Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 42

Chapter 424,162 wordsPublic domain

Het scheen wel zoo, want hij spaarde haar niet. Hij praatte door, vroeg naar de opera, naar de Diligentia-concerten, naar het huwelijk van Marguerite Van Laren, en hoewel Marie Frédérique vaak het antwoord uit den mond nam, schenen die nietige vragen als pijnlijke flitsen alle op haar, Frédérique, gedoeld. Maar zij richtte zich op onder de smart, zij herwon hare oude fierheid en zij slaagde er weldra in hem op ongedwongener toon te antwoorden. En zij herinnerde zich hare eigene woorden, waaraan hij nu getrouw bleef: zij behoefden elkander immers niet te boudeeren, omdat hij haar bij toeval had ten huwelijk gevraagd en zij, als een meisje dat niet naïef was...

O, ze wist het, ze had hem in de hoogste mate gegriefd met hare minachting en hoe vriendelijk en luchtig hij schijnbaar nu sprak, zijn hart was vol van wrok over hare beleediging...

III.

Dien avond, na het diner, wierp Paul zich in een gemakkelijken stoel.

--Wanneer ga je naar Bodegraven terug? vroeg mevrouw Van Raat zacht.

--Morgen ochtend.

--Blijf je van avond thuis?

--Ja, ik geloof het wel.

--Steek gerust een sigaar op, kind, het hindert me niets, als je rookt. Wil je eerst koffie?

--Als het geen last geeft...

Mevrouw belde en Leentje zorgde voor de koffie. Ook mevrouw zette zich in haren gewonen fauteuil, waarin zij meestal na den eten een dutje deed. Maar al sloot zij hare oogen, toch bleef hare gedachte werken. Al was er iets gezelligs in, dat Paul in dien gemakkelijken stoel zat, zijn koffie en zijn cognac dronk en een sigaar opstak, toch scheen het haar toe, dat er een afstand tusschen haar en heur zoon was, een afstand, die iederen dag grooter werd. Het was als een vervreemding. De oude vrouw zocht in zichzelve, of zij zich iets te verwijten had, een hardheid, eene onbillijkheid, maar zij vond niets. Wel is waar had zij vroeger voor Henk haar innigste liefde gekoesterd, en had Paul haar door iets grilligs en indolents in zijn karakter geërgerd, maar nu gevoelde zij, als uit instinct, een groot medelijden voor haar jongsten zoon, in wien zij een leed ried, dat haar geheel en al onbekend was. En hoe grooter dat medelijden werd, hoe meer die afstand zich verbreedde.

Zij opende even de oogen, die zij gesloten had, en zag met een steelschen blik naar Paul. Werktuiglijk scheen hij den rook van zijn sigaar in blauwe kronkelingen weg te blazen en zijn oogen dwaalden, alsof hij nadacht, langs de kleurige arabesken van het plafond... Hij zag niet, dat de blik zijner moeder op hem rustte en hij verschrikte een weinig, toen hij haar zachte stem hoorde.

--Paul, zeg eens, voel je je minder wel dan anders.... Ben je ziek?

Hij richtte zich een weinig op en glimlachte.

--Hoe komt u daarop? vroeg hij. Ik zie er toch niet slecht uit. Iedereen beweert, dat ik nog zwaarder ben geworden.

Uitvorschend zag hij haar aan: wat dacht zij? Hare bezorgde vraag was hem zoet geweest; hij voelde er iets troostends in, er vloot iets uit als een balsem, maar die balsem scheen hem nutteloos....

--Ja, dat kan wel zijn, antwoordde mevrouw Van Raat, en het werd haar of de afstand minder werd. Maar... maar je bent toch niet zoo als je vroeger was. Vergis ik me, of is er iets dat je drukt...?

--Iets dat me drukt... wel neen!

--Bevalt je je werkkring niet meer, verveel je je daar op zoo een dorp?

--Ach, het is nu juist niet amuzant, maar ik schik er mij heel goed. Den Haag verveelt ook op den duur.

