Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 44
--Marie heeft het me eerst gezegd, dat je mama op een visite van mij rekende. Toen dorst ik niet meer wegblijven. En toen ben ik langzamerhand heel dikwijls gekomen.
Hij zweeg een oogenblik en zijn oogen zagen in de hare, terwijl hij nadacht.
--Maar mama sprak toch niet over me.
--O, heel dikwijls. Ze wist zeker niet hoe ze me pijn deed, wanneer ze je naam noemde, Paul.
--Sprak mama over me? En ze wist, dat....
--Wat?
--Alles! Ik had haar alles verteld, wat er tusschen ons was voorgevallen. Ze zag, dat ik er onder gebukt ging; toen heeft ze me gevraagd wat ik had.
Frédérique richtte zich op.
--Wat! riep ze uit, steeds met haar arm om zijn hals. Wist je mama dat je mij gevraagd had, dat ik je had afgewezen?!
--Ja!
--En ze heeft met me gesproken, alsof ze van niets wist! Want hoor nu eens....
Frédérique vertelde van dien avond toen mevrouw haar heur geheim ontlokt had.
--Die mama! sprak hij zacht, toen zij geëindigd had. Dat heeft ze me ook niet verteld. Wanneer was dat? Kan je je dat herinneren?
--Eergisteren.
--En gisteren ochtend kreeg ik een brief om over te komen. Een brief over geldzaken!
Zij zagen elkaâr zacht glimlachend aan.
--Ik begrijp er heusch niets van! fluisterde Freddy en omhelsde hem vaster, te gelukkig om veel te peinzen. Ik weet alleen, dat ik nu je vrouwtje ben....
Hij kuste haar.
--Mij is het ook niet geheel en al duidelijk, fluisterde hij, in dien kus, terug. Maar waarom zouden wij er eigenlijk ons hoofd over breken....
XI.
Dien avond kwamen de Verstraetens, met Georges en Lili, op het Voorhout; aan Etienne werd te Leiden getelegrafeerd over te komen en mevrouw Van Erlevoort verzocht ook Henk en Betsy.
Het was nadat Eline haar engagement verbroken had, de eerste keer, dat zij er kwamen. Maar nu was alles goed. En er werd niet meer geweend, maar men was zeer vroolijk, want het engagement was voor allen een verrassing. Men was er volstrekt niet op voorbereid geweest.
Toen mevrouw Van Raat dien avond, uitgeput van emoties, thuis kwam en te moê om zich aanstonds te ontkleeden, nog een pooze in haar grooten stoel zat, de geaderde handen gevouwen in haar schoot, het grijze hoofd op de borst, verwonderde het haarzelve, dat zij dit had kunnen te weeg brengen. Zij met hare melancholie, hare dofheid, zij, die slechts in het verleden placht te leven! Maar het had het geluk van haar kind gegolden en hare vroomheid had haar gesterkt...
Hoofdstuk XXXV.
I.
Oom Daniël en tante Elize waren niets verwonderd, toen Eline, eenige dagen na het vertrek van St. Clare en Vincent, hun mededeelde, dat zij voornemens was naar Den Haag terug te keeren. Zij wisten hoe grillig Eline was, nu dit en dan dat verlangde, en nooit tevreden was. Maar thans verlangde Eline niet uit grilligheid naar een andere woonplaats. Het was haar, sedert de soirée, waarop St. Clare haar een weinig brusk gevraagd had hoe zij "hier kwam", alsof er een gordijn voor haar blik was opgerezen, alsof zij plotseling inzag, dat zij bij oom en tante en vooral bij hunne côterie niet thuis behoorde. En het was uit achting, uit vriendschap, misschien uit liefde voor St. Clare, dat zij hare Brusselsche vrienden verlaten wilde.
