Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 39
Vincent was niets veranderd in zijn uiterlijk en in zijn gebaren en Eline bespeurde op eens, toen zij beiden, staande, praatten en zij zich naast hem, in den spiegel, weêrkaatst zag, dat zij oud was geworden. Hij, keurig en elegant gekleed, was de zelfde van voor twee jaren; zelfs scheen zijn gelaat naast het hare, zoo geel bleek, hol en mager, gezonder dan zij het ooit gezien had. Zij, in hare zwarte kant, eene stof, die zij tegenwoordig steeds placht te dragen, geleek met hare ingevallen schouders en hare sombere, doffe oogen een ruïne van hare vroegere schitterende jeugd. Een ruïne van binnen als van buiten....
Lawrence St. Clare maakte aanstonds een zeer aangenamen indruk, zoowel op Elize, als op Eline. Als Amerikaan had Eline zich hem eenigszins ruw en zonder manieren voorgesteld,--misschien wel spuwende, vloekende en om whisky vragende,--en zij werd aangenaam verrast door zijne innemende, gemakkelijke wijze van zijn. Groot en zwaar gebouwd met zijn vollen, donkerblonden baard, die hem op de borst hing, blonk er trotschheid uit zijne heldere oogen, maar eene trotschheid, die, zonder een zweem van aanmatiging, van kracht en vasten wil getuigde. Die kracht, die vastheid van wil gaven hem iets onafhankelijks, iets bijna koninklijks, iets als een fiere oprechtheid, die vertrouwen inboezemde. Ofschoon Eline vroeger van Vincent slechts nu en dan iets over St. Clare had vernomen, scheen het haar, zoodra zij eenige woorden met hem gewisseld had, dat zij hem lang gekend had. Zijn open glimlach, zijn zachte, doordringende oogen boeiden haar en wekten haar op, en het trof haar eensklaps, toen zij aan tafel een blik over allen, die daar zaten, weidde, hoe hij van eene rustige, gezonde waarheid straalde, waarbij de hoffelijkheid van oom, de schuimachtige, lichtzinnige oppervlakkigheid van Elize, de nevelachtige melancholie van Vincent en van haarzelve als huichelarij en ziekelijke bedorvenheid afstaken.
Na het diner ging men koffie drinken in de groote zaal, en Eline gevoelde zich tevreden in St. Clare's gezelschap, en hoopte, dat niemand van de andere kennissen hen dien avond zou komen storen. Toch sprak St. Clare haar niet veel toe: Elize nam hem geheel en al in beslag en vroeg hem honderd uit over New-York, over Philadelphia en Saint-Louis. Hij antwoordde haar in het Fransch en sprak langzaam, met een vreemd accent, dat Eline aangenaam streelde.
Vincent had haar bij beide handen genomen en haar opmerkzaam aangestaard. Hij was haar dankbaar voor wat zij hem vroeger gedaan had en iets als medelijden vervulde hem nu.
--Ik heb wel een beetje aan je verloren, Elly! sprak hij, terwijl zij in het balcon ging zitten. Je moet een beetje zien aan te dikken, hoor!
Zij lachte even en de punt van haar schoentje frommelde zenuwachtig in de mollige, witte schapenvacht van het tapijt.
--Het is niets! zeide zij. Ik voel me nog al wel in den laatsten tijd. Ik ben heusch erger geweest.... En ik ben heel blij je weêr eens te zien, heel blij. Je weet, ik heb je altijd nog al mogen lijden.
Zij stak hem gul de hand toe en hij drukte die en schoof zijn fauteuil een weinig dichter bij de hare.
--En wat zeg je van Lawrence? vroeg hij. Bevalt hij je?
--Ja, hij is een goede kerel, geloof ik, niet waar?
--Hij is de eenige man, dien ik in de wereld ken, als iemand waarop je staat kan maken. Ik vertrouw niemand, niemand, zie je, zelfs jou niet, zelfs mezelven niet, maar hem wel.... Wat spreekt hij grappig Fransch, hè?
