Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 40
--Ik dank u voor uwe goede bedoeling, hernam zij, koud als ijs. Maar wil uw broederlijke belangstelling voortaan op gepaster wijze uiten. U kende mij voordat u mij gezien had, c'est possible. Ik ken u sedert een week. En ik begrijp niet, hoe u mij durft toespreken, alsof u over mij te waken had. Ik ben u verplicht voor uw goede zorg, maar heb die niet noodig.
Hij maakte een ongeduldig gebaar en hield haar nogmaals tegen. Zij sidderde nog van woede, maar toch bleef zij.
--Ik verzoek u vriendelijk, wees nu niet boos! hernam hij gemoedelijk. Het is mogelijk, dat ik wat vrijmoedig gesproken heb, maar u, vindt u zelf, dat u hier in gezelschap is, dat u past?
--De kennissen van mijn oom en tante kunnen ook de mijne zijn, meen ik. In alle geval is het een zaak, waarmeê u u niet heeft te bemoeien.
--Waarom verbiedt u mij belang in u te stellen?
--Omdat u aanmatigend is.
--Is er geen vergeving voor die aanmatiging, wanneer ze uit een vriendschappelijk gevoel voortspruit? vroeg hij en stak zijn hand uit.
--O zeker! antwoordde zij ijskoud, schijnbaar zonder zijn hand op te merken. Maar spaar mij voortaan, zoowel uwe aanmatiging als uwe al te vriendschappelijke gevoelens. Te veel belangstelling kan hinderlijk worden.
Zeer gekrenkt wendde zij zich om. Hij bleef alleen in het balcon en zag haar zich verliezen tusschen de écuyères en den Russischen prins, de blonde dame, de twee dronken heeren en den graaf, die dichter was...
IX.
Nu het feest was geëindigd overdacht zij hare krenking, alleen in hare kamer. Het was vijf uur in den morgen en zij gevoelde zich bijna te moê om zich te ontkleeden.
Zij was niet zoozeer gekrenkt, omdat hij aanmatigend was geweest. Maar... dien avond had zij voor het eerst sedert langen tijd een weinig haar leed vergeten. Zij had zich een weinig vermaakt en iets van vroeger in zich teruggevonden. En hij had dit onschuldige genot vergald door haar te herinneren, dat zij zich in een kring bevond, die haar niet voegde. Wist zij dit niet zoo goed als hij? En juist omdat zij dit wist, omdàt ze gevoelde, dat hij gelijk had, omdàt hij dacht als zijzelve dacht, was zij gekrenkt. Waarom had hij haar niet dat korte oogenblikje van vreugde in vrede laten doorbrengen? Waarom had hij gesproken van hare "andere familie"? Wat kon het Henk en Betsy schelen, al vergooide zij zich aan de zonderlinge kennissen van oom en Elize? Maar zij deed dit niet; zij had nauwelijks met iemand anders een woord gesproken dan met Vincent en met hem. Zij had zich slechts ten koste van dien kring geamuzeerd....
Zij wierp zich in haar zwarte zijden japon op een bank neêr, en terwijl zij nadacht over hare krenking, gevoelde zij die verflauwen en verflauwen als een ijle rook. Maar toch wilde zij gekrenkt zijn, o, ze was gekrenkt, ze was zeer gekrenkt....
Ach, eigenlijk was ze het toch niet zoo bijzonder! Hij was, terwille van haar zoo geërgerd geweest over die vreemde côterie, verdacht aristocratisch, verdacht artistiek, verdacht in... alles. Hij had haar zoo flinkweg die ergernis getoond en zij hoorde hem nog met die ontevreden stem zeggen:
--Hoe komt u toch hier? Is u hier met goedvinden van uw andere familie?
Hij stelde dus in haar belang, oprecht belang, met al den fieren trots van zijne zonnige waarheid. En een groot verlangen omving haar plotseling om hem vergeving te smeeken en hem te vragen, wat hij wilde, dat zij doen zou. Het zou zalig zijn zich te schikken naar zijn wil, zich geheel en al aan hem over te geven, het zou zoo rustig zijn, zoo rustig en zoo zoet....