Zij schreef aan Henk en verzocht hem twee kamers voor haar te huren in een pension voor dames, of in een der nieuwe deftige hôtels-garnis. Zij kreeg daarop aanstonds brieven van Henk, van Betsy, van de oude mevrouw Van Raat, die haar allen verzochten, niet op kamers te gaan wonen, maar bij hen haren intrek te nemen. Betsy schreef haar, dat zij alles vergaf en vergat, wat er gebeurd was, zoo Eline op hare beurt ook alles wilde vergeven en vergeten, en smeekte Eline toch niet zoo excentriek te zijn en op zichzelve te gaan wonen, wanneer er plaats was in het huis harer zuster. Ook de oude mevrouw Van Raat schreef zeer dringend, zeer hartelijk. Maar Eline weigerde, met herhaalde betuigingen van dankbaarheid, zeer beslist en niemand kon haar van gedachte doen veranderen.
Henk haalde dus met een ongelukkig gezicht de schouders op en zocht met Betsy twee fraaie kamers uit in een groot pension op het Bezuidenhout. Eline kwam daarop in Den Haag.
Zij herinnerde zich hoe moê van haar slingeren en reizen zij den vorigen zomer in Den Haag was gekomen, ten huize der oude mevrouw Van Raat. Zij vergeleek haar matheid van die dagen met de uitputting, welke haar nu, als het ware, uitmergelde en zij gevoelde zelfs geen kracht om er over te weenen. Ter wille van haar genegenheid voor St. Clare had zij hare laatste levenskrachten bijeen verzameld, om nog eens te worden zooals zij geweest was, innemend, lieflijk, zoo niet schitterend. En nu, dat St. Clare vertrokken was, bespeurde zij, hoe, ofschoon ze tegenover hem steeds oprecht en zichzelve was geweest, zij zich desniettemin, als onbewust had opgewonden, had opgeschroefd, om hem niet geheel en al een uitgeput wezen, een lijk toe te schijnen. Nu die opwinding, die opschroeving niet meer noodig waren, viel ze, als geknakt, ineen. De emotie van haar laatste bekentenis, had haar daarbij zeer aangegrepen, en het werd haar zekerheid dat zij zich nooit meer uit haar lichamelijke uitputting en haar zedelijke onmacht zou vermogen op te richten.
Zij hoestte zeer hevig en Reijer behandelde haar opnieuw. Maar zij sprak hem niet van haar Brusselschen dokter, die haar de morfinedroppels had voorgeschreven, daar zij zich herinnerde, dat Reijer haar nooit een slaapmiddel had willen toestaan. Het was Februari, de koû was snerpend en zij ging nooit uit.
Wanneer zij nu des morgens opstond, gevoelde zij zich, als vroeger bij mevrouw Van Raat, te loom, om zich aanstonds te kleeden; zij hulde zich in een peignoir en zonk op een divan neêr. Dan overviel haar een zalig gevoel, dat zij zich aan niemand behoefde te storen, dat zij zich volstrekt niet behoefde te kleeden en dat zij zoo, ongekapt, op haar muilen, blijven kon, zoolang zij verkoos. Vaak vonden mevrouw Van Raat of Betsy, mevrouw Verstraeten of Marie en Lili haar zóo, ongekleed, slordig, wezenloos starende uit het venster. Zij las niet, zij deed niets, en er gingen uren voorbij, dat zij ook aan niets dacht. Somtijds wierp zij zich plotseling op den grond, het gelaat geperst op het tapijt, en het werd donker, donker, donker, totdat een klop op de deur,--de meid, die heur middageten bracht--haar met een plotselingen schrik deed opstaan. Dan at zij alleen, een zeer klein beetje, en dan grifte er zich een akelig lachje om haar lippen waarover tegelijk iets satirisch en iets idioots schemerde.
De nachten, die op deze dagen volgden, waren voor Eline uren des schriks. Alles begon in haar te leven, en zij werd als geëlectriseerd door den angst, dat zij niet slapen kon. Een duizelende helderheid klotste in haar hersenen, het gesuizel gonsde in haar ooren. Een maalstroom van herinneringen wentelde in haar om, vizioenen verrezen. Zij schrikte voor alles, voor een schaduw, voor een speld, die op den grond glinsterde. Maar zij nam haar druppels: een doffe slaap viel ten laatste als een mantel van lood op haar neêr.