--Hij spreekt het heel goed! antwoordde Eline.
--O, je kan niet begrijpen, hoeveel hij over heeft voor iemand, van wien hij houdt! ging Vincent vertrouwelijk voort. Als ik je vertelde, wat hij al niet voor mij heeft gedaan, zou je het niet willen gelooven. Ik zou niet aan iedereen willen vertellen, wat hij me gedwongen heeft van hem te accepteeren, en zelfs nu ik er jou over spreek, schaam ik mij er wel een beetje over. Je moet weten, dat ik in New-York zwaar ziek ben geweest, heel lang en tot op den dood toe. Ik had toen nog eene betrekking aan het zelfde handelshuis, waarin hij zijn geld heeft. Hij heeft me toen in zijn huis opgenomen en me verzorgd, bijna zoo lief als jij het gedaan hebt. Ik weet waarlijk niet, waarmeê ik zijn vriendschap verdiend heb, en ik kan hem die vriendschap nooit goed maken. Toch geloof ik, dat ik alles voor hem over zou hebben. Als er een greintje goed in me is, is dit door zijn invloed in me gekomen. Terwijl ik ziek was heeft hij weten te bewerken, dat mijn plaats--ik was tweede boekhouder--alleen tijdelijk door een ander werd vervuld, zoodat ik niet op zwart zaad zat, toen ik tel-quel hersteld was. Maar nu onlangs kreeg hij het idee te gaan reizen: hij kende weinig van Europa, en hij beweerde, dat mijn betrekking me eigenlijk te zwaar was.... Enfin, in éen woord, hij inviteerde mij met hem meê te gaan. Ik heb eerst geweigerd, omdat ik reeds zooveel verplichtingen aan hem had, maar hij drong aan en ik gaf toe. Hij wil van den winter tot Petersburg en Moskou gaan en den aanstaanden zomer in het zuiden van Europa ronddwalen. Je weet, ik heb altijd nogal veel her- en derwaarts getrokken, en ik ben blij hem hier en daar eenigszins tot gids te kunnen zijn. Maar zoo chic als ik nu reis, heb ik het nooit gedaan. We hebben overal het beste en het fijnste en niets is goed genoeg. We nemen het er van, begrijp je.
Hij hield op, een weinig vermoeid van zijn lang gefluister.
--Zooveel sympathie heeft hij dus voor je? sprak Eline zacht. Hoe curieus! Ik ken hem natuurlijk niet, maar ik zou toch zeggen, dat hij geheel en al het contrast is van jou, Vincent.
--Dat is hij ook, daar heb je gelijk in. Misschien juist daarom houdt hij van mij. Hij beweert ten minste altijd, dat ik beter ben, dan iedereen en ikzelve me vinden. Dat is ten minste troostelijk, niet waar?
--Hij vindt je misschien interessant, zooals Elize mij! sprak Eline, haars ondanks met een schamper lachje. Maar zij gevoelde, nu zij St. Clare op haar toe zag komen, eenig zelfverwijt als had zij hem onrecht gedaan. Hoe kon zij de fiere waarheid, welke van hem uitstraalde, vergelijken met de luchtige kilte van Elize!
Elize was druk in de weer met haar liqueuren en zij vroeg Vincent, of hij kirsch of curaçao dronk of misschien cognac wilde. Vincent nam bij haar en bij oom Daniël, die om den haard zaten, plaats, terwijl St. Clare zich in de vensterbank zette, bij Eline.
--En u is dus het lieve nichtje, waarvan Vincent me zooveel verteld heeft? Het nichtje, dat hem zoo goed heeft opgepast? vroeg hij met een glimlach, terwijl hij zijn handen in de zakken stak en zijne heldere oogen doordringend in die van Eline zagen.