Om twaalf uur trad zij, na een weinig gesluimerd te hebben, zeer bleek, met blauwe kringen onder de oogen, in de groote zaal, waar Elize met een meid en een knecht nog bezig waren de wanorde, die de orgie achter zich had gelaten, te regelen. Elize was zeer tevreden over haar soireé en wenschte Eline een gelukkig nieuwjaar. Oom Daniël was uit.
--Wat een glazen hebben ze me gebroken! Gelukkig, dat ik ze gehuurd had! Wil je ontbijten, Eline, ga dan in de salle à manger. Hier hinder je toch maar: neem me niet kwalijk, dat ik het je zeg. Maar het was amuzant gisteren, niet waar?
Eline ging naar de eetkamer. Zij at iets en bleef er een weinig treuzelen. Zij wachtte op iemand, op St. Clare. Maar noch Vincent, noch hij kwam. Ook niet den volgenden, ook niet den daaropvolgenden dag. Als Eline gedurfd had, had zij hem geschreven.
Terwijl zij zich, in afwachting, dat hij komen zou, verdroomde, ontving zij een brief van Mevrouw Van Raat, die haar mededeelde, hoe zij Paul, al woonde hij nu te Bodegraven, een enkele maal zag, en hoe hij een verdriet scheen te hebben, dat zij niet raden kon. Het speet haar, dat er iets als eene vervreemding was tusschen haar en heur zoon en zij twijfelde er aan, of zij hem wel altijd genoeg liefde betoond had.
--Zij niet genoeg liefde! dacht Eline. Zij was een en al liefde, tenminste voor mij....
Zij las door en vernam dat Lili een kleine bébé wachtte, in Maart. Maar aan het einde van den brief ontstelde zij hevig. Jeanne Ferelijn was in Bangil gestorven. Eline's oogen vulden zich met tranen.
--Mijn God! Mijn God! herhaalde zij langzaam en een zenuwachtige snik schokte haar. Heur arme vriendin was dood! O, wat had Jeanne haar niet zorgvuldig opgepast, toen zij met die bronchitis in hun klein bovenhuisje had gelegen. Wat was Jeanne niet altijd zacht en troostvol geweest! Hoe hield zij niet van haar man en hare kinderen! Nu was ze dood.... wat had ze aan haar leven gehad? Niets, o niets! En mevrouw Van Raat had verdriet, Paul had verdriet. Lili zou ook verdriet en teleurstellingen van haar kind hebben.... Wat was het leven anders dan éen groot verdriet....
Zij snikte hevig over den brief, vol van de gedachte, dat Jeanne dood was. Jeanne is dood, Jeanne is dood! suisde het in hare ooren en in hare hersenen. Zij had zooveel verplichting aan Jeanne en zij zou Jeanne nooit terug zien, want Jeanne was dood! O God, ze was dood!
Zij wierp zich achterover in haren stoel en bedekte haar gelaat met de handen. Maar eensklaps hoorde zij stappen in de antichambre; zij zag op en voor zij zich herstellen kon, zag zij iemand in de portière verschijnen. Het was St. Clare. Wezenloos, met haar weenende oogen, blikte zij hem aan.
--Ik hoop, dat u het me niet kwalijk neemt, als ik u stoor! sprak hij zacht, want hij zag, dat ze schreide. De knecht zeide, dat u thuis was en ontving. Ik zal morgen liever terug komen.
Zij rees op, wischte haar oogen af en glimlachte vriendelijk.
--Wil u dan al weggaan? sprak ze weemoedig. U stoort me niets; integendeel, ik vind het heel lief, dat u gekomen is. Gaat u zitten. Maakt Vincent het goed?
--Heel goed, dank u! sprak hij op een toon, die haar al zijn vriendschap voor Vincent openbaarde. Wij zijn naar Luik en Verviers geweest om eenige fabrieken te gaan zien.
--Dat is dus de eenige reden, dat ik u niet eerder na de soiree gezien heb?
Hij zag haar even aan.
--Ja, antwoordde hij. De eenige.
--U was dus niet boos?
