Eline Vere: Een Haagsche roman

Chapter 36

Chapter 364,178 wordsPublic domain

Was dat omdat de zon scheen in de edelsteenen van hare oogen en op het perzikdons harer wangen? Of was het omdat hij, aan wien ze steeds dacht, zou komen? Zij vergat bij den aanblik dier schoonheid haar fieren trots, zij vergat, dat zij Paul anders wenschte dan hij was; alles jubelde in haar op, als met een stroom van hartstocht, dien zij niet meer kon beteugelen, daar hij bruisend opgolfde in hare ziel met krachtige, breede golven. Zij stormden op, die golven, en zij liet zich er door wiegelen, zij streed niet met ze, zalig dat zij zoo zwak was....

Hij kwam en toen zij hem de hand drukte, scheen het haar dat zij hem nooit te voren gezien had. Wat was hij flink gebouwd, en wat zag hij er knap uit met zijne vroolijke, blauwgrijze oogen, zijn dikke snor en zijne mooie, witte tanden! Wat lachte hij prettig, vol en luid, als schaamde hij zich niet voor zijn lach! Zij lachte terug, zij schertste eveneens, en zij bespeurde, hoe hij haar aanzag met een geheel anderen blik, dan met dien van overmoedige onbeschaamdheid waarmede hij Françoise en Ange en Léonie aanzag! Er lag een vertrouwelijke zachtheid in dien blik, evenals in zijne stem, waarin hij tegenover haar geen cynischen klank en geen flirteerende brutaalheid legde.

Was het de landelijke lucht van de Horze, die hem zoo innemend deed zijn, zoo eenvoudig en hartelijk? Théodore, ten minste, beviel hij zoo goed in zijn gezonden, opgeruimden levenslust, dat zijn gastheer hem uitnoodigde eenige dagen bij hen te blijven, op voorwaarde, dat hij Etienne niet van zijn wetboeken afhield. Paul beloofde dit ernstig en nam dankbaar de uitnoodiging aan. En het trof Frédérique, hoe ieder, terwijl hij voortpraatte, naar hem opzag en luisterde, nu zij des avonds in de open verandah zaten en lichten meiwijn dronken. Hij was toch niet zoo wuft en ijdel, als zij gedacht had en zij... ze hield wel van hem; ze mocht hem ten minste heel graag....

De lucht was helder en vol sterren en zij lieten zich in het bootje op den vijver drijven, terwijl Paul en Arnold van Stralenburg de riemen hielden, Marianne en Etienne gekheid maakten en Freddy stuurde. Zij neuriede een liedje, dat zacht over het water heenklonk, in de violette klaarte van den lichten avond, maar Paul overdekte eensklaps haar murmelende stem met eenige frazes uit het Italiaansche duet, dat hij vroeger met Eline placht te zingen:

"Ah! Viens, la nuit est belle! Viens, le ciel est d'azur!"

en zij was gelukkig zoo overzongen te worden door hem.

Het was alles eenvoudig en bekend: het lied, dat hij zong, de vijver waarover zij gleden, mama, Mathilde, Suzanne en Théodore in de verlichte verandah, de donkere groene massa's van het park en het tintelende gewelf van starren daarboven, maar toch werd het haar, alsof zij de poëzie hiervan nooit had gezien, en toen hij zijn barcarolle eindigde met een zacht uitgesponnen, hooge ut in falset scheen het haar, als geurden er jasmijnen en zongen er nachtegalen om haar heen, als klonk er een zilveren trilling in haar hart.

VI.

Hoe zou hij zich tegenover Marianne gedragen, dacht ze? Marianne had een aardig dwepend gezichtje en een beetje nuffige, coquette gebaren. Maar hij scheen er niet om te denken Marianne het hof te maken, en het verwonderde haar bijna in hem, groote kapel die hij was.

