Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 38
Het ging niet meer, dacht Eline. Zij schreef een langen brief aan oom Daniël en Elize, een brief, waarin zij veel van hare ziel neêrlegde, zooveel als zij vroeger, in hare achterhoudendheid, nooit zou gewaagd hebben te doen. Zij schreef, dat zij zich, hoe lief mevrouw Van Raat ook was, diep ongelukkig voelde, en dat zij sterven zou van melancholie, zoo zij langer bij haar bleef. Zij smachtte naar een andere omgeving. Oom Daniël kwam in Den Haag, sprak met mevrouw Van Raat en met Eline, en vroeg Eline, zonder van den brief te reppen, in het bijzijn der oude vrouw, of zij de familie te Brussel geheel en al vergat en of zij hen niet eens wilde opzoeken.
Eline wist niet wat te beslissen, maar mevrouw zelve drong er met hare treurige stem op aan, dat Eline ooms verzoek niet zou afslaan, en dat zij naar Brussel zou gaan. Oom bepaalde nu, dat Eline twee dagen daarna hem zou vergezellen.
Toen Daniël Vere vertrokken was, bleef mevrouw Van Raat, als verpletterd onder een zware teleurstelling, roerloos neêrgezeten en heur grijs hoofd viel met starende oogen haar nog matter dan anders op de borst. Overmorgen zou Eline haar verlaten! Dat was dus het einde harer verwachtingen! Zij had, hoe zwak zij ook was, gehoopt dit jonge leven ten nutte te zijn en die doffe jeugd levenslust in te blazen en...--zij ried dit--Eline verflauwde al meer en meer, Eline verlangde naar afwisseling! Hoe had zij, oude vrouw, zoo groote aanmatiging kunnen koesteren!
Eline zag dit stille leed, en een groote wanhoop maakte zich van haar meester, een wanhoop over haar egoïsme. Zij had niet aan mevrouw gedacht, toen zij oom Daniël geschreven had: zij had slechts aan zichzelve gedacht en zij deed nu mevrouw leed door haar vertrek, terwijl zij overtuigd was, dat zijzelve, na hare verwisseling van woonplaats, de zelfde zou blijven, die zij, verwelkt van lichaam en ziel, sedert een tweetal jaren was.
--Moesje! riep zij eensklaps weenend uit. Doet het je veel verdriet, dat ik weg ga? Zeg, hadt je me nog langer bij u willen houden, met mijn ondankbaarheid en mijn drift?
Zij liet zich op een kussen aan mevrouws voeten neêr en zoende haar hand. Mevrouw streek Eline zacht over het voorhoofd.
--Verdriet.... verdriet doet het me, ja Elly! stamelde zij. Maar toch is het beter dat je gaat. Niet, dat ik je niet zou kunnen verdragen, al ben je niet altijd meer lief tegen me. O, als ik wist, dat je nog tevreden bij me zou kunnen zijn, dan zou ik je niet zeggen: ga weg. Maar nu zeg ik: ga, mijn arm kind, ga.... en kom bij me terug, wanneer je wilt.
Eline snikte.
--O, ik weet zoo goed, dat het alles mijn fout is! kreet zij smartelijk. U is zoo lief, u heeft alles voor me over en het eerste harde woord moet ik nog van u hooren. U zou me willen bederven als uw eigen kind. En ik stoot u af met mijn opvliegendheid en mijn bitsheid... O, het is wel vreeslijk, dat ik ben zooals ik ben! Ik zou zoo gaarne anders willen zijn! Vroeger zou ik het heerlijk gevonden hebben door u bedorven te worden, maar nu... nu kan het me niet schelen! Niet dat ik niet van u hou; ik hou van u het meest van alle menschen die ik ken, maar ziet u: niets kan me meer schelen, niets, niets!
--Foei, Eline! Je mag zoo niet spreken....