--Volstrekt niet. Ik had ongelijk, ik had niet zoo moeten spreken. U was in uw recht.
--Ik geloof niet! sprak zij. Ik weet toch, dat ik u beleedigd heb met mijn stugheid. Wil u mij dit vergeven? Of weigert u me uw hand, zooals ik u de mijne geweigerd heb?
Zij stak haar hand uit. Hij drukte die vast.
--Ik vergeef u graag! antwoordde hij. En ik waardeer het, dat u bekennen wil, dat u een beetje ongelijk had.
--En zal u me voortaan, zooals toen, uwe belangstelling toonen? Wil u voortaan gelooven, dat uw belangstelling en uw vriendschap mij niet hinderlijk zullen zijn, zooals ik toen beweerde? Mag ik daarop rekenen?
--Zeker, vast.
--Dank u. Dank u hartelijk. Ik heb me niet vergist, toen ik u zeide, dat u goedhartig was. U is meer dan goed, u is edel.
Hij lachte een weinig.
--Wat gebruikt u groote woorden! sprak hij schertsend. U wordt deftig!
--Neen! sprak zij beslist. Ik word niet deftig en ik gebruik geen groote woorden. Dat mag u niet zeggen. Ik meen, wat ik zeg. U weet niet wat een plezier het me doet u te zien en van u te hooren, dat u niet boos op me is. Vooral juist nu. Ik voelde me zoo ongelukkig.
--U huilde geloof ik?
De tranen vielen haar van de wimpers.
--Ik had zoo juist het bericht gekregen, dat een lieve vriendin gestorven was. Een zwak schepseltje, maar ze was zoo noodig; ze kon niet gemist worden door haar man en hare kinderen. Zoo gaat het altijd in de wereld, niet waar? Menschen, die nuttig zijn, sterven. En menschen, die zooals ik, iedereen tot last en hunzelve tot verveling zijn, blijven leven.
--Waarom spreekt u zoo treurig? Is u dan niemand van nut? Houdt dan niemand van u en houdt u van niemand?
Zij lachte schamper.
--Maar er zijn toch menschen, die belang in u stellen? vroeg hij verder.
--Wat zal ik u zeggen? Ik heb geen ouders. Van mijn zuster zal u door Vincent wel het een en ander gehoord hebben. Weet u, dat ik... uit het huis van mijn zwager... ben weggeloopen?
--Ja.
--Sedert dien tijd heb ik gezworven. Ik was altijd bij vreemde menschen. Oom en tante hebben mij nu tot zich genomen, maar ze zijn mij toch ook vreemd. In Den Haag woonde ik een tijd lang bij een oude dame, de moeder van mijn zwager, die heel lief was en van wie ik veel hield. Maar ik was niet lief tegen haar....
--Ik heb heel veel medelijden met u! sprak hij. Ik wou, dat ik iets voor u doen kon. Maar zou het niet goed zijn, als u een bezigheid zocht? Verveelt u u niet, en voelt u u daarom niet ongelukkig?
--Ik heb bezigheden in den Haag gezocht. Ik heb veel gereisd. Maar ik voelde mij toch ongelukkig. Het is mijn eigen schuld, weet u. Ik heb mijn geluk weggegooid....
Ze begon te weenen, het hoofd in de handen. Hij vroeg niet verder.
--Zeg me of ik niet iets voor u doen kan? drong hij aan.
--Niets, dank u. Niemand kan iets voor mij doen.
--Maar het is waarlijk niet goed zich zoo maar te dompelen in zijn verdriet en aan niets anders te denken. U mag dat niet doen. U moet flinker zijn en u uit uw leed oprichten. Iedereen heeft verdriet. Kom, belooft u me, dat u voortaan flinker zal worden.
--Ik ben niet flink, ik ben zoo zwak! snikte zij. Ik ben gebroken, gebroken....
Er klonk zulk een hopelooze krachteloosheid uit hare woorden, dat hij niet wist wat te zeggen. Maar hij vloeide over van medelijden, een medelijden, gemengd met een wanhoop, dat hij niets voor haar doen kon en dat hij dit gevoelde. En hij wilde haar troosten, wat het kostte.
