Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 4

Chapter 43,875 wordsPublic domain

En de oude vrouw schudde, reeds getroost en met een lachje, het hoofd; waarlijk zij had niets, zij gevoelde zich alleen maar wat verlaten; ach, het was, geloofde zij, dat ze zich verveelde; ze stelde in weinig meer belang, maar dat was haar eigen schuld, niet waar? Andere oude menschen lazen geregeld de courant, hielden zich op de hoogte, zij niet; maar Eline was toch een lieve meid; waarom geleek Betsy niet een beetje op haar, hé?

En ze begon, levendiger, te verhalen, over haar jeugd, over haar lieven man; daar hing zijn portret....

Het was over vieren, toen Eline zich haastte weg te komen; het begon donker te worden en het dooide en de duisterende wolken schenen op haar te zullen vallen en haar te doen stikken.... Die oude vrouw was gelukkig geweest, zeer gelukkig.... verbeeldde zij zich dat, of was het waarheid? En zij, Eline, was nu reeds niet gelukkig; o, hoe zou ze zich gevoelen, wanneer ze ook oud was, en leelijk en verschrompeld! Dan zou ze zelfs geen herinneringen hebben, om zich te troosten, dat het geluk bestond, voor haar bestaan had, dan zou alles droeviggrijs zijn, grijs als die lucht! O God, waarom te leven, zoo niet gelukkig?

--Waarom, waarom? fluisterde ze en ze haastte zich, daar ze zich verkleeden moest vóor het diner.

VII.

Het zou een eenvoudig, huiselijk dinertje zijn. Om halfzes kwamen de Ferelijns en kort na hen Emilie met Georges. Betsy ontving ze in den salon en vroeg Jeanne naar het kindje.

--Ze is nu veel kalmer, mijn kleine meid, ze heeft tenminste geen koorts meer, maar toch, geheel beter is ze niet. Dokter Reijer was nog al tevreden. Ik vind het heel lief, dat je ons gevraagd hebt: ik heb waarlijk behoefte eens uit al die soesah te zijn, maar door mijzelve kom ik er niet toe. Alleen, je ziet, ik heb vertrouwd op je gezegde, dat het heel intiem zou zijn en er mij dus niet voor gekleed.

Zij keek een weinig ongerust van haar eigen eenvoudige, zwarte japon naar Betsy's grijs satijnen toilet.

--Er komt werkelijk niemand meer dan, hier, Emilie en haar broêr, dien ik een beleefdheid wilde doen. Maar je hadt mij gezegd vroeg naar huis te willen gaan, en wij gaan dan later even naar de opera, in de loge van oom Verstraeten. Maak je dus niet ongerust, je hebt groot gelijk gehad, zoo te komen.

Henk kwam binnen, in zijn huisjasje, met zijn joviaal, vriendelijk gezicht en dit stelde Jeanne nog meer gerust dan Betsy's verklaring. Emilie, ruischende van de gitten, en levendig als altijd, kende zij goed, en alleen Georges maakte op haar, in de onberispelijkheid van zijn frac en zijn gardenia, een indruk van gegeneerdheid.

Frans Ferelijn was, als Oost-Indisch ambtenaar, met verlof voor herstel van gezondheid in Holland gekomen en zijn vrouw was een oude schoolkennis van Eline en Betsy.

Jeanne scheen een eenvoudig vrouwtje, zeer stil en gebukt onder haar huiselijk verdriet. Zwak, mager en van een bloedarmoedige bleekheid, met een paar zachte bruine oogen, was haar de moederlijke zorg voor drie ziekelijke kinderen bij bekrompen geldmiddelen te zwaar en zij had een onbedwingbaar heimwee naar Indië, waar zij geboren was, waar zij het eenzame leven in de binnenlanden lief had. Zij leed van de koude en telde de maanden, die zij nog in Holland zou moeten doorbrengen. Aan Emilie verhaalde zij, hoe zij bij Temanggoeng in de Kadoe gewoond hadden,--Frans was controleur 1e klasse,--temidden eener menagerie van Cochinchina-kippen, eenden, duiven, een Hollandsche koe, die zooveel liter melk gaf per dag, twee geiten en een kakatoe,--als Adam en Eva in het Paradijs, merkte Emilie op;--hoe zij des morgens haar Perzische rozen en haar mooie crotons verzorgde en in den groentetuin zelve haar groenten voor dien middag uitzocht, en hoe haar kinderen in Holland aanstonds waren begonnen te sukkelen en te hoesten. Het is waar, ze zagen wel bleek in Indië, maar ze behoefde daar toch niet te vreezen voor elk tochtje, voor elke deur die open stond. En zij betreurde zeer haar baboe, Saripa, die zij uit economie had moeten achterlaten. Nu was zij in dienst bij andere menschen op Samarang, maar zij had beloofd, dadelijk weêr tot haar te komen, zoodra zij in Indië terug waren, en Jeanne zou haar uit Holland eenige mooie katoentjes voor kabaia's medebrengen.