--O, ik weet het wel, dat ik slecht ben! Maar is het mijn schuld? Zou ik niet liever goed en vriendelijk en tevreden willen zijn? Ik kan me niet veranderen! U zegt wel eens, dat ik moest bidden, dat mij dat zou verluchten.... Wel, ik ben naar de kerk geweest, en het heeft mij niet verlucht... En zoo bidden als u doet, dat kan ik niet! Vroeger wel, vroeger heb ik wel eens zoo om iets gebeden, maar dat gebed is niet verhoord geworden....
Zij dacht aan dien nacht op de Horze, waarin zij gesmeekt had, dat haar geluk, haar geluk met Otto, zich niet zou omwenden, en zij liet zich door de gedachte verder voortsleepen.
--Ik zal u vertellen wat dat was! vervolgde zij met een heesche stem en hoestend, terwijl zij opstond en langzaam, bijna droomend, door de kamer liep, hare magere handen wringende met een gebaar, alsof zij kilkoud waren. Ik was gelukkig, zoo gelukkig, als ik nooit vermoed had te kunnen worden. Het was alles zoo mooi om me heen, zoo rustig en stil, iedereen was goed en vriendelijk voor me.... Ik begreep niet, waarmeê ik zulk een groot geluk verdiende en toen--nu voel ik dat duidelijk--toen ben ik de vrees gaan voeden, dat het anders kon worden. Toen heb ik God gebeden, dat het toch zoo blijven zou, dat mooie geluk. En van dat oogenblik af, van het oogenblik af, dàt ik ben gaan vreezen en dàt ik gebeden heb, is het anders geworden; is het, heel langzaam aan, anders geworden. Ik zie dat nu zoo goed in! Ik had niet moeten twijfelen, niet moeten vreezen en niet moeten bidden! Ziet u, daarom kan, daarom wil ik niet meer bidden....
Zij viel in een zenuwachtig geween op de canapé neêr, stond aanstonds weêr op, gejaagd en schrikachtig. Onrustig flikkerden hare oogen en hare vingeren betastten telkens een vaas of een mandje, rafelden de franje der gordijnen uit of trokken arabesken op de beslagen spiegelruiten. Het was haar eensklaps, als ontwaakte zij uit een droom en zij herinnerde zich niet meer, wat zij gezegd had.
--U heeft me zeker niet begrepen? vroeg zij twijfelend aan mevrouw, wier treurige blik haar overal had nagestaard.
--Ik... ik geloof... het wel! stamelde de oude vrouw, met een stille ontzetting om dat verspeelde geluk.
Eline zag haar wezenloos aan. Even gevoelde zij groot berouw over hare halve bekentenis, die zij zich niet meer herinnerde, maar de sympathie, welke uit mevrouws oogen straalde, stelde haar gerust.
--U heeft me begrepen? U heeft me begrepen, waarom ik niet meer gelukkig kan worden? vroeg zij smartelijk en viel nogmaals op het voetkussen neêr.
Mevrouw antwoordde niet, maar sloeg, de oogen vol tranen, haar arm om Eline's hals en kuste haar. Beiden bleven zoo zwijgend.
--En kan u me dan eenigszins vergeven, dat ik u verlaat....
--O, waarom blijf je niet bij me?
--Ik ben u tot verdriet, en geef u niet de minste vreugde. Ik kan niets voor u doen.... u kan niets voor mij doen.
Ja, het was wel waar. Mevrouw kon niets voor haar doen. Niemand kon iets voor haar doen.
Zij hadden elkaâr niets meer te zeggen. Zij begrepen beiden dat zij elkander den last van het leven niet konden helpen dragen, dat zij elkander niet tot troost konden zijn. Maar mevrouw twijfelde er ook aan, of oom Daniël en Elize Eline tot troost zouden zijn. En al spraken zij niet meer, toch hield mevrouw Eline in haar arm omvat, tegen haar borst aan.
