag zich met een treurigen glimlach, terwijl zij het dunne haar doorwoelde. En omdat het donker werd, omdat zij vreesde, trots hare druppels, toch niet te zullen slapen, omdat zij zeer bleek en wit was in de kant en het borduursel van heur linnen, omdat zij angstig werd voor de toenemende schemering, kwam de waanzin weder op...
"Ah, perfido! Spergiuro!"
begon zij, als in woede, te neuriën, terwijl zij haar arm omhoog sloeg. Het, was de scène van Beethoven, waarbij Vincent verveine placht te ruiken... zij verweet in den zang een trouweloozen minnaar zijn ontrouw, en heur gelaat drukte de meest tragische smart uit; gekwetste liefde, die zich wreken zou. Zij heette den minnaar te gaan, maar de goden des hemels zouden hem verpletteren onder hun straf. Eensklaps rukte zij uit heur ledikant een beddelaken en zij drapeerde zich in de lange, witte stof, die zich in het vale avondschemerlicht als een marmeren mantel plooide.
"Oh no! Fermate, vindici Dei!"
zong zij heesch en telkens hoestende, met smachtende oogen, want zij riep, veranderd van gemoed, de genade der goden voor den trouwelooze in. Hoe hij ook veranderd mocht zijn, zij bleef dezelfde, zij wilde geen wraak, zij had voor hem geleefd en zij wilde nu voor hem sterven. En langzaam murmelde zij het Adagio, langzaam, zeer langzaam, terwijl de witte plooien van haar draperie bij de smeekende gebaren heurer armen zich week verhieven en mollig neêrvielen. Zoo zong zij door, steeds door tot een klacht zich aan heur keel ontwrong en in die klacht, op eens, acteerde zij als met de edele kunst eener eerste zangeres. Het werd haar, als was de minnaar reeds gevlucht en als wendde zij zich tot het koor, dat haar medelijdend omringde:
"Se in tanto affa... a... a... anno!"
murmelde zij, bijna weenend, op smartelijke cadenzen, en het zieleleed steeg, en zij gilde hooger, hooger met stijgende kreten:
"Non son degna di pieta!"
Zij schrikte hevig, ontzet over het doordringende, snerpende geluid harer gebroken stem, en zij wierp heur beddelaken af en ging stil, bevend zitten. Zou men haar gehoord hebben? Zij zag even door de open balcondeur op straat. Neen, er liepen slechts enkele wandelaars in het toenemende duister en niemand zag op. Maar in huis? Enfin, zij kon er nu niets aan doen; ze zou nu weêr verstandig worden.
Zij snikte, maar zij lachte tevens, zij lachte zichzelve uit. Zoo ze zich zoo opwond zou ze nooit slapen. Brusk wierp zij zich op het ordelooze bed, en sloot de oogen. Maar de slaap kwam niet.
--O God! kreunde ze. God! Laat me slapen, ik smeek u, laat me slapen.
En ze weende bitter, onophoudelijk. Toen schoot haar eene gedachte door het brein. Als ze nog enkele druppelen meer dronk dan de dokter uit Brussel haar had voorgeschreven? Zou dat kwaad kunnen? Denkelijk niet, daar zij van de dozis, die zij placht te nemen, thans niets geen invloed scheen te ondervinden. Hoeveel druppels zou zij, zonder gevaar er nog kunnen bijnemen?
Even zooveel als zij genomen had? Neen, dat was natuurlijk te veel. Wie weet wat er dan zou gebeuren. Maar, bijvoorbeeld, de helft? Dus nog.... drie droppels? Neen, neen, zij durfde het niet; de dokter had haar zoo ernstig op het hart gedrukt voorzichtig te zijn! Toch was het verleidelijk.... En zij stond op.
Zij nam het fleschje om de drie druppels te tellen.
Een... twee... drie, vier vijf.... De twee laatste vielen er in voor zij het fleschje had kunnen oprichten. Vijf... zou dat te veel zijn? Zij weifelde een pooze. Met die vijf druppels zou ze toch zeker slapen.