Emilie luisterde vriendelijk toe, en maakte haar goed aan het praten; zij wist, hoe die herinneringen uit Indië Jeanne vermochten te wekken uit haar gewone stilte. Betsy vond haar ongeschikt in een groot gezelschap, en vroeg haar dus slechts alleen, met haar man, soms met een paar goede kennissen. Eigenlijk vond zij haar vervelend en onbeduidend, meestal slecht gekleed en zeurig, maar toch meende zij, dat deze opinie niet uitsloot haar een enkele maal intiem te vragen, Jeanne uit medelijden, Emilie voor de vroolijkheid en Georges, om zijn kaartje met een invitatie te reciproceeren.

Terwijl Frans Ferelijn met Henk over zijn aanstaande promotie tot assistent-rezident sprak, en Georges, na een paar frazen aan de gastvrouw, luisterde, hoe Jeanne verhaalde van Frans' rijpaard, dat eens tot in hun middengalerij was komen aanzetten om zijn pisang te halen, lag Betsy met het hoofd op den rug harer causeuse en vond dat Eline op zich wachten liet. Zij had gaarne wat vroeg willen eten, om niet al te laat in de opera te komen, en ze hoopte maar, dat de Ferelijns niet indiscreet zouden zijn en langer blijven, dan zij zich eerst hadden voorgenomen. Amuzant waren ze toch zelden, dacht ze, en stond op, heimelijk ongeduldig, verschikte de pauwenveêren in een Makartbouquet, eenige kleinigheden op een peluche tafeltje, of schoof met heur voet het tijgervel voor den vlammenden haard terecht, kribbig op Eline.

Eindelijk ging de deur open en Eline trad binnen. En het trof Jeanne, hoe mooi, vooral hoe elegant zij was in haar roze toilet van zijden rips, zeer eenvoudig en zeer rijk, met enkele kleine strikjes, die als vlinders wegscholen op haar, en-coeur opengesneden, corsage en heur korte mouwtjes in den elleboog; strikjes, die zich luchtig schenen neêrgezet te hebben op haar schouders en aan haar middel. In haar lichtbruine haren, opgekamd in den vorm van een antieken helm, stak een roze veêren touffe met aigrette; roze schoentjes schoeiden haar voet, loom en licht als die eener fee; een enkel parelsnoer schakelde zijn matwitte kralen om haar hals. In de hand droeg zij haar lange handschoenen, haar roze veêren waaier en haar binocle van parelmoer.

Ferelijn en De Woude stonden op en zij drukte hun de hand en kuste Emilie en Jeanne even op het voorhoofd, meêwarig naar de kleine Dora vragend. Zij zag, hoe allen, zelfs Henk en Betsy haar opnamen, van het hoofd tot de voeten, als getroffen door den rijken eenvoud van haar toilet, en zij glimlachte, toen Jeanne haar van dokter Reijers goede hoop sprak, het tobbende vrouwtje in den triumf en den glans harer schitterende bevalligheid toe.

VIII.

Aan tafel schertste Eline onophoudelijk met De Woude, haar buurman. Betsy zat tusschen haar beide mannelijke gasten, Emilie tusschen Henk en Frans, Jeanne tusschen Eline en Henk. In de eenigszins somber en antiek gemeubileerde eetkamer glinsterde de tafel van damast, zilver en kristal onder den gloed van het gas, terwijl het flikkerde langs karaffen en glazen, waarin donkerrood of bleekgeel, de wijn scheen te sidderen. Uit de bloemen van een zilveren korf verhief een ananas heur kroon van stekelig loof.