Het werd donker en daar de kachel uitging, begon een kille ijzigheid de kamers te vullen. Vale schaduwen noopten zich in de hoeken, tusschen de meubels op. Hoewel mevrouw huiverde, verrees zij niet om naar de kachel te zien of om de meid te bellen, want Eline was, met heur hoofd tegen mevrouws knie in slaap gevallen. Nu Eline's oogen gesloten waren, zou het, zonder de zware ademhaling, die de fletse lippen overtoog, mevrouw hebben toegeschenen, dat Eline gestorven ware. De wasachtige gele bleekte van dat ingevallen gelaat was als een doodskleur....
Eline sliep en het werd killer. Mevrouw zag naar de kachel om; er was geen vuur meer te bespeuren. Zij nam zeer langzaam de wollen pelerine, die zij steeds gewoon was te dragen, van den schouder en spreidde die voorzichtig over Eline uit.
Hoofdstuk XXXIII.
I.
Daniël Vere bewoonde met zijn jonge vrouw, Elize Moulanger, in de Avenue Louise een groot appartement. Het vertrek, waar ze het meest vertoefden, was een soort van zaal, die met vijf ramen op straat uitzag.
Half salon, half huiskamer was dit vertrek, hoewel in geen stijl, artistiek-weelderig ingericht. Al schenen ook de meubelen, de ornamenten een weinig van iedere auctie bij elkander gesleept, toch vormden zij te zamen een geheel van aangename, zacht doffe tinten en bevallige lijnen. Dof goudleer bedekte de wanden; het plafond was in Moorschen stijl beschilderd met vaalbonte tinten, met goud, verwelkt blauw, verschoten rood. Een veelarmige kaarsenkroon van kleurig Venetiaansch glas hing er van neêr. Onder een hooge, antieke schouw van zwaar gebeeldhouwd eikenhout, brandde een groot vuur. En overal vulden palmen en oud porselein, Turksche en Chineesche curioziteiten, de hoeken van het vertrek met een wanorde van artistieke grilligheid.
Het middelste, breed uitgehouwde, raam vormde een soort van inwendig balcon, waar Elize en Eline veel zaten. Sedert een week woonde Eline bij Daniël Vere in en zij gevoelde iets als een aangename verpoozing in het gezelschap van haar oom en haar jeugdige tante. Haar oog werd lieflijk gestreeld door de zacht lachende bontheid van die groote kamer, welke een museum geleek. De moderne luxe van Betsy's salons, vol verguldsel, peluche en satijn, scheen haar banaal en smakeloos toe, bij deze, ietwat slordige, stoffige en toch gezellige weelde.
Het was ochtend en tante Elize, in een zonderlingen peignoir, van grijze, Chineesche zijde, met roode kwasten, schilderde in het balcon aan een tafel, bezaaid met verven en penseelen. Eline was huiverig en had zich bij het groote vuur gezet, een boek in de handen. Haar oogen dwaalden zoekend door het vertrek en een onbewust glimlachje speelde om haar bleeken mond.
--Het is aardig, zooals je je hier hebt ingericht! sprak zij, in het Fransch, tot Eline, die, neuriënd, haar penseel uitspoelde. Je kan rustig hier bij den haard zitten en je kan toch de grappigste fantazieën maken, want elk van die bibelots wekt een idée bij je op, waarop je kan voortbrodeeren. Als je hier de kamer rondziet, is het, alsof je reist.
Elize likte het penseel af, zag haar aan en begon te lachen.
--Wat kan je toch eigenaardige denkbeelden hebben, Eline! antwoordde ze, terwijl ze, steeds zeer beweeglijk, opstond en heur kroezend haar, dat altijd in de war was, even losmaakte, uitschudde en weder samenwond. Ik heb nu al drie jaar in deze kamer gewoond, maar het is nooit bij me opgekomen, dat ik reisde wanneer ik al die prullen zag! Trouwens, jullie hebben allemaal zulke vreemde ideeën! Jij en Daniël en Vincent! Het is wel amuzant; het is origineel, zie je! Maar het is curieus, zoo curieus! Het frappeert me telkens! Is je zuster ook zoo?
