Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 43

Chapter 434,126 wordsPublic domain

--Antwoord me: neen Freddy, blijf nu bij me, blijf even tegen me aanliggen: zoo, en antwoord me nu: hou je van Paul? Hou je veel, heel veel van hem?

--Waarom moet ik u dat zeggen? waarom wil u hebben, dat ik u dat zeg?

--Omdat ik geloof, dat hij van je houdt.

--Neen, neen, ik ben hem onverschillig; hij houdt niet van me, niet meer van me.

--Dan heeft hij toch van je gehouden. Neen, Freddy, blijf nu hier, dicht bij me.

Freddy snikte steeds.

--En dan kan hij weêr van je houden! O, zeg me nu de waarheid, kind. Wat is er tusschen jullie gebeurd?

Freddy kon niet besluiten te antwoorden. Mevrouws hart brak van medelijden, maar desniettemin vond zij, dat zij voor hare jaren, nog tamelijk goed comedie speelde.

--Wil je het me niet zeggen? Mag ik er dan eens naar raden? Paul heeft je het hof gemaakt, met je liefde gespeeld en je toen genegligeerd. Is het zoo?

--Neen, neen, dat niet, dat zweer ik u! Alles is mijn schuld! riep Frédérique hevig uit, ontsteld over mevrouws voorgewende veronderstelling. Hoe kan u zoo iets van hem denken!

--Is het jouw schuld? Heeft hij je dan gevraagd, en heb je hem afgewezen? Ik raad maar, zie je; ik weet niets. Maar je moet nu niet meer blijven jokken, je moet nu de waarheid zeggen.

Frédérique was te uitgeput om zich te blijven verbergen. Zij was overwonnen door mevrouws diplomatie, terwijl zij geen oogenblik vermoed had, dat Paul aan zijne moeder alles had bekend. Zij was overwonnen en ze knikte even, toestemmend, en verborg toen haar gloeiend hoofd op mevrouws schouder.

--En waarom heb je hem afgewezen?

--Ik geloof.... dat ik nog al trotsch was....

--Zag je zoo op mijn jongen neêr?

--Neen, neen, het was geen trotschheid, het was, geloof ik, jaloezie. Hij maakte iedereen het hof.... Ach, eigenlijk weet ik niet waarom ik hem heb afgewezen....

Zij was te moê zich thans die gemoedsstemming van voorheen te analyzeeren.

--En heb je er nu spijt van, kind?

Frédérique richtte zich eensklaps huiverend, ontzet op.

--U mag er hem niets van zeggen! smeekte zij. Niets! O, beloof u me dat! U denkt, dat hij nog van me zou kunnen houden, maar ik weet te goed, dat het niet zoo zijn kan! En ik zou van schaamte dood gaan, als ik wist, dat hij kon vermoeden.... O, zweert u me, dat u niets zeggen zal....

--Maar natuurlijk niet, kind, ik zal hem niets zeggen. Natuurlijk niet. Dus je gelooft niet, dat hij nog van je zou kunnen houden?

--Neen, neen, ik heb hem zoo beleedigd!

Mevrouw zag haar lang aan, met een wonderlijk, glimlachenden blik.

--Lief kind! sprak ze vol ontferming. Ik heb je verdriet gedaan. Maar je hebt het er naar gemaakt. Hoe heb je zoo kunnen spelen met je geluk en met het geluk van Paul! Toch ben ik je nog een beetje troost schuldig. Hoor dan eens naar me. Ik ben er haast zeker van dat Paul nog van je houdt. Ten minste, je moet je maar niet al te ongelukkig voelen. Je moet maar denken: er kan nog wel het een en ander gebeuren....

--Ach neen, neen!

--Jawel, mijn kind, heusch. Ik heb wel zoo het een en ander gemerkt. Ik zou er, ik weet niet wat om willen verwedden; Paul denkt nog aan je. Hij is je nog niet vergeten.

--Hij haat me nu!

--Ach wel neen, kind! Freddy beloof me, dat je zal probeeren te gelooven, dat Paul nog van je houdt. Neen, huil niet verder. Beloof je me dat nu? kom!