II.
Minuten lang bleef zij soms voor den spiegel turen op haar verwelkt gelaat. Tranen welden dan in haar oogen, wier glans als voor immer uitgebluscht scheen, en zij dacht aan vroeger. Zij verlangde het verleden terug te hebben, zonder zich goed rekenschap te geven wat haar het verleden geweest was, want zij kon in den laatsten tijd niet meer doordenken, alsof aan haar gedachten een grens was gesteld, die niet overschreden mocht worden. Die dofheid verlichtte echter haar melancholie, die, ware zij helder van hersenen geweest, tot een onovertrefbare crizis zou gestegen zijn. Maar in plaats van die melancholie, doorstreed zij thans uren van vertwijfeling, waarin zij niet wist, wat zij zou aanvangen met haar nutteloos lichaam, haar nutteloos bestaan, dat zich in hoestbuien voortsleepte, tusschen die vier muren... Dan weende zij bitter om haar onvoldane verlangens, en zij wrong zich op den grond en strekte de armen uit naar een beeld dat haar niet duidelijk was. Want zoowel in haar droomen als in hare reëele gedachten begon zij Otto en St. Clare te verwarren; opmerkingen en gezegden, denkbeelden van den een schreef zij aan den ander toe en zij was zich niet meer bewust wien zij ooit in waarheid lief had gehad, of nog had. Wanneer zij in zulke twijfelingen wilde doordenken, hield de, niet te overschrijden, grens haar steeds tegen en haar onmacht maakte haar woedend: zij sloeg zich met gebalde vuist op het hoofd, als was daar iets, dat zij met geweld wilde heelen.
--Wat is dat toch? vroeg zij zichzelve dan radeloos af. Waarom vergeet ik honderden dingen, die gebeurd zijn, en waarvan ik alleen onthouden heb, dàt ze gebeurd zijn! O, die dofheid, hier in mijn hoofd! Liever de ellendigste pijn dan die dofheid! Het is of ik gek word...
Een huivering kroop haar als een kille slang over den rug bij die gedachte. Veronderstel, dat zij gek werd: wat zou men dan met haar doen? Maar zij wilde die verschrikkelijke veronderstelling niet uitwerken, ofschoon het haar werd, dat zij, over dat spook van opkomenden waanzin doordenkend, plotseling de, niet te overschrijden, grens harer gedachten zou hebben overschreden. Maar was die overschreden, dan ook was zij... krankzinnig!
Zij bedekte in zulke oogenblikken het gelaat met de vingers, die zij in de ooren perste, als wilde zij niet hooren, niet zien, als zou de eerste indruk, dien zij nu ontvangen zou, haar krankzinnig maken. En zij was daar zoo bang voor, dat zij Reijer geen woord over de dofheid zeide....
Haar onafgebroken energieloos nietsdoen deed haar zich geheel en al, als een slavin, aan vreemde fantazieën en hersenschimmen overgeven, die vaak tot onzinnige extazes stegen, waaruit zij eensklaps met ontzetting ontwaken kon. Liggende op hare bank, zenuwachtig spelende met de kwasten der kussens, met het losse haar, dat verward om haar heen slingerde, herdacht zij hare theatrale illuzies uit den tijd, toen zij met Paul duetten had gezongen en toen zij gemeend had Fabrice te beminnen. Dan werd zij actrice, zij zag de planken, het publiek, zij glimlachte, en boog, het regende bloemen...