Eline zag haar even verwonderd glimlachend aan.
--Betsy? herhaalde zij nadenkend. Neen, ik geloof het niet! Betsy is zeer practisch, zeer gedecideerd; Betsy is meer als mama was, zij heeft niets van de Vere's.
Elize glimlachte vroolijk.
--Weet je wat het is? jullie hebben allemaal een tikje beet; bepaald waar, jullie hebben allemaal een tikje beet! Geloof me!
Zij betuigde dit op zulk een luchtige, bijna gemoedelijke wijze, dat Eline niet boos kon worden en even meêlachte.
--O, ik vind het wel interessant een tikje beet te hebben. Er is niets wat me zoo terugstuit als banaliteit. Banale menschen, o! En begrijp je: daarom hoû ik zooveel van je: je bent niet banaal, je hebt iets origineels!
--Waarlijk? vroeg Eline, smartelijk lachend. Nu, ik verzeker je, ik gaf er mijn halve leven voor, als ik niet origineel en niet interessant was, maar banaal, zoo banaal mogelijk.
--Maar lieve meid! wat een verlangen. Enfin, zie je: ik vind, je moet nooit naar iets verlangen, je moet nemen wat je krijgt en tevreden zijn met wat je krijgt. Voilà le secret du bonheur! Jij bent origineel, Eline; welnu, wees gelukkig met je originaliteit! Maar neen, natuurlijk verlang je naar iets anders, en wel naar banaliteit, ah fi donc!
Zij zag Eline nieuwsgierig aan en zette zich toen eveneens bij den haard, haar handen uitstrekkende naar het vuur.
--Zie je, ik zal je eens iets vertellen, Eline, iets wat me altijd in je verwonderd heeft. Je bent mooi, je hebt geld genoeg om heel onafhankelijk te zijn, en je profiteert niet van je leven! Je droomt altijd, lieve meid, je droomt, maar je leeft niet! Was ik in jouw geval geweest, voordat ik trouwde: ik had geleefd, ik had genot gehad. Maar ik bezat geen cent en ik was een leelijke meid: trouwens dat ben ik nog! Daniël vond charmes in me, en ik heb hem geaccepteerd. Natuurlijk! Maar was ik, als jij, mooi geweest en had ik een beetje geld gehad, ik had me geamuzeerd.... zonder Daniël, zie je! Met wien! Dat zou ik je op het oogenblik niet kunnen zeggen, maar geamuzeerd had ik me! En jij, o mais c'est une pitié! Je verveelt je, je verkwijnt van verveling! Het is doodjammer, zie je. In éen woord, je bent een raadsel voor me! Maar dat bekoort me juist!
Eline glimlachte weemoedig en antwoordde niet.
--Enfin, ik weet je geschiedenis niet, alleen weet ik, dat je in een storm het huis van je zuster hebt verlaten! Dat doet niet iedereen, zie je, dat vind ik grappig. Daar is iets in! Zeker, ik vermoed, dat je een roman in je leven gehad hebt! Ach, wie heeft er geen gehad. Misschien wel een liefdesroman. Maar dan beklaag ik je, kind, want dan ben je dom geweest.
Zij hield even op: misschien wilde Eline iets antwoorden. Maar Eline bleef zwijgen.
--Je moet me niet verkeerd begrijpen! vervolgde zij in het genot, dat haar vlug geratel haarzelve verschafte. Ik vind: liefde moet iets aangenaams blijven; zoodra ik er mijn zielsrust door verloor, zou ik niet meer liefhebben! Aan het bestaan van een enkele vlam, die geen andere bijvlammetjes duldt, geloof ik niet. Dat is iets onmogelijks. Zie maar zelf... ik heb steeds hier te Brussel gewoond. Daniël woonde hier ook, we hebben elkaâr ontmoet. We hebben elkaâr zoogenaamd liefgekregen, we zijn gaan trouwen.... goed. Stel, dat ik in Lapland gewoond had en Daniël aan de Zuidpool. We hadden elkaar nooit gezien, en we hadden beiden iemand anders bemind; ik een Eskimo, en hij een Zuidpoolsche. Natuurlijk, niet waar? Liefde is toeval en een mensch kan honderdmaal liefhebben in zijn leven.... Wat ben je stil, ik verveel je toch niet?