De Woude was met Eline begonnen te praten over de soirée bij de Verstraetens en hij schilderde haar, hoe waarlijk vorstelijk freule Van Erlevoort als Kleopatra en het Gezicht was geweest. Onder Emilie, Frans en Betsy ontstond een druk gesprek over Indië, waarin zich Jeanne eerst bijwijlen mengde, maar ze zat te ver, en werd afgeleid door het gekakel van De Woude en het schelle lachje van Eline, die met elkaêr zaten te flirten. Zwijgend lepelde Henk zijn soep en at zijn vischpastei, een enkele maal Jeanne en Emilie met een paar woordjes bedienend of inschenkend. En Jeanne werd al stiller en stiller, zoowel uit malaise als uit vermoeidheid over haar druk gekout met Emilie, na een dag vol zorg. Zij gevoelde zich weinig thuis naast het coquetteerend paartje: Eline, en grande toilette, De Woude, in zijn rok, die beide als een groepje vormden uit een galadiner, terwijl zij er in haar zwart japonnetje povertjes bij afstak. Toch was zij blijde, dat zij naast Henk zat en gevoelde zij in die nabuurschap iets als de vage sympathie van haar misplaatstheid voor de zijne.

En zij kon niet nalaten zich te vergelijken bij Eline en Betsy; zij tobbende met haar drie kinderen en haar klein verlofs-traktementje, Eline en Betsy onbekrompen steeds verkeerende in een zwier van vermaak en wereldschheid. Waar was de vroegere, gezellige vriendschap, die haar samenbond, toen zij, nog ondeugende kinderen, met haar tasschen naar school slenterden, Eline den capuchon van haar regenmantel vol kersen had gestopt, en zij haar ondeugd en moedwil tegen de schooljuffrouwen botvierden onder het commando van Betsy? Zij gevoelde zich als verkoeld van de jonge vrouw, welke haar nu zelfs begon af te stuiten door dit laatdunkend nonchalante in haar wijze van spreken, door dien toon van overwicht tegenover haar man, verkoeld van dat jonge meisje, dat haar wuft en ijdel toescheen in haar gesprek vol schitterende nietigheid met dien fat. Vooral Eline begreep zij niet; zij vond iets ongewoons, iets raadselachtigs in geheel haar wezen, dat steeds met zichzelve in contrast was. Haar gelach om niets vermoeide haar en zij verwonderde zich uit een fijn instinct er over, hoe iemand, die, naar men zeide, zoo heerlijk zong, zoo onaangenaam en onnatuurlijk lachte. O, dat ze toch een oogenblik stil ware....! En zij wenschte zich terug in hun nauw bovenhuis, bij haar kleine Dora; hoe had ze die invitatie dan ook aangenomen! Het is waar, Frans was er op gesteld geweest, dat zij, nu de dokter het gevaar geweken zag, eenige verstrooiing zou zoeken, maar dit, dit gaf haar geen verstrooiing: dit maakte haar zenuwachtig, zelfs verlegen.

En zij bedankte Henk voor de zwezeriken met asperges, die hij haar aanprees.

--Heb ik goed gehoord, freule, is meneer De Woude een broêr van u? vroeg Frans zacht aan Emilie. Zoowel haar als Georges ontmoette hij voor den eersten keer, en zoowel hunne gelijkenis als hun contrast trof hem.

--Zeker, fluisterde Emilie. Een eigen broêr. En ik ben trotsch op hem. Hij is een echte gommeux, maar een beste jongen. Hij werkt op Buitenlandsche Zaken, hij is élève-consul.... Pas op, als u misschien iets slechts van hem denkt! lachte zij fluisterend, en dreigde met haren vinger, als ried zij Ferelijns gedachte.

--Ik heb nog nauwelijks meer dan een paar woorden met meneer De Woude gewisseld, en zal dus wel oppassen, nu al een opinie over hem te hebben! sprak hij een weinig verschrikt over Emilie's brusquerie.

--Dat is u geraden; de meeste menschen krijgen een geheel anderen indruk van Georges, als zij hem eenigen tijd kennen, dan als zij hem voor het eerst in gezelschap zien.... U ziet, ik spring als een trouwe zuster voor mijn broêr in de bres.... Schenk u me nog maar eens in.

--En zelfs zonder dat hij wordt aangevallen! hervatte Ferelijn glimlachend, en voldeed aan Emilie's verzoek.--Maar toch zooveel merk ik al dat hij een bedorven kindje van de dames is, niet alleen van zijn zuster, ook van mevrouw Van Raat en juffrouw Vere....

