Eline Vere: Een Haagsche roman
Chapter 35
--Neen, maar geef het Paul van avond nog terug, als je hem ziet. Ik zal er je wel aan helpen, ik heb nog geld.
--Je hebt toch niets tegen Paul?
--Neen, niets! murmelde zij. Maar het is toch beter.... dat je.... geen verplichtingen aan hem hebt.
--Maar Freddy! Aan mijn besten vriend? Ik ben niet bang hem iets verplicht te zijn.
--O zeker, hij is heel goedhartig, maar het is toch beter, dat je het hem terug geeft, niet waar?
Hij beloofde het en zij was opnieuw zeer ontevreden over zichzelve. Zij zouden haar beiden onuitstaanbaar vinden, met hare inmenging in hunne zaken. Maar Etienne vond haar niet onuitstaanbaar; hij vond haar een engel, dat zij voor zijn koffer wilde zorgen.
--Zie je.... hemden, boorden, sokken... Nou, de rest vind je zelf wel, hé? Dan zal ik Paul zien op te diepen, ten minste, als je mij dat geld geven kan.
Zij had het reeds bij zich gestoken met het voornemen het hem aan te bieden en zij gaf het hem nu.
--Dank je. Het is morgen dus vroeg opstaan, hé? O ja, zeg Willem even, dat hij me wakker maakt, wil je? Nu, adieu.
Hij wilde vertrekken, maar zij nam zijn hoofd tusschen hare handen en zoende hem.
--Je bent een beste jongen, dat je naar de Horze gaat. Wat zal mama blij zijn! En Théodore, vooral als hij hoort waarom je meêgaat! sprak zij vriendelijk.
Hij was recht vroolijk, dat zij verzoend waren, en zij hoorde hem weldra, fluitende, de treden der trap afspringen.
II.
Den volgenden avond, om en bij negen uur, rammelde de oude tentwagen, waarmede Théodore Van Erlevoort en Klaas, zijn koetsier, naar het station van Elzen gereden waren, de hooge eikenlaan der Horze binnen. Marianne, die van kostschool voor goed thuis was gekomen, kwam met Edmée en de twee bébés der Van Stralenburgen het rijtuig in de laan reeds tegemoet en de drie dreumessen sprongen als jonge honden en poogden het rijtuig bij te houden, tot grooten angst van Marianne...
--Dag oma! Dag tante Tilly! Dag tante Freddy! Dag oom Eetje!
De Van Rijsseltjes gilden, kraaiden van blijdschap, en Marianne wuifde hen lachend met de hand en allen wuifden en riepen terug. Tusschen de zuilen der verandah zagen zij Truus met Suzanna en haar man, Arnold Van Stralenburg. Klaas deed na een breeden, ratelenden draai om den vijver zijn paarden stil houden. Van alle kanten stapten de reizigers uit, en men kon elkander in de eerste minuten niet verstaan door de drukte der kinderen, die omhelsden en zoenden waar zij maar konden, terwijl de drie groote patrijshonden van Théodore, luid blaffend, daartusschen opsprongen en de kleintjes omver wierpen.
Van Stralenburg had mevrouw Van Erlevoort het laatst helpen uitstijgen en ook zij werd nu bestormd door haar luidruchtige kleinkinderen, die met de honden door de lange beenen van hun oom uit Zwolle heenglipten om haar in hunne armen te smoren.
Truus, Mathilde en Suzanne lieten de kinderen uitrazen; daarna verschenen juffrouw Frantzen en de twee andere bonnes, en het jonge goed werd, na boterhammen gegeten te hebben, meêdoogenloos weggevoerd. Mathilde ging eveneens om te zien of haar viertal het goed had in zijn nieuwe bedjes.
Zij hadden elkaar den geheelen winter niet gezien en het regende vragen. Mevrouw Van Erlevoort zag rond, alsof zij iemand miste.
--En Jet! En de jongens? Waar zijn die? vroeg ze.