Toch was zij na dien eersten dag, dat zij hem teruggezien had, weder zichzelve geworden. Zij was, meende zij, te toegevend geweest; zij zag hem, zooals zij hem gaarne wilde zien, misschien ook zooals hij, in een vlaag van innemenden eenvoud, nu waarlijk was; maar was zij dan vergeten, hoe zij hem steeds vroeger gezien had in Den Haag, behaagziek tegen al die meisjes, onachtzaam voor zijn moeder, verloren in de valsche vriendschap zijner kennissen, die zich steeds door hem lieten onthalen en die hem als met een gevolg van tafelschuimers omgaven? Was hij dan als door een tooverslag niet meer wuft en ijdel, egoïst en zwak?

Misschien wel; in allen geval scheen hij nu, ver van die meisjes, van zijn moeder, van zijn kennissen, beter. En zij beloofde zich hem geen verwijtingen te doen, omdat hij haar dan zeker zou beginnen te haten. Maar zij moest bij zichzelve glimlachen om die gelofte, want hij maakte haar die tegenwoordig wel gemakkelijk! Er viel hem niets te verwijten, voor het oogenblik.

Het had een paar dagen geregend en de ochtend was nu frisch en de lucht als gewasschen in stroomen water. Klaas had de twee rijpaarden gezadeld, den vos met een heeren-, den bles met een dameszadel. Paul zag de zadels na en Freddy kwam uit de verandah, den sleep harer amazone op den arm, een hoog heerenhoedje met witte voile op het hoofd. Zij knoopte heur handschoenen dicht en glimlachte.

--In orde! sprak Paul en keerde zich tot haar.

Hij hielp Freddy opstijgen, terwijl zij heur voet op zijne hand zette en uitgelaten klopte zij den bles op den glanzenden hals. Ook Paul zat op en Klaas zag hen met genoegen langzaam wegrijden. Hij vond hen een flink paar, beiden gezond en sterk, met vroolijkheid in de oogen en kleur op de wangen. De freule zat als een kaars zoo recht en vast in den zaâl en de jonker scheen hem een pootige baas. Hij hield van pootige menschen.

Paul en Freddy reden het breede heerenhuis om en zij schertsten met luide stem.

--Hè! Waar gaan jullie zoo naar toe? riep een stem van boven.

Zij zagen op en bespeurden Etienne, zonder jas en vest, met verwarde haren. Freddy schaterde om zijn verwilderd uitzicht.

--Waar gaan jullie naar toe, met je beidjes? herhaalde Etienne, in zijn inquizitoriale stem een tintje van jaloezie.

--Dat weten we niet! We hebben geen doel....

--Waarom gaat Marianne niet mee?

--Marianne wilde liever "Ein Gebet" van Carmen Sylva nog eens overlezen. Vertrouw je ons niet met elkaâr?

--Jawel, maar konden jullie geen anderen weg nemen, dan onder mijn venster?

--We dachten geen oogenblik aan je! riep Paul onmeêdoogend.

--Natuurlijk! antwoordde Etienne woedend. Jullie denken alleen aan jezelve en jullie gaan rossen, terwijl ik me hier doodblok. Ik, ik wensch je een heelen boel slechts toe!

Freddy en Paul lachten luid.

--Merci bien, allerchristelijkste broêr! riep Freddy en wuifde hem met hare karwats toe. Ik hoop je vanmiddag in een zachter humeur terug te zien. Adieu!

--Veel plezier! Adieu! herhaalde Paul en Etienne verdween in de kamer, terwijl zij beiden, steeds vroolijk om zijne ergernis, verder stapvoets reden, de lange eikenlaan in, die naar de open weg leidde. Daar zetten zij de paarden tot een draf aan. De zon gloeide van omhoog neêr en verguldde de haver en de rogge aan beide zijden van den weg.

--Laten we met een omweg door de dennenboschen naar den Witten Kuil gaan, wil je, Paul? vroeg Freddy.

--Goed, antwoordde Paul.