Als onbewust stond zij dan van de bank op, neuriede zacht met hare gebroken stem een recitatief, een fraze uit een Italiaansche aria en bewoog zich in hare kamer, als speelde zij een rol... Zij acteerde, zij rekte hare armen met wendingen van wanhoop of strekte ze smachtend uit naar een vluchtenden geliefde; zij zeeg op hare knieën neêr en verbeeldde zich voortgesleept te worden, hoewel zij om genade smeekte.... Verschillende rollen verwarden zich in haar brein: Marguérite, Juliette, Lucie, Isabelle, Mireille. Zij speelde van die allen in weinige minuten de meest tragische scènes. En plotseling ruw, ontwaakte zij dan uit dien waanzin, zag zij dat zij zich alleen in hare kamer bevond, dat zij vreemde gebaren maakte....
Dan ontzette zij voor zichzelve, en sidderend dacht ze:
--O God! zal het waar worden?
Na zulke oogenblikken bleef zij met angstig starende oogen roerloos liggen, als verwachtte zij, dat er elk oogenblik eene verpletterende catastrofe zou gebeuren, als zouden de gelaatstrekken der beelden, de figuren der schilderijen en platen om haar heen plotseling levend worden en een grijnzenden lach uitstooten, hard en onmeêdoogend als van duivels...
Na zulk een dag poogde zij, in een stille ontzetting, zichzelve te worden. Des ochtends, uit haar looden, kunstmatigen slaap ontwaakt, stond zij in eens op, kleedde zich met veel zorg en ging aanstonds uit, boodschappen doen, koffiedrinken bij Henk en Betsy, bij de Verstraetens of bij mevrouw Van Raat visites maken. Zij klaagde over hare eenzaamheid, en daar zij zich in zulk een oogenblik innemend toonde, vroeg men haar uit medelijden hier of daar ten eten. De avond ging dan ook vroolijk om en zij keerde huiswaarts, verheugd dat er weêr een dag voorbij was, maar... zwijmende van vermoeidheid door hare ongewone emoties, door haar opgeschroefde scherts, onnatuurlijk en schel van lach en hoestende, hoestende... En zij bekocht zulk een dag des nachts duur: de druppels hielpen niet; zij bleef klaar, klaar wakker, aangevochten door krankzinnige nachtmerries, door spooksels van haar zieken geest, terwijl de dag nog eens haar voorbij trok met zijn ongewone drukte.
De kennissen praatten veel over Eline, en Betsy zeide dikwijls, met een bedenkelijk gezicht, hoe ze vreesde, dat het niet goed met Eline ging: Eline was tegenwoordig zoo vreemd en Reijer was ook niet tevreden. En de kennissen beklaagden haar; die arme Eline! Vroeger was ze zoo mooi, zoo elegant, zoo vroolijk en nu was ze als een schim, wanneer zij een enkelen keer over de straten liep, met hare zenuwachtige, ongelijke stappen, het mofje aan den mond, en bijna iets verlegens in den knik, waarmede zij de Van Larens, de Hijdrechten, de Oudendijks groette. O ja, ze was wel erg ziek, dat was haar wel aan te zien...
III.
Het regende: een koude, geeselende Maartsche regen en Betsy zat thuis, in het violette kabinetje, dat op de serre uitkwam. Het was er eenigszins donker, maar Betsy had haar fauteuil in het licht geschoven en zoo zat zij goed om te lezen: Pêcheur d'Islande van Pierre Loti. Maar het boek verveelde haar; hoe konden visschers nu zoo sentimenteel zijn! Langs de palmen der serre zag zij een enkelen keer in den dorren tuin, waar de regen de kale takken striemde. Ben zat op den grond, bij haar fauteuil, zijn dik hoofdje gedrukt in de japon zijner moeder, en hij keek zeer aandachtig naar een grooten tak van een bladerloozen kruliep, die telkens de wanhopigste wendingen maakte onder den stortvloed. Op eens zuchtte hij.
--Wat is er Ben? Heb je iets? vroeg Betsy.
--Neen, ma! antwoordde hij, verwonderd opziende, met zijn langzaam stemmetje.
--Waarom zucht je dan zoo, kind?
--Ik weet niet, ma!
Zij zag hem even doordringend aan; toen legde zij haar boek weg.
--Kom eens hier, Ben.
--Waar maatje?
--Hier, op mijn schoot.