Freddy zag weemoedig door hare tranen op.

--Ik zou het u zoo gaarne willen beloven, maar ik.... màg het niet doen! sprak ze dof.

Maar mevrouw lachte haar steeds toe, met dien wonderlijken blik, kuste haar en veegde heure tranen weg.

Van het lezen kwam er niets dien avond. En toen Frédérique was vertrokken, ging mevrouw niet als naar gewoonte aanstonds naar bed. Zij bleef lang mijmeren, en ze was tevreden over zichzelve; ze had nooit gedacht, dat ze nog zoo slim had kunnen zijn.

VI.

Zij had nu zekerheid: Freddy had haar jongen lief. De redenen, waarom zij Paul had afgewezen, hadden in heur eigen hart gescholen en waren haar nu zelve niet meer helder. Verder was er niets gebeurd. En den volgenden dag schreef mevrouw aan Paul spoedig over te komen; zij wilde eenige geldzaken met hem regelen.

Paul kwam, zeer verbaasd. Geldzaken! Henk bemoeide zich immers altijd met den bankier en met die financieele histories; wat wilde mama nu in eens raad van hem, Paul, hebben! Hij wist er niets van! Maar mevrouw verweet hem juist die onwetendheid, en vond dat het toch tijd werd, dat hij zijn eigen geld leerde beheeren. Paul haalde zijn schouders op: Henk deed dat immers altijd prachtig! Mevrouw echter liet niet af en sprak zoolang over de financieele histories, tot het Paul duizelde. En daarna scheen zij zich, als bij toeval, te laten ontvallen:

--Freddy is gisterenavond bij me geweest, Paul. Ze is toch een lief kind; wat is het toch jammer....

--Freddy? Ik wist niet dat u haar zag.

--O, zeker, dikwijls.

--Dikwijls? Ik dacht....

--Wat kind?

--Ik dacht, dat ze niet meer bij u zou komen, antwoordde hij weemoedig en verwonderd.

--O, zeker. Ze komt wel 's avonds met Marie om mij voor te lezen.

Hij zag verbaasd zijn moeder aan, die hem dit mededeelde, als de natuurlijkste zaak der wereld.

--Wist je dat niet? vroeg mevrouw eenvoudig.

--Neen.

--Hé, ik dacht dat je het wist. We spreken wel eens over je.

--Over mij? Spreekt zij over mij?

--Ik wil nu niet zeggen, dat ze altijd over je begint te spreken. Maar als ik over je spreek, dan laat ze zich altijd vriendelijk over je uit. Ze weet dus niet, dat ik weet, wat er tusschen jullie is voorgevallen.

--Maar komt ze bij u? Ik begrijp niet, dat ze bij u komt.

--Ach, daar is toch niets in. De menschen weten immers van niets.

--Dat is wel zoo. Maar toch begrijp ik niet, dat ze het van zich verkrijgen kan hier te komen. Voor zichzelve, begrijpt u niet?

--Zichzelve! Neen, dat zie ik nu zoo niet in. De een voelt zoo, de ander zoo.

--En u kan met haar praten en lief tegen haar zijn, terwijl u alles weet?

--Ja, Paul, dat is me niet onmogelijk. Ofschoon ik eenigen tijd haar wel een kwaad hart heb toegedragen.

--En nu niet meer?

--Neen, nu niet meer.

Hij zag, verloren in een gedwarrel van aandoeningen, tot zijn moeder op en vroeg niet verder.

--Begrijp je, waarom niet? vroeg zij met haar zachten blik.

--Neen! stamelde hij. Ik begrijp het niet, het is alles zoo vreemd.

--Wat is vreemd?

--Dat ze hier komt en dat ze daar niets in vindt. En ook, dat u zoo vriendelijk tegen haar is!

--Ik hoû zelfs veel van haar. En ik geloof, dat zij ook van jou houdt, Paul. Omdat ik dat geloof, of liever, omdat ik dat zeker weet, draag ik haar geen kwaad hart meer toe.

--O, mama! kreet hij zacht. Waarom gelooft u dat, hoe weet u dat zeker?