--Heb je dus heusch niets? Is er niets wat je hindert....?

--Ach moeder, waar zit je toch zoo over te tobben; ik heb heusch niets. En ik ben zoo gezond als een visch.

--Nu des te beter, mijn jongen....

Zij onderdrukte een zucht, liet het hoofd terug in den stoel vallen en sloot de oogen. De afstand was weêr even ver als vroeger. Er ging een pooze voorbij en Paul dacht dat zij sliep. Maar eensklaps hoorde hij haar zacht weenen, de handen voor het gelaat.

--Moesje! wat is er nu? vroeg hij, een weinig verbaasd.

--Niets, niets! murmelde zij terug. Er is niets aan te doen....

Hij stond op, kwam nader en zette zich naast haar.

--Zeg me, waarom u huilt.... Is het mijn schuld, dat u huilt?

De ongewoon zachte klank zijner stem deed haar wegsmelten van droefheid.

--Neen, kind, neen, het is niet jouw schuld, maar het is zoo treurig, zoo treurig....

--Wat is treurig?

--Dat jonge menschen zich zoo opsluiten in hunzelve en altijd denken, dat wij niets voor ze kunnen doen. Eline dacht dat, en het maakte me zoo ongelukkig. En nu denk je het ook, jij, mijn eigen kind. Want ik voel het, dat je je voor me verbergt. Ik voel, dat er iets is, waarover je verdriet hebt....

--Ik verzeker u....

--Verzeker me niet, dat het niet zoo is: je hoeft er niet om te jokken. Ik zeg je, kind, dat ik het weet.... Ik voel het al sedert maanden. En ik had je al lang willen vragen of je geen behoefte had het mij te vertellen, maar ik was bang, dat je me zou afschepen.... Ik vraag het je nu ook niet; ik huil er maar een beetje om, omdat het zoo treurig is.

Er tintelde iets vochtigs ook in zijne oogen, en zwijgend streelde hij hare oude hand.

--Ach, ik neem het je niet kwalijk, dat je zoo bent; jullie zijn tegenwoordig allemaal zoo, jullie stellen geen vertrouwen in je ouders.... En wie kan zooveel van je houden als je moeder.... Maar neen, je zwijgt, je bent zoo diplomatisch mogelijk.... Altijd zwijgen, alles verzwijgen, en wanneer je spreekt, niets zeggen.... Zoo zijn jullie allemaal.... Je leeft niet meer met elkaâr.... Ieder denkt om zichzelven, ieder heeft zijn eigen plezier en zijn eigen verdriet.... Ach, het zal wel zoo moeten, het zal wel niet anders kunnen. Maar het is zoo treurig....

Zij snikte zachtjes, gedrukt onder het noodlot, dat die vervreemding van ouders en kinderen eischte. Zijn lippen trilden, zijne oogen stonden vol tranen, maar hij zweeg.

--Je ziet, dat je kind gebukt gaat onder iets.... maanden lang.... maar je bent niet thuis in het hart van je kind, je bent voor niets goed meer.... Altijd maar zwijgen, dat is het beste....

Hij slaakte een grooten snik, geheel verweekt, omdat zij hare teederheid verspild waande, en hij verborg zijn gelaat in de handen. Zacht wond zij haar arm om zijn hals en het hart brak haar, nu zij hem, zoo groot en sterk, in hare omhelzing hoorde weenen. Zij kuste hem op zijn dik, donkerblond haar.

--Ik verwijt je niets, mijn jongen; je moet er niet om huilen, hoor....

Hij klemde zich vaster aan hare borst, in een strijd of hij spreken zou of zou blijven zwijgen.

--Begrijpt u dan niet, dat het soms zoo wreed kan zijn te moeten spreken. Dat men veel minder lijdt als men zwijgt....

--Misschien voor het oogenblik, maar beurt het later niet op, gesproken te hebben?

--Ik weet het niet, ik weet het niet! stamelde hij.

