Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 37

Chapter 373,980 wordsPublic domain

--Wil ik je mijn arm geven? vroeg hij koel.

--Dank je, ik kan wel, sprak zij.

Boven bond hij de paarden los en hij hielp haar zonder een woord opstijgen.

--Merci, zeide zij.

Zij gingen steeds zwijgend, een oogenblik naast elkaâr. Toen versnelde hij den stap en reed voor haar uit. Zij was treurig te moede, overtuigd, dat zij verkeerd geantwoord had. Buiten het bosch, op den open weg, tusschen het bouwland, was hij weldra ver vooruit en zij zag steeds zijn rug, terwijl de zon loodrecht en smoorheet neêrgloeide en hare blikken verblindde. Zij had zich in dit oogenblik geen rekenschap van hare gevoelens kunnen geven. Over hare ziel, die steeds helder en onbewolkt voor haar oog was geweest als de hemel boven haar, daalde een nevel, dien zij niet doorzag. In dit oogenblik had zij niet kunnen zeggen, of zij gewild had wat zij had gedaan. En zij was zich slechts bewust van eene groote twijfeling, van eene onvoldaanheid, als had zij eene rampzalige zege behaald met de wreede wapenen van fieren trots en eigenwaarde.

Zij bleven steeds achter elkaâr rijden. Toen hij aan het ijzeren hek van de groote rijlaan der Horze gekomen was, bleef hij staan en wachtte, tot zij hem stapvoets ingehaald had. Daarna reden zij naast elkaâr, zwijgende voort, de Horze om, tot bij het koetshuis en de stallen, waar Klaas met den stalknecht bezig was de wielen van den ouden tentwagen te wasschen.

Zij stegen af. Men zou over tien minuten koffiedrinken en Frédérique had slechts even den tijd zich van hare amazone te ontdoen. In de vestibule ontmoette zij Etienne, moê gewerkt, thans in een jasje en met gekamde haren.

--Zoo! beet hij haar toe. Zoo! Ben je daar terug! Je moest je schamen te gaan rijden zonder mij.

Zij zag hem aan met een vreemden blik, en eensklaps barstte hare ontevredenheid over zichzelve uit.

--En ik verzoek je, voortaan zelfs niet uit gekheid me iets slechts toe te wenschen! sprak zij hartstochtelijk. Ik had mijn gezicht bijna opengereten aan een tak, wanneer die maar zooveel lager was geweest... kijk, mijn voorhoofd is geschramd! Je moet nooit meer zoo iets zeggen, nooit meer! Ik ben bijgelooviger dan je wel denkt!

VII.

Den volgenden morgen zou Paul vertrekken; hij had, naar hij zeide, in Keulen zijn vriend Oudendijk, den broêr van Françoise, rendez-vous gegeven en zij zouden van daar een reis door Duitschland of door Zwitserland naar Italië te zamen aanvangen. Niemand bespeurde aan hem iets bizonders; alleen aan tafel sprak hij bijtend cynisch over verschillende onderwerpen en personen, op dien satyrischen toon, die hem eigen was en die eene wreede, minachtende uitdrukking om zijn blonden knevel grifte. Frédérique was stil, wat, toen men van den tak gehoord had, aan hoofdpijn werd toegeschreven.

Toch zouden zij beiden moeilijk hebben kunnen verbergen, dat er iets tusschen hen verbroken was, zoo dien middag de jongens, Willy en Gustaaf, niet van kostschool waren thuis gekomen met groote vacantie. Veertien en twaalf jaar, waren zij luidruchtig van uitgelatenheid bij het terugzien van alles wat hun lief was; de lucht der Horze scheen hen dronken te maken en in de dolheid hunner grappen met Marianne, wier deftigheid hun geen ontzag inboezemde, met de Van Rijseltjes, de kleine Van Stralenburgen en Mémée, merkte niemand op, dat Paul en Frédérique elkaâr ontweken.