--Ik heb dat gemerkt aan het een en ander. Ik kan je dat niet uitleggen. Aan een woordje hier, aan een woordje daar.

Hij zweeg, verblind door den glans eener rozige verwachting. Het was hem, als droomde hij.

--Kind! hoorde hij mevrouw Van Raat zeggen, en hij voelde haar oude vingers zijn handen omvatten. Kind! Ik verzeker het je: ze houdt van je. Ik kan daar niet meer aan twijfelen. Je kan nog gelukkig met haar worden.... Spreek een volgenden keer, als je haar ziet, niet meer zoo luchtig tegen haar, alsof je alles wat er gebeurd is, hebt willen vergeten. Tracht eens haar beter te kennen, dan je doet....

--U denkt, dat ik haar niet ken?

--Neen Paul, ik verzeker je, dat je haar niet kent. Ik verzeker je, dat ze je lief heeft. Ik verzeker het je, bij God.

Hij zag haar steeds aan met zijne, door glans verblinde, oogen. Toen schudde hij het hoofd.

--Het kan niet zijn! stamelde hij. Onmogelijk! O, mama, het is onmogelijk.

Mevrouw glimlachte.

--Dat zeide zij ook! dacht zij.

Zij stond op en omhelsde hem, zeer innig, zeer lang.

--En toch is het zoo, mijn jongen! fluisterde zij en zij scheen tien jaar jonger in de verheerlijking van haar overgelukkigen glimlach.

VII.

Zij meende nu hen beiden aan elkaâr te moeten overlaten. In beiden had zij een twijfel opgeroepen, een twijfel, die hun weldadig was, een twijfel aan hun ongeloof in elkander. En zij wachtte.

Paul kon niet besluiten naar Bodegraven terug te keeren. Den volgenden dag begaf hij zich naar oom en tante Verstraeten, om vier uur, het uur waarop hij wist de familie thuis te zullen vinden. Meestal kwam Freddy ook om dien tijd. En hij was afgetrokken, teleurgesteld, toen Freddy niet kwam. Hij was zichzelven niet meer meester en vroeg Marie:

--Zou Freddy van middag niet komen?

Marie was zeer verwonderd over zijn vraag.

--Ik weet het niet, Paul... waarom vraag je dat?

--Ik heb haar in zoo lang niet gezien... fluisterde hij bijna.

Marie bloosde; zij gevoelde zich zeer verlegen. Zij had zoo gaarne uitgeroepen, dat Freddy haar eens bekend had, hoe zij berouw gevoelde over hetgeen zij gedaan had, dien vorigen zomer. Maar zij dorst zich niet mengen in het verwarde samenweefsel hunner gevoelens, uit vrees door een enkelen onvoorzichtigen greep een onmisbaren draad te scheuren. Vanzelve moesten zich die draden ontstrengelen, maar wanneer zou dit geschieden? Misschien nooit, dacht Marie. En toch hadden zijne laatste woorden Marie als eene opflikkering van zoete hoop toegeschenen....

Paul zag Freddy dien middag niet. Aan tafel vroeg hij mevrouw Van Raat:

--Zou ik van avond mevrouw Van Erlevoort een visite kunnen maken?

--Wel zeker, Paul, waarom niet? antwoordde zijne moeder.

--Denkt u... hernam hij weifelend; zou u denken, dat ik vriendelijk zou ontvangen worden?

--Ik denk niets dan goeds, mijn jongen.

--Ik begrijp niet, hoe u zoo optimistisch is! Ik begrijp niet wat Freddy gezegd kan hebben...

--O, niets bizonders. Nu eens een woordje en dan eens een woordje, maar genoeg voor mij om optimistisch te zijn. Je zal zien, Paul.

Hare woorden waren hem eenigszins raadselachtig, maar toch zoet. Na het diner kon hij zich ternauwernood rustig houden, en vol van zijne gedachten liep hij het vertrek op en neêr.

--Ga wat zitten, Paul; drink nu eerst je koffie.

--Hoe laat vindt u, dat ik bij mevrouw Van Erlevoort kan komen?

--Niet voor achten, kind. Tusschen achten en half negen.

--Ik kwam er vroeger zoo intiem!