Zij drong niet aan, maar hij bleef in hare armen, weldadig getroost door het overvloeien harer moederlijke liefde. Hij wachtte nog, hopende, dat zij meer zou dringen. Maar toen zij niet meer sprak, begon hijzelve te spreken, in een onweêrhoudbare behoefte.

--Hoe is het mogelijk dat u iets gemerkt heeft. Ik dacht, dat ik me zoo goed hield, dat ik was als altijd. Ik woû er maar niet meer aan denken, want ik vond het zoo flauw, zoo laf in me, dat ik me dat alles zoo aantrok. Alsof ik niet kon leven zonder dat nest.

Van het eene kwam hij op het andere en, als bij smartelijke horten en stooten, deelde hij nu zijne moeder mede, hoe hij Frédérique gevraagd had en hoe zij hem zoo schimpend, zoo beleedigend had afgewezen. Hij verklaarde, dat hij er wel eenigen tijd onder geleden had, maar hij zou gauw zijn verdriet te boven zijn: het was te dwaas.

--Hou je dan niet meer van haar? vroeg mevrouw Van Raat.

Hare eerste gedachte, toen hij van "dat nest" sprak, was op Eline gericht, maar toen zij wist dat hij Freddy bedoelde, gevoelde ze, niettegenstaande zijn verdriet, een blijdschap haar gedurende een seconde doortrillen, maar ook slechts gedurende een seconde, want zij werd bedroefd om die teleurstelling, waaronder hij reeds zoo lang geleden had.

--Neen, neen! antwoordde hij en hij schudde driftig het hoofd. O, neen! Ik hou niet meer van haar.

Zij richtte met heure hand zijn gelaat op en zag hem lang in de oogen.

--Waarom ben je nu anders dan vroeger? vroeg zij verwijtend, als ried ze dat hij geen waarheid sprak. Waarom ben je zoo stil en heb ik kunnen merken, dat er iets was, dat je me verborg? Maar ik wil niet meer uitvragen, kind; ik stel me tevreden met wat je me vertellen wilt. Alleen dit: bedrieg me niet, Paul, zwijg dan maar liever.

Hij zuchtte. Hare vingers dwaalden langzaam door zijn haar, terwijl hij, een weinig gebukt, bij haar zat, met het hoofd in de handen.

--O, u is lief! stamelde hij. En het doet mij goed, dat alles aan u gezegd te hebben, maar het is toch ook pijnlijk daarover te spreken.

--Als je niet meer van haar houdt, is het toch alleen pijnlijk voor je eigenliefde, Paul, die een beetje gekwetst is. En dat is een pijnlijkheid, die je niet tellen mag; daar moet je je overheen zetten. Maar ik kan niet gelooven, dat je zou lijden alleen uit ijdelheid. Ik geloof dus niet, dat Freddy je geheel en al onverschillig is geworden. Maar zooals ik je zeg, mijn jongen, ik vraag niet meer, ik wil je geen pijn doen. Ik dank je alleen, dat je vertrouwen in me hebt gesteld en me eindelijk je verdriet hebt laten meêlijden.

--Verwijt u me, dat ik het niet eerder deed?

--Kind, ik verwijt je niets. Ik veronderstel, dat er genoeg treurigheid in je hart is, en mijn verwijtingen behoeven daar niets toe bij te dragen. Maar ik zie je graag gelukkig en je was de dagen, dat ik je zag, stil en eenzelvig. Ik dacht, dat je ziek was, dat je werk je verveelde. Nu weet ik wat het is en tob ik niet meer. En ik geloof, dat het je een beetje verlichten zal, als we samen je verdriet dragen. Mijn arme jongen! Geloof je, dat je oude moeder van je houdt?

Hij knikte van ja en knelde haar in zijn armen. Het viel haar eensklaps op, hoe hij thans, meer dan Henk, op het portret van haar man geleek, dat levensgroot aan den wand hing. En die treffende gelijkenis, met de smart, die hij voelde, maakte dat zij hem in dit oogenblik, nu hij tegen haar bleef leunen, zóo lief kreeg, als zij Henk nooit lief gehad had. Het was een nieuw gevoel, dat haar geheel en al doorstroomde en haar met zulk een weelde vervulde, als zij niet gedacht had ooit om Paul te kunnen koesteren.