Dien avond in het groote bed, was Frédérique dankbaar, dat Marianne lang doorkeuvelde, over Adam Bede en Romola, en Marianne's stortvloed van wijsgeerig-psychologische aanmerkingen verhinderde Frédérique na te denken. Den volgenden morgen nam Paul van hen allen afscheid en ook zij stak hem hare hand toe, die hij even drukte. Er werd geen woord meer tusschen hen gewisseld en hij vertrok.

Zwaar voelde zij zich gedrukt door haar stil verdriet en zij smachtte het iemand mede te deelen. Niet aan Marianne; Marianne was nog zulk een kind! Niet aan mama, mama kon hare kinderen niet zien lijden! Aan Mathilde....

Zij zocht Mathilde en vond ze in heure zitkamer met hare vier kinderen, op het punt een dagelijksche les te beginnen. Boeken en cahiers lagen op tafel en Nico kraste reeds op zijn lei.

--O! verontschuldigde Freddy zich, binnentredende. Neem me niet kwalijk, ik dacht niet aan de les! Ik had je willen spreken....

Zij wilde zich terugtrekken, maar hare teleurstelling was zoo zichtbaar, dat Mathilde haar tegenhield.

--Waarover? vroeg zij.

Frédérique aarzelde en sloeg een blik op de kinderen.

--Ik zal straks wel terugkomen, antwoordde zij.

Mathilde echter gaf den kinderen vrijaf en zij buitelden de kamer uit, de trap af. Frédérique begon zachtjes te snikken en Mathilde trok haar tot zich op de bank.

--Het was onmogelijk het je niet te komen vertellen! sprak Freddy tusschen hare snikken door. Gisterenmorgen, heeft Paul me gevraagd en ik heb hem afgewezen!

Mathilde zag verbaasd op. Zij was gewend aan de intimiteit tusschen Paul en Freddy en het verwonderde haar te hooren, dat zich achter deze intimiteit, ten minste van zijn kant, liefde verstak.

--Ik geloof, dat ik hard tegen hem ben geweest, te hard! vervolgde Freddy. Ik heb hem gekrenkt zonder het te willen. Het is vreemd, dat men soms door iets onweêrstaanbaars gedwongen wordt woorden te spreken, die men niet spreken wil! Ik had hem ook zonder hardheid kunnen zeggen, dat ik niet genoeg van hem hield.... niet waar?

Zij verhaalde Mathilde, hoe zij hem verklaard had, dat zij niet aan zijne liefde gelooven kon.

--Hadt je dan gaarne daaraan willen gelooven? vroeg Mathilde zacht en boog heur arm om Freddy's middel.

Mathilde deed dus bijna dezelfde vraag, die Paul gedaan had! Maar Freddy dorst zelfs bij haar zuster zich niet geheel en al uitstorten en zij verschool zich een weinig achter haar woorden.

--Ach neen! sprak ze blozend. Dat niet; het speet me alleen later, dat ik hem niet zachter had toegesproken, dan ik gedaan had. Waarom had ik toen geen medelijden met hem en later wel?

Mathilde ried, dat zij niet alles zeide en Freddy zelve ontdekte zich door er smartelijk bij te voegen:

--Hoe vreeselijk, als je iets gewichtigs doen moet en je weet niet hoe het te doen. Ik wist niet, dat ik ooit zoo weinig zeker van mijzelve had kunnen zijn.

Mathilde zuchtte en dof murmelde zij:

--Zeker! Het is iets verschrikkelijks een besluit te moeten nemen. Soms neemt men een besluit in een roes van blijdschap, zonder er over na te denken en men wordt ongelukkig; soms neemt men een besluit, men denkt er over na, wanneer het genomen is, men komt tot andere gedachten en niemand zal zeggen, dat men door zoo te doen gelukkig kan worden. Soms durft men geen besluit te nemen....