--Maar moesje, alle drie nog op school. De vacantie is nog niet begonnen! antwoordde Truus lachende om het ongelukkige gezicht harer schoonmoeder. Jet maakt het heel goed in Bonn, ze schrijft lange brieven. Cor is met zijn schip te Buenos-Ayres geweest.
--En juffrouw Voermans is weg, hé?
--Ja, het goede mensch heeft ons verlaten, met tranen in haar oogen. Maar ze was niet meer noodig en een gouvernante voor de luxe er op na te houden, dat ging niet. Théodore bromt toch al genoeg over zijn pachters.
--Théodore, herhaalde deze, die zijn naam vernomen had, bromt nooit, vooral niet, als hij pas de familie terugziet. Freddy, wat zie je er goed uit! Iederen zomer, dat ik je terugzie, ben je mooier geworden. Hè, Truus, kijk eens, wat een flinke frissche meid! Wou je niet, dat jij zoo een zus hadt?
Hij pakte haar om heur middel en toonde haar bewonderend aan zijn vrouw, die vroolijk toezag.
--Ach, dwaze jongen! lachte Frédérique blozend en duwde hem van zich af. Alsof ik je zuster niet was, hè, Truus?
Maar Théodore vatte heure hand.
--En binnen in het kleine hartje alles nog in orde? fluisterde hij schalks. Nog niemand, voor wien het gauwer: tik, tik! zegt?
Freddy schaterde het uit met een helderen, gezonden lach.
--O neen, tot nog toe voor niemand! Wees maar niet bang, dat zal zoo gauw niet gebeuren.
--Schrik je dan al de courmakers af?
--Ik laat me geen cour maken!
--Hou je ze dan zoo op een afstand?
--O ja, heel ver op een afstand! Zoo ver mogelijk! lachte zij steeds. Ik heb nog niemand gevonden, die me waard is, nog niemand!
--Trotsch ding, pedante nuf! schertste hij terug. Wacht maar, ze zullen je nog laten zitten!
Zij lachte steeds vroolijker, steeds helderder om zijne bedreiging. Hij vond haar prachtig in dien lach. Zij geleek eene jonge godin, eene spottende Diana met hare lenige, volle gestalte en haar fier hoofd, dat zij nu uittartend in den nek wierp, terwijl hare glanzende oogen hem dartel en overmoedig aanzagen. Er was, niettegenstaande die overmoedige dartelheid, iets treffend waars en oprechts in hare schoonheid, iets koninklijks in hare houding; iets, waaruit hij opmaakte, dat zij niet coquetteerde, maar dat zij zich, al schertste zij er over, hoog stelde.
--Zoo, je voelt je dus? hernam hij. Nu, dat mag ik zien. Dat bewijst, dat er ras in je zit....
En hij nam met een tevreden blik haar nogmaals goed op, hij vond haar een echte Erlevoort, nu hare fierheid zijn ingeboren familietrots gestreeld had.
--Maar wat zeg je van Eetje? vroeg mevrouw verheugd. Die komt hier studeeren!
--De komst van meneer is mij een aangename verrassing! sprak Théodore met een deftige buiging.
Frédérique begon weer te lachen.
--Ja, die goede jongen! sprak ze vroolijk tot Van Stralenburg. Verbeeld je, Arnold, bijna had hij vergeten zijn geleerdheid meê te nemen. Een uur, voordat we van ochtend weggingen, kwam hij wanhopig met een stapel wetboeken of ik weet niet wat voor histories aandragen. Bijna in elk van onze koffers zitten nu een paar deeltjes.
--Ja, ik kan onmogelijk aan alles denken! verdedigde Etienne zich.
--Fatale druktes, die je hoofd doen omloopen! spotte Arnold met zijn toegeknepen zwarte oogen. Ik kan me dat zoo goed begrijpen. Bezigheden, conferenties, correspondenties, consultaties....
Hij had de gewoonte Etienne voortdurend voor den gek te houden, en Etienne draalde nooit hem troef te geven en meermalen eindigden de woordenschermutselingen in handtastelijkheden en bokspartijen.