IV.

Marie's buien van vroolijkheid waren voorbij. Zij lachte niet meer met dien onbedwingbaren schaterlach, waarmede zij gelachen had gedurende den tijd, waarin zij en Emilie De Woude het huisje voor Georges en Lili hadden gereed gemaakt. Zij schikte zich in de teleurstelling harer verwachtingen. Het leven dommelde voor haar grijs en eentonig voort, als een grauwe wolk aan een droefgeestigen, valen hemel. Janbroêr was nu cadet te Breda en het was stil in huis. Zij benijdde Frédérique het gewoel der Van Rijseltjes, die, al waren Tina en Jo een gedeelte van den dag op school, het groote huis van mevrouw Van Erlevoort toch met een bruisende drukte bleven vervullen. Zij ook, zij verlangde zulke drukte.

Otto kwam nooit in Den Haag. Sedert Augustus, toen Marie op de Horze gelogeerd had, had zij hem niet meer gezien, en zij teerde op de armoede harer weinige herinneringen; het heugde haar, hoe zij, ginds op de Horze, een enkele maal alleen met hem gesproken en gewandeld had in het park. Nooit waren die gesprekken vertrouwelijk of belangrijk geweest. Maar toch schonken zij haar nu in het verleden kleine, zoete oase's, waarvan hare gedachte noode scheiden kon.

Slechts een enkele maal was de stille roman van haar hart tot een crisis gestegen. Eens had Frédérique, over Eline, over Otto's eenzaam leven in Elzen sprekende, uitgeroepen:

--O, Marie, jij zou een lieve vrouw voor Otto geweest zijn! Jij zou hem gewaardeerd hebben.

--Ik! had zij schuchter geantwoord en zij had gepoogd te glimlachen. Toen Frédérique later vertrokken was, had zij bitter geweend. Maar na die ure werd alles weder hetzelfde: een grijze, zachte treurigheid, waarin zij zich schikte.

Zoo zat zij een middag te mijmeren, toen zij verrast werd door een bezoek van tante Dora, mevrouw Van Raat. Marie was alleen thuis; de heer Verstraeten was naar Lili, mevrouw op boodschappen uit. Tante trof het slecht, meende Marie; tante kwam zoo zelden en nu waren papa en mama er niet. Maar tante antwoordde, dat ze het heel gezellig zou vinden, wat met Marie te babbelen. Zij zette zich en het verwonderde Marie, hoe tante, die anders zoo stil was, nu allerlei onderwerpen aanroerde, uit zichzelve naar het bal van de Eekhofs vroeg, over een brief van Eline sprak en beweerde, dat Paul zich toch maar goed in Bodegraven hield en nu bij zijne voornemens scheen te willen blijven. Het verheugde Marie, dat tante nu zoo vriendelijk over Paul sprak, terwijl zij meestal over hem placht te klagen. Ook vond Marie het heel aardig van tante, dat ze bij het heengaan zeide:

--A propos, hoe gaat het met Freddy? Ik heb haar in lang niet gezien. Je mag haar wel eens zeggen, dat ze me mooi begint te vergeten... Ze is zeker in geen maanden bij me geweest! Zal je haar eens vertellen, dat ze een stoute meid is?

--Goed tante, ik zal het doen! antwoordde Marie met een zacht lachje. Mevrouw Van Raat vertrok. Marie bleef eenzaam, peinzend of tante Dora iets wist of vermoedde van het voorgevallene tusschen Paul en Freddy.

V.