Hij klauterde langzaam op haar schoot en glimlachte. Hare bruske stem had tegenwoordig vaak iets zachts, als zij haar eenig kind toesprak.
--Hoû je van moes? vroeg zij liefkoozend.
--Ja.
--Omhels me dan eens.
Hij sloeg zijne armpjes om haar hals.
--Geef me nu een zoen.
Steeds met zijn idioot glimlachje, kuste hij haar.
--Maatje is nooit stout, niet waar? vroeg Betsy.
--Neen.
--Wil je zoo bij moes blijven liggen?
--Ja.
Hij nestelde zich, de groote jongen van zeven jaar, tegen haar borst.
--Zeg eens, Ben, is er iets wat je verlangt? Wil je niet iets moois van moes hebben?
--Neen, dank u.
--Bijvoorbeeld een wagentje met een klein paard, een heuschig paard, een poney. Dan kan Herman je leeren mennen.
--Ach neen, dank u! sprak hij op een toon, als verveelde zij hem een beetje.
Zij werd bijna ongeduldig en was op het punt tegen hem uit te varen en hem te zeggen, dat hij een lamme jongen was. Maar dat ongeduld duurde slechts een seconde: zij knelde hem vaster en kuste hem.
--Nu, maar als er iets is, wat je wilt, moet je het zeggen, hernam zij, bijna weenend. Zal je het dan zeggen, Ben? Zeg vent? Zal je het dan heusch aan moesje zeggen?
--Ja, antwoordde hij op een toon van groote voldoening.
En zij sloot de oogen, rillende bij de gedachte dat haar kind idioot was. Het was als een straf, die op haar drukte. Maar wat had zij dan misdaan?
Zij las niet verder en zij hield hem steeds op haar schoot waar hij stil tegen haar aan bleef liggen, toen zij door den salon iemand hoorde naderen. Het was Eline.
--Zoo, dag Elly.
--Dag Betsy, dag Ben.
--Ben je uitgegaan, met dien regen?
--Ik heb een rijtuig genomen: ik kon niet langer thuis blijven. Dat weêr maakte me zoo melancholiek, en ik dacht... ik dacht gek te worden van verveling. O God!
Zij liet zich, als met een kreet van vertwijfeling, in een stoel neêr, en rukte hare kleine voile los, als was het haar benauwd.
--Stel je voor; altijd de vier muren van je kamer; niemand bij je, niets waarin je belang stelt; is dat niet om dol te worden? Ik kan het tenminste niet langer uithouden: als het langer duurt word ik krankzinnig....
--Eline, prends garde: l'enfant t'écoute!
--Hij.... hij begrijpt dat niet en denkelijk zal hij dat nooit begrijpen! voer zij heesch voort. Ben, hoor eens: kom eens hier. Weet je wat je doen moet, later als je groot bent? Nooit ook maar aan het minste denken, ventje! Zie je, je moet eten, en drinken en plezier maken net zoo lang als je kan en dan.... dan.... moet je trouwen! Maar je moet niet denken, hoor!
--Eline! Vraimant, tu es folle! riep Betsy driftig, meer vreezende voor haar kind, dan voor hare zuster.
Eline lachte luid en haar luide lach, de schelle woorden van haar opgewonden stem, die als de uiting eener zenuwachtige extaze was, verschrikten Ben. Hij bleef haar met groote oogen en open mond aanzien. Maar zij lachte steeds.
--O, hij begrijpt er niets van, de kleine man! Niet waar, je begrijpt niet wat tante raaskalt! Maar het is heerlijk zoo te raaskallen! Ik woû, dat ik iets heel dols, iets vreeslijk bespottelijks kon doen, maar ik weet niets, ik ben tegenwoordig zoo bot, dat ik niets kan uitdenken. Was Elize maar hier, die zou wel wat weten. Weet je wat we eens gedaan hebben, Elize en ik, den eersten keer, dat ik te Brussel logeerde? Ik heb het vroeger nooit durven vertellen, maar nu durf ik alles, het kan me niets meer schelen. Verbeeld je, we zijn 's avonds met ons beiden, alleen, gaan wandelen, zoo op avonturen uit, weet je. Je zegt er nooit een woord van, hoor. Toen hebben we twee heeren ontmoet, twee charmante heeren, die we volstrekt niet kenden. Daarmee zijn we gaan toeren.... in een open landauer en toen zijn we.... in een café gegaan....