--Juist omdat je er in den laatsten tijd niet meer intiem kwam, moet je nu niet den schijn aannemen van te komen aanloopen. Je kan niet anders dan een visite maken; laat je ook eerst aandienen.

Hij zuchtte en bedankte voor de koffie. Alleen een glas cognac.... En telkens vroeg hij zichzelven af wat Freddy aan zijn moeder kon hebben medegedeeld. Hij nam een boek en deed alsof hij las. Mevrouw deed alsof ze haar dutje maakte, maar innerlijk was zij even zenuwachtig als Paul. Het sloeg half acht en hij schrikte bij den metalen klank der pendule en wierp zijn boek ter zijde.

--Ik ga wat oploopen: het is hier zoo benauwd in huis! sprak hij, bijkans beklemd van borst. U stookt zoo hard!

Zij glimlachte, toen hij haar fauteuil naderde om haar te kussen.

--Adieu, mijn jongen! fluisterde zij in haar zoen.

Hij ging de deur uit, de straat op. De koude wind koelde de koorts van zijn gelaat, en hij ademde de ijzige frischheid met volle teugen in, als brandde hij inwendig. Het was hem, of alles in hem leefde en woelde, of alles in hem gespannen was, of hij scherper zag en hoorde, of hij de straten, wit van sneeuw, in den gelen glans der lantaarns, tot het einde met zijn blik kon doordringen, of hij vreemde trillingen in de lucht vernam, als een zonderlinge muziek. Nog nooit was zijn tred zoo licht geweest; in twee minuten had hij op het Voorhout kunnen zijn. En het was slechts over half acht. De tijd kroop om, ergerlijk langzaam.

Hij zou zeer, zeer langzaam loopen, dan kwam hij niet zoo bizonder vroeg waar hij wezen wilde. Hij ging door de Zeestraat, het Willemspark, de Alexanderstraat, de Parkstraat.

En het was hem onmogelijk zijn tred, die gevleugeld scheen, in te toomen. In vijf minuten was hij op het Voorhout en hij ademde diep, nu hij stil bleef staan. Hij was verlegen met die eeuwigheid, die hij nog voor zich had.

Wanneer zij niet thuis waren? Of niet thuis gaven? Zijn hart tikte, klopte, bonsde. Driemaal ging hij het huis der Van Erlevoorts voorbij. Een lichtstraal kroop tusschen een reet der blinden van den grooten salon. Boven op een valgordijn kwamen en verdwenen schaduwen, weifelende silhouetten, Chineesche schimmen. Zeker de Van Rijseltjes, die naar bed werden gebracht. En hij zag op zijn horloge. Het was nog geen acht uur. Maar vroeger kwam hij immers wel eens om zeven uur, vlak na het diner. Hij vermocht zich niet meer in te houden. En hij belde. Willem, de oude knecht, die open deed, zag hem verwonderd aan, daar hij zich liet aandienen!

Hoe lang duurde hem die korte pooze, die men hem wachten liet! Maar nu trad hij dan toch den salon binnen en mevrouw Van Erlevoort ontving hem glimlachende, maar innerlijk eenigszins verlegen. Het was haar natuurlijk opgevallen, dat Paul hun huis niet meer had bezocht, al had hij ook Freddy luchtig van een visite gesproken. Van Mathilde had mevrouw daarna alles gehoord.

Zij was echter te veel vrouw van de wereld om ook maar een zweem van verlegenheid te toonen. Zij maakte niet de minste toespeling, dat zij hem in zoo langen tijd niet ten harent gezien had, maar zij ontving hem vriendelijk, zoo niet hartelijk: een weinig deftig en op een afstand. Zij was alleen en liet door Willem aan mevrouw Van Rijsel en de freule zeggen, dat meneer Van Raat er was. Etienne was te Leiden, zeide zij vervolgens tot Paul en zij vroeg hem naar zijn eigen werkkring. Er was intusschen iets angstigs in zijn blik, dat haar bijna verward maakte, en zij vroeg zich af, of Freddy het doel zijner visite kon zijn.