--Arnold, begin nu niet dadelijk met Etienne te kibbelen! riep Suzanne. Mama, u zal zien, dat ze weêr gaan vechten!
--Oom Arnold en Etienne zijn altijd als hanen tegen elkaâr! zei Marianne.
Arnold echter beweerde, dat hun strijdlust nu versmolt in de teederheid van het weêrzien en hij omhelsde Etienne, in groote, comieke omhelzingen, terwijl zijn lange armen om zijn schoonbroêr heen en weêr zwaaiden. Etienne echter duwde eensklaps Arnolds hoofd naar beneden en sprong over zijn rug heen. Als bij afspraak, zonder een woord te zeggen, sprong Arnold daarop over Etienne, en zoo sprongen zij beurtelings voort met ernstige gezichten. Allen lachten.
--Als ze niet als hanen zijn, zijn ze als clowns! gierde Marianne, als clowns!
III.
Frédérique en Marianne, die elkaâr, hoewel zij tante en nicht waren, bij den naam noemden, sliepen te zamen in een groote, hooge kamer, waar een kolossaal, ouderwetsch bed stond van zwaar eikenhout, verborgen onder zware, donkerbruine gordijnen. De deuren en lambrizeeringen van het vertrek waren eveneens van eikenhout, terwijl het plafond beschilderd was met een groot, half uitgewischt medaillon, waar men nog een vaag tafereel van nimfen en cupidootjes onderscheidde.
--Vindt je het niet gezellig, dat we hier samen slapen? vroeg Marianne, terwijl de beide meisjes zich des avonds ontkleedden. O, alleen zou ik voor geen geld in deze kamer slapen: ik zou vreeselijk bang zijn, jij ook niet?
--Ik geloof het niet; ik ben niet zoo gauw bang, antwoordde Freddy.
--Ik vind hier nog zoo iets romantisch, zoo iets antieks, sprak Marianne. Je kan je hier verbeelden, dat je nog in de middeleeuwen leeft, met al dat donkere hout en die blazoenen boven de deuren.
Frédérique had zich spoedig in haar nachtjapon gehuld en kroop in het groote bed. Zij lachte even.
--Je verdrinkt hier in; ik heb nog nooit geslapen in dit bed.
Marianne teutte en liep op haar bloote voeten rond. Zij trok het gordijn voor het venster op en de maan viel bleek naar binnen.
--Kijk Freddy, hoe geheimzinnig. Ben ik niet net een geest in dat licht?
--Ach, Marianne, sta jezelve toch niet zoo bang te maken; kom nu in bed, dan kakelen we gezellig.
Marianne liet het gordijn neêr, kleedde zich in een wip uit en nestelde zich naast Freddy. Ook zij lachte even.
--Je kan hier wel een bal geven, in dit bed! O, ik zou dol zijn van angst, als ik hier alleen moest slapen. Ik heb totnogtoe altijd in onze oude kamer geslapen, waar ik met Jet was. Dus jij bent niet bang; jij bent nooit bang?
--Wel neen. En jij, je maakt jezelve bang.
--O ja, dikwijls. Dan verbeeld ik me allerlei griezelige dingen van spoken en schimmen van ridders, tot ik er van ril. Maar jij bent ook zoo prozaïsch, je maakt zeker ook nooit verhalen bij jezelve.
--Verhalen? Wel neen. Wat voor verhalen?
--Heele romans. Ik verbeeld me dan bijvoorbeeld een ridderjonkvrouw te zijn, de jongens zijn mijn schildknapen en de kinderen mijn pages. En dan bemin ik een ridder, die me wil schaken, omdat mijn vader wreed en bloeddorstig is, en hem niet tot schoonzoon wil hebben.
--Een complimenteus portret van je vader! schaterde Frédérique. En de ridder, hoe ziet die er uit?
--Dan eens zoo en dan eens zoo! Zeg Freddy, ben jij nog nooit verliefd geweest?
--Ach, wel neen.
