Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 41
--Neen, nu niet.... maar zoo even.
--Sprak ik toen Engelsch? Ik wist het niet....
--Waarom heeft u nooit Engelsch met me gesproken?
--Ik weet het niet....
--Jawel, u weet het wel.
--Neen, heusch niet.
--Ik verzeker u, dat u het weet. Zegt u nu waarom, kom! Zij lachte vroolijk.
--Omdat u zoo grappig Fransch spreekt. U heeft zoo een aardig accent.
--U heeft me dus altijd in stilte uitgelachen?
--Neen, ik verzeker u, waarlijk niet....
--Wat wil u voortaan spreken? Engelsch of Fransch?
--Fransch. Anders denkt u toch, dat ik u uitlachte.
--Daar is niets geen logica in hetgeen u nu zegt.
--Dat is wel mogelijk, maar toch wil ik Fransch blijven spreken.
--Goed. Weet u wel, dat u niet zoo heel zwak meer is, maar dat u flinker wordt?
--Waarom?
--Ik heb u voor den eersten keer, dat ik u ken, hooren zeggen: Ik wil. Let op mijn woorden: u begint met een beetje wil te krijgen, en dan krijgt u een heel vasten wil. En als u een vasten wil heeft, wordt u flink. Zal u uw beetje wil nu goed cultiveeren, als een broeikasplantje, dat veel zorg noodig heeft?
Zij lachte steeds, op haar zachte, liefelijke wijze.
--Ik zal nog verbazend koppig worden onder uw invloed.
--Neen, dat hoop ik niet. Maar ik zou heel gelukkig zijn, als u een beetje flinker werd onder mijn invloed.
--Ik zal mijn best doen.
--Ik hoû u aan uw woord. En nu ga ik u verlaten. Het is bij elven.
Zij zweeg, zij had een uitroep, iets als "nu al?" op de lippen, maar zij had zich bijtijds ingehouden.
--En vertelt u me nu oprecht, vindt u niet, dat u verstandiger zal doen met van avond vroeg naar bed te gaan en te probeeren te slapen, dan u gedaan zou hebben, als u tot zes uur in den morgen had gedanst met zonderlinge cavaliers en in het bijzijn van nog zonderlinger danseuses?
--U heeft volkomen gelijk. Ik ben u innig dankbaar.
--Ik u ook, voor de munt die u mij gegeven hebt.
Zij voelde, dat hij haar niet alleen dankbaar was voor de munt.
--En nu goeden nacht. Goeden nacht, Eline.
Zij zag vol zachtheid naar hem op bij het hooren van haar naam, dien hij zoo zonder haar vergunning, uitsprak.
--Goeden nacht, Lawrence, fluisterde zij.
Zij stak haar hand uit. Hij hield ze even in de zijne, met de oogen in hare oogen; toen liet hij de dunne vingertjes los.
--Adieu! sprak hij met een laatsten hartelijken knik en hij ging.
Zij bleef even peinzend staan. Daarna beval zij den knecht het licht in de zaal uit te doen, en trok zij zich terug in hare slaapkamer. Zij deed de munten van haar kapsel op heur kaptafel glijden. Op een stoel lagen de glinsterende draperies van heur toilet en hare almeeënmuiltjes stonden er bij.
Terwijl zij zich uitkleedde, hoorde zij nog steeds zijn stem en hoorde zij dat lichte accent. Dralend ordende zij hare bijouterieën. Haar oog viel op heur horloge, aan welks ketting een zwart medaillon hing. Zij opende het, en staarde er lang in, met vochtige oogen.
Toen gaf zij een zeer zachten kus op de beeltenis, die het bevatte, zoo zacht als men een afgestorvene kust. Zij dacht een oogenblik het los te haken van den ketting, om het in een laadje van heur bijouteriekistje te bergen, waarin zij kleinigheden bewaarde, die zij niet meer droeg. Maar toch deed zij het niet.