Betsy had zich in het gesprek van Eline en Georges gemengd, aangetrokken door de levendigheid van den laatste, die van den hak op den tak sprong, tal van onderwerpen even aanroerde: een conversatie, zonder bepaald fond, zonder eigenlijke geestigheid, maar licht als schuim en zeepbellen en flikkerend als vuurwerk. Zulk een gesprek was haar element; een ernstig discours, al werd het met verve gevoerd, was haar te zwaar, maar dit getintel van kleine vonkjes en schuimspatjes, dat was als het geparel van den wijn in het kristal der kelken, behaagde haar uitermate. Zij vond Georges veel amuzanter dan gisteren bij de Verstraetens, waar hij tweemaal beweerd had, dat het roode licht meer flatteerde dan het groene. Nu viel hij niet in herhalingen, maar ratelde door, terwijl zijn stijfheid met een paar fijne plooitjes kreukte, terwijl hij haar schertsend brutaal in de rede viel, of zijn opinie opdrong, terwijl hij zijn frazen vlug en onnauwkeurig afspon met een Fransche levendigheid.

Eline had een paar malen Jeanne willen medevoeren in dien cirkel van schitterende nietigheid, maar Jeanne had slechts even geglimlacht of geantwoord met een enkel woord en Emilie gaf het op haar te amuzeeren. Het gesprek werd algemeener; Eline voegde zich er bij met haar vrooliik sans-gêne en haar komische jovialiteit en Frans, te midden van dien tooverkring, kon niet nalaten nu en dan een vonk van luchtige geestigheid te laten flikkeren, al wierp hij vaak een bezorgden blik naar zijn stil vrouwtje.

IX.

Het was Jeanne alsof het diner nimmer zou eindigen. Ofschoon zij niet den minsten eetlust had, wilden zij niet meer weigeren en at van de getruffeerde poularde, van de gâteau Henri IV, van de ananas en het keurig dessert, haren wijn echter slechts even met de lippen aanrakend. Henk, naast haar, at veel en met smaak, en verwonderde zich, al kluivende, hoe zij steeds zulke kleine porties nam. Maar ook De Woude at ternauwernood, daar hij er zich in het vuur zijner levendigheid nauwlijks den tijd toe gunde. Emilie echter hield Henk goed gezelschap en dronk een stevig glas wijn.

Het was over achten, toen men opstond en de dames zich naar den salon begaven. Frans ging met Henk en De Woude een sigaar rooken, daar Jeanne verklaard had nog wel een half uurtje te willen blijven. Betsy had dit vriendelijk gevraagd; zij kon haar gasten toch niet op staanden voet laten vertrekken en het bleef vroeg genoeg voor de opera.

--Is Dora dikwijls ziek, Jeanne? vroeg Eline, terwijl zij zich, met het geruisch van haar roze rips, naast deze op een canapé neêrzette, en haar hand nam. Den laatsten keer, dat ik haar zag, mankeerde haar niets en toen vond ik haar al zoo bleekjes en fijntjes.

Jeanne trok zacht hare hand terug en gevoelde iets als een ergernis over die vraag na de conversatie aan tafel; zij antwoordde kortweg. Maar Eline liet niet af, als was ze bewust, nu in liefheid te moeten inhalen, wat zij eerst had verzuimd, en zij kon zóó iets gevoelvol-medelijdends in haar stem leggen, dat Jeanne er onwillekeurig door werd bewogen. Jeanne begon te klagen, hoe zij niet geloofde, dat dokter Reijer zorgvuldig genoeg haar meisje had onderzocht, en Eline, die zich op het zilveren blad, dat Gerard, de knecht, voorhield, haar mokka suikerde, hoorde vol belangstelling naar de moederlijke klacht. Emilie en Betsy waren in het aangrenzend boudoir gegaan, waar de eerste modeplaten wilde zien.

--Arme meid, wat heb je een moeite, en nauwlijks drie maanden pas in Holland. Je bent immers in September gekomen? vroeg Eline het doorzichtige Chineesche kopje op de peluche babbytafel zettend.

Jeanne zweeg, maar eensklaps richtte zij zich op, en op haar beurt Eline's fijne, koele vingers vattende, zeide zij, in een verlangen naar teederheid:

--Zeg eens, Eline, je weet, ik heb het hart op de tong, ik ben altijd nog al oprecht geweest: mag ik je iets vragen?

--Natuurlijk, antwoordde Eline, een weinig verbaasd.