--Integendeel! lachte Eline. Ik geniet, als je zoo ratelt...
Elize lachte ook, goedsmoeds.
--Enfin ja.... ik ratel wel een beetje. Maar daarin heb ik gelijk, dat jij niet van je leven geniet. Denk daar eens over na, heusch, kindlief, denk daar eens over na; je bent nog jong genoeg om je te veranderen.
Eline wist, dat er niets aan haar te veranderen was; zij was steeds, willoos, van een hellend vlak gedaald, zij was steeds naar omlaag geduwd, en hoewel zij den afgrond had zien gapen, had zij nooit omhoog kunnen stijgen.
--Maar weet je wat ik geloof, dat je fout is? Je bent te gevoelig, je trekt je te veel aan. Wapen je toch met een groote dosis onverschilligheid in den strijd van het leven. Zie je, we zijn nu eenmaal in het leven, we moeten leven, we moeten meê. Laten we het ons dus zoo aangenaam mogelijk maken. Jij.... je hebt er de middelen toe. Je hebt voor kind noch kraai te zorgen, je zou kunnen leven voor je eigen genot. Maar je denkt te veel en veel denken maakt ongelukkig. Ik? ik denk nooit. Ik heb impulsies, ik heb invallende gedachten, maar ik denk niet. Gelukkig niet. Ik filozofeer nu, maar ik denk niet.
Hare zorgelooze luchtigheid vermaakte Eline, die iets gevoelde, als zou Elize gelijk kunnen hebben. Maar zij, Eline, was nu eenmaal anders; zij kon nu eenmaal niet hare melancholie, die haar in heur merg scheen gevloeid te zijn, van zich afwerpen en zij gevoelde het: zij zou sterven zonder te hebben genoten.... zooals Elize het bedoelde. Zij verlangde ook niet zulk een genot: zij had hooger genot gekend, zij was gelukkig geweest met hem, Otto.
II.
Elize vond haar indolent, maar zij, ze genoot van haar nietsdoen. Zij gaf zich geheel en al over aan hare moede loomheid. Zij bleef meestal thuis, voor haar hoest, zooals zij voorwendde, maar inderdaad om haar dag te verdroomen op de Turksche kussens van den grooten stoel bij het vuur. Zij deed moeite aan niets te denken, zooals Elize, en in zeker opzicht slaagde zij in deze studie. Alleen werd het haar, of zij op iets wachtte, wachtte....
Hoewel zij weinig uitging, zag zij toch velerlei menschen. Telkens bracht oom Daniël een vriend of een paar vrienden, somtijds vergezeld door hunne vrouwen, mede, en zij bleven steeds eten. Aan Eline was de côterie, waarin zij tegenwoordig leefde, niet geheel en al vreemd; dikwijls herkende zij de zelfde lieden, die zij gedurende haar eerste verblijf te Brussel, vóor hare groote reis, ook in het huis haars ooms gezien had, maar zij kon zich niet aan hen wennen; zij behielden steeds iets vreemds voor haar, dat haar zoowel afstuitte als boeide. In Den Haag was zij steeds gewend geweest aan een côterie van gelijk- en gelijkvormige menschen; trots hun verschil van fortuin, van éen zelfde denkwijze over zeden en fatsoen, menschen, die hoffelijk beleefdheden wisselden, elkander op diners en soirées vroegen en elkaâr visites maakten. Men had in die côterie onderlinge maatschappelijke verplichtingen: men scheen die hier niet te hebben. Ze hoorde soms vreemde theorieën verdedigen, theorieën, die men bij Betsy of bij de Eekhofs zelfs niet geuit zou hebben. Ze gevoelde zich niet thuis bij die lieden, welke allen als een stempel van emancipatie droegen en toch boezemden zij haar belang in door hunne exotische tint.