--Neen! sprak hij vast. U is niet gebroken. Dat is een fraze. U is jong, u heeft een leven voor u. Breek met uw verleden, vergeet uw verleden.
--O, hoe kan dat! snikte zij. Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn!
Hij wist, dat hijzelve een fraze gezegd had. Hij begreep, dat de smart van een verleden voor altijd brandmerken kon.
--Ik heb zoo een medelijden met u! herhaalde hij. Zoo een medelijden, als ik nooit voor iemand gevoeld heb!
--Dat is nog het eenige, dat u voor me doen kan! riep zij hartstochtelijk uit. Heb medelijden met me, dat doet me zoo goed! U heeft immers gezegd, dat u me reeds kende voor u me gezien had, dat ik voor u was als een onbekend zusje?
Hij was opgestaan, hij legde de handen op haar teedere schouders en zag haar aan.
--Zeker! sprak hij hartelijk en zij had voor hem kunnen sterven van innige genegenheid. En nu is u mij niet meer onbekend. En alles wat ik voor u doen kan, zal ik doen. U moet me maar veel vertellen. Ik zal u wel flink maken.
Hij klopte haar even op den schouder, als een kameraad. In haar hart bliksemde een groote spijt op: dat zij elkander niet eerder hadden leeren kennen. Wat was het haar een zoet genot geweest zich voor hem verlaagd, hem vergiffenis gevraagd te hebben!
X.
Er verliep een groote week, dat de Vere's noch Vincent, noch St. Clare zagen, daar zij eenige dagen in Holland doorbrachten. Er was sprake van een bal masqué, dat de graaf zou geven. Oom Daniël zou zich niet costumeeren. Maar Elize ging als almée en Eline, wier fantazie niet veel werkte, ging denkelijk ook als almée. Eline had bij de invitatie voor dat bal even aan St. Clare gedacht.... wat zou hij er van zeggen, als zij aannam? Maar zij schrikte er voor een avond thuis alleen door te brengen. Zij dacht dus niet verder aan hem en hield zich met haar toilet bezig.
Een dag voor het bal kwamen de vrienden terug, Eline meende iets straks op het gelaat van St. Clare te bespeuren, toen hij vernam, dat men naar dat bal zou gaan. Hij zeide echter niets. Maar den volgenden avond, omstreeks halfnegen, kwam hij met Vincent even aan. Zij waren ook geïnviteerd; Vincent had aangenomen, St. Clare niet. Hij vroeg Eline te spreken, maar Eline was juist aan haar toilet begonnen, evenals Elize en oom. Toch drong St. Clare aan en Eline liet hem door de kamenier verzoeken even te wachten.
In de groote zaal was niemand. Vincent, gerokt, had zich op een divan neêrgevlijd en nam l'Indépendance op. St. Clare stond in het balcon, de handen in den zak, na te denken en hij tuurde op de sneeuw, die vaalwit schemerde in den avond. De knecht kwam vragen of de heeren thee wilden drinken.
--Ik moet zeggen, dat je moed hebt, Lawrence! sprak Vincent, in het Engelsch, terwijl hij zijn kopje langzaam omroerde. Weet je zeker dat alles goed zal worden opgenomen?
--Ik kan nu eenmaal niet anders. Ik wil het zoo! antwoordde St. Clare vast en hij bedankte voor de thee.
De knecht verdween en zij zwegen beide een pooze, toen Eline binnenkwam. Een rose waas van veloutine bedekte hare geelbleekheid. Zij was reeds gekapt met rissen van blinkende munten, die in drie rijen op haar voorhoofd neêrvielen. Maar verder was zij nog niet gekostumeerd, en had zij zich in een wit flanellen peignoir gehuld. Vincent stond op en zij verontschuldigde zich over heur toilet. Maar zij zag er zeer bevallig uit.
--U verlangde zoo dringend mij te spreken! sprak zij zacht tot St. Clare, terwijl zij hem de hand reikte. Neemt u me dus niet kwalijk, dat ik maar zoo gekomen ben! Gaat u zitten.