Toen Frédérique door Marie vernam, dat mevrouw Van Raat een bezoek wachtte, bedacht zij zich een poos. Opzettelijk had zij het huis van de Laan van Meerdervoort vermeden, uit een gevoel van kieschheid, gemengeld met weemoed en schroom. Nu mevrouw haar echter verwachtte, meende zij hieruit te moeten opmaken, dat Pauls moeder niets wist van het aanzoek haars zoons. Daarbij toonde Paul zelve zeer duidelijk, dat hij het verleden wenschte te vergeten. Hare kieschheid was dus overbodig en schroom en weemoed alleen mochten haar niet weêrhouden de vriendelijke oude vrouw niet te veronachtzamen. Zij besloot dus haar een visite te maken.

Maar heur hart klopte snel en angstig toen zij aanbelde. Als een vreemde bezocht zij mevrouw Van Raat en zij had haar tot een dochter kunnen worden.

Mevrouw toonde zich zeer verheugd Frédérique te zien, en terwijl zij haar eenige vriendelijke, belangstellende vragen deed, nam zij het jonge meisje aandachtig op. Mevrouw herinnerde zich iets als een droombeeld gekoesterd te hebben, waarin zij Paul en Eline te zamen zag, en zij kon het niet helpen thans een vergelijking te maken tusschen Eline's verwelkte elegance en de rozige frischheid van Frédérique, slechts een weinig overwaasd door een bijna onzichtbare melancholie. Maar hoe innemend die bloeiende schoonheid ook was, mevrouw Van Raat voelde toch wrok.... wrok terwille van haar Paul. Frédérique was zoo mooi, zoo gezond en hij leed, leed in stilte....

Zij had niet gedacht, dat ze zoo diplomatisch kon zijn, de oude vrouw. In heur hart wist zijzelve niet wat zij wilde en had zij geene overdachte voornemens; alleen gevoelde zij een behoefte Frédérique beter te kennen dan zij deed, eenigszins te raden wat er in de ziel van dat mooie meisje omging, nu, op het oogenblik, dat zij koutte met de moeder van den man, dien zij afgewezen had. Maar voor die karakterstudie was dit oogenblik, nu beiden hare geheime gevoelens onder een sluier van oppervlakkigen kout moesten verbergen, te kort. Toch scheen het, toen Freddy vertrokken was, mevrouw toe, dat zij met beide handen haar wrok moest vasthouden, wilde die niet vervliegen... Wat was dat kind eenvoudig, vriendelijk, lief, en dat zonder de behaagzieke aanlokkelijkheid van Eline! Neen, met Paul gespeeld kon Freddy niet hebben, zij hield niet van Paul of.... ach, of er waren andere redenen.... Aan die andere reden wilde mevrouw het liefst gelooven....

--Nu heb je het goed gemaakt! zeide mevrouw tot Freddy, toen ze vertrok. Maar laat me je nu niet meer behoeven aan te manen. Je komt nu en dan eens uit jezelve aan, kwade meid! Ik ga nooit uit en ik zit hier zoo alleen. Ik vind het zoo prettig 's middags de een of ander te zien...

De wrok was zeer nevelachtig, toen Frédérique met een kus beloofde dikwijls te zullen komen.

Er was na dat bezoek vaak iets nadenkends in den doffen blik van mevrouws oogen en om haar lippen een glimlachje, waarin bijna iets sluws speelde. Zoo langzaam, langzaam aan had mevrouw uit hare onzekerheid en doelloosheid een doel zien verrijzen. Maar het was moeilijk dat doel te bereiken. Het was wel veraf! Vertrouwde zij nogmaals niet te veel op hare zwakke, oude krachten, zooals zij te veel op ze vertrouwd had toen dokter Reijer haar had aangespoord Eline tot levensvreugde op te wekken? Zou haar niet nogmaals eene teleurstelling wachten, eene nog grootere, nu heur doel het geluk van haar kind gold? Maar eenvoudig geloovig als zij was, bad zij innig God om hulp, om verlichting.