Zij voltooide haar gedachte niet; zij had beurtelings gedacht aan zichzelve, aan Eline en aan Freddy, en zij wilde er voor de laatste niet bijvoegen, dat het geluk ook niet in besluiteloosheid lag. Want Mathilde had doorzien, dat Freddy niet had durven besluiten, zooals zij gewenscht had te doen; Mathilde doorzag, dat Freddy's weigering meer uit besluiteloosheid was gesproten, dan uit onverschilligheid.

Maar Freddy kon zich niet langer verbergen.

--Ja, zoo is het! weende zij. Ik dorst niet besluiten. En waarom niet? Omdat ik mijzelve als een zottin op een hoog voetstuk stel, omdat ik mij, zooals Théodore het uitdrukt, "voel"! O, zeker, ik weet het: Paul heeft zijn fouten, Paul heeft groote fouten, maar ik hoû van hem met zijn fouten, ik hoû misschien wel van hem, omdat hij egoïst is, omdat hij niet een ideaal van genie en deugd is, maar een mensch met zijn goed en zijn kwaad! Wat denk ik dan van mezelve en wat zoek ik in hem? Het schijnt waarlijk wel, of ik me inbeeld, dat ik zelve een ideaal van genie en deugd ben en dat hij me niet waard is. Alsof ik misschien nog niet onbeduidender ben dan hij, met mijn dwazen trots! Maar er zit ras in me, o ja, er zit ras in me!

Zij omvatte Mathilde in haar armen en wierp zich snikkende aan haar borst. En Mathilde had Freddy liever dan ze ooit gehad had, Freddy, die zich nu verlaagde om den man, die haar dierbaar was, nabij te komen. Maar zij verlaagde zich nu het te laat was. Zij had zich eerder moeten verlagen, had zij gelukkig willen zijn.

VIII.

Na een week kwam Jet met vacantie thuis van de kostschool te Bonn. De Van Stralenburgen vertrokken naar Zwolle en in hun plaats kwamen de Howards uit Londen. Maar in weêrwil van de drukte dier wisselende gasten, in weêrwil van Mathilde's sympathie, gevoelde Frédérique zich eenzaam en zij vroeg aan Théodore en aan Truus of deze haar toestonden Marie Verstraeten te logeeren te vragen. Noch Théodore noch Truus maakten bezwaar; in de Horze was altijd plaats, en Freddy schreef aan haar vriendin.

Marie kwam en Frédérique ging zelve haar met den ouderwetschen panier aan het station van Elzen afhalen. Zij mende en niettegenstaande de volheid van haar gemoed, dat zich wenschte uit te storten, glimlachte zij om Marie, die zeer vroolijk was en haar overstelpte met vragen. Maar al waren zij alleen--Frédérique had den stalknecht thuis gelaten--toch vond zij het oogenblik niet vertrouwelijk genoeg voor een biecht. Alleen toen Marie vroeg:

--En Paul? Is hij amuzant geweest? antwoordde zij:

--Straks, straks over Paul!

En haar stem klonk zoo vreemd en verschrikt, dat Marie haar verbaasd aanzag en nadacht. Zij vroeg als afleiding of men aan het station voor haar koffer zou zorgen en Frédérique stelde haar gerust; de koffer zou dadelijk gebracht worden met een kruiwagen.

Intusschen, wat Marie ook mocht vermoeden, haar vroolijkheid werd er niet door getemperd en op de Horze aangekomen, liet zij de kinderen op haar schoot klauteren en stoeide zij met ze. Dien nacht maakte Marianne goedwillig plaats voor Marie, en in de groote, eikenhouten kamer vernam Marie Freddy's geheim.

Zij zaten naast elkaâr op de ruime vensterbank, reeds ontkleed, in hare witte nachtjaponnen, terwijl alleen een nachtlampje het holle vertrek verlichtte, Frédérique snikte, de handen voor het gelaat, maar Marie trok ze zacht weg.

--Maar Freddy, wanneer je van hem houdt, kan immers alles geschikt worden. Hij zal niets liever willen, dan dàt je van hem houdt.... Ik zal hem schrijven.