Zij weifelde nog steeds. Maar op eens nam zij een besluit, toegelokt door het vooruitzicht te zullen rusten. En zij dronk.
Zij legde zich neêr, op den grond, dicht bij de open balcondeur.
Het angstzweet brak haar uit, en ze voelde zich zeer dof worden, maar zoo vreemd dof, zoo anders dan gewoonlijk.
--O mijn God! dacht ze. Mijn God! Mijn God! Zou het.... te veel zijn geweest!
Neen, neen, dat zou te verschrikkelijk zijn! De dood was zoo zwart, zoo leêg, zoo onzegbaar! Maar toch, als het zoo was? En eensklaps versmolt hare vrees in een onmetelijke rust. Nu, als het zoo was, dan was het goed....
En zij begon te lachen, met onhoorbare, zenuwachtige lachjes, terwijl de dofheid op haar neêrdrukte, als met zware reuzenvuisten. Zij wilde met hare handen die vuisten afweren en hare vingers verwarden zich in een koord om heuren hals. O, dat was... dat was zijn portret: Otto's portret!
Zou het inderdaad te veel zijn geweest? Zou zij morgen...? Zij rilde. Zou men morgenochtend kloppen aan haar deur, te vergeefs, steeds te vergeefs, en zou men haar ten laatste zoo vinden?
Verschrikkelijke gedachte! Zij baadde in haar zweet, en hare vingers zochten het medaillon. Dat portret mocht men niet op hare borst vinden!
Zij richtte zich op en rukte het portret uit het medaillon.
Zij kon het niet meer onderscheiden, want het was donker geworden in heur vertrek en het licht brak reeds in haar oog; alleen de gele glans van een lantaren, vlak voor de huisdeur, viel dof binnen. Maar zij stelde zich de beeltenis voor, zij betastte het ronde stukje karton, en zij kuste het, kuste het herhaaldelijk.
--O Otto! stamelde zij, reeds zwaar en loom. Jij was het alleen, mijn Otto, niet Vincent, niet St. Clare, alleen jij.... jij.... Otto.... o God!
En zij streed tusschen doodsangst en berusting. Toen, in den hartstocht harer gloeiende kussen op het portret, stak zij het in den mond, radeloos, zonder meer de kracht te hebben het te verscheuren, het anders te vernietigen, dan het te verslinden. Zoo, terwijl een sidderende ademtocht bang haar geheele lichaam doorschokte, kauwde zij, kauwde zij op het afgekeurde proefje van het portret van Otto.
Zij weende nog, niet meer snikkend, niet meer bitter, maar als een kind, met zachte kinderlijke geluidjes, zacht steunend, teeder kermend, lieflijk pruilend. Een geween, waarin soms nog iets als een lachje doorklonk, een lachje van waanzin. Toen werd zij stil, en zij vlijde zich met het hoofd in de armen, steeds op den vloer, bij de open balcondeur.
Zij verroerde zich niet, radeloos van angst voor wat haar omringde, voor wat komen zou. Het was of er eene zee in haar lichaam bruiste, eene donkere zee, die over hare gedachte heengolfde en waarin ze verdronk. En steeds poogde zij die zee van zich af te schuiven, maar de druk was te zwaar en zij viel, geheel verloomd, geheel verdoofd door een stormachtig gesuis in hare ooren, in hare hersenen, neêr.
--God! God! O, God! kreunde zij met een, steeds zwakkeren, schorren klank, vol van een wanhoop, die zich niet meer uiten kon.
Toen vloeide het bewustzijn, als druppel voor druppel, uit haar weg en zij sliep in den dood in.
De lantaarn werd uitgedraaid en het groote vertrek was nu als een donker graf, een mauzoleum vol smart, waarin, schemerachtig wit, een lijk lag.
Toen drong de kilte van den nacht binnen.
En langzamerhand verrees de parelgrijze vaalheid van den dageraad.
VII.