Zij legde zich te bed. Zij sliep niet. Zij nam ook geen druppels in. Om halfzes hoorde zij Elize, zuchtend van vermoeidheid, met oom Daniël terugkomen. Maar heur slapeloosheid was niet verstoord geweest door angstige nachtmerries en het had haar geschenen, of er een kalme, roze lichtschijn om haar heen had geschitterd.
Tegen den morgen sliep zij een weinig in en toen zij ontwaakte, voelde zij zich niet zoo loom als gewoonlijk bij haar ontwaken.
XII.
Eline zag Elize den volgenden dag niet vóor het lunch, om twee uren. Oom Daniël was reeds uit: hij had steeds veel bezigheden, die nooit nauwkeurig werden omschreven, en waarvan men dus niet juist wist, waarin zij bestonden. Eline vroeg Elize, of zij zich geamuseerd had.
--O, jawel! zeide Elize goedig. Nog al een brouhaha. Het is misschien beter geweest, dat je niet bent gegaan. Het zou je overstuur hebben gemaakt. Le cher poète était désolé. Is St. Clare nog lang gebleven?
--Tot elf uur.
--Ach, zie je, het kan mij niet schelen, of hij je heeft overgehaald thuis te blijven. Maar Daniël vond het nog al gek van je, dat je zoo gehoorzaam was. Intusschen, hem kan het ook niet schelen, hoor! Je bent bij ons zoo vrij mogelijk, dat weet je.
Eline zweeg.
--Maar je moet me toegeven, ging Elize lachend voort, dat het geval nogal te denken geeft. Gedecideerd, Eline, het geeft te denken!
Eline zag haar onderzoekend aan.
--Wat denk je dan? vroeg zij.
--Lieve meid, dat hou ik voor mezelve. Dat vertel ik je niet. Maar ik, die, zooals je weet, nooit denk, ik denk nu wel het een of ander. Toch wil ik je niet intimideeren, hoor: ik vind het heel goed, als het waar is, wat ik denk.
Eline hoorde haar op iets doelen, dat in haar eigen geest slechts in zeer vagen omtrek was opgedoemd.
Zij bleef stil en terwijl Elize, die nog wat moê was van haar bal, zich met een boek op een divan wierp en weldra sliep, zette zij zich in het balcon, om na te denken. Zij had in de laatste dagen weinig nagedacht; zij had zich slechts laten medesleepen door eene zoete weekheid, die haar overweldigd had. Maar nu hadden Elize's bedekte woorden haar tot zichzelve gebracht. Het geval gaf te denken.... Het gaf te denken, dat St. Clare haar had durven vragen thuis te blijven en dat zij zich naar zijn verlangen gevoegd had. Zij dorst de gedachte, die het te denken gaf, niet formuleeren. Hoe gaarne zij zich had willen overgeven aan die gedachte, zij wist dat het nooit kon zijn, nooit.... O, waarom had zij hem niet eerder ontmoet! Wat was het noodlot wreed!
Zij begon te vreezen, dat zij anders met hem had moeten handelen, dan zij gedaan had. Zij had hem misschien moeten afstuiten door stugge koelheid, door verontwaardiging over zijne inmenging over hare zaken. Zij had hem ook niet vergiffenis moeten vragen, nadat zij eenmaal stug geweest was. Maar het was zoo zalig geweest, zich te buigen naar zijn wil. Hij was zoo sterk en zij vond zooveel steun in zijn kracht. Zij had nooit kunnen denken, dat hij haar zou kunnen liefkrijgen, ziek, gebroken schepsel, dat zij was. Hij had haar ook niet mogen liefkrijgen, maar nu was het misschien te laat....
XIII.
Toen zij hem na een paar dagen terug zag, trof hij haar alleen in de groote zaal. Het weer was guur, en Eline ging bijna nooit met oom en Elize uit om haren hoest. Zij zat in den Turkschen stoel, bij het vuur onder den hoogen schouw, en buiten, langs de spiegelruiten, zwiepte een felle wind de sneeuwvlokken voort.
--Ik was zeker u thuis te vinden; daarom ben ik gekomen! sprak hij, terwijl hij plaats nam. Zijn uw oom en tante uit?