Het was zeker een zonderling samenraapsel, die vrienden van oom Daniël. Nu was het een graaf die en die, dien oom te dineeren gevraagd had en dien Eline met verbazing zag binnentreden, en frac, met een twijfelachtig schoon plastron, diamanten knoopjes en groote camee-ringen aan de vingers. De graaf droeg een lange zwarte lok op het voorhoofd, had een knap maar eenigszins verflenst uiterlijk en was dichter. Hij bood Eline een exemplaar van zijn dichtbundel aan, benevens een bundel van overgedrukte recensiën, waarin hij zeer geroemd werd. Men zeide, dat hij rijk was, en Elize vond hem geestig. Eline echter gevoelde iets als walging, wanneer zij hem de hand moest geven. Dan was het een acteur, en Eline vroeg zich ontsteld af, of zij wellicht Fabrice nog eens in dezen kring ontmoeten zou. Een volgenden keer kwam er een groot juwelier, met eene kolossale, dikke, blonde vrouw, gekleed in het rood fluweel, zeer gefardeerd. Maar soms ook waren het de Moulangers en de Des Luynes, die uit Parijs of Bordeaux kwamen en in wie Eline met vreugde een bekend element van distinctie terug vond.
Deze beide families uitgezonderd, welke slechts van tijd tot tijd verschenen, waren die vreemde kennissen veel over den vloer. Zij kwamen òf eten, òf om elf uur des avonds, wanneer Eline zich reeds bereidde naar bed te gaan. Zij bleven dan tot half drie, drie uur; er werd gerookt, en er werd champagne gedronken en Elize rookte meê en lachte zeer luid. Oom Daniël lag glimlachend en wat moê in een stoel en Eline kreeg vaak het vermoeden, dat die zonderlinge kennissen allen hem van eenig nut waren. Eline had ook nooit begrepen, hoe oom, zonder ooit iets uitgevoerd te hebben, aan zijn geld was gekomen. Maar zij dacht er niet over na: zij dacht over niets, als Elize, en zij liet zich door dit leven, zoo zeer verschillend van het leven in de salons heurer Haagsche kennissen, in zekere mate boeien.
III.
Maar vooral boeiden haar de gesprekken, die zij wisselde met oom Daniëls dokter, een man van onzekeren leeftijd, zeer beleefd van manieren, zeer kiesch van woorden, en die haar steeds met groote belangstelling scheen gade te slaan. Zij gevoelde zich in den aanvang een weinig bevreesd voor die belangstelling, als zou hij iets in haar doorgronden, dat haarzelve onbewust was en dat eene schande zou blijken te zijn. Maar er ging iets als een magnetische invloed op haar uit: zij gevoelde zich als gebiologeerd door zijn vasten, vriendelijk doordringenden blik, en weldra vroeg zij hem vaak, wanneer zij aan hoofdpijn leed, of hij even zijne koele hand vóór haar voorhoofd wilde houden. Hij had dit eens uit zichzelven gedaan en het was Eline aanstonds geweest of een verfrisschende, versterkende stroom door heure gloeiende hersens was gevloeid. Sedert verslaafde zij als het ware aan de koele fluïde van die hand, die haar zelfs niet aanraakte, maar die een kouden bries door haar verhit hoofd scheen te kunnen laten waaien.
Eline had hem gesproken over hare slapelooze nachten en hij had willen pogen haar, naar hij zeide, alleen door zijn wil te laten slapen, maar zij had hem gesmeekt, haar niet geheel en al tot een niets te maken. Zij had reeds zoo weinig wil; zij was bevreesd een geheel en al willoos wezen te worden, zoo hij haar zóo, zelfs in zijne afwezigheid, zou kunnen beheerschen. Daarop had hij haar morfinedrankjes gegeven, druppels, die zeer duur waren, die hijzelve gemengd had, en die hijzelve haar telde in een glas water. Zij brachten haar des nachts, zoolang zij nog wakker lag, in een zacht suizende extase, waarin zij van hare kussens, uit heure lakens scheen op te zweven langs deinende, blauwe luchtstroomen, die haar als golven wiegelden.