Hij had niet haar gemakkelijkheid om een onzijdig gesprek te voeren en woorden te uiten, die zijne gedachten verborgen. Hij had de vraag van zijn hart kunnen uitschreeuwen, maar hij moest zich intoomen en een geduld oefenen, dat hem folterde. Verwend als hij was, martelde het hem, niet aanstonds te kunnen onderzoeken, of zijn moeder gelijk had en Freddy te kunnen vragen, of zij hem lief had. Toen hij nog op straat was, had het hem toegeschenen, dat hij slechts binnen behoefde te zijn, om zekerheid te hebben. En nu was hij gedwongen mevrouw Van Erlevoort te vertellen van Bodegraven, van den burgemeester aldaar en in ruil van die mededeeling te hooren, hoe hard Etienne studeerde.

Hij knikte bevestigend, hij glimlachte en hoorde niet, wat zij zeide.

De deur werd geopend en Mathilde en Frédérique traden binnen. Mathilde, bleek, in het zwart, had iets strengs en onderzoekends over haar, anders zachte, gelaatstrekken. Frédérique groette hem met een hand en een onverstaanbaar woord. Mevrouw schonk thee en het gesprek vloeide verder voort: een nuttelooze woordenwisseling, die wreed was door hare onbeduidendheid.

Voor niemand in de kamer was het een geheim, dat Freddy Paul had afgewezen. Voor elk moest het van beteekenis wezen, dat hij nu ten hunnent was gekomen. Frédérique's ziel sidderde van zoete verwachting. Paul had niets liever gewild dan zijn verzoek van dien zomer herhalen. Toch zou niemand dien avond een woord over de gewichtige zaak, die hun aller harten in spanning bracht, reppen. Het was wreed, maar het kon niet anders. En Paul bedacht, hoe hij misschien tot zekerheid omtrent Frédérique's gevoelens zou komen, indien ze een seconde alleen waren....

Maar toch sprak hij tot haar anders dan hij, bijvoorbeeld, dien middag bij de Verstraetens gedaan had. Hij legde bijna een smeekenden weemoed in zijne stem en het troostte hem, dat hare stem als een echo klonk van de zijne, ook weemoedig, ook klagend. Haar oog hief zich zwaarmoedig en schuchter tot hem op: zou hij iets weten van dien avond, waarop mevrouw Van Raat haar geheim haar had ontwrongen? Mevrouw had immers beloofd te zwijgen! Maar mevrouw zou toch niet gezwegen hebben, als ze zeker was, dat heur zoon haar, Freddy, nog liefhad.... Dat zou geene moeder gedaan hebben, al had ze ook beloofd... O, die martelende onzekerheid!

Zoo leden zij beiden, terwijl er slechts één woord noodig was.

Na een uur stond hij op. Wat had hij zich niet van dit bezoek voorgesteld en welk een teleurstelling was het hem niet geworden...

--Mag ik eens gauw terugkomen? vroeg hij bijna smeekend.

--Zeker, Paul, kom gauw eens terug! antwoordde mevrouw zonder uitdrukking.

Hij hield nog steeds Freddy's hand. Zij drukte even de zijne en liet die toen los.

--Doe dat! sprak zij eenvoudig, met iets vochtigs in haar oog.

Hij wijfelde nog een oogenblik, onzeker of zij die twee woorden met bedoeling geuit had. Toen ging hij.

Frédérique weende zacht, nu hij vertrokken was. Mevrouw Van Erlevoort trok haar tot zich en kuste haar. Toen mevrouw zich daarna met Mathilde alleen bevond, vroeg deze verwijtend:

--Had u niets kunnen zeggen, mama?

Mevrouw Van Erlevoort gevoelde zich zeer ongelukkig en trok hare wenkbrauwen op.

--Kindlief, wat had ik kunnen zeggen? Het was toch aan hem om het eerst te spreken.

--Maar hoe moeilijk kon hij dat doen... op dat oogenblik! Arme jongen! Arme Freddy!

Mevrouw zuchtte.

--En toch mocht ik niets zeggen! herhaalde zij droevig. Het kon niet anders....

--Ach ja, het kon niet anders! hernam Mathilde.