--Ja; ik weet niet waar ze naar toe zijn; ik geloof naar een auctie, om antiquiteiten te koopen.
Zij nam zich voor eenige terughoudendheid in hare antwoorden te leggen, maar zijn gezelschap was haar zoo weldadig, dat zij er niet in slaagde, en haars ondanks zeide zij:
--Ik ben heel blij u weêr eens te zien.
Hij glimlachte even, sprak over oudheden en maakte eenige opmerkingen over het porcelein, dat hier en daar verspreid stond. Daarna zeide hij:
--Ik zal u gauw voor lang gaan verlaten. Wij gaan over Keulen en Berlijn verder....
Het was haar, of heur adem stokte.
--Wanneer vertrekt u? vroeg zij werktuigelijk.
--Over een paar dagen.
--U gaat tot Petersburg, tot Moskou toe?
--Ja.
--Trekt Rusland u aan?
Hij antwoordde een weinig afgetrokken, in korte, hortende zinnen. Terwijl zij luisterde, was het haar, als had zij kunnen weenen. En zijn woorden klonken haar door een waas heen toen zij hem hoorde zeggen, als viel hij zich zelve in de rede:
--Maar ik wilde u iets vragen! Ik wilde u vragen of u, in den tijd, dat ik weg was, nu en dan eens aan mij zou willen denken.
--Zeker wil ik aan u denken! sprak zij met trillende lippen. U is zoo goed en vriendelijk voor me geweest en... en ik zal altijd een aangename herinnering van u houden.
--Dank u, sprak hij zacht. Vind u niet, dat er iets treurigs in is, als men elkaâr heeft leeren kennen en sympathie voor elkander voelt en als men moet scheiden?
--Ja, maar er is zóo veel treurigs in de wereld....
--U zal zeggen, vervolgde hij, zijn eigene gedachte uitspinnend, dat ik te Brussel blijven kan, zoolang ik wil, omdat ik voor mijn genoegen reis en van mijn plan kan afzien. Misschien zou ik zelfs liever te Brussel blijven.
Zij begon te sidderen over haar geheele lichaam, maar zij deed zich geweld aan.
--Waarom zou u niet verder gaan! murmelde zij. Waarom zou u niet de wereld van al haar zijden willen zien...!
--Omdat ik van u hou, antwoordde hij kalm en zijne doordringende oogen zagen haar beslist aan. En omdat ik er tegen op zie u te verlaten. Ik zou gaarne bij u willen blijven, altijd bij u willen blijven om u te beschermen.... Ik huiver er voor, van u weg te gaan: het wordt me, als ik aan mijn vertrek denk, of u een ongeluk kon gebeuren.
Zij wilde iets antwoorden, maar vermocht het niet, want zij stikte bijna in heure ingehouden tranen.
--Dat is immers onmogelijk! sprak zij smartelijk, bijna met wanhoop.
--Waarom is dat onmogelijk? vroeg hij. Waarom is het onmogelijk, dat ik altijd bij je blijf of liever: dat jij altijd bij mij blijft? Zeg, Eline, waarom?
--Omdat het niet kan! antwoordde zij weenend.
--Jawel, het kan wel! Als je van me hieldt, zou het kunnen. Ik zou je meênemen, ik zou voor je zorgen, je zou mijn vrouw zijn,
--En ik zou je ongelukkig maken! weende zij.