Maar daarna zonk zij, tot laat in den morgen, in doffe rust neêr. En zij roemde oom Daniëls dokter zeer; hij wist een zoo heilzamen invloed op haar uit te oefenen als Reijer nooit vermocht had te doen; hij wist ten minste haar te laten slapen.
IV.
Zoo ging het leven voort en Eline schikte er zich zooveel mogelijk in. Zij hoestte nog zeer, maar zij gevoelde zich desniettemin betrekkelijk tevreden. Elize, al ratelde zij, scheen van haar te houden en oom Daniël, al was zijn galante hoffelijkheid wat koud, eveneens. Wel kreeg zij soms het vermoeden, dat zij huichelden, zooals ook iedereen in Den Haag gehuicheld had, maar zij wilde dezen twijfel niet analyzeeren. Heure hersenen sluimerden in, als in eene lethargie.
Geheel onverwachts kreeg oom Daniël een brief van Vincent Vere, uit New-York. Zij hielden geen correspondentie en oom was ietwat verbaasd. Eline, wier briefwisseling met haren neef niet van langen duur was geweest, gevoelde echter, nu zijn naam onverwachts haar in de ooren klonk, eene groote belangstelling in zich herleven; zij was zeer nieuwsgierig wat oom van het epistel zou mededeelen. Misschien vroeg Vincent wel om geld.
Maar hierin vergiste Eline zich. Vincent vroeg om geen geld, zelfs niet om recommandatie of andere hulp. Vincent deelde eenvoudig mede, dat hij met zijn vriend Lawrence St. Clare een reis dacht te doen naar Europa en kondigde oom hun komst te Brussel aan. Zij zouden van Liverpool, over Londen, naar Parijs gaan en vervolgens te Brussel komen. Wanneer oom zijn brief ontving, waren zij op zee.
Deze brief wekte Eline eenigszins op uit hare geestelijke lethargie. Zij herinnerde zich, hoe Vincent, kwijnende van zwakte, op haren divan had gelegen, in zijn Turkschen chambercloak, en hoe zij hem verpleegd had. De gedachte aan Otto mengde zich in die herinnering en zenuwachtig zochten hare vingers dan het medaillon van zwart email, aan hare horlogeketting. Had zij zich niet verbeeld, dat Vincent haar liefhad en dat zij Vincent liefhad. Vond zij nu nog iets van die gevoelens in haar hart terug? Neen die gevoelens waren ver, ver weg als vogels, die waren weggezweefd.
Oom en Eline spraken een weinig over Vincent en zwegen toen over hem. Maar Eline bleef, hoewel zwijgend, veel over hem en zijn Amerikaanschen vriend denken. Zij herinnerde zich het portret van St. Clare gezien te hebben, toen het uit zijn brief aan Vincent gevallen was, dien dag waarop zij aan tafel zoo tegen Otto had uitgevaren.... Aan Vincent had zij gevraagd, of St. Clare blond of bruin was, maar zij herinnerde zich niet wat hij geantwoord had. Zij herinnerde zich ook niet meer St. Clare's trekken. Zij was zeer nieuwsgierig naar hen beiden.
V.
Er verliepen eenige weken, toen oom Daniël van Vincent een tweeden brief uit Parijs kreeg. Na eenige dagen verschenen de twee vrienden op een achtermiddag en zij bleven dineeren. Oom en Elize vroegen hen, uit beleefdheid, te logeeren, maar St. Clare weigerde vriendelijk: zij hadden reeds hunne kamers genomen in het Hôtel des Flandres.