Met weenende oogen, maar kalm richtte Frédérique zich op.

--Neen, Marie.... Natuurlijk zal ik nooit toestemmen, dat je dat doet. Ik heb hem afgewezen en ik kan mij nu niet aan hem opdringen. Ik huil ook niet, omdat hij voor mij verloren is; ik ben alleen verdrietig omdat ik hard ben geweest, omdat ik mij hield, als nam ik zijn vraag niet in ernst op. Wanneer hij zich nu ongelukkig voelt, is dat mijn schuld. En ik heb eerbied voor hem, dat hij zich na mijne weigering zoo waardig tegen mij heeft gehouden, als ik nooit gedacht had, dat hij zou doen. Dat bewijst, dat hij eigenwaarde heeft, zoo goed als ik bespottelijken trots. Het bewijst, dat hij ook "zich voelt".

--En zoo zullen jullie als twee bokken tegenover elkaâr blijven staan, omdat jullie je beiden "voelen", voer Marie uit. Allerverstandigst, dat moet ik zeggen! Neen Freddy, wil je oprecht zijn, beken dan, dat je zijn karakter verkeerd hebt ingezien, en maak alles goed.... Wat leg je hem ten laste? Zijn egoïsme? Alle mannen zijn egoïst: hoe wil je dan in 's hemelsnaam, dat hij het niet is! Dat tante Dora over hem klaagt? Hoe wil je hebben, dat een moeder niet over een jongen, die bij haar in huis woont, klaagt! Maar, chère amie, dit kan onmogelijk anders! Zie het leven practisch in, zooals het is; neem een jongmensch van zeven-en-twintig jaar, zooals hij is en niet anders zijn kan; ik spreek natuurlijk niet van je broêrs; Otto.... is geheel bizonder, en--voegde zij er zeer zacht bij--Otto heeft verdriet gehad, en Etienne is een kind, een goede, lieve jongen, maar een kind.... Vergelijk Paul dus niet met hen en beschouw Paul als iemand, die geld heeft, daarom door de wereld bedorven wordt en zich gaarne laat bederven. Niet dat ik met al die filozofie wil beweren, dat Paul een flink karakter heeft, een man uit éen stuk is, volstrekt niet, maar ik verklaar er meê, dat hij zwak is....

--Ik kan nooit van een man houden, die zwak is! antwoordde Freddy stug.

Marie sloeg hare armen om Freddy's hals.

--Freddy-lief! sprak ze. Je maakt me, na alles wat je me verteld hebt, onmogelijk wijs, dat je niet van Paul houdt. Hij mag zwak zijn, hij mag egoïst zijn, hij mag alles zijn wat hij wil, maar je houdt van hem.

Freddy zag haar smartelijk glimlachend aan.

--Ja! sprak ze treurig. Dat is zoo. Ik wil het niet meer ontkennen. Ik heb het al aan Mathilde bekend; ik hou van hem met en om zijn fouten. Aan jou bekende ik dat niet dadelijk, omdat je hem verdedigde en omdat het mij zoo goed deed, dat je hem verdedigde.

--Laat me hem dan schrijven....

--Neen! sprak Freddy hard en zij richtte zich hoogmoedig op. Beloof me, Marie, dat je dat nooit zal doen. Je mag geen misbruik maken van wat ik je heb toevertrouwd. Ik heb als een dwaas mijn geluk verspeeld en ik wil daarvoor lijden; ik wil dat!

De zomer ging om, zonder dat Paul en Freddy elkaâr meer zagen. De Howards gingen terug naar Londen, de jongens en Jet naar kostschool, Marie vertrok naar den Haag. Maar Freddy ontving weldra een brief van Marie, waarin deze haar mededeelde, dat Paul geschreven had uit Rome, waar hij met veel artisten samen was en waar hij een atelier had gehuurd om te schilderen.