--Neen, neen. Integendeel zou ik al mijn best doen je gelukkig te maken, en ik weet zeker, dat ik zou slagen. Hoor eens. Voordat ik je gezien had, door Vincents woorden, stelde ik belang in je. Den eersten keer, dat ik je ontmoette, had ik medelijden met je, want ik zag aan je geheele wezen, dat je verdriet hadt gehad en nog hadt, en dat je niet gelukkig was. Ik bedacht, wat ik doen kon, om je gelukkig te maken. Maar ik vond niets. Alleen, terwijl ik met je sprak, en terwijl ik vol van mijn gedachte was, scheen het me toe, dat er iets opgewektere in je gezichtje en iets tevredeners in je woorden kwam. Misschien verbeeldde ik me dat, maar het scheen me zoo toe. Ik verbeeldde me ook en misschien wel uit ijdelheid, dat ikzelve iets bijbracht tot die verandering. Ik lette op je, wanneer je met andere menschen sprak, maar als je met andere menschen sprak was je stil, koel, stug. En met mij kwam je van het eene woord op het andere en werd je zelfs vertrouwelijk. Toen kreeg ik een groot verlangen om alles voor je te zijn, want ik dacht: àls ik alles voor je was, zou je gelukkig worden en het leven niet meer zoo somber inzien. Elly-lief, je bent nog zoo jong en je verbeeldt je, dat alles voor je gedaan is. Denk dat niet meer, maar vertrouw je aan mij toe, en laten we dan samen onderzoeken, of het leven waarlijk zoo troosteloos is, als je meent. Zeg Elly, wil je dat doen? Wil je met mij zien, of het leven niet geheel nieuw voor je kan worden?
Zij snikte zachtjes en zij hief nu hare vochtige oogen tot hem op en vouwde bijna smeekend hare handen.
--O, waarom vraag je me dat? kreet zij. Waarom vraag je me dat? Waarom moet ik je verdriet doen? Jou ook al! Maar het kan niet, het kan nooit zijn, nooit!
--Waarom niet?
--Waarom niet... herhaalde zij peinzend. Omdat ik, al ben ik jong, gebroken ben. Waarom wil je dat niet inzien? Omdat alles in me verbrijzeld is, omdat ik een ruïne ben....
--Eline, gebruik geen groote woorden om mij te antwoorden. Spreek kalm.
--Ik gebruik geen groote woorden, ik spreek kalm. Ik spreek met overleg, met een wanhopig overleg! kreet zij, opstaande, en zij bleef vóor hem staan, terwijl hij hare handen vatte. Ik spreek zoo beredeneerd, dat ik er van huiver. Hoor Lawrence. Je weet dat ik geëngageerd ben geweest....
--Ja. Je hebt hem zijn woord teruggegeven.
--Ja, ik heb hem zijn woord terug gegeven, en ik hield toch van hem. Terwijl ik hem schreef om hem zijn woord terug te geven, hield ik van hem. Vind je dat niet vreeslijk?
Hij antwoordde niet en zag haar aan, alsof hij haar niet begreep.
--Je begrijpt dat niet? vroeg zij en hare handen trilden in de zijne. Je begrijpt niet, dat er in het hart van een vrouw zulke verschrikkelijke twijfelingen zijn? Je begrijpt niet, dat ik soms niet weet wat ik voel, wat ik wil, wat ik denk? Zie je, er is iets in me, dat niet af is, dat niet voltooid is. Ik twijfel altijd, ik zoek altijd, ik weet nooit. Ik hield van hem, o, vergeef me, dat ik het je nu zeg: ik hield zoo innig veel van hem; hij was zoo goed, en hij had zijn leven voor me over gehad! En er kwam een oogenblik, dat ik niet meer wist, of ik van hem hield, dat ik zelfs dacht van een ander te houden, terwijl ik van niemand hield dan van hem. Nu weet ik dat, nu het te laat is en nu ik hem misschien ongelukkig heb gemaakt.
--Weet je, dat je hem ongelukkig hebt gemaakt, Eline?
--Neen, ik weet het niet, maar ik vermoed het. In Den Haag hoorde ik wel iets, als zou hij over zijn verdriet heen zijn. Maar ik heb het nooit kunnen gelooven! Nu het te laat is, weet ik alles; nu weet ik pas hoeveel hij van me hield! Al hoorde ik nu, dat hij getrouwd was, ik zou toch niet kunnen gelooven, dat hij me geheel en al vergeten was! Het kan niet anders of hij denkt aan me, zooals ik dikwijls aan hem denk!
--Hoû je nog van hem? vroeg hij dof.
--Niet zoo, als ik van hem gehouden heb. Nu niet, Lawrence... Ik geloof, dat ik nu alleen medelijden met hem heb. Maar ik denk dikwijls aan hem. Hier is zijn portret.