Eline had het op de lippen hem te zeggen, dat Vincent verhaald had, hoe hij, St. Clare, eveneens goed zieken kon oppassen, maar zij bedacht zich: het was wellicht niet goed hem te laten blijken, dat Vincent reeds zooveel over hem gesproken had, op dien eersten avond.
--Ja, dat ben ik, ik heb hem opgepast! antwoordde zij, in het Fransch. Zij sprak goed Engelsch, maar zijn Fransch behaagde haar zoo, dat zij hem niet vroeg of hij liever Engelsch sprak.
--Dat was in Den Haag, niet waar?
--Ja, in Den Haag. Hij logeerde toen bij mijn zwager.
--En u was daar ook in huis bij uw zwager, niet waar?
Hij scheen haar eenigszins te willen uitvragen, maar de wijze waarop hij het deed, had zoo weinig van onbescheidenheid en zooveel van belangstelling, dat zij niet gekrenkt werd.
--Ja, antwoordde zij. Had Vincent u dat gezegd?
--Juist. Vincent sprak dikwijls over u.
Zijn woorden gaven haar den indruk, alsof hij veel van haar leven wist. Na haar vlucht uit het huis van Henk en Betsy, had zij Vincent geschreven; hij, St. Clare, wist dus zeker van die vlucht.
--En u heeft veel gereisd? vervolgde hij.
--O ja, met oom en tante. Heel veel. U denkt nu ook veel te reizen, hoor ik?
--Van den winter tot in Rusland toe.
Beiden zwegen zij een pooze. Het scheen Eline, alsof zij elkaâr veel te verhalen hadden en niet wisten waarmede te beginnen. Het had haar geschenen, alsof zij hem reeds lang kende, en nu bleek het, dat ook hij haar reeds kende. Zij waren geen vreemden meer voor elkander.
--Houdt u veel van Vincent? vroeg zij.
--Heel veel. Ik heb veel medelijden met hem. Wanneer hij een flinker gezondheid had gehad, was hij een buitengewoon man geworden. Er zit energie, werkkracht in hem en hij heeft een ruimen blik over veel zaken. Maar zijn lichamelijke zwakte belemmert hem in iets vol te houden en iets tot stand te brengen. De meeste menschen kennen Vincent niet. Ze denken, dat hij lui, grillig, egoïst is en ze willen niet inzien, dat hij alleen maar ziek is. Ik geef het den beste werkzaam en standvastig te zijn, en zijn gaven en talenten de wereld ten nutte te maken als hij half stervende is van zwakte.
Zij had Vincent nooit zoo beschouwd, zij had alleen een onberedeneerde sympathie voor hem gevoeld.
--Ik geloof wel, dat u gelijk heeft! sprak zij na een korte pauze. Maar zal zoo een verre reis nu niet vermoeiend zijn voor Vincent? Rusland, in den winter?
--O neen. Een koud klimaat is opwekkend voor zijn gestel. En hij behoeft zich niet te vermoeien. Ik wil zelfs niet eens, dat hij alles meêdoet, wat ik van plan ben te doen. Tegen sporen kan hij. Hij trekt dus zijn pels aan en gaat in een waggon zitten, dat is alles.
Zij vermoedde uit zijn halve woorden, zooals zij het uit haar gesprek met Vincent vermoed had, dat St. Clare hem met alle mogelijke gemakken omringde.
--Ik geloof, dat u nog al goedhartig is! kon zij niet nalaten te zeggen.
Hij zag haar even verbaasd aan.
--Hoe komt u daar zoo op? vroeg hij lachend.
--Dat weet ik niet! antwoordde zij, en zij bloosde en lachte een weinig. Men krijgt van iemand een zekeren indruk, niet waar? Misschien vergis ik me wel.
Hij maakte een onbestemd gebaar met de hand. In hare laatste woorden was een tintje van coquetterie, dat haar, nu zij gesproken had, ergerde.
--U sprak zooeven van energie, van wilskracht, hernam zij. En u geloofde dat, wanneer men ziek is, het te vergeven is, wanneer men geen energie en werkkracht heeft.