--Nu dan.... waarom zijn we niet met elkaâr, zooals we vroeger waren, toen je ouders nog leefden? Het is nu vier jaar geleden, dat ik trouwde en naar Indië ging, en nu we terug zijn gekomen, nu ik je weêr terug zie, is het, of alles tusschen ons veranderd is. Ik heb geen kennissen en bijna geen familie hier in Den Haag, en ik zou gaarne mijn vroegere kennissen blijven behouden.

--Maar Jeanne....

--O, ik weet het, je vindt me misschien dwaas, dat ik zoo spreek, maar ik voel me soms zoo gedrukt door al die soesah; ik zou zoo gaarne eens aan een goede vriendin mijn hart willen uitstorten.... wat ik natuurlijk niet aan mijn man doe....

--Maar waarom niet aan je man....?

--Ach, hij heeft al genoeg zorg van zijn eigen zaken; hij is ziek, niet waar, en hij wordt ongeduldig....

--Maar Jeanne, ik weet niet, wat er tusschen ons veranderd zou zijn.

--Misschien verbeeld ik het mij ook; vroeger waren we meer samen, nu leef je in geheel andere kringen, je gaat veel uit en ik.... we zijn zoo langzamerhand aan elkaâr vervreemd.

--Maar als men elkaâr in vier jaar niet gezien heeft....

--We hebben toch correspondentie gehouden.

--Wat zeggen een drie, vier brieven in een jaar! Spreekt het niet van zelf, dat men eenigszins andere ideeën krijgt, als men ouder wordt en in andere omstandigheden komt. Vroeger was ik ook in zorgen, eerst over mijn lieve papa, later over tante Vere, die ik in haar ziekte heb opgepast...

--Voel je je gelukkig hier, kan je met Betsy overweg?

--O, zeker, uitstekend, anders zou ik immers niet bij haar inwonen.

Eline vond het, uit haar aangeboren terughoudendheid, niet noodig, hierop meer te antwoorden.

--Zie je, je hebt je om niets te bekommeren, ging Jeanne voort; alles gaat en gebeurt zooals je zelf wilt, je leeft vrij en onafhankelijk, voor je genoegen.... bij mij is alles zoo geheel anders.

--Maar is dat nu een reden om ons vervreemd van elkaâr te noemen? Ten eerste vind ik vervreemd een onaangenaam woord; ten tweede is het, al duidt je het zachter uit, niet waar....

--Toch wel.

--Toch niet.... Ik verzeker je Jeannelief, kan ik je van dienst zijn in het een of ander, je zal me altijd bereid vinden. Geloof je dat?

--Zeker, en ik dank je voor je belofte... Maar Eline...

--Nu?

Jeanne had iets als een vraag op de lippen: hoe ben je? verhaal mij meer van je, laat mij je beter leeren kennen, zooals je nu bent! maar het gemaakt vriendelijk lachje om die fijne lippen, in die droomerige, amandelvormige oogen deed haar zwijgen. En zij gevoelde plotseling berouw over haar openhartigheid tegenover dit coquette meisje, dat haar veêren waaier in- en uitplooide; zij gevoelde als een onvoldaanheid over het nuttelooze gesprek, dat er uit gevloeid was. Waarom had zij zich door die opwelling laten medeslepen; zij pasten immers toch niet bij elkaâr....

--Nu? herhaalde Eline, en toch vreesde zij in haar terughoudendheid voor die vraag, die komen zou.

--Later, later, als we weêr eens alleen zijn! stotterde Jeanne en zij stond op, ontevreden, over zichzelve geërgerd, op het punt in tranen uit te barsten, na dat onaangename diner, na die vruchtelooze wisseling van gedachten. Betsy en Emilie traden juist uit het boudoir.

Jeanne meende dat het tijd was van heengaan. De drie heeren kwamen weldra binnen en Henk hielp Jeanne haar langen wintermantel aantrekken. Zichzelve tot vriendelijkheid dwingend nam zij afscheid en herhaalde Betsy, hoe lief zij haar intieme invitatie had gevonden, en opnieuw overviel haar een rilling van ontevredenheid, toen Eline haar op beide wangen kuste.

--Wat is die Jeanne toch gloeiend vervelend! zeide Betsy, nadat de Ferelijns weg waren. Zij heeft bijna geen mond opengedaan.... Waarover heb je het toch zooeven met haar gehad, Eline?

--Ik? Wel over Dora, en over haar man... niets bizonders.

--Arme meid! sprak Emilie medelijdend. Kom Georges, haal mijn sortie eens.