Zij opende het medaillon en liet hem Otto's beeltenis zien. Zwijgend staarde hij er op.
--Je draagt dat altijd bij je? vroeg hij zacht.
--Ja! fluisterde zij bijna onhoorbaar. Altijd. Het is me heilig en daarom, Lawrence, o, daarom kan het nooit zijn! De gedachte aan hem zou zich te veel tusschen ons stellen. Ik zou gelukkig met je kunnen zijn, wanneer die gedachte niet in me spookte! Maar zelve gelukkig te zijn en het denkbeeld te koesteren, dat hij ongelukkig was, o, het zou me onmogelijk zijn!
Hij antwoordde niet en zij begon hevig te snikken. Zij zeeg op den grond neêr en legde haar hoofd op zijn knieën.
--O, vergeef me, Lawrence, vergeef me! Ik had nooit gedacht, dat je van me hadt kunnen houden! Ik was zoo ziek, ik hoestte altijd, ik voelde me altijd zoo zwak! Ik dacht dat ik leelijk was geworden, dat ik zelfs een man zou afstuiten! Had ik dat niet gedacht, dan zou ik je niet hebben getoond, dat ik van je hield! Je sprak van ons als een broêr en zuster! Waarom ben je zoo niet blijven spreken? Waarom heb je nu anders gesproken! Ik heb je nu verdriet moeten doen: het kon niet anders. Het zou slecht van me geweest zijn, als ik je vrouw had kunnen worden zonder eenige wroeging!
Hij hief haar zacht op en trok haar een weinig tot zich.
--Eline! sprak hij. Je hebt me eens gezegd, dat je je geluk had weggegooid. Ik vroeg niet, wat je daarmee bedoelde. Maar nu vraag ik het je. Bedoelde je daarmeê, dat je Otto dien brief hadt geschreven?
--Ja! snikte zij.
--Je gooide je geluk weg met den brief, niet waar? Weet je zeker, dat je je geluk niet voor de tweede maal weggooit, als je mij nu geen ander antwoord geeft? Of kan ik nooit je geluk worden? Kan dat Otto alleen?
Zij zag hem dwepend aan.
--O, Lawrence! murmelde zij hartstochtelijk, bijna aan zijn borst. Wanneer ik je ontmoet had vóor, vóor dat alles gebeurd was, had ik van niemand anders kunnen houden, dan van jou. Maar het mocht zoo niet zijn. Het was mijn noodlot.
--O, spreek niet over een noodlot. Noodlot is een woord. Ieder mensch maakt zijn eigen noodlot. Je bent te zwak om jezelve het te maken. Laat mij je noodlot maken.
--Het kan niet! snikte zij en schudde heur hoofd, dat tegen hem gevlijd lag, heen en weêr. Het kan nooit!
--Ja Eline, het kan wel! antwoordde hij. Je zegt, dat je van niemand anders dan van mij hadt kunnen houden, wanneer je mij eerder gezien hadt. Misschien was je mij dan onverschillig gebleven; in elk geval zijn dat veronderstellingen, die mij niets kunnen schelen. Nu, nu hou ik van je, zooals je bent. Je zegt, dat je ziek bent, maar ik weet, dat je gezond zal worden. Ik voel dat.
--Dat is geen zekerheid! weende zij.
--Dat is zoo, maar evenmin is het zekerheid, dat je Otto ongelukkig hebt gemaakt. Dat voel je ook, nietwaar? dat weet je niet zeker!
--Neen, neen, ik geloof wel, dat ik het weet!
--Maar zeker ben je er niet van! drong hij aan. En je zegt me, nu ik je vraag mijn vrouw te worden, dat het niet kan, dat het nooit kan. Is dat niet wreed van je?
--O, waarom verwijt je me dat! snikte zij.
--Zoo even zei je zelf: ik twijfel altijd, ik zoek altijd, ik weet nooit. Weet je dan nu zonder te twijfelen, dat het nooit zou kunnen zijn? Ben je daar dan zoo zeker van? Zal je geen berouw hebben, als ik weg ben, als het te laat is?