Zij sloegen het blonde bouwland om en gingen langzaam langs de boerderij, die in de schaduw der kastanjes lag. De hofhonden, vast aan den ketting, herkenden hen en sprongen vroolijk blaffend op, rammelend met hun kluister, en de boerin verscheen in de open deur met een groet. Achter de woning en haar stallen werd de schaduw reeds dicht en zij reden, verademend van de schroeiende hitte der zon, onder de pijnboomen den heuvelachtigen weg op, glad van naalden. Hun, van glans vermoeide, blikken, verkoelden zich als in een bad van lommer, dat van het sombergroene loof neêrzeeg.

Het was de eerste maal, dat Freddy, sedert den tijd, dien Paul nu op de Horze vertoefd had, met hem alleen was en het werd haar, of zij zich tegenover hem in een nieuwen toestand bevond, een toestand, waarin zij zich vroeger met hem nooit bevonden had, en toch, hoe vaak hadden zij niet in vorige zomers met elkaâr paardgereden, hoe vaak waren zij niet met elkaâr alleen geweest, zelfs in vertrouwelijke gesprekken! Waarom dorst zij dan nu bijna niet tot hem opzien, als vreesde zij iets in zijne blikken te lezen, dat haar zou doen ontstellen....

Zij verzamelde heur moed; zij zag hem, terwijl hij voortkoutte, vol aan; zij wilde zich niet laten medesleepen door hare neiging vol weekheid en zwakheid. Zij wilde hem laten blijken, hoe ze nog hetzelfde meisje van vroeger was, dat hem de waarheid dorst zeggen. Zonder noodzakelijke reden zou zij hem niet lastig vallen met hare verwijtingen, maar vrees voor de flitsen van zijn blauwgrijze oogen.... dat nooit!

En haar volle blik had iets uittartends bij die gedachte. Maar waarom tartte zij hem uit? Hij was nu nog satyrisch-voor-den-gekhoudend, noch pedant, hij praatte zelfs met een ongewone zachtheid over menschen, waarover zij hem vroeger heel anders had hooren spreken.

--Die Georges en Lili! zeide hij en er klonk bij het uitspreken dier twee namen zoo iets vriendelijks in zijn stem, dat het haar verbaasde. Het is bepaald aardig ze met elkaâr te zien! Ze vergeten de lui om hen heen geheel en al en ze gelooven vast, dat de wereld alleen voor hen bestaat, dat zij met hun beidjes het middelpunt zijn, waarom het heelal draait. En dat zonder de minste verwaandheid, o neen, met de grootste naïveteit! Als je hun vertelde, dat er nog andere menschen waren, die van elkaâr hielden en met elkaâr gelukkig waren, zouden ze ongeloovig hun hoofd schudden. Zij zijn Adam en Eva en met hen begint alles.

Frédérique lachte zacht, vreemd ontroerd door zijne woorden.

--Ik vind ze heel aardig met elkaâr, vervolgde Paul; hoewel je me moet toegeven, dat ze eigenlijk oppervlakkige menschjes zijn. Bij geen van beiden zit veel. Georges is een goede verstandige jongen, daarmeê is alles gezegd....

--Goed en verstandig, dat is toch al veel! sprak ze nadenkend.

--Ja, maar ik meen, Georges heeft nooit in zichzelve met iets een strijd gevoerd. Zijn leven is tot nu toe een vlak paadje geweest en zoo zal het wel altijd blijven.

--Maar heb jij dan zooveel in jezelven gestreden? vroeg zij met iets als scherts.

--Meer dan Georges! merkte hij op. Ik dacht, dat ik een artist was en ik heb gemerkt dat ik me vergiste. Voor je je bij zoo een vergissing neêrlegt, strijdt je wel eens met jezelven, begrijp je dat niet?

--Zeker. En ook dat je energie in zoo een strijd het onderspit moet delven....