--Hoe is het mogelijk! Ik wel tienmaal, maar het duurt altijd heel kort bij me, zoo drie à vier weken, zie je. Bij voorbeeld in Bonn, op mijn teekenmeester, daar was ik dol op. En dan een jongmensch, blond met blauwe oogen, die me altijd stilletjes bonbons bracht.
Er volgde een lange opsomming van Mariannes's minnaars. Eensklaps vroeg Freddy:
--Maar zeg eens, Marianne, hoe oud ben je toch geworden? Zeventien of achttien.
--Wel achttien, kind!
Frédérique proestte het uit.
--Kind! herhaalde zij. Je bent zelf een kind, al ben je achttien jaar. O, Marianne, wat ben je toch nog jong, met je spoken en je teekenmeesters! Je bent net Etienne, die blijft ook altijd een jongen, die groeit nooit op, die wordt nooit ouder....
Marianne maakte zich boos, en schudde haar heen en weêr, terwijl Freddy steeds hartelijker lachte.
--Jij, jij bent een kind, omdat je nog nooit van iemand gehouden hebt! Hoe is het nu mogelijk, dat iemand nooit van iemand houdt!
--Kom, ga maar droomen, van zijn blauwe oogen! lachte Freddy.
Zij bleef nog lang wakker, hoewel zij zich hield, alsof zij sliep, en Marianne sliep in, met het hoofd een weinig tegen haar schouder aan. Zij glimlachte nog lang, zij vond Marianne nog zoo jeugdig voor hare achttien jaren! Zij, ze was nu drie-en-twintig,--het was waar, dat was wel een onderscheid,--maar ze dacht dan toch ook aan heel andere dingen dan aan romantische fantazieën van ridders en edelvrouwen. Waar dacht ze dan toch eigenlijk tegenwoordig aan, dikwijls in een ontevredenheid over zichzelve? Over wien dacht ze? Veel over iemand, van wien zij het betreurde, dat hij niet anders was, dàn hij was. Maar hoe had zij hem dan willen hebben en waarom dacht ze aan hem, nu hij eenmaal niet was, zooals zij hem wenschte....?
--Het is vreemd, zoo vreemd! murmelde zij onhoorbaar. Ik begrijp niet, waarom ik aan hem denk, ik wil niet aan hem denken, en ik denk altijd aan hem....
Zij wist dat het zoet zoude zijn, zich aan hare gedachte zonder strijd over te geven, maar een trots verdreef aanstonds zulke weekheid. Zij voelde zich, had Théodore gezegd: er zat ras in haar! Hij, om wien zij dacht, was niet waard, dat zij om hem dacht. Hij was--zij zag dat nu klaar in--hij was wuft, hij was egoïst, hij was iemand, die ieder wilde behagen....
Théodore's woorden hadden haar iets in zichzelve getoond, dat zij nooit zoo scherp afgeteekend in zich vermoed had; hare fierheid namelijk; geen fierheid op haar geboorte en haar naam alleen, maar een fierheid, die in de minste harer zenuwen trilde, als met een ingeboren aristocraticiteit, overgeërfd uit een edel voorgeslacht, dat zich steeds hoog gesteld had. Zij ook, zij stelde zich hoog, en toch.... zij was niet tevreden over zichzelve, integendeel o integendeel!
Lang lag zij nog te staren op de verbleekte nimfen en cupido's van het plafond, waarheen Marianne, in de nachtelijke schemering van dat groote vertrek, zeker nooit had durven turen. Telkens terwijl zij den regelmatigen, rustigen adem van het kind naast zich hoorde suizen, herhaalde zij in zichzelve die, niet te beantwoorden vraag: waarom dacht ze aan.... Paul?
IV.