Toen Paul na eenigen tijd weder in Den Haag kwam, sprak zijn moeder geen woord over Frédérique en haar bezoek. Al meer en meer begon mevrouw met diplomatische tact de draden van heur net te spinnen. Bij Freddy's tweede bezoek bracht zij het gesprek op lectuur en ze beweerde, dat het zoo heerlijk was voorgelezen te worden; vroeger deed Eline dat wel eens, maar ze werd zoo gauw moê. Marie was nu zoo vriendelijk het een enkelen keer te doen, des avonds. Frédérique moest dan eens meêkomen. Frédérique beloofde het, maar niet zonder strijd. Hoe meer mevrouw haar aanhaalde, hoe grooter haar schroom, hoe dieper haar weemoed werd, en zij overdacht vaak hoe mevrouw jegens haar wezen zou, indien zij wist... Want nooit liet mevrouw ook maar in het minste blijken, dàt ze wist, en dat Paul haar alles had medegedeeld. Frédérique wist zich niet te onttrekken aan de liefkoozende innemendheid der oude vrouw en zij kwam steeds vaker en vaker in het huis der Laan van Meerdervoort. Paul ontmoette zij echter niet, daar zij nooit kwam zoo hij in de stad was, en mevrouw zelve haar die dagen ook niet vroeg te komen.

En steeds bleef de toenadering zijner moeder tot Freddy een geheim voor Paul; hij wist niets van heur herhaalde bezoeken, van die leesavonden met Marie.

Mevrouw Van Raat sprak soms over hem, ter loops, om niet den schijn te hebben, alsof zij vermeed zijn naam te noemen, maar elken keer, dat zij dien naam uitsprak, poogde zij, innerlijk zeer angstig, Frédérique te doorgronden. Het was begrijpelijk, dat Frédérique bij dien naam een lichte verlegenheid gevoelde, en die lichte verlegenheid was ook zichtbaar. Maar meer dan die verlegenheid zag zij niet en zij werd ongeduldig. Zij nam zich voor bij de eerste gelegenheid de beste den langzamen gang der omstandigheden, die haar heur doel niet nader brachten, een weinig te brusqueeren.

Op een avond, dat mevrouw Van Raat Marie en Frédérique verwachtte, kwam de laatste alleen, daar Marie licht ongesteld was. Frédérique wisselde Marie een enkele maal af als lezeres en vroeg mevrouw, of deze zich voor van avond met haar wilde tevreden stellen. De komst van het jonge meisje vulde aanstonds met een zachte gezelligheid de ruime kamer. Buiten woei het, maar binnen scheen het gaslicht rozig door de roode kappen, en de theeketel neuriede. Tolstoï's tweede deel van La Guerre et la Paix lag op tafel.

Maar het zou dezen avond niet gauw tot de lectuur komen. Mevrouw keuvelde honderd uit, en Frédérique verwonderde er zich over, dat mevrouw tegenwoordig zoo opgewekt was. Ze bracht het gesprek op Paul; hij was in den laatsten tijd ernstig en degelijk geworden, geheel anders dan vroeger. Frédérique's lichte verlegenheid was weêr zichtbaar, maar Pauls moeder dacht er niet aan dezen avond ontferming te toonen. Het was Paul voor en Paul na. Ach, hij was nooit kwaad geweest. Hij verloor nu zijn wilde haren, hij had nu uitgeraasd en hij werd een beste, verstandige jongen. Het had heel anders met hem kunnen eindigen. Het was zoo gevaarlijk voor een jongmensch geld te hebben. Zij was heel tevreden over Paul en Freddy had hem ook gaarne mogen lijden, niet waar?

--Niet waar, je mag hem immers ook? herhaalde mevrouw dringend, toen Freddy iets onhoorbaars had gestameld.

--O zeker.... zeker! stotterde Freddy ten tweede male.

Mevrouw martelde haar en zag het, dat ze haar martelde, maar ze zou geen medelijden toonen, want ze wist nog niets zekers. Ze wist nog niet of Freddy haar Paul nog niet een weinig lief kon hebben; ze wist de redenen niet, die hen van elkaâr gescheiden hadden.

--Nu we toch over hem praten, hernam mevrouw vertrouwelijk, nu moet ik je toch eens iets vragen, Freddy. Zal je het me niet kwalijk nemen?