Hare opmerking klonk wat hatelijk en zij had er dadelijk berouw over. Wat behoefde zij artistieke eerzucht in hem op te wekken, als hij genialiteit miste? Maar hij scheen niet vernomen te hebben wat zij geantwoord had, want hij voer voort:

--Weet je wat ik zoo vreemd vind, nu ik daarover nadenk? Georges en Lili kenden elkander betrekkelijk kort en ze hebben al heel gauw gevoeld, dat ze voor elkander in den wieg waren gelegd. Terwijl je soms dikwijls bij andere menschen vindt, dat ze elkaâr heel lang kennen zonder dat in te zien, tot er in eens een licht voor hen opgaat....

Zij voelde heur hart sneller kloppen bij zijne woorden, terwijl het bloed naar hare wangen steeg. Zij boog heur blozend hoofdje en scheen zeer bezig te zijn, met de karwats lichte tikjes te geven op den sleep harer amazone.

--Vindt jij ook niet? vroeg hij.

--Ik.... ik weet niet! stamelde zij. Ik heb daar nooit zoo over nagedacht.

Hij zweeg, en zij zwegen beiden een oogenblik.

--Het is hier benauwd onder de boomen, murmelde zij eindelijk met eene matte stem en zachtkens knippende oogleden. Ik kan hier bijna niet adem halen! Laten we.... laten we dit zijpad ingaan, dan komen we op den grooten weg en dan galoppeeren we heerlijk naar den Witten Kuil....

Zij gevoelde zich zeer vreemd; haar die nooit last van de warmte had, werd het eensklaps of zij in onmacht zou zinken, het schemerde voor hare oogen en de teugels sidderden in hare vingers. Het spannende corsage der amazone was haar een harnas, dat klemde....

Zij zag niet meer, terwijl zij het nauwe, bijna niet te berijden zijpad insloeg en den bles tot een galop aanspoorde. Zij hoorde Paul iets roepen en.... plotseling gevoelde zij een prikkelende pijn in heure haren, terwijl het hooge heerenhoedje als afgerukt werd en neêrviel.

--Ai! schreeuwde zij van smart en zij hield met een ruwen ruk haar paard in, dat trillend staan bleef.

In hare halve zwijmeling had zij niet gezien, hoe een lange dennetak den weg versperde, en de scherpe twijg had haar even het voorhoofd geschramd en zich in heur kapsel verward. Uit vrees zich nog meer te verwonden, hield zij zich achterover gebogen, het onbeweeglijke hoofd door heure haren als vastgestrengeld aan den tak....

--Ai! kreunde zij steeds.

Paul reed haar dadelijk op zij, nam haar de teugels uit de hand en bedaarde de onrustige paarden met een vluchtig klopje op hunne halzen.

--Ik riep je nog toe, voorzichtig met dien tak te zijn! sprak hij angstig. Hier.... leun tegen mijn schouder, dan zal ik je haar losmaken.

Hij wierp zijn karwats neêr. Hij trok zijne handschoenen uit en wierp die eveneens op den grond. En terwijl de paarden trillend zij aan zij stonden, Frédérique zittend tegen hem aanzeeg, en hij zich over haar heenboog, hief hij den arm op en trachtte hij voorzichtig den tak, dien hij afbrak, uit het verwarde glanzend bruine haar te ontwarren. Haarspelden vielen op den grond.

--Heb je je pijn gedaan? vroeg hij.

--Ja, steunde zij. Ai, ai....

--Doe ik je ook pijn?

--Neen, o neen...!

Het was een fijn werk en al deden zijne vingers het ook nog zoo zorgzaam, toch was het een pijnlijke behandeling, die zij onderging. Maar zijne teederheid deed haar de pijn vergeten. En toen hij ten laatste gereed was, bleef zij een weinig moê nog tegen hem aanleunen. Zijn glimlach glansde haar verblindend in de oogen als de glimlach van een jongen, mooien god en zij sloot de oogen: het scheen haar als zonk alles om haar weg....

Maar eensklaps ... daar voelde zij zijn adem over heur gelaat zuchten, daar voelde zij zijn lippen met eene liefkoozing zoo gloeiend en warm, zoo hartstochtelijk hare lippen drukken, dat zij zich als met een electrischen schok in het zadel oprichtte en woedend bliksemden hare bruine oogen hem toe.