Otto, die zijn aanstaande woonplaats was gaan bezichtigen, kwam den volgenden morgen op de Horze, om er een week te vertoeven, voor hij zijn nieuwe betrekking ging aanvaarden. Het domein, waar hij nu als rentmeester benoemd was, was dicht bij Elzen gelegen, en hij zou vaak een uitstapje naar de Horze kunnen maken. Mevrouw Van Erlevoort troostte zich met de gedachte, dat hij zich niet geheel en al zou terug trekken in een doodsche afzondering. Dicht bij het blijmoedige leven op de Horze zou hij zichzelven weder kunnen worden, en geheel zijne smart van zich kunnen werpen.
Théodore was naar zijne boeren en zijne landerijen toe, en Arnold Van Stralenburg had hem vergezeld. Truus was bezig met haar huishouden. De kinderen speelden in het park of in de gymnastiekkamer onder toezicht der bonnes. Mevrouw Van Erlevoort zat met Mathilde, Suzanne, Frédérique en Marianne op een der groote, overdekte en omwingerde balcons, terwijl Otto vertelde van zijn bezoek aan het domein.
--En Etienne? vroeg hij.
Mevrouw glimlachte verheugd.
--Die is vroeg opgestaan, sprak Freddy, heeft met veel drukte en deftigheid zijn studeerkamer ingericht en werkt al. Je ziet, hij profiteert van zijne goede impulsies....
Marianne stond eensklaps op.
--Waar ga je naar toe, Marianne? vroeg Suzanne.
--Ik ga lezen, op mijn plekje achter in het park! zeide zij. Freddy, daar is zoo een heerlijk plekje, vol lelietjes van dalen. Ga meê, dan zal ik je daar vertellen van een prachtig boek, dat ik bezig ben te lezen: Ein Gebet van Carmen Sylva....
Zij vertrokken beide en ook Otto en Suzanne wilden een wandeling maken en lieten mevrouw en Mathilde alleen. Suzanne had Otto in langen tijd niet gezien, daar hij den vorigen zomer te Londen bij zijn zwager Howard vertoefd had, in plaats van op de Horze te komen. Zij had haar broêr niet ontmoet na de paar dagen, die hij met zijne moeder en Eline te Zwolle had doorgebracht, en zij vond hem, nu zij hem weêrzag, nadat er zooveel voor hem veranderd was, oud geworden. Zijn gelaat was als een masker van stille melancholie, waaronder Suzanne iets bitters ried.
Zij nam zijn arm in den hare en zij dwaalden een oogenblik zwijgend in de groote lanen van het park, onder het zwoele loover der hooge eiken, stovende in de Juli-ochtendzon. Groote varens hieven hunne lange waaierbladen op aan de boorden der slooten, die, blauwend groen, zich overglansden met tinten van metaal en email, en spinnen hadden van stengel tot stengel hare fijne webben geweven als uit draden van zilverig glas. Hier en daar schemerde, vergeeld wit en fluweelig van een woekerend mos, een verminkt beeld op een voetstuk, een Flora of een Pomona. Een adem van vuur scheen van boven uit het geblaârte neêr te zinken over de paden, waarlangs als onkruid de wilde kamperfoelie, zoet van geur, bloeide en hare verwarde stengels van heester op heester slingerde, terwijl uit het broeiende groen de dolle kervel hoog opschoot, met tal van blanke zonneschermpjes.
Otto en Suzanne liepen langzaam voort. Verder op zagen zij twee lichte figuurtjes tusschen bladeren en twijgen verdwijnen; het waren Frédérique en Marianne, die het plekje der lelietjes van dalen opzochten. Achter hen klonk een lach, een kreet der kinderen, die stoeiden op een grooten zandhoop, welke in het lommer dicht bij het heerenhuis lag.
--Wat is het hier toch altijd mooi! sprak Suzanne eindelijk. Ik vind het heerlijk dat Théodore, al is het ook uit economie, het park maar verwaarloost; daardoor krijgt het iets van een woud! Ik herinner me: vroeger, toen ik een kind was, had papa een regiment van tuinlui en het park zag er altijd als een tuin zoo netjes uit, met koepeltjes en kijkjes en vazen en beelden. En nu zijn de koepeltjes vervallen en sommige van de beelden hebben geen armen meer. O, weet je niet, dat jij zelf altijd op die nimf daar klom en toen haar arm hebt gebroken?