Haar verhaal was steeds onderbroken geweest door nerveuze, schelle lachjes en bij de laatste woorden schaterde zij het luidkeels uit, terwijl haar gelaat zich verwrong, terwijl zij huilde van opgewondenheid. Er was geen woord van haar verhaal waar, maar zij geloofde er op dit oogenblik zelve aan.
--Stel je voor in een café.... in een café!! En toen....
--Eline, ik bid je, praat toch niet zoo dwaas! vroeg Betsy zacht.
--O, jij vindt het vreeslijk shocking, niet waar? Nu maar stel je gerust, zoo erg was het niet.
Zij lachte nog steeds, zeer gedwongen, weenende en ten laatste barstte zij in snikken uit.
--O, die akelige Reijer! Ik heb altijd zoo een pijn, hier in mijn hoofd, en het kan hem niet schelen, hij zeurt altijd alleen over mijn hoest. Dat weet ik nu wel, dat ik hoest. O, God! En het is zoo vervelend in dat pension.
--Waarom kom je niet bij ons terug!
--Ach, we zouden immers na drie dagen elkaâr de haren uit het hoofd trekken! schaterde Eline smartelijk. Nu we elkaâr zelden zien, gaat het immers veel beter!
--Heusch, ik zou al mijn best doen, dat je het goed bij ons hadt! smeekte Betsy, ontzet over Eline's akelige opgewondenheid. We zouden alle zorgen voor je hebben! Ik zou me geheel naar je schikken.
--Maar ik niet naar jou! Neen, dank je hartelijk, hoor! Vrijheid boven alles. Hoe kan je toch zoo leuteren! We zouden immers oogenblikkelijk kibbelen, we kibbelen immers nu al.
--Waarom zeg je dat! Ik kibbel volstrekt niet. Ik wil niets liever, dan dat je van avond nog bij ons komt.
--Betsy, schei daar nu dadelijk over uit of ik ga weg en je ziet me nooit weêr terug. Ik wil nu eenmaal niet meer bij je wonen, hoor je, ik wil niet, ik heb er genoeg van gehad!
Zij neuriede iets.
--Blijf je dan bij ons eten, van middag? vroeg Betsy huiverend.
--Dolgraag! Maar ik ben moê, je zal niet veel conversatie aan me hebben. Wat doen jullie van avond?
--We gaan naar de Oudendijken. Ben je niet geïnviteerd?
--Neen, ik maak er nooit visites.
--Waarom niet?
--Wel, ze kunnen voor mijn part ophoepelen, die Oudendijken! O, o mijn hoofd! Ik ben dood.... Mag ik wat gaan liggen, op een bank?
--Zeker.
--Dan ga ik op Henks kamer, daar is zoo een gezellige divan.
--Daar is geen vuur....
--O, dat komt er niet op aan.
IV.