--Paul! riep zij zeer gekrenkt.

Verder wist zij hare woorden niet meer te vinden, wist zij niet meer wat te doen. Hij bleef haar aanzien, half verlegen, half driest smeekend en steeds glimlachend. En op eens, als met eene plotselinge ingeving, liet zij zich van den bles glijden, zette zich den afgevallen hoed op het, nu loshangende haar, en raapte haar karwats op. In een seconde zat zij weder in het zaâl. Het paard steigerde onder haar vinnigen zwiep en voort vloog het over het nauwe pad, onder de takken der pijnen....

Zij zag niet naar Paul om, zij rende voort als had zijn kus haar met den angel van een bij gestoken en haar razend van machtelooze woede gemaakt. Op den open weg gekomen, rende zij voort, steeds voort, zonder naar hem om te zien. Zij zwiepte den bles en haar beest vlood met haar weg tusschen het brandende goud van het koren en in den gouden brand van de zon. Heure haren golfden, hare witte voile golfde, hare amazone golfde. De boeren in het veld zagen haar verbaasd achterna.

Tusschen aanplanten van hakhout en langs heidevelden ijlde zij verder. Maar zij liet zich niet lang zoo medeslieren door de vaart van heur paard en de woede harer gedachten. Heur hand trilde niet meer; krachtig hield zij het hollende dier in. Het bedaarde en rustig reed zij thans, zonder om te zien, het eikenbosch door tot zij aan een zandgroeve kwam. Daar steeg zij af, bond den bles aan een jongen beuk, en daalde, haar sleep over den arm, in de groote kom van zand, die men op de Horze algemeen den Witten Kuil noemde. Het zand korrelde af onder haar tred; blokken zand vielen naar beneden en lieten een roodachtige kleilaag, waardoor de wortels der boomen heendrongen, zichtbaar. Beneden gekomen, bleef zij staan, sloot even de oogen en wierp zich toen, met een bedroefden zucht, op het zand, dat de vroege morgen in de zon roosterde, maar dat nu koel en overschaduwd was. Zij wierp heur hoed af, en legde zich het hoofd in de armen, overstroomd door het lange, zware haar. En zij begon zachtjes te snikken.

De Witte Kuil was eene plek, die hun allen zeer dierbaar was. Zoo Marianne eens goed wilde dwepen en eenzaam wilde lezen, toog zij des avonds naar den Witten Kuil, en eens had Cor, die nu adelborst 1ste klasse was, er haar medegedeeld, dat hij verliefd was, op een meisje in Den Helder. De kinderen speelden het liefst in den Witten Kuil en wisten de bonnes niet waar ze te vinden, dan zocht men ze daar. En Frédérique, die thans wilde uitweenen, had geen oogenblik gedacht naar een andere plaats voor hare tranen te zoeken dan den Witten Kuil.

Zij was zeer bedroefd, dat Paul haar dien zoen had gegeven, en zij was nu boos op zichzelve, dat zij gevlucht was in plaats van hem flink de waarheid gezegd te hebben over zijne onbehoorlijkheid. Schertsende had hij haar vroeger wel eens nageloopen, haar gevangen en haar gekust, maar toen waren zij kinderen geweest, ten minste zij. En hij had in dezen zoen een warmen gloed gelegd, die haar nieuw was, en die haar verschrikt had. Waarom had hij dat gedaan, o, waarom had hij dat gedaan! Die zoen had alles anders tusschen hen gemaakt, en de zachte vriendschap, die zij voor hem gevoelde, wreed gestoord.

Troosteloos snikte zij door, en zij hoorde niet, dat Paul, die haar gevolgd was, thans boven aan den zoom van den Witten Kuil zijn paard deed stilstaan, afstapte en den vos bij den bles bond. Zij hoorde niet, hoe het zand onder zijn voeten afbrokkelde en neêrplofte. Zij hoorde niets, voordat zij dicht aan heur oor heur naam hoorde fluisteren:

--Freddy!