Zij had hare hand op Frédérique's arm gelegd en zij voelde, dat het meisje beefde. Heure groote oogen zagen mevrouw bijna verwijtend aan. Inderdaad was het Freddy, alsof die oude dame haar in een net van vriendelijkheid en sympathie gevangen had, waaruit zij niet vermocht los te breken. Moeilijk kon zij iets anders stamelen dan:

--Natuurlijk niet! Wat wilde u vragen?

En zij sidderde van angst voor die vraag, die komen zou.

--Ik wou je vragen, of er iets onaangenaams is voorgevallen tusschen jou en Paul. Ik zal je zeggen hoe ik daarop kom. Hij doet altijd zoo vreemd, als ik bij toeval je naam noem, weet je, of als een ander dat doet. Het is alsof hij dan geheel van streek raakt, alsof hij boos is. En omdat ik weet, dat hij nogal brutaal kan zijn, vreesde ik, dat hij je misschien met iets beleedigd had, en dat jullie nu een beetje tegen elkaâr boudeerden. Ik hoop toch niet, dat er iets bijzonders is voorgevallen, wel?

--Neen, o, neen, er is niets voorgevallen, niets, ik verzeker het u.

Mevrouw nam hare hand, die kilkoud was, en streelde hare vingers.

--Kom, kind, ik zou het me maar vertellen. Weet je, Paul kan nogal brusk zijn, maar dat doet hij uit gekheid. Ik zie hem wel eens zoo dwaasheden verkoopen met Françoise Oudendijk, en de Eekhofjes, en dan verwondert het me altijd, dat die meisjes niet vreeslijk gepiqueerd zijn. Of liever: vroeger zag ik hem wel, op zijn manier, zoo flirten; nu is hij verstandiger geworden.... Zie je, daarom zou ik me best kunnen begrijpen, dat je boos op hem was geworden om het een of ander, en hij boos op jou, van den weêromstuit. Maar iets ernstigs zal het wel niet zijn, en daarom moesten jullie maar weêr goed op elkaâr worden. Als je me nu vertelt wat het is...

Frédérique verzamelde al hare kracht om te veinzen. Maar ach, het ging haar zoo slecht af....

--Maar mevrouw, ik verzeker u, er is niets! riep zij met een trillende stem en zij kon niet verhinderen, dat heure oogen vochtig wierden. Er is niets, niets!

Pauls moeder zag haar ongeloovig aan.

--Lieve meid, wat kan je jokken. Wat kan je vreeslijk jokken! Foei! Je begrijpt, ik ga me allerlei dingen in het hoofd halen, als je niet voor de waarheid wilt uitkomen! Ik ga de ergste dingen uitdenken? Maar schatje, ga je nu huilen?

Frédérique was zichzelve niet meer meester. De tijd, dat zij bij mevrouw Van Raat zat, was haar van de eerste seconde tot de laatste een foltering geweest. De gedachte aan Paul, door mevrouw geprikkeld, had haar al snerpender en snerpender doorvlijmd. De smart woedde nu in heur hert. En zij barstte in hartstochtelijke snikken uit, die haar gelaat verwrongen.

--Waarom gelooft u me niet, als ik u zeg... begon zij en hare stem klonk als een schril verwijt.

Mevrouw omving haar in heure armen.

--Omdat ik je niet gelooven kàn, als je me zegt, dat er niets is voorgevallen, terwijl je zoo huilt, zoo vreeslijk huilt. Vergeef me, kindlief, als ik je verdriet heb aangedaan, en als ik dat nog doe, maar wat moet ik denken, Freddy! Zeg zelf, wat moet ik denken van die tranen, kind?

--Niets, niets, u mag er niets van denken, want er is niets! snikte Freddy wanhopig.

Mevrouw klemde haar zacht vast. Waarom had dat kind haar zoon van zich gestooten, als zij hem lief had?

--Freddy! Hoor Freddy! Hou je van Paul? fluisterde mevrouw.

Freddy snikte steeds en zij verweerde zich: zij poogde zich los te maken uit die omarming.