Zij zetten zich, terwijl Vincent zich met zijn courant in den wintertuin terugtrok. St. Clare nam Eline met een blik op.
--Wat wilt u me vragen? vroeg zij.
--Ten eerste vergiffenis voor mijn brutaliteit, u zoo zonder décorum van uw toilet te hebben afgerukt.
--O, dat is niets, ik heb nog den tijd.
--Ik ben er zeer meê gevleid, dat u dadelijk gekomen is. U zal zeker begrijpen, dat ik niet anders, dan voor een nog al gewichtige zaak zoo indringend ben geweest. Ik heb u een verzoek te doen.
--Dat geen uitstel kon gedoogen?
--Neen, dat geen uitstel kon gedoogen. En ik loop gevaar, dat u zeer boos op me zal zijn wanneer ik u dat verzoek doe: dat u zich gekrenkt zal gevoelen en me zal zeggen, dat ik me met zaken bemoei, die me niet aangaan.
Zij kreeg een onbestemd vermoeden van zijn vraag, die hij nog niet uitte.
--Spreek maar ronduit! sprak zij eenvoudig.
--U heeft me verzocht in het vervolg u zooveel belangstelling te toonen als een broêr voor een zuster zou hebben. Is dat waar of vergis ik me daarin?
--Neen, dat is waar.
--Nu, als u mijn zuster was, zou ik u vriendelijk verzoeken mij een groot genoegen te doen en van avond niet naar dat bal te gaan.
Zij antwoordde niet en zag hem aan.
--Als u mijn zuster was, zou ik u zeggen, dat ik met Vincent geïnformeerd heb, wie er van avond op dat bal komen; dat ik zeker weet, dat een groot gedeelte der geïnviteerden nog minder in uw omgeving passen, dan velen van de kennissen van uw oom en tante. Ik zou mij voor mijn zuster niet veel duidelijker kunnen uitdrukken en voor u kan ik er geen woord meer bijvoegen. Maar ik hoop, dat u begrijpen zal, en dat u eenigszins kan vermoeden wat voor geïnviteerden u van avond zou zien als u ging.
Zij sloeg haar oogen neêr en zweeg.
--En daarom vraag ik nog eens, op gevaar mij met iets te bemoeien, dat mijn zaak niet is, op gevaar, dat uw oom en uw tante mijn inmenging in uw zaken kwalijk zullen nemen, op gevaar dat uzelve, na mij al eens een indiscretie te hebben vergeven, heel boos op mij zal worden: ga niet naar dat bal. U past daar niet.
Zij zweeg steeds en haar vingers woelden sidderend in de cordelière van haar peignoir.
--Is u heel boos? vroeg hij.
--Neen! antwoordde zij na een pooze zeer zacht. Neen, ik ben niet boos. En ik zal doen wat u me vraagt. Ik zal niet gaan.
--In ernst? riep hij verheugd uit.
--In ernst! herhaalde zij. Ik zal niet gaan. Ik ben u heel dankbaar dat u voor mij geïnformeerd heeft wie er op dat bal komen. Ik had al vrees, dat u het niet goed zou vinden, als ik zou gaan, maar ik zag er tegen op een geheelen avond alleen thuis te blijven. Dat maakt me altijd melancholiek.
--U vreesde voor mijn afkeuring? vroeg hij glimlachend.
--Ja! antwoordde zij. U heeft zooveel vriendschap voor me; ik zou niet graag iets doen dat u niet goed vondt. En voor van avond... schik ik me geheel en al naar uw wil.
--Dank u! sprak hij ontroerd en drukte hare hand.
--O, u mag het wel apprecieeren! riep zij quasi luchtig uit, een weinig ter neêr gedrukt door hare deemoedigheid. Weet u wel, dat ik zeker drie kwartier bezig ben geweest die munten in mijn haar te arrangeeren? En nu is het voor niets!
--Ik apprecieer wat u doet! Ik verzeker u, dat ik het apprecieer! betuigde hij ernstig.
Oom Daniël kwam binnen.
--Bonsoir, St. Clare. Je gaat niet meê, wel? Maar Eline! Kleed je je nog niet aan...?