Zij bleven beiden een pooze zwijgen en dachten na. Toen sprak mevrouw, zacht glimlachend:

--Maar nu het ijs gebroken is.... zal het toch wel tusschen hen in orde komen.... Geloof je ook niet?

Mathilde antwoordde niet, maar zij glimlachte eveneens en knikte zachtjes, geruststellend, van ja.

VIII.

Mevrouw Van Raat troostte Paul, toen hij nog dien avond haar den uitslag zijner visite had medegedeeld. Hij was niet gerust, onvoldaan.

--Maar lieve jongen, wat dacht je dat er gebeuren zou? Dat mevrouw Van Erlevoort je zou omhelzen en Freddy ook? Je vindt, dat die visite tot niets geleid heeft! Maar hoe kan je dat zeggen? Freddy begrijpt nu immers, dat je nog van haar houdt, dat je nog een tweede avance doen wilt. Anders was je immers niet op het Voorhout gekomen.

--Ik had haar al vroeger gesproken van een visite.

--Die je nooit gemaakt zou hebben!

--Denkelijk niet....

--Nu.... wat wil je dan meer voor het oogenblik?

--U vraagt me, wat ik nog meer wil... o God, o God!

--Maar Paul, ze wil je immers terug zien....

Hij glimlachte door de vertwijfeling zijner trekken heen.

--Is je dat dan nog geen zekerheid genoeg? Kan je dat dan nòg niet doen gelooven? vroeg mevrouw met klem.

Hij zuchtte, overvol van zijn onvoldaan verlangen.

--Paul, zeg me nu, kan je gelooven, dat ze van je houdt? Want als je dat gelooft, komt alles in orde....

--Hoe zou dat? klaagde hij, wanhopig onder de teleurstelling van dat bezoek.

--Ach, zoo eenvoudig.... Ik verzoek morgen belet bij mevrouw Van Erlevoort en vraag Freddy tot mijn dochter....

--Tot uw dochter....

--Tot de vrouw van mijn zoon, tot jouw vrouw, Paul! Begrijp je me, of schemert het je nog zoo een beetje? glimlachte zij schalks.

Hij richtte zich als getroffen op.

--Neen, mama, ik wil volstrekt niet, dat u dat doet. Ik weet immers niets zekers van Freddy....

Mevrouw haalde hare schouders op. Zij wist heel veel zekers van Freddy en zij vond, dat de comedie nu lang genoeg duurde. Als zij niet oppaste, zouden die kinderen zoo tegenover elkander blijven boudeeren tot in der eeuwigheid!

--Paul, sprak zij eenvoudig, je moest me hierin eens mijn eigen wil laten volgen, je hebt mij je verdriet bekend, je hebt vertrouwen in me gesteld: stel nu nog een weinig meer vertrouwen in me, als ik je vertel, dat alles in orde komt, wanneer je mij laat handelen, zooals ik verkies.

Er was zoo iets beslists in haar stem, dat Paul verwonderd opzag. Toen maakte hij een gebaar van neêrslachtigheid en berusting, en hij riep:

--Doe dan zooals u wilt! Maar het is me noodeloos plagen, het zal voor niets zijn, voor niets....

--Nous verrons! antwoordde mevrouw.

IX.

Toen mevrouw Van Raat den volgenden middag bij mevrouw van Erlevoort belet had laten vragen en de twee dames met elkaâr hadden gesproken, kwam Willem Freddy verzoeken in den salon te komen. Freddy was met Mathilde samen.

--O, Mathilde! stamelde Freddy blozend. Ik bid je, ga meê....

--Maar zusje, wel neen!

--Ik durf niet, waarlijk niet.

Mathilde lachte zacht.

--Ik zal je tot de deur brengen, dwaze meid.... kom.

Zij stonden op en Mathilde wond haar arm om Freddy's middel. Zij gingen langzaam de trap af.

--Kost de reis je zoo een moeite? vroeg Mathilde schertsend.

--Ik kan er niet aan gelooven!

Zij stonden voor de deur van den salon.

--Ga meê, Mathilde! smeekte Freddy bijna weenend.

Mathilde kuste haar, steeds glimlachend, het voorhoofd, en opende de deur, Freddy moest binnentreden en Mathilde sloot de deur achter haar.