Toen de Erlevoorts echter in October in Den Haag terugkwamen, vernam Frédérique, dat Paul niet meer schilderde, maar nu te Bodegraven woonde, waar hij werkte op de secretarie. Hij wilde burgemeester worden.

Hoofdstuk XXXII.

I.

Dokter Reijer had er nogmaals uitdrukkelijk bij Eline op aangedrongen, dat zij zich bezigheden zou scheppen, dat zij niet in loome melancholie zich vermijmeren zou van den vroegen morgen tot den laten avond. Eline verontschuldigde zich over hare traagheid door de schuld te werpen op de warmte van den zomer die haar verpletterde. Nu de bladeren afvielen, nu de eerste herfstkoelte haar frisch in het gelaat woei, scheen het haar, dat zij ruimer ademde, gevoelde zij zich opgewekter en verklaarde zij beslist, dat zij bezigheid zou zoeken. Mevrouw Van Raat bleef haar steeds bezorgd aanzien, want met Eline's grootere opgewektheid was tevens haar kuch teruggekomen, een dof krijschende kuch, die zich uit hare keel scheen op te wringen. Intusschen kleedde zij zich tegenwoordig weêr met meer behaagzieke zorgvuldigheid dan zij dien zomer gedaan had, en studeerde zij ijverig op de nieuwe Bechstein. Maar de muziek was haar geene bezigheid genoeg: zij zocht deze elders.

Hoewel zij hare vroegere kennissen een weinig verwaarloosde, ontmoette zij ze toch een enkele maal in de salons van Betsy. Uit verveling had ze daar met een oude freule Eekhof, een tante van Ange en Léonie, afspraak gemaakt om den volgenden Zondag gezamenlijk naar de Fransche kerk te gaan. Zij had dit in geen jaren gedaan en des Zaterdags drukte de belofte haar nogal zwaar op de schouders, zoodat zij op het punt was Freule Eekhof een briefje te schrijven. Mevrouw Van Raat drong er echter op aan, dat Eline gaan zou en Eline ging. Er preekte een nieuwe predikant met groote, zwarte, dwepende oogen en aristocratische, witte handen. Eline kwam in een extaze thuis en verhaalde mevrouw Van Raat opgewonden van de preek, waarnaar zij aandachtig geluisterd had. Zij betreurde het slechts in zichzelve, dat een Protestantsche kerk zoo kaal en leeg was, en dat men er zoo slecht zong; zij had gaarne Katholiek willen zijn: hare ziel zou op een Ave Maria of een Gloria in Excelsis als op vleugelen van melodie omhoog zijn gestegen; zij zou bij de heilige transformatie in den mystieken glans van het altaar, gesidderd hebben van zaligheid en de wierrook zou haar met een geur van theatrale vroomheid hebben bezwijmeld.

Maar zij was niet Katholiek, en zij troostte zich met hare Fransche kerk. Zij ging nu vaak met freule Eekhof er des Zondags heen; weldra was het haar een gewoonte geworden en nam zij er hare vaste plaats. Zij groette er hare kennissen met een strak, ernstig gezichtje, met een zacht smeltenden blik en een gesloten treurig mondje, en men verwonderde zich er algemeen over, dat Eline Vere vroom was geworden.

Freule Eekhof was in het bestuur van vele damesvereenigingen en zij had weinig overredingskracht noodig om Eline over te halen lid te worden van Tesselschade en bij te dragen voor de Chrèches en Licht-Liefde-Leven. Zelfs werd zij, op raad van freule Eekhof, gekozen in het dagelijksch bestuur der kinderbewaarplaatsen en had zij er een vasten dag van bezigheid. Zij ijverde eene week lang voor een Fancy-fair, hoewel zijzelve niet verkoopen wilde. En dikwijls haalde freule Eekhof haar over tot het bezoeken van armen.