Verschrikt hief zij zich op en wezenloos zag zij hem aan, onmachtig hare ontroering te verhelen. Hij lag voor haar geknield in het zand en zag haar met een glimlach, zoo innig zacht, aan, dat zij hare gramschap geheel voelde wegsmelten.

--Waarom ben je zoo boos van me weggereden? vroeg hij met zijne vleiende stem. Heb ik zoo een groote zonde gedaan?

--Ja, zeker! hernam zij, fier bij de herinnering aan zijne liefkoozing, die haar half weelde, half smaad was geweest. Zeker! Ik heb je nooit het recht gegeven om mij te zoenen, nooit, nooit!

Zij wachtte, hoe hij zich zou verontschuldigen, zeker met haar te doen herdenken, dat hij haar wel eens meer gekust had, zonder het recht er toe te hebben.

Maar hij deed het niet; hem was deze zoen dus ook iets anders geweest? Zelfs verontschuldigde hij zich in het geheel niet, nu zij, nadat zij opnieuw heur hoofd in hare armen verborgen had, goed luisterde naar zijn woorden.

--Maar als ik dat recht nu eens vroeg, Freddy? Als ik nu voor altijd dat recht van je vroeg, als ik je nu al lang dat recht had willen vragen? Zeg, zou dat ook zonde in me zijn?

Zij richtte zich nu op en zag hem, omgolfd in heur haren, onbestemd aan.

--Ik begrijp je niet, murmelde zij bijna onhoorbaar.

--Begrijp je niet, dat ik je vraag, of je van mij houden wilt, of je zooveel van me houden wilt om mijn vrouw te worden?

Zij bloosde en haar lippen trilden. Weêr voelde zij de bekoring van hare zwakte en weekheid, gevoelde zij dat het zoet zoude zijn zich zonder strijd in zijn armen te vlijen. Maar tevens richtte al hare weerspannige fierheid zich met een hoog gevoel van eigenwaarde op; zijn vraag rukte haar een blinddoek van de oogen en zij zag hem op eens, zooals zij hem steeds gezien had in Den Haag, egoïst, wuft, ijdel.

--Je meent dat niet, Paul! antwoordde zij hard en koel en wond nu zeer kalm heure losse haren vast op heur hoofd.

--Meen ik dat niet? riep hij gekrenkt en hij zag haar angstig uitvorschend aan.

--Je meent misschien op het oogenblik wat je zegt, vervolgde zij, haar woorden verbeterend; maar je meent zeker niet, wat je op het oogenblik je verbeeldt voor me te gevoelen. Wat je je verbeeldt voor me te gevoelen is geen liefde. Je voelt dat zelfde nu voor mij, morgen voor Léonie Eekhof, overmorgen voor Françoise Oudendijk en den dag daarop voor ik weet niet wie. Mijn amazone flatteert me misschien, dat je me zoo een gekke vraag durft doen.

Haar stem klonk zoo ironisch en vinnig, als hij haar nooit had hooren spreken. Hij wist niet wat hij het eerste oogenblik zou antwoorden. Maar het woord, dat hij uitte, kwam geheel en al uit zijn hart.

--Denk je er geen oogenblik aan, Freddy, dat je pijn kan doen met zoo iets te zeggen?

--Het zou me spijten, Paul, zoo dit het geval was! antwoordde zij, zonder zich door eene, bijna niet te bedwingen, opwelling van teederheid te laten medesleepen. Maar denk je, dat je mij niet beleedigd hebt met me dien zoen te geven?

--Ik had mijn vraag toen al op de lippen, Freddy! Is die wedervraag dus het eenige antwoord, dat ik krijg?

Zij zweeg een oogenblik,--zij streed. De tranen welden in haar oogen.

--Ik kan je geen ander antwoord geven, Paul; ik kan het niet. Geloof me, ik ken je misschien beter dan jij je zelven kent. Je houdt niet zoo van me, als ik zou willen hebben, dat mijn man van me hield. Je mag me gaarne. Je verbeeldt je misschien op het oogenblik verliefd op me te zijn. Maar je houdt te veel van jezelven om veel van een ander te kunnen houden.