Eline stamelde iets en kon hare woorden niet vinden, toen zij de stem van Elize hoorde, die op de kamenier bromde. Elize kwam binnen, schitterend van munten en Algerijnsche draperieën, twee Moorsche muiltjes aan de voeten.
--Bonsoir St. Clare! Hoe jammer, dat je niet gaat! Het zal zoo aardig zijn... Ciel! Eline!
Vincent kwam uit den wintertuin.
--Het is bij half tien en je hebt je nog alleen maar gekapt! vervolgde Elize, ontzet van verbazing. Waar heb je aan gedacht?
--Ik geloof niet, dat uw nichtje meêgaat, mevrouw! sprak St. Clare, daar Eline zeer verlegen was. Wij hoorden, Vincent en ik, dat er nog al gemêleerd gezelschap kwam, op dat bal... En ik heb juffrouw Vere aangeraden liever niet te gaan dan zich bloot te stellen aan onaangename ontmoetingen. Ik hoop, dat u me dien raad niet kwalijk zult nemen. Zij zou natuurlijk onder de hoede geweest zijn van haar oom en van u, maar ik dacht, dat zulke kringen voor een jong meisje nog eerder te ontwijken zijn, dan voor een getrouwd vrouwtje, al is ze ook gracieus als u! Had ik ongelijk?
Elize weifelde of zij zich boos zou maken of niet. Maar er klonk zoo iets beslists en tevens zoo iets innemends in zijn stem, dat ze ontwapend werd. Daniël Vere trok even de schouders op.
--Ongelijk? herhaalde Elize, nog in weifeling. Ach, misschien niet, Eline kan natuurlijk doen wat ze wil. Wil ze liever niet gaan, eh bien, soit, dan zullen we een migraine voorwenden. Niets gemakkelijker dan dat. Maar je zal je verschrikkelijk embêteeren, Eline.
--Ach neen, heusch, ik blijf liever thuis! sprak Eline. Ten minste, als je het niet kwalijk neemt.
--Wel neen, Liberté chérie, hoor kind.
De knecht kwam zeggen, dat het rijtuig voor stond en bracht de pelsen van oom en Vincent. De kamenier hield Elize's bonten mantel op.
--Als uw oom en tante het goed vinden, zou ik u gaarne nog een oogenblik gezelschap houden? vroeg St. Clare.
Oom en tante vonden het uitstekend. Eline bleef steeds een weinig verlegen.
--Adieu, amuzeer je! sprak zij met een schuchter glimlachje tot Elize, oom en Vincent.
--Bespottelijk! bromde oom Daniël, terwijl zij in het rijtuig zaten. Bespottelijk! Hij wil niet hebben; dat ze naar dat bal gaat, maar hij wil wel bij haar blijven om haar gezelschap te houden. Dat is zeker Amerikaansch! Ik weet ten minste niet wat meer compromitteert, met ons naar een bal te gaan of alleen met een jong mensch een avond te passeeren. Bespottelijk.
Vincent zweeg; hij achtte het beneden zich zijn vriend te verdedigen. Maar Elize legde in een vloed van betuigingen het stilzwijgen aan haren man op. Hij mocht geen kwaad spreken van een nichtje, dat onder zijn dak was en van een vriend, dien zij zooveel zagen.
--Kwaad? O neen! hernam oom Daniël nog zeer gekrenkt. Het is alleen maar Amerikaansch! Het zal Amerikaansch zijn.
XI.
Eline was nog steeds verlegen.
--Ik geloof niet, dat oom het goed vond, dat ik uw raad opvolg, sprak ze, toen zij alleen waren. Misschien ook niet dat.... u niet meêging.
St. Clare zag haar kalm verwonderd aan.
--Dan had hij het kunnen zeggen, niet waar? Ik vroeg het hem. Wil u liever hebben, dat ik wegga?
--Neen, ik zal het zeer vriendelijk van u vinden, als u nog een oogenblikje blijft.
--Heel graag. Want ik woû u nog iets anders vragen. Maar nu niet iets, dat zoo gewichtig is.
--Wat dan?
--Een van die munten, waarmeê u zoo lang is bezig geweest om ze in uw haar te schikken.