Een maand lang vond zij in deze vroomheid en filantropie genoegen. Toen verveelde haar de eentonigheid der zalvende woorden van den predikant en kon zij vooruit voorspellen, hoe hij zou hemelen met zijn oogen wanneer men zong, of welk gebaar zijne blanke hand zou maken, wanneer hij den zegen uitsprak. Het gezang ontzenuwde haar, daar zij het om zich heen uit schorre en ongeoefende kelen hoorde op krijschen. De eenvoud van de witte muren, van den preêkstoel en der houten zitbanken prikkelde meer en meer hare ergernis. Zij begon te vermoeden, dat al die menschen, welke daar gekomen waren om gesticht te worden, huichelden. De zalving van den predikant was gehuichel, de deftigheid der diakenen gehuicheld; freule Eekhof, naast haar, huichelde en zijzelve had gehuicheld met hare smeltende oogen en heur ernstig gelaat.

Door freule Eekhof hoorde zij van oneenigheden en kleine twisten der bestuurderessen dier verschillende vereenigingen, en zij twijfelde nu ook of zij inderdaad het goede wilden. Zij haatte thans de filantropie, waardoor nijd en jaloezie gluurden, en zij kon niet meer gelooven aan de oprechtheid dier dames, zelfs niet aan de oprechtheid van die, welke haar sympathie hadden ingeboezemd. Een ieder huichelde en had geheime drijfveeren, een ieder was egoïst en dacht slechts om zichzelve, onder den schijn van anderen te willen helpen. Zij had niet kunnen zeggen welke die drijfveeren waren maar ze bestonden, bij elk dier dames!

Van de armen, welke zij met de freule bezocht, walgde zij nu na die maand. De muffe benauwdheid hunner onzindelijke, kleine kamertjes, geheel hunne ellende en hun gebrek beklemde haar de keel; zij zou gestikt zijn had zij éen dag in zulke vuile bekrompenheid moeten ademen. En evenals zij de dames-bestuurderessen niet vertrouwde, vertrouwde zij thans de haveloosheid dier armen niet. Er speelden haar verhalen van rijke bedelaars door den geest: zij had ergens gelezen, dat er in Londen bedelaars leefden, die schatten bezaten en des avonds feesten gaven met stroomen champagne en schoone vrouwen. Al deze armen, welke zij met freule Eekhof ondersteunde, hadden juweelen en goud in hunne walgelijke matrassen genaaid; hunne overdreven dankbaarheid, zelfs hunne onverschillige lompheid was gehuichel.

En hoewel zij lid bleef der vereenigingen en freule Eekhof vaak geld ter hand stelde voor eene zieke weduwe of een blinden orgelman, ging zij niet meer naar de kerk en naar die vieze menschen en nam zij haar ontslag uit het dagelijksch bestuur der Crèches.

De winter kwam en Eline bleef, om haren hoest, zeer veel thuis bij mevrouw Van Raat. In doffe werkeloosheid sleepte zich de eene dag na den anderen voort, onveranderlijk, eentonig. Voor de honderdste maal in haar leven vroeg Eline zich af, waarom zij leven moest, indien zij niet gelukkig kon worden!

Na de teleurstelling harer filantropie en vroomheid, vertrouwde zij niemand meer. Zij zag om zich rond en zij geloofde niet, dat Georges en Lili van elkander hielden, en met elkander gelukkig waren; het kon niet anders of zij moesten zich in elkander bedrogen hebben en nu huichelden zij, om dit te verbergen. Zij geloofde niet, dat Betsy gelukkig was, al was zij rijk, want hoe zou het mogelijk zijn, dat zij van Henk hield, en dat zij niet smachtte naar een hartstochtelijke liefde! Zij geloofde nu ook niet, dat Otto haar ooit had lief gehad; hoe had hij dit kunnen doen, terwijl zijn karakter zoo geheel verschillend was van het hare! Zelfs kwam er een oogenblik, waarin hare achterdocht zoo hoog steeg, dat zij niet meer gelooven kon, dat mevrouw Van Raat onbaatzuchtig van haar hield, mevrouw Van Raat had gehoopt een lieve dame de compagnie in haar te vinden en zij, Eline, viel nu zeker tegen. Mevrouw Van Raat huichelde, zooals ieder huichelde.