--Natuurlijk. Wat bedoelt u?
Hij had iets doortastends, iets alsof hij steeds recht op zijn doel afging, en dit bracht haar in verwarring. Met Vincent had zij zich weleer in nevelachtige, filozofische gesprekken verdiept, gesprekken, waarvan de zinnen als spiralen rook waren geweest, die zich grillig en toevallig ontkronkelden en verbreidden. Gesprekken, waarin zij beiden niet hadden geweten, op welk doel zij mikten. Hij, St. Clare, maakte haar van streek met zijn: "wat bedoelt u?"
--Ik bedoel, antwoordde zij onzeker, of u aan iemand, die ... die veel verdriet heeft gehad, niet nog veel meer zoudt vergeven, dat hij geen energie, geen werkkracht had, dan.... dan bijvoorbeeld aan Vincent, die alleen maar ziekelijk is.
Hij zag haar een pooze vast aan.
--Wanneer hij getracht had energiek te zijn, en onder zijn poging bezweken was, ja, anders niet. Niet wanneer hij zich willoos had laten medesleepen door de omstandigheden, met de gedachte dat er niets te doen is tegen iemands noodlot. Dat fatalisme heeft Vincent ook. En er is niets zoo ontzenuwend als dat fatalisme. Het leven zou in een moreelen dood ontaarden, wanneer een ieder ging zitten, de handen in den schoot legde en dacht: Nu kome, wat komen wil.
Hare gedachten dwarrelden een weinig; zij wist niet wat zij dacht.
Had zij energie gehad? Had zij zich laten medesleepen? Zij wist het niet. Zijn kracht drukte haar neêr en verhinderde haar na te denken.
--Maar als die persoon geleden had, vooral geleden had uit berouw over wat hij eens deed? fluisterde zij bijna smeekend, met een vochtigen glans in hare oogen, en haar voet trippelde zenuwachtig in de schapenvacht, hare vingers slingerden met het zwarte medaillon. Zijn blik werd zeer zacht, overvol van medelijden.
--Dan.... o ja, dan zou hem alles te vergeven zijn! fluisterde hij met eene ontfermende geruststelling.
Maar die ontferming maakte haar verlegen: het werd haar opeens, of zij zich geheel had bloot gegeven en dingen gezegd had, die men niet zeide; het werd haar of zij geen kracht had gehad zich in hare terughoudendheid te verschuilen.
VI.
St. Clare wist niet, hoe lang hij te Brussel zou blijven.
Van uit Brussel wilde hij namelijk Mechelen, Antwerpen, Brugge, Gent zien. Tante Elize vond hem een zeer innemende persoonlijkheid maar keurde het af, dat hij des winters reisde in het Noorden. Zij hield ook veel van reizen, maar niet van kou lijden. St. Clare lachte en beweerde, dat noch hij, noch Vincent kou leden.
Vincent vergezelde hem, hoewel niet geregeld, wanneer hij uit de stad ging. Zoo gingen er soms dagen om, dat de Vere's de beide vrienden niet zagen. Dan sprak men veel over hen met de zonderlinge kennissen, die des avonds om elf uur een visite kwamen maken. De graaf meende eens vroeger een St. Clare gekend te hebben, een soort van chevalier d'industrie en ried de Vere's aan op hunne hoede te zijn. Oom Daniël echter haalde de schouders op en Eline verpletterde den graaf onder een zwijgende minachting en trok zich om twaalf uur terug in hare slaapkamer, waar zij de hooge schreeuwende stem van de blonde dame in het rood fluweel en het gelach van Elize hoorde doorklinken.
Het geraas van die orgie verhinderde haar, trots de druppels, te slapen. Maar hoewel zij niet sliep en het daarginds niet rustig was, gevoelde zij toch iets van een rust in zichzelve. De gedachte aan St. Clare bracht haar een kalmte aan, nog weldadiger dan de koele fluïde van haren dokter. Er scheen in de wereld nog iets anders te zijn dan huichelarij; er scheen ook nog vriendschap, toewijding, in één woord, waarheid te zijn.