--O, kermde zij. Hoe kan je me zoo doen lijden! Je martelt me....
Hij zweeg even en richtte haar hoofd zacht van zijn borst op.
--Ik zal je niet langer martelen, Eline. Maar alleen moet ik je nog dit zeggen. Weiger nu niet, wat ik je gevraagd heb. Het zou kunnen zijn, dat je later anders hadt willen gesproken hebben. Laat mij dat tenminste hopen. Overmorgen ga ik met Vincent weg. Over vijf maanden zie je mij weêr. Ik zal vragen, of Vincent je nu en dan wil schrijven. Je zal altijd weten waar wij zijn. En je hebt maar één woord te zeggen en ik keer terug. Beloof me niets, maar weiger me ook niets. Laat mij hopen en probeer zelve te hopen. Wil je dat doen? Is dat te veel?
--Neen, fluisterde zij; o neen, dat is niet te veel. Ik zal je mijn antwoord geven, na vijf maanden....
--Goed, sprak hij. Anders vraag ik je niets. En nu zal ik wachten tot je oom en tante thuis zijn, om afscheid van ze te nemen. Vincent komt morgen. Maar mag ik nu, dat we alleen zijn, afscheid van jou nemen?
Zij antwoordde niet, maar zag hem aan. Hij drukte haar in zijne armen en kuste haar.
--Tot over vijf maanden! fluisterde hij met een glimlach. Zij richtte zich even op, zag hem vast aan en sloeg toen hare armen om zijn hals. Toen kuste zij zijn voorhoofd met een langen, innigen kus.
--Tot... over... vijf maanden! murmelde zij terug.
Hoofdstuk XXXIV.
I.
In het begin van dien winter was het Frédérique, alsof er op hare ziel, die zich vroeger zoo vrij en luchtig als een vogel gevoeld had, een gewicht van lood drukte. Het scheen haar toe, dat zij een geheime misdaad gedaan had, dat zij Paul als het ware vermoord had, en dat alleen Mathilde en Marie van dien moord afwisten. Zij was stil geworden en had iets schuws gekregen, en haar verdriet temperde den zwarten gloed van heur blik met een melancholieke zachtheid.
Zij zag Paul niet meer, want hij woonde nu te Bodegraven en hij kwam slechts een zeer enkele maal in Den Haag. Had zij Paul verjaagd? Of wilde hij nu burgemeester worden uit een gril, zooals hij vroeger geschilderd of gezongen had, zooals hij vroeger bij Hovel had gewerkt? Dacht hij nog aan haar of had hij vergeten, hoe hij haar gekust had, haar gevraagd had zijne vrouw te worden, dien zonnigen morgen op de Horze? En dacht hij aan haar, hoe zou hij haar dan herdenken, met weemoed of met onverschilligheid?
Zij vermocht zich geen antwoord te geven op die vragen, die wreed in haar omwoelden, zoodra zij even alleen was.
Frédérique had langzamerhand berust in het feit Paul niet meer te zien. Zij verschrikte dus hevig, toen zij op een middag hem op straat zag aankomen. Heur hart bonsde, zij werd zeer bleek en zoo zij had moeten spreken, ware het haar onmogelijk geweest een klank te uiten. Hij kwam nader en nam zijn hoed af; zij boog even terug en zij gingen elkaâr voorbij. Hare knieën knikten, terwijl zij verder trad. Zij overdacht bevend, of hij iets aan de uitdrukking van haar gelaat zou hebben kunnen bespeuren.
Toen zij dien middag na vieren op de Princessegracht aangebeld had, vroeg zij Bet, die opendeed:
--Is er visite binnen?
--Ja, freule, dat is te zeggen, de jonge mevrouw Van Raat met den kleinen jongen, en dan ook nog de dames Eekhof.
--Niemand anders?
--Neen, niemand anders, freule.
Frédérique weifelde een oogenblik. Paul kon immers na haar komen. Maar misschien was hij er ook reeds geweest. In alle geval kon zij haast voorwenden en spoedig weg gaan; zij wilde Marie slechts even zien: zij had behoefte Marie te zien.