Eline glimlachte en zij ontnam zich voorzichtig uit heur kapsel het snoer van munten en rukte er een af, die ze hem aanbood.
--Dank u! sprak hij en hij hechtte den penning aan zijn horlogeketting.
Het werd Eline wonderlijk te moede. Zij gevoelde zich zeer tevreden, zeer gelukkig en toch eenigszins schuchter. En zij vroeg zichzelve af wat Betsy het minst passend zou hebben gevonden: dat zij met oom en tante naar dat bal was gegaan, of dat zij dien avond, alleen en zelfs en négligé, met St. Clare was. Zeker het laatste, dacht ze.... Maar hij scheen dat zoo eenvoudig en natuurlijk te vinden, dat zij hem niet eens dorst vragen, of zij zich even mocht verkleeden.
--En laten we nu eens prettig praten! sprak hij, terwijl hij zich in een Turksche fauteuil zette, en zij op den divan zitten bleef, steeds een beetje verlegen spelende met het snoer. Vertel u me nu eens het een of ander, uit uw kinderjaren of van uwe reizen....
Zij zeide, dat zij niet wist wat te vertellen, maar hij vroeg haar, zij antwoordde hem en langzamerhand werd zij vertrouwelijker. Zij verhaalde hem van tante Vere, van haar lectuur van Ouida, vooral van haren vader en zijne groote doeken, die hij nooit voltooide. Ze verhaalde hem ook van haren zang, van Betsy en Henk en zeide, dat ze vroeger heel anders dacht dan nu en er ook geheel anders uitzag.
--Wat noemt u vroeger?
--Voordat ik ziek ben geworden en met oom en tante ben gaan reizen. Voor.... mijn engagement.
--En hoe zag u er dan uit?
--Veel gezonder en.... en frisscher.
--U wil zeggen: mooier?
Zij moest lachen, dat hij hare gedachten ried en zich niet de minste moeite gaf galant te zijn. Daarna vroeg zij hem, of hij hare portretten uit dien tijd wilde zien, en terwijl zij een album van een tafel nam, dacht zij er aan, dat zij hem wel kon vergunnen haar bij den naam te noemen. Maar zij kwam er niet toe.
Hij bladerde in den album, die veel van hare portretten bevatte, zeer fijne kopjes met een lint of een collier van parelen om den hals, enkele gedecolleteerd.
--Nu?.... Wat zegt u? vroeg ze, daar hij zwijgen bleef.
--Heel lieve gezichtjes, sprak hij onverschillig. Maar overal een onuitstaanbaar coquet lachje, een lievigheid, die pretentieus is. Poseerde u altijd zoo of deed u dat alleen voor den fotograaf?
Zij was een beetje gepiqueerd.
--Foei, wat kan u soms toch hatelijk zijn! sprak ze verwijtend.
--Was ik hatelijk? vroeg hij. Vergeeft u me dan; het is waar, dit zijn uw portretten. Ik was een oogenblik in de war. Het is ook moeilijk voor me, u hierin te herkennen. Maar, geloof me.... Ik zou u onuitstaanbaar gevonden hebben, als ik u ooit zoo gezien had. Mooi, maar onuitstaanbaar. U is nu een beetje vermagerd, u heeft iets lijdends, maar er is iets innemends in uw gelaat en de gezichtjes hier zijn niets dan coquetterie. Ik zie u liever zoo als u nu is.
Hij sloot den album en legde dien weg.
--En nu? hernam hij. Woû u liever zijn zooals toen? Regretteert u dien tijd?
--Ach neen! zuchtte zij. Ik was toen ook niet gelukkig.
--Maar nu zal u al uw best doen gelukkig te worden, niet waar?
Zij haalde de schouders op.
--Het geluk laat zich niet dwingen! murmelde zij droomerig en, haars ondanks, onbewust, in het Engelsch.
Hij zag haar verbaasd aan.
--Spreekt u Engelsch? vroeg hij.
--Ik? riep zij in het Fransch uit, ontwakende uit haar droom.
--Ja, u!
--Ik? Spreek ik Engelsch?