--Ja, sprak Otto.
--Papa was zoo boos, en je moest drie dagen op je kamer eten en je kreeg alleen droog brood met water. Herinner je je?
--Ja, knikte Otto glimlachend.
--En je wilde geen vergiffenis vragen aan papa--je was brutaal geweest, toen hij op je gebromd had--en mama vroeg je toen, om het toch maar te doen.... Herinner je je wel?
Hij drukte even haren arm, zonderling, bijna tot weenens toe verweekt door die herinnering uit zijne kinderjaren, welke zich dooreen warde met herinneringen van een paar zomers geleden, toen hij, niet met Suzanne, toen hij met hàar hier had rondgedwaald....
--Zeg, Otto! vroeg Suzanne eensklaps. Zal je niet naar Den Haag verlangen, als je zoo alleen te Elzen woont?
--Neen! antwoordde hij heftig. Neen, o neen! Ik wil van Den Haag weg.
Zij zag hem aan, verschrikt over zijn toon, en hij voegde er zachter bij:
--Ik hoû van het buitenleven en ik verlang naar iets anders dan naar mijn bureau.
--Wil je om geen andere reden van Den Haag weg? vroeg zij zacht.
--Om een andere reden? Neen, wel neen....
Hij zette zich op eene bank, maar zij bleef staan en plukte werktuigelijk de trossen der kamperfoelie boven zijn hoofd. Zij had op de lippen eene vraag, die zij niet uiten kon.
--O, Otto, zeg me.... is het niet om.... om? stamelde ze.
Hij zag vóór zich, terwijl zij de verwarde stengels uit elkaâr rukte. Langzaam sprak hij:
--Wat meen je toch, Suze-lief? Dat het zou zijn om.... om Eline? fluisterde hij terug met eene stem zonder uitdrukking.
--Ja! hernam zij verlegen en zette zich met eene liefkoozende beweging naast hem en ordende hare kamperfoelies.
--Maar zusje-lief! vervolgde hij, steeds dof en op een wijze, als uitte hij een zin, dien hij met moeite van buiten had geleerd, hoe kan je dat denken? Denk je, dat een man altijd om een meisje blijft treuren en dat een man er niet langzamerhand overheen komt, wanneer zijn meisje hem zijn woord teruggeeft. Natuurlijk speet het me in den eersten tijd, en was ik er verdrietig om. Maar nu is het over, nu is heusch alles voorbij. Je ziet elkander niet meer, je denkt langzamerhand niet meer aan elkander en je vergeet elkaâr. Aan een gebroken hart is nog niemand in de werkelijkheid gestorven en daarbij: het hart van een man breekt zoo gauw niet, je hebt immers je bezigheden en het leven gaat zijn gang en laat je geen tijd veel over je verdriet na te denken, al zou je dat willen. Bij een vrouw is dat anders, die geeft zich meer aan zulke gevoelens over, niet waar?
Hij stond op als in een droom en zij volgde hem.
--Ja, dat is wel zoo, sprak ze, niet overtuigd.
--Dan vergeet je elkaâr, vervolgde hij op denzelfden toon: en dan kan het best gebeuren, dat je later beiden iemand anders ontmoet, van wien je begint te houden en met wien je gelukkig wordt. Zoo gebeurt het honderdmaal in het leven.
--O ja! sprak zij weêr en hij, hij dacht aan een zin uit Eline's brief: "dan vindt je een meisje, dat je waard is, en dat je gelukkig kan maken...."
--Je moet je dus maar niet verbeelden, dat ik aan romaneske liefdesmarten lijd! eindigde hij met iets als een schertsenden glimlach. Zoo verschrikkelijk is het heusch niet met me gesteld, hoor!