Zij ging naar boven, naar Henks zitkamer. Henk was uit. Zij trok er haar mantel uit en zette haar hoed af. Toen nam zij een sigaar uit een koker, beet er een puntje af en stak op, maar aanstonds walgde zij van den bitteren smaak en ze wierp het ding weg. Toen liet zij zich op den divan neêr. Haar oog viel op een wapenrek, een trofee van degens, krissen, pistolen. Stel eens voor, dat ze zichzelve van kant wilde maken, hoe zou ze het dan doen? Een kris in haar borst? Een kogel door haar mond? O, neen, neen, ze zou er nooit den moed toe hebben en daarbij, ze zou nooit een kris of een pistool weten te hanteeren. Misschien zou zij zich slechts verwonden, verminken en.... blijven leven. Maar daarbij, de dood was nog verschrikkelijker dan het leven. De dood was iets, waar zij nooit aan dorst denken, iets ontzettend ruims, zwarts en leêgs, iets onzegbaars. Zou er een leven zijn hiernamaals, zou er een God zijn? Zij herinnerde zich vroeger zoete vizioenen gekoesterd te hebben van azuren landschappen, gebaad in een diamanten glans, doorzweefd van zingende engelen, wier wieken straalden als zilver dons. En vér, zeer ver in etherische verschieten, op een wolkentroon, een gestalte, nauw zichtbaar, iets koninklijks en ijls. Een pooze verrees het vizioen nu opnieuw en het scheen haar, dat zijzelve zweefde, dat er lichtheid in en om haar was, een gesuizel van glans en zang. Maar aanstonds volgde een schok: het was als viel zij duizelingwekkend snel, als draaide alles en zij zag alleen... dat wapenrek! Neen, neen, nooit een pistool, nooit een dolk! Ook niet vergif, want het zou haar blauw en groen maken; men zou haar vinden met een uitgepuild, verwrongen gelaat, en men zou van haar huiveren, zoo leelijk! Zoo zij zich verdronk? Ook dan werd zij leelijk; hare leden zouden, als in waterzucht, zijn opgezwollen, zoo men haar had opgevischt! Maar die dood was zalig, naar men zeide. Men zag in het water, dat zich boven de stervende sloot, de schoonste kleurenprisma's in blinkend coloriet omwentelen, en men sliep in, steeds dieper en dieper zinkend als in deinende kussens. En de lelies en biezen van een meer zouden de verdronkene tooien als een Ofelia. Maar zulke meren met lelies en biezen kende zij niet en in Den Haag waren slechts stinkende groene grachten... o, dat nooit! De waterpartij in de Boschjes, de zee te Scheveningen? Neen, neen, ze was zoo bang en zwak: ze zou zich nooit tot zulke heldhaftigheid kunnen opschroeven; ze zou nu ook nooit hebben durven doen wat zij eens gedaan had, 's nachts in een storm vluchten, alleen kampende met windvlagen en regenstroomen. En zij kwam tot het besluit, dat zij ook niet zou wagen, zich op te hangen of te wurgen, dat zij nooit, op welke wijze ook, zou durven zich te vermoorden. Zij huiverde, sidderde, rilde als in een koorts van ontzetting over hare verschrikkelijke gedachten.
Toen vulde haar een groote weemoed, die haar verweekte.
Waarom had zij zoo moeten worden? Waarom had zij niet gelukkig mogen zijn met Otto, of waarom had zij St. Clare niet ontmoet, toen zij achttien jaar was? Wat had zij gedaan, dat zij zoo diep, diep ongelukkig had moeten worden? Had zij ooit iemand kwaad gedaan? Had zij tante Vere niet goed opgepast in hare ziekte: had zij later voor Vincent niet haar geluk opgeofferd? O, zoo zijzelve gelukkig had kunnen worden, wat had zij niet veel geluk om zich verspreid! St. Clare, of neen, Otto, dacht ze, had eens gezegd, dat zij schatten in zich liet sluimeren. Zij zou die schatten verdeeld hebben en ieder met de juweelen harer zaligheid hebben bestrooid. Maar het had zoo niet mogen worden: zij was zoo verpletterd zwaar met het leven belast geworden, en zij wist nu, dat zij gaarne zou willen sterven. O, ja, zoo gaarne, ze was zoo moe...
De regen had opgehouden en het werd donker. Uitgeput van hare sombere mijmeringen lag zij lang gedachteloos en leêg van brein neêr, tot zij in slaap viel. Zij werd uit die sluimering gewekt door een zwaren stap op het portaal, en eer zij zich geheel bewust was, trad Henk binnen.
--Zoo zusje! Wat heb je hier zitten doen in het donker? En wat is het hier koud!