Zoodra het bekend was, dat Eline Vere was overleden, schreef Henk aan oom Daniël te Brussel. Oom Daniël en Elize schreven beiden terug en beklaagden zeer die arme Eline. Tevens meldde oom, dat Vincent, een paar dagen geleden, uit Rusland was teruggekeerd met zijn Amerikaanschen vriend, die Eline veel gezien had tijdens haar verblijf te Brussel, en dat zij in Den Haag zouden komen, teneinde bij de begrafenis tegenwoordig te zijn.
Hoofdstuk XXXVI.
I.
Er was meer dan een jaar verloopen na Eline's dood. Er hadden in dien tijd voor de Erlevoorts gewichtige veranderingen plaats gegrepen. Mevrouw had, zeer gedrongen door Théodore, ten laatste besloten, het huis op het Voorhout, het huis waar al haar kinderen waren geboren en groot geworden, het huis, dat vol was van haar innigste souvernirs, te verkoopen en met Mathilde en de Van Rijsseltjes op de Horze te komen. Paul en Frédérique waren gehuwd en woonden te Heibeek, in Zuid-Holland, waar Paul tot burgemeester was aangesteld. Etienne was gepromoveerd en er was sprake geweest, dat hij naar Indië zou vertrekken, maar mevrouw Van Erlevoort, wanhopig door de gedachte voor goed van haar jongen afscheid te nemen, had zóo lang aangehouden, dat Etienne in Holland bleef en zich in Den Haag als advocaat gevestigd had. En mevrouw, al gevoelde zij zich den eersten tijd ongelukkig, nu zij niet meer meesteresse van haar woning in Den Haag was, nu haar kinderen her- en derwaarts gingen, vergat toch haar leed in de zacht koesterende gezelligheid van den huiselijken kring haars oudsten zoons, waar Henriette, evenals vroeger Marianne, voor goed van de kostschool thuis was gekomen, de jongens soms een apparitie maakten en de Van Rijsseltjes--Tina was nu elf--met Mémée gezond en stevig in het buitenleven opbloeiden.
Paul en Frédérique hadden mevrouw Van Raat verzocht het voorbeeld van mevrouw Van Erlevoort te volgen, haar huis te verkoopen en op Heibeek te komen, maar mevrouw Van Raat was er niet toe te bewegen geweest. Zij zou haar kinderen zeer veel bezoeken, maar bij hen haar intrek nemen, dat niet. Zij meende, dat haar melancholieke dofheid, welke na den dood van Eline, die zij steeds zeer lief had gehad, grijzer en grijzer was geworden, een schaduw op hun zonnig en frisch geluk zou werpen. De emoties vóor Pauls engagement, zijn huwelijk daarna hadden haar een wijle uit die dofheid kunnen oprichten, nu, nu haar kind bezat wat hij verlangde, verviel zij weder geheel en al in haren weemoed, stierf zij, nog levend, langzamerhand geheel en al uit het leven weg.
Bij de Verstraetens was het stil, en dikwijls weende Marie bitter. Zij gevoelde in hare arme ziel iets als een schat van weldoende liefde, die verloren zou gaan. Het was haar, als zou zij verdorren, verschrompelen, een bloem gelijk, die men over het hoofd had gezien. In Lili, een weinig egoïst en kortzichtig in haar huishouden en de zorg harer twee blonde kleintjes verloren, vond zij geen medegevoel voor haar eenzaamheid, maar zij verweet het hare zuster niet, dat deze haar niet begreep. En dan, wat zou het hebben geholpen, al had Lili haar begrepen; welke troost zou het hebben geschonken!
Des zomers vroegen Paul en Freddy Marie te logeeren en zij gevoelde zich bij hen gelukkiger dan thuis, al waren papa en mama ook goed en lief. Met Paul en Freddy kon zij nog eens vroolijk zijn, nog eens lachen om den tijd van vroeger, den tijd, toen zij tableaux-vivants gaven en toen Marie Paul de les las over zijn luiheid. Herinnerden Paul en Freddy zich nog, dat Lili vroeger De Woude niet had kunnen uitstaan? Nu wilde Lili daar nooit van hooren; haar heugde het volstrekt niet, zeide Marie. O Lili werd boos, wanneer men er een woord van repte!