St. Clare en Vincent bleven een week weg en Eline verlangde naar hen. Toen zij kwamen was het de dag vóor Oudejaarsavond en Elize vroeg hen beiden morgen terug te komen. Zij gaf dan eene soirée, eene groote soirée.
VII.
Dien volgenden avond, omstreeks half tien, verschenen hare gasten. Oom Daniël en Elize ontvingen met gemak die eenigszins bij elkander geraapte kennissen. De habitués, de graaf, de acteur, de juwelier en de blonde juweliersche verschenen het vroegst. En Eline zag daarna de revue passeeren voorbij gastheer en gastvrouw, een vreemde revue, de heeren met iets poenigs of bohémien-achtigs, de dames met te groote diamanten en verwelkte sleepjaponnen.
Zij gevoelde zich niet thuis in dezen kring en toch vermaakten haar die vreemde menschen, welke door die, met bibelots opgepropte, salons dwaalden, en zich vooral ophoopten in de groote zaal. Het licht van de bougies der Venetiaansche kroon tintelde zonderling over al dat antieke brons, dat antieke porcelein en die antieke stoffen. De gasten hadden allen iets eigenaardigs, dat belang inboezemde. Elize had immers afkeer van banale menschen.
Eline trok zich een weinig terug, als in de schaduw van gastheer en gastvrouw, toen zij St. Clare en Vincent zag binnenkomen. Zij waren en frac met witte das en het trof haar, dat zij beiden een waas van distinctie medevoerden.
Maar toen zij oom en Elize begroet hadden, schenen zij haar niet op te merken in het gedrang der luidruchtige menschen en Eline gevoelde zich verlaten, hoewel een kleine, oude dame, bruin en gerimpeld als een noot, met roode pluimpjes in het haar, haar druk verhalen deed over schilders en beeldhouwers. De oude dame liet er zich op voorstaan, dat zij arme artisten beschermde.
--Het is zeker een artistieke soirée, van avond? vroeg zij, hare oogen dicht knijpend.
--Ik geloof het wel, antwoordde Eline in eene toenemende malaise.
--U zingt ook?
--O neen, ik zing niet meer, de dokter heeft me verboden te zingen.
--U was zeker anders aan het tooneel gegaan?
--O neen, neen....
Eenige heeren bogen voor het oude dametje en zij stelde ze Eline voor. Het waren allen zeer talentvolle artisten, musici, acteurs, schilders, allen miskende genieën. Het oude dametje vertelde Eline honderd uit over opera's, rollen en panorama's, die zij geschreven, gecreëerd en geschilderd hadden. Hun roem zou weldra de wereld doorklinken; zij zou ze beschermen....
Eline gevoelde iets, alsof al die miskende genieën haar omsingelden. Het duizelde haar en het was haar een redding, toen zij St. Clare op haar toe zag komen.
--U is zóó omringd! lachte hij zacht. Er is geen doordringen aan.
Eline trok een minachtend mondje.
--Laten we een beetje op zij gaan. Daar is het ruimer! lispelde zij.
Zij ontvluchtte behendig aan de omsingeling der genieën en viel met een zucht op een pouffe neder. Zenuwachtig speelden hare vingers met de dof gouden kralen, die haar gedecolleteerd corsage van zwart satijn als een glinsterende regen bedekten.
--O! Die menschen vervelen me nu al! sprak zij met een lichten afkeer. Hoe heeft u het gehad in Gent en in Brugge? Toe, vertelt u me wat....
Hij bleef naast haar staan en verhaalde het een en ander. Hier en daar vormden zich groepjes, en de heeren wipten soms voorzichtig over de sleepen der dames heen. Drie lakeien dienden wijn, sorbets en gebak rond.