Frédérique trad binnen. De heer en mevrouw Verstraeten zaten met Betsy in de serre en Marie met Ange en Léonie in den kleinen salon. Ange hield Ben op heur schoot. Men dronk thee. Frédérique bleef een oogenblik in de serre en voegde zich daarna bij de meisjes. Zij mengde zich in heur aller gesprek zonder te laten blijken, dat een angstige gedachte haar bezighield. Maar eensklaps hoorde zij Betsy zeggen:
--Paul is in de stad, weet u. Hij heeft bij ons koffie gedronken.
En Ben draaide zich op Ange's schoot om en herhaalde met zijn langzaam stemmetje:
--Oom Paul... oom Paul heeft bij ons koffie gedronken.
--Zoo, vond je dat prettig, kleine dikzak? gichelde Ange, die het zoete, stille kind zonderling vond.
Het gesprek kwam op Paul en de Eekhofjes informeerden naar Bodegraven en hoe lang het nog zou duren, eer Paul geplaatst kon worden. Zij vonden het in het geheel geen betrekking voor Paul; hij was er niet geposeerd genoeg voor.
--Is hij hier geweest? vroeg Frédérique, schijnbaar onverschillig, maar met een blik, dien Marie begreep.
--Neen, antwoordde zij. Hij komt misschien van avond even.
Frédérique wist niet, wat zij wenschte: dat zij hem onverwachts zou zien binnentreden, of dat zij hem niet zou ontmoeten. Zij had behoefte gehad Marie te zien en nu zag zij Marie; maar zij kon toch haar hart niet uitstorten in het bijzijn der Eekhofjes. Ach, misschien was het wel beter zoo.
Waarvoor te spreken, woorden vermochten niets.
En zij gevoelde zich tot weenens toe treurig om die eerste ontmoeting na zoovele maanden, nu Betsy haar even met het rijtuig thuis bracht.
II.
Een paar dagen daarna, toen Frédérique meende, dat Paul reeds terug naar Bodegraven was, ontmoette zij hem opnieuw, bij de Verstraetens. Opnieuw voelde zij, dat zij bleek werd, maar het was niet zichtbaar in de schemering van den namiddag. Zij zaten allen in den grooten salon en Georges en Lili waren er eveneens. Frédérique groette; ook aan Paul, die was opgestaan, reikte ze de hand. Zij weifelde een oogenblik, of zij hem Paul of meneer Van Raat zou noemen, maar ook slechts een oogenblik, want zij begreep dadelijk, dat de laatste naam een ieder zou verwonderen. En hij antwoordde, zeer eenvoudig:
--Dag Freddy.
Lili klaagde aan mevrouw Verstraeten over haar vleeschhouwer en haar boterboer en Marie riep uit, dat ze wanhopig vervelend werd met dat getob over haar huishouden. Maar Lili verdedigde zich; ze tobde niet; maar ze wilde zich niet voor den gek laten houden door hare leveranciers... Paul sprak met oom Verstraeten, maar hij wendde zich nu tot Frédérique met een zoo losse, natuurlijke stem, dat zij er bijna van ontstelde.
--Wat een langen tijd, dat we elkaâr niet gezien hebben, Freddy! Gaat het goed thuis?
--O ja, heel goed, merci.
--Een anderen keer, als ik meer tijd heb, kom ik je mama eene visite maken. Vergeet niet mijn complimenten te doen, ook aan Mathilde.... Etienne nog druk aan het werk?
--Ja, hij is vreeselijk ijverig tegenwoordig....
Paul lachte.
--Arme jongen! Nu, hij slaat er zich nogal goed door heen. Ga je veel uit van den winter, is er nog al veel te doen?
--Nog niet veel: het begint pas, niet waar.... In Februari geven de Eekhofjes hun jaarlijksch bal, dezen keer in het Hôtel des Indes.
--O ja, dat weet ik. Ange vroeg mij er voor over te komen....
Hij martelde haar met zijn luchtige stem en zijne praatjes, die zij even luchtig moest beantwoorden, terwijl haar hart zoo vol was. Had hij dan alles vergeten?