Mina bracht echter de sorties der dames binnen, terwijl De Woude zijn ulster ging aantrekken en Henk zich in zijn dikke handen wreef, aangenaam gestemd, dat hij van avond thuis zou kunnen blijven na een lekker diner. Het rijtuig stond reeds een half uur in de dooiende sneeuw te wachten, met Dirk den koetsier en Herman den palfrenier, onder hunne groote, bonten pélérines als verzonken, op den bok.

--Frans, dwing me nooit meer een invitatie bij de Van Raats aan te nemen! sprak Jeanne smeekend, terwijl zij, rillend aan haar mans arm, door de modder plaste, en de slippen van haar te wijden mantel, die telkens openwoei, met haar kleine, verkleumde hand bij elkaâr poogde te houden. Heusch, ik voel me niet meer thuis bij hen, bij Betsy en Eline.

Hij haalde even ongeduldig de schouders op en bleef zwijgen, en zij stapten met hunne natte schoenen door, in het flikkerend licht der lantaarns, die zich vervelend regelmatig herhaalden langs den weg, en die haar doffen glans afspiegelden in de plassen, beverig en flauw.

X.

De derde acte van Le Tribut de Zamora was juist begonnen, toen Betsy, Emilie, Eline en Georges hunne loge binnenkwamen. Deze komst gaf een afleiding, eene plotselinge, lichte beweging in de stilte van het luisterend en schouwend publiek; er ruischte een gekreuk van zijde en satijn; men zag naar hen op en om; kijkers richtten zich naar hen toe; in het publiek fluisterde men hier en daar, en vroeg men, wie zij waren.

Emilie en Eline zetten zich vóor neder; Betsy en Georges achter haar, en Eline zag een wijle, half glimlachend, in het rond, terwijl zij haren waaier en haren parelmoeren binocle neêrlegde. Toen begon zij langzaam hare sortie van wit peluche, met roze satijn gevoerd, los te strikken, en deed die als iets rozigs en sneeuwigs van haar schouders glijden, waarop De Woude ze over de leuning van haar fauteuil schikte. En zij genoot in den triumf harer bevalligheid, toen zij, als zonder er op acht te geven, zag, hoe men haar betuurde en bewonderde.

--Het is vanavond vol, we treffen het goed, fluisterde Emilie. Ik vind niets zoo vervelend als een leêge zaal.

--O, ik ook! zeide Betsy. Kijk daar zitten de Eekhofjes, Ange en Léonie, met haar mama. Gisteren waren zij ook bij de Verstraetens: de volgende week geven ze een soirée dansante! en zij groette de meisjes terug.

--Vanavond zingt de nieuwe baryton, die uit Brussel komt, Theo Fabrice, sprak De Woude tot Eline. U weet, dat er sinds de débuts twee zijn afgewezen, hij is eindelijk de derde.

--Wat duren die débuts vreeselijk lang dezen winter! merkte Eline achteloos en zich waaiende op.

--Met den fort-ténor hebben we het nog al dadelijk getroffen, maar ook hier, Fabrice schijnt heel goed te zijn, naar ik heb hooren zeggen. Kijk, daar komt hij.

Het koor van Ben-Saïds odalisken was geëindigd, en de Moorsche vorst zelve trad binnen, aan de hand Xaïma zijn paleis binnenvoerend. Eline lette echter weinig op, daar zij nog de zaal rondzag, nu en dan een kennis toelachte, en haar oogen niet weêr naar het tooneel richtte, dan toen Ben-Saïd en zijn slavin onder hun troonhemel gezeten waren en het ballet begon. Daarin schiep zij behagen en zij volgde de danseuses, die, als glijdend op de tippen der teenen, zich rijden onder de Moorsche arcades en zich groepeerden onder de opgeheven sluiers en waaiers van zilveren franje, omgoten door haar corsages van glanzig satijn, en schitterend van het klatergoud op de tulle harer wijd uitgeplooide rokjes.

--Een lief ballet! zeide Emilie, gapende achter heur waaier, en vlijde zich gemakkelijker in haar fauteuil, een weinig onder den indruk van het genoten diner.

Eline knikte en terwijl zij achter zich het gefluister van Betsy en Georges hoorde, bleef zij de kunstige evoluties volgen der eerste danseuse die onder de op en neêr gezwaaide sluiers en waaiers tusschen de anderen doorzweefde, steeds op de punten van heur satijnen, naar omlaag gekromde voeten, de armen omhoog, in heur kapsel een flikkerend aigrette van diamanten.