--Maar wat zal er vanavond gebeuren? vroeg St. Clare nieuwsgierig, terwijl hij zijn verhaal onderbrak. Elize stond een en al lieftalligheid, zich in betuigende bochten te wringen voor den graaf, en men zag naar hen op en fluisterde.
De graaf scheen verlegen en verontschuldigde zich.
--O, ik bid u! u mag me niet dupeeren! hoorde men Elize smeeken.
--Ze vraagt hem zeker iets voor te dragen en hij is confuus! lachte Eline.
Eline had gelijk. Elize sloeg een zegevierenden blik op eenige dames in hare buurt en de graaf, met een gebaar, alsof hij het niet helpen kon, poseerde zich en kuchte. Hij zou een episch gedicht voordragen, het verhaal van Pizarro's verovering van Mexico, van Montezuma en de Azteken. De titel deed de ronde.
Er ontstond eene stilte, waaronder men een gedempt fluisteren ried. De alexandrijnen rolden daverend en dreunend over de hoofden der gasten met een hard gerommel van r-klanken. Vincent knikte Eline uit een anderen hoek der zaal ondeugend toe. De graaf schreeuwde al harder en harder.
--Sublime, vindt u niet? vroeg het oude dametje met de roode pluimpjes, dat opnieuw dicht bij Eline was teruggekomen.
Eline knikte bewonderend terug.
Maar hier en daar zuchtte men, met wanhopige gezichten. Ook begon men harder te fluisteren.
--Geduld en lijdzaamheid! sprak Eline glimlachend tot St. Clare.
Hij glimlachte terug. En zij vond het lange gedicht niet meer zoo ondragelijk vervelend, nu hij naast haar zou staan, tot het gedaan was.
Toen de graaf zijn laatsten alexandrijn donderend had laten wegsterven ontstond er als een electrische beweging in de eerst roerlooze groepen. Men lachte, men drong tusschen elkaar door. Eenige dames stonden dwepend den graaf te bedanken.
--Kunnen we ons niet vast in verdediging opstellen voor een volgend nummer van het programma? vroeg St. Clare lachend.
--In den wintertuin zullen we vrijer zijn, antwoordde Eline.
Zij begaven zich met eenige moeite, beleefd dringend, naar den kleinen wintertuin. Er zaten slechts twee groepjes, twee oude heeren aan een tafel vol leêge wijnglazen, en een jong vrouwtje met een jongmensch, die haar iets scheen te vragen en telkens met een waaier op heur knie tikte. Er hing een zwoele geur, als een adem van tropische bloemen, onder de palmen, de vanille-planten en de orchideeën. Door de glazen zag men buiten een sneeuwstorm zijn wit dons verstuiven.
Zij zaten nauwlijks, of zij hoorden in de zaal eenige akkoorden over de piano rammelen. De acteur die dikwijls om elf uur 's avonds kwam, was bas en zou duo's zingen met de blonde juweliersche, nu in blauw peluche gedost. St. Clare en Eline zagen hen voor de piano, weêrkaatst in een der spiegels van den wintertuin, terwijl een miskende componist hen accompagneeren zou.
--Ik wist niet, dat ze zong! riep Eline verbaasd uit. La bonne surprise! O, het wordt bepaald amuzant! Maar vertelt u nu onderwijl door....
Er begon een blos op haar wangen te tintelen en zij kreeg iets terug van hare vroegere schitterende bevalligheid. Een enkele maal bracht zij haren champagnekelk aan de lippen. Aandachtig hoorde zij naar zijne verhalen: hij sprak zeer boeiend. Daar ginds galmden de hooge kreten van de sopraan en het lage gebrul van den bas tegen elkander op als een schrille cacofonie.
Meerdere groepjes kwamen den wintertuin vullen; men behoefde er niet de vereischte bewondering van daar ginds te toonen. Men praatte en lachte er zeer vroolijk. Vincent voegde zich bij St. Clare en Eline.
--Je ne dérange pas? vroeg hij.