--Je kent me dus wel goed! sprak hij bitter en zijn mond trilde onder zijn blonde snor.

--Laten we vrienden blijven! antwoordde zij en stak hem hare sidderende hand toe. We zouden niet gelukkig zijn met elkaâr en eens zal je me dankbaar zijn, dat ik nu je aanzoek.... weiger.

Maar hij nam heure hand niet aan en zij was genoodzaakt die onaangeroerd terug te trekken.

--Je kent me dan wel goed! herhaalde hij bitter. Ik wist niet, dat je mijn karakter zoo goed bestudeerd had, en ik wist niet, dat ik zulke nauwkeurige studie nog waard was.

--Men heeft heusch niet veel menschenkennis noodig om je te doorgronden! antwoordde zij hoog en bijna schamper. Ik ten minste, die je bijna dagelijks heb zien omgaan met meisjes van onze kringen, kan, als je me verklaart van me te houden, onmogelijk zoo iets van je gelooven....

--Dus je denkt, dat ik aan al die kinderen het hof heb gemaakt? Ik dacht, dat je beter ernst van gekheid kon onderscheiden. En ik wist niet, dat het zoo een groote zonde was vroolijk te zijn.

--Zulke gekheid en zulke vroolijkheid zijn een man onwaardig, Paul. De een doorziet zulke mauvaises plaisanteries en de ander niet....

Zij haatte zichzelve om hare wijze lessen, maar het was haar onmogelijk thans die grief, welke uit een weinig jaloezie voortsproot, niet te uiten.

--Dus je bedoelt, dat ik harten gebroken heb! lachte hij gedwongen. Geloof me, Freddy, je vergist je. De meisjes zijn tegenwoordig heusch zoo naief niet, om niet drommels goed in te zien wat gekheid en wat ernst is. Jij hebt dat niet willen zien. En ik verzeker je, dat, als ik dien kinderen, die je bedoelt, werkelijk het hof had willen maken, ik geheel anders tegen ze zou geweest zijn dan ik geweest ben. Dat verzeker ik je.

Er klonk iets dreigends in zijne stem en zij vond hem bijna gevaarlijk. Zij zweeg.

--Maar je zei zooeven, vervolgde hij zachter, dat je me niet gelooven kon, wanneer ik je verklaarde van je te houden. Zeg me nu oprecht, Freddy, wat zou het je zijn, wanneer je dat kon gelooven? Wanneer ik mijn best deed, dat je dat kon gelooven!

Zij werd zeer verward en hij zag die verwarring.

--Zeg me nu, Freddy! drong hij aan.

--Wanneer ik dat kon gelooven, Paul ... sprak zij, zich herstellende, dan zou ik medelijden met je hebben. Maar nu geloof ik wel, dat je spoedig over je verdriet heen zal zijn en daarom zou ik zoo gaarne goede vrienden met je blijven. We behoeven elkaar in het vervolg niet te boudeeren, omdat je mij bij toeval ten huwelijk hebt gevraagd, en omdat ik, als een meisje, dat niet naief was, geen ernst in die gekheid zag.

Hij zweeg, verpletterd onder hare minachting, innerlijk woedend over haar luchtige woorden. Langzaam stond hij op.--Goed, sprak hij, schijnbaar kalm. Laat het dan zoo zijn.

Hij sloeg met zijn karwats het zand van zijn bruine, fluweelen rijbroek en zag op zijn horloge.

--Het is bij twaalven. Willen we niet naar huis gaan? vroeg hij, alsof er niets gebeurd was.

--Uitstekend, antwoordde zij.

Zij richtte zich eveneens omhoog, plooide aan de voile van heur hoed en zette zich dien op het hoofd. Even sloeg zij haar sleep uit, nam dien in de hand, en klom het zand, dat telkens onder den voet weggleed, op.