Dralend ging Mathilde in den kleinen salon, naast het vertrek, waar Freddy met de twee oude dames was. Zij liet zich op een bank neêr en hoorde door de porte-brisée het gesuis van liefkoozende stemmen en een zacht gesnik ... Mathilde's oogen zelven vulden zich met tranen. Een zware weemoed viel op haar neêr bij den dageraad van het geluk harer zuster. O, mocht zij gespaard blijven voor teleurstellingen! Mocht haar geluk niet alleen een dageraad zijn, maar een heldere dag worden! Mathilde dacht aan een dergelijken dageraad, nu tien jaar geleden....

Zij wischte echter hare tranen af. Zij hoorde bellen en Willem in de vestibule loopen. En ze hoorde hare moeder zeggen:

--Zeg aan den koetsier van mevrouw Van Raat, dat hij terug rijdt om meneer Paul te halen! Maar meneer is niet in de Laan van Meerdervoort; meneer is bij meneer Verstraeten. Gauw, Willem.

Mathilde opende zachtjes de porte-brisée. Frédérique maakte zich los uit de armen van mevrouw Van Raat en stortte zich in die harer zuster.

--Tilly, Tilly! riep ze en ze klemde Mathilde, tot Mathilde geen adem kon halen.

Zij zaten te wachten, Freddy hand in hand met mevrouw Van Raat en Mathilde; mevrouw van Erlevoort stralende van geluk.

--Is hij bij meneer en mevrouw Verstraeten? vroeg Freddy, terwijl in haar oogen steeds nieuwe tranen vloeiden.

--Hij kon zoo lang niet alleen blijven, ik heb hem eerst op de Princessegracht gebracht! antwoordde mevrouw Van Raat. Arme jongen! Hij zal in zoo een spanning zijn....

Bij ieder rijtuig, dat voorbijging, schrikte Freddy op. Er ging een kwartier om, dat zich scheen voort te sleepen....

Maar ten laatste hoorden zij den coupé aanrollen. Mathilde zelve deed Paul open, tegelijk dat Paul belde. Hij zag haar niet, groette haar niet, het scheen hem te duizelen, maar zij geleidde hem naar binnen. Daar zag hij Freddy voor zich staan, trillende van aandoening, maar met een blik zoo overgelukkig, zoo zalig....

--Freddy! Freddy! riep hij bevend en hij sloot haar in zijn armen als wilde hij haar nooit weêr loslaten. Hij was niet meester zijn tranen in te houden en zij weenden allen. Maar de twee oude dames knikten elkaâr, al hielden zij den zakdoek voor het gelaat, glimlachend toe, en drukten elkaâr de hand.

X.

Zij waren alleen.

--Ben je nu van mij, geheel en al van mij? vroeg hij, terwijl zij aan zijn borst lag, moê geweend, en haar armen zijn hals omketenden.

--Ja, vergeef je me? vroeg zij fluisterend. O, als je wist wat ik zelf er onder geleden heb. Want ik hield al zooveel van je, dienzelfden morgen toen....

--Willen we daar nooit meer over praten, nooit meer?

--Nooit meer! herhaalde zij. Goed! Ik had niet gedacht, dat het ooit weêr zoo worden zou, Paul!

--Ik ook niet. Maar kort geleden ben ik toch gaan vermoeden, dat het zich nog zou schikken.

--Kort geleden? Zeg Paul, sedert wanneer ben je dat gaan vermoeden?

--Sedert wanneer? Ik weet het niet meer. Misschien van het oogenblik, dat ik van mama hoorde, dat je dikwijls bij mama kwam.

--Wist je dat niet?

--Neen. Ik dacht dat je niet meer bij mama kwam, zooals ik hier niet meer kwam.

--Je mama heeft zelf me gevraagd dikwijls bij haar te komen. Met Marie, zoo 's avonds, weet je, om voor te lezen,

--Heeft mama je dat gevraagd?

--Natuurlijk, anders was ik nooit gekomen.

--Heeft mama je dat zelf gevraagd? Dat heeft ze me nooit gezegd.