--Par exemple! riep Eline uit.
Het scheen, alsof zij zich met hun drieën op een publiek feest bevonden; zij kenden nauwlijks iemand van al die zonderlinge menschen en zij vermaakten zich met hen een weinig in stilte uit te lachen. De twee oude heeren hadden hoe langer hoe meer leêge wijnglazen om zich gekregen en in de schaduw van een banaan scheen het jonge mensch met den waaier ongezien een arm om de leest van het jonge vrouwtje te hebben geslagen. In een anderen hoek, waar men eenige glazen gebroken had, herkende Vincent iemand, die zich voor een Russischen prins uitgaf, zeer luidruchtig met twee écuyères van een cirque, van wie Vincent niet begreep, hoe zij zelfs bij oom Daniël geïntroduceerd hadden kunnen worden.
--O, ze moeten door een achterdeur gekomen zijn; Elize zal niet weten, dat ze er zijn, gedecideerd niet! lachte hij.
VIII.
In de zaal ontrolde het programma zich voort. Men zong, men declameerde ernstige gedichten, men zeide comieke monologen. Maar de bewonderende stilte werd hoe langer hoe minder. In den wintertuin liep de Russische prins de écuyères na, om ze te omhelzen, en de twee oude heeren barstten eensklaps in een woedenden twist uit. Ze waren zoo goed als dronken.
Het jonge paartje was verdwenen.
--Ik zou u raden, u meer in de nabijheid van uw oom en tante te stellen; het wordt hier wel eenigszins zonderling! sprak St. Clare tot Eline. Vincent had hen verlaten. Eline stond eenigszins angstig op en St. Clare volgde haar. Maar in de zaal was Elize omringd door een zeer luidruchtigen troep, waar de dames cigaretten werden geprezenteerd en zij champagne morsten.
St. Clare voerde Eline naar het balcon. Zijn trotsche oogen stonden zeer strak en zijn lippen trilden even, nu hij een blik op de groep om Elize sloeg.
--Hoe komt u toch hier? vroeg hij op eens aan Eline met een ontevredenheid, die hij niet vermocht te temperen. Hoe is het eigenlijk mogelijk, dat ik u hier heb aangetroffen?
Zij zag hem verbaasd aan.
--Ik begrijp u niet, antwoordde zij koel.
--Ik vraag u, hoe het mogelijk is, dat ik u hier vind? U is hier toch niet in gezelschap dat u past.
Zij begon zijn meening te doorgronden en ontstelde over zijne zoo groote vrijmoedigheid.
--Niet in gezelschap, dat mij past? herhaalde zij langzaam. Mag ik u herinneren, dat ik mij in het huis van mijn oom en tante bevind.
--Dat weet ik, maar uw oom en tante schijnen menschen te zien, in wier kring u niet behoort. U is hier natuurlijk met goedvinden van uw andere familie?
Zij begon te sidderen over haar geheele lichaam en haar oogen zagen hem met al den hoogmoed aan, dien zij op dit oogenblik wist te verzamelen.
--Mag ik u vragen, meneer St. Clare, waaruit u het recht put mij een verhoor te laten ondergaan. Ik dacht, dat ik vrij was te doen en te laten, wat ik verkoos, en ik ben oud genoeg mijn kennissen te kiezen, zonder toestemming van wien ook, noch van mijn "andere familie", noch van u.
Haar toon was als een naald zoo vlijmend. Zij wilde zich omwenden. Hij vatte haar hand. Zij trok die aanstonds terug.
--Ik bid u, blijf nog een oogenblik. Vergeef me, als ik u gekrenkt heb: ik heb dat niet willen doen. Maar ik stel in u belang. Ik had veel van Vincent over u gehoord. Ik kende u voordat ik u gezien had. Ik beschouwde u eenigszins als... laat me zeggen, als een onbekend zusje zooals ik Vincent als mijn broêr beschouwde. En ik vind u hier tusschen menschen....