Vroeger zou Eline zich met zulke bittere gevoelens tot stervens toe wanhopig hebben gevoeld, maar nu was er zooveel in hare ziel afgesleten, dat zelfs die bittere gevoelens haar niet prikkelden. Zij bleef er onverschillig onder; het deerde haar niet, dat het leven éen groote leugen was; zij vermocht er niets aan te veranderen, zij zou meêliegen.

Ten minste wanneer het niet anders kon, wanneer men haar opwekte tot een emotie, tot "leven". Anders zou zij blijven neêrliggen in haar onverschilligheid als in een verdoovende rust.

Zoo dacht zij en zij dwong hare jeugd onder het juk dier apathie te buigen. Zij gaf zich geheel en al over aan die apathie. Zij verloor zelfs hare innemendheid, zij wekte zelfs bij hare kennissen geen medelijden meer op, zij werd stug en afstuitend.

Bijna den geheelen morgen placht zij te bed te blijven, en hoewel mevrouw Van Raat dit afkeurde, liet zij Eline desniettemin haar ontbijt op heure kamer brengen, omdat Eline anders niet zou ontbijten.

Dikwijls liet Eline het echter onaangeroerd staan. Was zij opgestaan, dan kon zij niet besluiten zich aan te kleeden; zij hulde zich slechts in haren peignoir, viel op den divan neêr of bleef wezenloos op een stoel uit het venster staren. Eindelijk, omstreeks twaalf uur, kwam zij beneden, moê van een verweekende loomheid, die heel haar lichaam als een lauw vocht doorvloeide. Reijer kwam en dwong haar uit te gaan, trots regen, wind en sneeuw, maar hoewel zijzelve naar buitenlucht snakte, ging zij òf niet, òf zij keerde na vijf minuten huiswaarts. Hoestend sleepte zij zich van een stoel bij het raam naar een stoel bij de kachel. Zij rilde en haar vingers waren steeds als ijs. Een starende blik van glas tintelde in hare oogen en hare lippen sloten zich met een ontevreden trek op elkaâr.

Mevrouw Van Raat verloor al haren goeden moed in dit, zich uitputtende, leven eenigen levenslust op te wekken. Zooals zij vermoed had, toen Reijer haar zijne gedachten had medegedeeld: de taak, die zij zoo gaarne had willen vervullen, was haar te zwaar. Hare hoop zonk weg; zelve viel zij in hare doffe neêrslachtigheid, in de grijze nevels harer melancholie terug, en er gingen uren om, dat de oude vrouw en het jonge meisje, in het zelfde vertrek gezeten, geen woord met elkander wisselden, beiden verloren in een hopelooze mijmering.

II.

Eline begreep, dat deze sombere samenleving niet kon duren. Iets, dat zij niet had kunnen omschrijven, ergerde haar in mevrouw Van Raat en in heur huis. Onwillekeurig liet Eline zich door haar kribbige kuren medesleepen om der oude vrouw harde, driftige woorden toe te voegen, soms zonder de minste aanleiding. Mevrouw zag haar slechts even weemoedig aan en Eline gevoelde oogenblikkelijk, hoe zij ongelijk had. Soms was zij dan te trotsch dit ongelijk te willen bekennen en sprak zij, in een bouderie, die vaak een dag duurde, nauwelijks een enkel woord.

Maar soms was zij zoo overvol van berouw, dat zij zich snikkend op hare knieën wierp, heur hoofd in mevrouws schoot legde en om vergeving bad. Mevrouwtje moest er maar niet op letten, als zij, Eline, zulke akelige buien had; zij wist zelve niet wat die waren, zij kon ze niet bedwingen; o, ze waren als duivels, die haar willoos meêslierden!

Mevrouw weende eveneens, kuste haar en ... den volgenden dag sleurden dezelfde duivels Eline opnieuw willoos meê....