Zij zweeg, vol treurigheid dat hij zoo sprak. Hij was dan, evenals Mathilde, te trotsch om een ander in zijn leed te laten mede lijden en hij verschool zich in een aangenomen ongevoeligheid, die zij doorzag, hoewel zij het hem niet deed blijken. Zij liepen een pooze stil voort en vernamen eensklaps een opgewonden stem, die een lang verhaal scheen te doen. Het was Marianne, met Frédérique tusschen de lelietjes van dalen gelegerd en die haar den inhoud van "Ein Gebet" mededeelde.
--Het is wel overdreven, maar het is prachtig, het is zoo boeiend! Zie je, Raoul doet boete voor zijne moeder, die een zondares is geweest, hoewel ik niet geloof, dat het zoo vreeselijk was, wat ze gedaan had! Hij wordt priester en kastijdt zich en geeselt zich. Ik kon er niet van slapen toen ik het gelezen had, hoe hij dan het huwelijk inzegent van Tassillo en Editha. Editha is vreeslijk zacht en lief en van Editha heeft Raoul altijd gehouden. Berthalda daarentegen, is hartstochtelijk. Nu, ik vertelde je, dat Berthalda de hostie vergiftigd heeft! Als Raoul dus de hostie aan Editha geeft, o, verbeeld je, dan zinkt ze stervend neêr, en in plaats dat zij Raoul het huwelijksformulier nazegt, spreekt zij voor het laatst zijn eigen naam uit: Raoul! Zoo sterft ze, vindt je het niet vreeselijk? Ik heb er over liggen te snikken! En Berthalda doet ook boete en gaat in een klooster, onder de aarde, waar de zon nooit schijnt; en Raoul is in éen nacht geheel en al grijs geworden.
Otto en Suzanne hadden, onzichtbaar achter de dikke stammen, geluisterd en zij keerden nu op hun weg terug.
--Zie je, Suze! sprak Otto met dien zelfden pijnlijk schertsenden glimlach: ik ben niet in éen nacht grijs geworden; ik ben heusch niet als Raoul!
Zij bleef zwijgen, hangende aan zijn arm, en zwaaiende met hare kamperfoelie, poogde zij even te lachen en neuriede zij een wijsje.
V.
Kalm en eenvoudig vloeide het leven op de Horze voort. Otto was naar Elzen vertrokken. Etienne studeerde in een ontoombare aandrift. Na het ontbijt verdween hij in zijn kamer en werkte; na het koffiedrinken verdween hij er opnieuw en werkte eveneens; des avonds verpoosde hij zich een weinig in den familiekring, sprong over Van Stralenburg en bokste met hem en wanneer de anderen te bedde gingen, werkte hij ten derde male, tot laat in den nacht toe. Het was een rage: er was geen spreken tegen, en hoewel mevrouw Van Erlevoort hem bezorgd opnam en klaagde, dat hij bleek werd, liet hij zich niet van zijn stuk brengen en werkte hij door.
Op zekeren dag kreeg Etienne een brief van Paul, waarin deze hem mededeelde, dat hij hem wellicht spoedig met een bezoek zou komen vereeren. Daarna wilde Paul gaan reizen, in Duitschland of Italië. Etienne vertelde van den brief en Théodore bromde en beweerde, dat Paul hem nu zeker van zijn studies zou afhouden en hem wellicht zou meetroonen op reis, maar mevrouw Van Erlevoort was daarentegen zeer verheugd en meende, dat Pauls komst een goede afleiding zou zijn. Heusch, de jongen werkte nu te veel, hij zou ziek worden van dat eeuwige geblok.
Frédérique had met een glanzenden glimlach Etienne's aankondiging gehoord en gezwegen. Den dag van Pauls komst zag zij met dien zelfden glimlach in den spiegel, rozig van gezondheid. Met hare bruine oogen vol donker getintel, als van zwarte edelsteenen, met haar zwaar donkerbruin haar, dat zijdeachtig kroesde op de melkblankheid van heur nek, trof het haarzelve, hoe mooi ze in haar eenvoudig roze katoentje was, krachtig van gestalte, groot en vol als van eene koningin, die steeds vriendelijk glimlachte, omdat zij gelukkig was, zoo gelukkig!